XVII

Des anderen daags, zoohaast het klaar dag was geworden, had de kastelein

Hacket aan alle kanten boven de muren een zeker getal schildwachten

gesteld, en dan de horens doen blazen en bevel rondgezonden, dat alwie

zich binnen den burg bevond, op het plein zou vergaderen.

Hij wilde door dezen oogenschouw het verlies afmeten dat zij in het

noodlottig nachtgevecht hadden geleden, en tevens zijne overblijvende

macht berekenen.

Daar stonden nu de Kerels en hunne oversten in gelederen geschaard, te

midden van den burg. Zij konden ten hoogste nog vierhonderd in getal

zijn. Achter hen hielden zich de tien of twaalf Kerlinnen, die met hunne

mannen binnen Brugge gekomen waren. Eene geringe bende gewapende

poorters vormde den linkervleugel.

Verder, naar den kant van het Gyselhuis, stond een groote hoop

ongewapende poorters, waartusschen insgelijks vele vrouwen. Dezen waren

op den burg gekomen als arbeiders of handelaars, om een hoog dagloon te

verdienen of door het verkoopen van drank of eetwaren winst te doen.

Voor de deur van het kloostergebouw zag men eenige kanunniken en klerken

die, ofschoon niet geroepen, buiten waren gekomen om te zien wat er op

het plein geschiedde.

Zeer verschillend was de houding van al deze lieden. De Kerels, alhoewel

hunne kleederen waren gescheurd of doorhakt en velen een verband aan

hoofd of arm droegen, zagen er moedig en trotsch uit. Het ongeluk van

dezen nacht, door het verraad van eenen valschen broeder hun berokkend,

had hen diep verbitterd en met wraakzucht vervuld; doch hun vertrouwen

in eene eindelijke zegepraal was er niet door verminderd. Zij wisten dat

op dien dag het groote Kerlenleger in het Wolvennest-bosch vergaderen

zou. Morgen reeds misschien zou graaf Willem Van Loo naar Brugge komen

afgezakt, en zouden dan vijftien- of twintigduizend Kerels eenige moeite

hebben om de Isegrims te verpletten of te verstrooien, als de rukwind

het stof?

Zoo gerust en zoo vertrouwend waren de Brugsche arbeiders, zoetelaars en

vrouwen niet. De mannen keken treurig en met den schrik op het

aangezicht naar de Kerels, in de zwakke hoop dat dezen iets ten hunnen

gunste zouden beslissen; de vrouwen weenden en hieven biddend de handen

in de hoogte, God de wreede ramp klagende die hen zoo onverwachts van

hunne kinderen had gescheiden om hen toe te wijden aan eenen

schrikkelijken dood.

Zij wisten dat men bij het aanbreken van den dag eenen bode naar den

vijand had gezonden, met den last om oorlof te verzoeken om de

onschuldige poorters en vrouwen uit den burg te laten gaan; maar,

eilaas, hij was wedergekeerd met het droevig antwoord dat de ridders al

degenen die met de moordenaars van graaf Karel zich op den burg

bevonden, als medeplichtig aan de gruwelijke misdaad beschouwden, en

zonder genade zouden dooden en martelen wie, om den burg te verlaten,

zich buiten eene poort durfde vertoonen. Zelfs hadden de ridders

geweigerd de kanunniken en leekebroeders van St-Donaas bij het vellen

van dit vonnis uit te zonderen zoolang de bisschop over hun lot niet zou

hebben beslist, dewijl men in het leger wel meende te weten dat sommige

kanunniken het met den proost van St-Donaas hielden.

Robrecht Snelooghe stond voor de gelederen zijner Ravenschootsche

Kerels. Hij liet het hoofd hangen en scheen onverschillig aan hetgeen er

rondom hem geschiedde. Dakerlia, zijne verloofde, Witta, zijne zuster,

in de macht van zijnen vijand, van den snoodaard, die zoo laf zijn

geslacht en zijn vaderland had verraden! Dit schromelijk gepeins

vervolgde hem als eene nachtmare en hield zijne geestkracht verslonden.

In zijne ooren bromde de schaamtelooze taal van Disdir Vos, daar hij

Dakerlia bedreigde en haar zijne liefde aanbood! Voor zijne oogen

spookte het tooneel van den smaad en de mishandelingen waarmede hij de

arme Witta bejegende! Dakerlia, de moedige, fiere Dakerlia zou hem

verstooten en verachten, en hij, de booze, wat zou hij doen? Was het een

voorspellend gezicht, de gemartelde lijken die in het verschiet voor

zijne blikken heendreven?

Hij was wel ongelukkig, de arme ridder. Waar bevonden zich Dakerlia en

zijne zuster? Welk was hun lot? Zou hij hen nog ooit wederzien? Deze

onzekerheid pijnigde hem verschrikkelijk, en deed zijn minnend hart

bloeden.

De andere oversten en de Kerels eerbiedigden Robrechts smart, waarvan de

bron hun bekend was; zij staarden soms ontroerd op hem en schudden

medelijdend het hoofd.

Slechts een enkele Kerel aanschouwde hem half spottend en met eenen

glimlach van misprijzen. Het was Burchard, die in zich zelven mompelde

dat het eene lafheid was over het lot van vrouwen te treuren en den moed

te laten zakken, wanneer land en vrijheid in gevaar verkeerden.

Burchard was woedend en verbitterd; een gevoel van verdriet of van nijd

ontstelde hem. In het nachtgevecht had hij meer dan de helft zijner

Houtkerels verloren, terwijl integendeel de bende van Ravenschoot bijna

geheel door het lot was gespaard geworden. Ingelram Van Eessen en zijne

gezellen, die Burchard den moord hadden helpen plegen, waren niet in den

burg. Hunne meeste mannen uit het Noord-Vrije vermiste men insgelijks.

Waren zij in den nachtelijken strijd gesneuveld, of hadden zij hun

behoud in de vlucht gevonden?

Zoo was Burchards macht veel verminderd, en zoo bekwam de invloed van

Robrecht, dien hij bedektelijk als zijnen vijand beschouwde, op de

bezetting het overwicht. Deze gedachte kwetste en vernederde hem.

Toen de oogenschouw was geëindigd en de optelling gedaan, deelde de

kastelein Hacket verschillige bevelen uit, tot het goed bewaken der

wallen en tot het versterken van zekere zwakke plaatsen van den burg.

Hij gebood dat men in allernaast twee der poorten van achter met eenen

aarden dijk zou afsluiten, opdat men, in geval van bestorming, al de

beschikbare macht tot de verdediging der andere twee poorten zou kunnen

aanwenden. Het was te vermoeden, dacht hij, dat de Isegrims, door hunne

overwinning aangemoedigd, nog dien dag eenen aanval tegen den burg

zouden wagen. Daarom moest men zooveel steenen mogelijk boven de muren

dragen, en het vuur onder de ketels met ziedende olie immer onderhouden.

Hij eindigde met elkeen tot onversaagdheid en vertrouwen aan te manen,

en gaf hun de verzekering dat morgen of overmorgen, in alle geval binnen

weinige dagen, het groote Kerlenleger hunne vijanden zou komen

verstrooien.

Dan deed hij nog eens de horens blazen en zond allen naar hunne wacht

boven de wallen, of naar den hun opgelegden arbeid.

Hij zelf begaf zich naar de proostdij om zijnen broeder Bertulf den

uitslag der optelling te gaan mededeelen.

Robrecht bleef op het plein om den arbeid zijner mannen te bestieren,

die belast waren achter de poort, die nevens des kasteleins Steen

uitgang naar de Vischmarkt gaf, eenen dijk van aarde en steenen op te

werpen.

Hij wandelde in treurige mijmerij over en weder, aan niets denkende dan

aan Dakerlia en aan zijne zuster, gaf nu en dan in verstrooidheid een

bevel aan de arbeiders, doch liet even ras weder het hoofd op de borst

zakken, om zijne pijnlijke droomen voort te zetten.

De dijk achter de Hoogpoort was bijna voltooid, toen de jonge kanunnik

Ludgard, die Robrecht een vriend was, hem naderde en op troostenden toon

zeide:

"Mher Sneloghe, ik heb van den heer proost de reden uwer droefheid

vernomen. Gij zijt wel ongelukkig, inderdaad; uw lot boezemt mij een

diep medelijden in."

"Eilaas", zuchtte Robrecht, "zoo, door eenen enkelen slag mijne zuster

en mijne bruid verliezen! alwat mij dierbaar was op aarde!"

"Maar, vriend Sneloghe, wanhopen moogt gij toch niet", murmelde Ludgard.

"O, mijn God!" kreet Robrecht, zich de hand aan het voorhoofd slaande,

"niets, niets kunnen doen tot hunne verlossing! Dakerlia in de macht van

Disdir Vos! Het hart verkrampt mij van schrik.... De snoode verrader is

tot alles bekwaam. Neen, de lafaard zou niet terugwijken voor de

gruwelijkste euveldaad.... En ik, ik weet het; ik zou mijnen laatsten

druppel bloed willen storten om haar uit zijne klauwen te redden, en,

ach, ik ben machteloos als een kind, ik kan niets, niets!"

Bij deze woorden wrong hij de vuisten zoo geweldig, dat zijne vingeren

hoorbaar kraakten; hij scheen inderdaad aan de diepste wanhoop

overgeleverd.

"Nu, Robrecht", sprak de kanunnik, "gij moogt uw ongeluk niet

overdrijven; het is door zich zelf reeds groot genoeg. Waarom denkt gij

dat Dakerlia Wulf en uwe zuster in de macht van Disdir Vos zich

bevinden?"

"Heeft hij ze niet uit hunne woning gerukt?"

"Inderdaad, de heer proost heeft het mij gezegd; maar Disdir Vos is aan

het hoofd van wapenknechten in sher Wulfs Steen gekomen. Hij handelde

dus op bevel van mher Gervaas Van Praet. Acht gij dezen ridder bekwaam

om vrouwen te laten mishandelen? Neen, niet waar? Gij kent hem genoeg om

te weten dat hij het Disdir Vos evenmin zou toelaten? Mijne meening is

dat de verrader Disdir Vos, om zich op u te wreken, Dakerlia en uwe

zuster den veldheer heeft aangewezen als kunnende hem in zekere gevallen

tot gijzelaressen verstrekken. Hij heeft de beide jonkvrouwen aan mher

Gervaas overgeleverd, en nu zitten zij waarschijnlijk ergens gevangen.

Misschien zijn zij buiten Brugge gevoerd, om u en uwe vrienden te

beletten eenige poging tot hunne verlossing te beproeven."

Robrecht had zich een oogenblik door deze troostende overwegingen laten

verleiden. Nu echter schudde hij moedeloos het hoofd.

"Ik hoop niets", zeide hij, "het ergste moet mij gebeuren."

"Hoe? Ik begrijp u niet."

"Het is de straf der gruwelijke misdaad. Zij begint met mij."

"Maar wat schuld hebt gij aan den moord des graven, Robrecht?"

"Ach, ik heb er den gansenen nacht wakende aan gedroomd", zuchtte mher

Sneloghe. "Wat schuld, Ludgard? Is de moordenaar Burchard niet van het

bloed der Erembalds, evenals ik? Is het daarom niet dat de proost, dat

de kastelein en ik gedwongen zijn hem te verdedigen? De bloedplicht

maakt ons verantwoordelijk voor zijne daden...."

"Maar, Robrecht, God, die de hoogste rechtvaardigheid is, oordeelt zoo

niet. Hij loont ieder volgens zijne werken. Binnen weinige dagen zal de

nieuwe graaf met het Kerlenleger voor Brugge verschijnen. Hij zal uwe

verloofde en uwe zuster tegen gevangene ridders uitwisselen.... Kom,

mijn vriend, heb moed!"

Een soort van spotgrijns trok Robrechts lippen te zamen.

"Moed?" schertste hij. "De wanhoop is ook moed, en zij maakt mij bekwaam

tot blinde onversaagdheid. Kome de vijand, hij bestorme den burg, ik

weet wel wie met vurige begeerte den dood zal zoeken...."

Na eene wijl stilte greep de kanunnik mher Sneloghe de hand en zeide:

"Neen, Robrecht, weersta de sombere vertwijfeling. Hare voorname bron is

de onzekerheid waarin gij u aangaande het lot uwer zuster en uwer

verloofde bevindt; ik begrijp het wel."

De jonge ridder knikte bevestigend.

"Welnu, vertrouw dan op mijne hulp, om dit lot te kennen."

"Op uwe hulp?" mompelde Robrecht verbaasd. "Hoopt gij den burg te kunnen

verlaten?"

"Luister, het is nog een geheim. Wij kunnen den proost, noch den Kerels

hier van eenig nut zijn. Wij hebben brieven aan pijlen gehecht en deze

langs verschillige zijden in de stad doen schieten. Op dezelfde wijze is

ons reeds antwoord toegekomen. De abt van het klooster te Eeckhout zal

zich tot den veldheer begeven, om voor ons oorlof te bekomen tot het

verlaten van den burg met de reliquieën en gewijde vaten. Hij kan dit

oorlof niet blijven weigeren. Zoohaast ik in de stad ben, zal ik naar de

plaats vernemen waar jonkver Wulf en uwe zuster zich bevinden, en ik zal

wel eenig middel uitvinden om er u van te berichten. Ik ken vele ridders

en bezit invloed genoeg bij mher Gervaas om de arme jonkvrouwen tegen

den verrader Disdir Vos te beschermen."

Robrecht greep de beide handen van den kanunnik en drukte ze dankbaar.

Hij glimlachte; het scheen dat deze weinige woorden hem hadden getroost

en eenen helderen straal van hoop in zijn hart hadden geworpen.

Nog gedurende eenigen tijd koutte hij meer opgeruimd met den kanunnik;

dan ziende dat zijne mannen hunnen arbeid hadden voltooid, zeide hij dat

hij op de wallen moest gaan om te zien of alles aan de zijde naar de

Markt, met welker verdediging hij was belast, tot het afweren van eenen

storm in gereedheid was.

Hij dankte nog eens den kanunnik voor zijne troostende belofte, en

beklom dan, door zijne mannen gevolgd, den hoogen vestingmuur.

Nadat hij zijne bevelen had uitgedeeld, wandelde hij achter de kanteelen

over en weder en schouwde over de Markt naar den vijand, die buiten het

bereik der pijlen in en voor de huizen zich hield.

Veel bedrijvigheid bemerkte hij niet tusschen hen; zij schenen te

rusten, en waarschijnlijk zouden zij dien dag niets ondernemen.

In dit vermoeden werd hij bevestigd door den kastelein Hacket, die hier

bij hem kwam en zeide:

"De vijand zal heden geenen aanval wagen, en misschien morgen evenmin."

"Mij dunkt insgelijks dat zij ginder gansch ondadig zijn", antwoordde

Robrecht; "maar, oom, hoe kunt gij hunne inzichten kennen?"

"Ik weet het door eenen brief dien men in den burg geschoten heeft. De

brief zegt dat de Isegrims niets zullen ondernemen voordat de Gentenaars

met de groote stormtuigen aankomen?"

"De Gentenaars?" herhaalde Robrecht, het hoofd ontevreden schuddende.

"De poorters van Gent waren onze vrienden, en zij insgelijks haatten de

Isegrims, die hunne reeds ingekorte vrijheden bedreigden. Eilaas, de

moord van graaf Karel heeft hen nu vijanden der Kerels gemaakt!"

"Toch niet; gij misgrijpt u. Geen enkel poorter zal tegen ons willen

optrekken; maar de stormtuigen behooren tot den burg van Gent, en de

kastelein dier stad heeft al de mannen der kroon tot zijne beschikking.

Dezen zijn het die de stormtuigen zullen aanvoeren. Zij kunnen zich nog

eenige dagen laten wachten; in dit geval beklaag ik hen: zij zullen hier

het groote Kerlenleger vinden en al hun stormtuig verliezen."

"Maar, oom, is het bericht dat gij hebt ontvangen geene list om onze

waakzaamheid te doen verslappen?"

"Neen; ik meen het schrift te herkennen. Het is van eenen verkleefden

vriend der Kerels. Zie, de brief is onderteekend."

Hij reikte zijnen neef een geopend stukje perkament. Deze bestaarde het

eene wijl en mompelde:

"Wat beduidt het beeld van eenen rooster, dat men onder de letter E

heeft geteekend?"

"Begrijpt gij het niet? Elfrid Rooster, den graankoopman die bij den

Maalberg woont. Van op zijn dak kan hij in den burg schieten. Hij is

poorter van Brugge, alhoewel een trouwe Kerel. Wij mogen geloof hechten

aan zijn bericht. Nu ben ik voornemens de meeste mannen naar beneden te

zenden om te gaan rusten...."

"Zie, zie!" kreet Robrecht eensklaps, "wat geschiedt ginder, bij de

St-Christoffelskapelle? Een groote toeloop van ridders en

wapenknechten!"

"Mij dunkt", murmelde de kastelein, "dat ik twee bazuinblazers bemerk."

"Inderdaad, en eenen wapenbode. Zij zullen ongetwijfeld naar den burg

komen, om ons eene boodschap te brengen."

"Zij heffen eene witte baander in de hoogte, om ons het opschorsen der

vijandelijkheden te vragen. Hijsch ten teeken van toestemming de

vredevlag in de hoogte."

Mher Sneloghe volvoerde dit bevel, keerde terug bij zijnen oom en

schouwde weder over de Markt.

"Wat mag dit beteekenen?" zeide hij. "Vijf of zes priesters achter den

wapenbode! Misschien een antwoord van den bisschop op des proosts

brieven? Nu is het wapenstilstand; wij hebben niets van den vijand te

vreezen. Ik loop haastig mijnen oom, den proost, verwittigen."

De tijding van de komst der priesters verspreidde zich onmiddellijk door

den burg, en iedereen kwam buiten op het plein; zelfs de Kerels, die op

de muren geene vaste wacht hadden, daalden naar beneden.

Welhaast werd de poort geopend en de wapenbode met zijn gevolg

binnengelaten.

De proost en de kanunniken herkenden in dengene die de aanleider der

priesters scheen, den abt van St-Pietersklooster, te Thourout. Zij

stuurden hem hunne groetenissen toe, poogden het doel zijner komst te

vernemen, en noodigden hem uit om in de proostdij te treden. Zij hadden

eerst de vaste hoop gehad dat hij gezonden was om, in naam van den

bisschop, de ontheiligde kerk te herwijden; maar zijne

kwaadvoorspellende houding en zijn stilzwijgen boezemden hun nu eenige

vrees in.

De abt, zonder iemand te hebben geantwoord, bleef op het midden van het

plein staan, en las met luider stemme eenen Latijnschen brief af,

waarbij door Simon, bisschop van Noyon, al degenen die tot den moord van

graaf Karel hadden geraden of geholpen, of de wapens hadden opgenomen om

de moordenaars te verdedigen, in den ban der heilige Kerk geslagen

werden en van de gemeenschap der Christenen afgezonderd.

Onmiddellijk daarop verhief hij de stem nog meer, opdat elk hem mocht

verstaan, en zeide in de Dietsche taal tot de omstaande menigte:

"Het zij u kond dat de bisschop Simon, van Noyon, al degenen die zich in

dezen burg ter verdediging der moordenaars van graaf Karel van

Denemarken bevinden, alsook de plaats waar de gruwelijke misdaad werd

gepleegd, met den kerkelijken banvloek slaat. Geene godsdienstige

plechtigheden mogen hier nog geschieden, noch mis gelezen, noch biecht

gehoord. Niemand heeft hier nog deel aan de verdiensten der heiligen of

aan het gebed der Christenen; en wie er sneuvelt of sterft, is gedoemd

tot het eeuwige vuur der helle[69]!"

De vrouwen en poorters, die zich tegen hunnen wil in den burg bevonden,

hieven de armen klagend in de hoogte of huilden van angst en

vervaardheid, bij het schromelijk oordeel dat de abt over hen had

uitgebliksemd.

Op de Kerels deed deze afkondiging eenen min diepen indruk. Zij zagen er

somber en verstoord uit en mompelden bittere woorden, doch luisterden

met ontzag naar des bisschops vonnis, dat zij ontvingen als eenen harden

slag, doch waaronder zij evenwel niet plooiden. De abt verklaarde dat

hij van den veldheer oorlof had bekomen om de kanunniken en andere

geestelijke lieden den burg te doen verlaten, de proost Bertulf alleen

daarvan uitgezonderd. Hij eischte als een recht dat men de kanunniken al

de gewijde vaten, kerksieraden en wat meer tot het uitoefenen van den

godsdienst behoorde, liete medenemen.

Toen de vrouwen en ongewapende poorters hoorden dat de geestelijken uit

den burg mochten gaan, vielen zij geknield neder en kropen voor des abts

voeten, zijne bescherming bij den veldheer afbiddende. Zij toch waren

tegen hunnen wil en door verrassing op den burg gesloten geworden. Zij

waren onschuldig aan alle kwaad. Men kon toch niet onrechtvaardig en

wreed genoeg zijn om hen in den banvloek te begrijpen en hen de wettige

wraak der ridders over te leveren, als hadden zij schuld aan den moord

des graven. Hunne vrouwen, hunne ouders weenden over hun lot. Zij zouden

hun leven lang den abt zegenen, indien hij bij den veldheer de

verlossing van zoovele goede, maar ongelukkige Christenen wilde

bewerken.

De abt beloofde hun eene poging ten hunnen voordeele te beproeven; en

toen hij van den proost en van de oversten der Kerels de verzekering had

bekomen dat zij het wegdragen der gewijde zaken niet zouden beletten,

verliet hij den burg met zijn gevolg.

De kanunniken en de kloosterbroeders begonnen onmiddellijk de gewijde

vaten, kruisen, kazuifels, kandelaars en al de kostbaarste kerksieraden

van de autaars en uit de sakristijnen weg te nemen, en buiten den burg

naar de St-Christoffelskapelle te dragen[70].

Boven de Hofpoort en den muur van wederzijde had de kastelein Hacket een

honderdtal Kerels gesteld, die daar met den boog geschouderd, tegen alle

verrassing van buiten moesten waken.

Op de Markt, voor den uitgang der Hofstraat, hielden zich eenige

Brugsche ridders, gesteund door eene bende wapenknechten, dermate

geschikt, dat al wie den burg verliet of er binnen wilde gaan, te midden

door deze wacht moest stappen. Diensvolgens was het onmogelijk dat een

enkele Kerel ontsnapte, aangezien de wakende ridders met al de Erembalds

persoonlijk in betrekking waren geweest, en de Kerels aan hunne lange

baarden en blauwe kleeding herkennelijk waren.

Robrecht, die op het plein stond en het gaan en komen der priesters in

gedachten gadesloeg, zag Ludgard met eene vracht autaarkleederen op de

armen uit de kerk komen. De jonge ridder herinnerde den priester door

een gebaar de belofte welke hij hem aangaande zijne zuster en zijne

verloofde had gedaan, en Ludgard bevestigde hem door het knikken des

hoofds, dat hij de aanvaarde zending met ijver en liefde zou vervullen.

Eenigen der ongewapende poorters en vrouwen waren tusschen of achter de

priesters buiten den burg geslopen; maar niet zoohaast hadden de ridders

en de wapenknechten hen bemerkt, of men had pijlen op hen gemikt,

zwaarden tegen hen opgeheven en hen onder schrikkelijke bedreigingen

terug binnen den burg gejaagd.

Intusschen deed de kastelein eenen der poorters, Jan Harinc genaamd, met

hem geheimelijk in de proostdij treden. Hij raadde hem aan den burg te

verlaten met de andere poorters, die ongetwijfeld, op verzoek van den

abt en als waarlijk onschuldig, oorlof zouden bekomen om naar huis te

gaan.

In den eerste wilde Jan Harinc daarin niet toestemmen; hij had, zeide

hij, de zijde der Kerels gekozen, en zou nu lief en leed met hen deelen,

totdat de nieuwe graaf hen kwame verlossen. Maar toen de kastelein hem

deed begrijpen dat hij buiten den burg hun grootere, ja, onschatbare

diensten kon bewijzen, waarvoor men hem na den oorlog zeer mild zou

beloonen, gaf hij eindelijk zijne toestemming.

Hierop gelastte hem de kastelein, de verrichtingen des vijands

geheimelijk te bewaken en zijne ontwerpen af te spieden. Hij moest de

berichtingen, welke hij kon verzamelen, aan den graankoopman Elfrid

Rooster overbrengen. Deze kon goed schrijven en, daar hij op den hoek

van den Maalberg woonde, was het hem gemakkelijk, zonder door den vijand

gezien te worden, pijlen met brieven tegen den hoogen muur van St-Donaas

te schieten, en van deze pijlen kon geen enkele zijn doel missen of

verloren gaan, dewijl zij onfeilbaar op het kerkhof moesten vallen.

De Bruggeling legde zijne wapens af en begaf zich tusschen de groep met

treurende poorters, die nog immer, bevend van angst, op den uitslag

wachtten der poging welke de abt had beloofd ten hunnen voordeele bij

den veldheer te beproeven.

Er kwam geene tijding; de wanhoop greep de arme poorters aan; de

vrouwen klaagden en kermden luid, als zagen zij reeds den dood voor

hunne oogen spoken.

Nog altijd gingen de priesters en kloosterbroeders, met kostbare

voorwerpen beladen, uit en in den burg. De overvoering, die nu reeds een

paar uren had geduurd, ging ten einde loopen; want reeds waren eenigen

der dragers met ledige handen uit kerk en klooster gekomen.

De vertwijfeling der onschuldige poorters vermeerderde bij de

overtuiging dat de veldheer de bede des abts had verworpen; eenige

vrouwen rukten zich de haren uit, anderen lieten zich huilende ten

gronde vallen.

Terwijl Robrecht verstrooid doch met medelijden het tooneel hunner

verschriktheid aanschouwde, trad de kanunnik Ludgard, die nog niet eens

was teruggekeerd, de Hof poort binnen en deed reeds van verre tot mher

Sneloghe een teeken, dat hij hem zou volgen.

Robrecht ging hem achterna tot op het midden van het plein.

"Welnu, kanunnik, brengt gij mij eenige tijding?" vroeg hij met

verdoofde stem, om niet door de over en weder gaande Kerels te worden

gehoord.

Ludgard knikte bevestigend.

"Gij weet waar zij zijn?"

"Ja; men heeft hen opgesloten; en men houdt hen gevangen in eene

benedenkamer van sher Disdirs Steen, in de Moerstraat."

"Hemel! zij zijn dus waarlijk in de macht van Disdir Vos!" kreet

Robrecht.

"Eilaas, ja!"

"Heeft hij hen mishandeld?"

"Ik weet het niet; zij weenen en kermen den ganschen dag."

"Zij weenen en kermen? O, de booze lafaard!"

"Misschien, Robrecht, heeft mher Vos hen evenwel niet mishandeld; hunne

wanhoop schijnt eene andere oorzaak te hebben. Zij gelooven dat gij in

het nachtgevecht gesneuveld zijt."

"Ha, de verrader! Ik begrijp kanunnik: hij heeft Dakerlia mijnen dood

aangekondigd, in de hoop dat hij haar dus zal kunnen overhalen om hem

hare hand te schenken. Maar hij kent Dakerlia niet! Gij hebt haar

gezegd, niet waar, dat ik leef en onverpoosd aan haar denk?"

"Gij misgrijpt u, Robrecht", antwoordde de kanunnik op haastigen toon.

"Ik heb uwe zuster noch jonkver Dakerlia gezien. Luister en onderbreek

mij niet; het kon voor mij gevaarlijk worden, indien men bemerkte dat ik

zoolang in geheime samenspraak met u blijf. Onmiddellijk nadat ik uit

den burg was gegaan, hield ik mij bezig met het vervullen mijner

belofte. Natuurlijk richtte ik mij naar sher Disdirs Steen. Daar woont

eene oude meid, die mijn biechtkind is. Van haar vernam ik wat ik u heb

gezegd. De jonkvrouwen kon ik niet naderen. Zij worden bewaakt door

twintig wapenknechten, die allen toegang tot hen afgesloten houden....

Nu, wat beduidt dit blij gejuich? Ha, de arme poorters mogen den burg

verlaten!"

Inderdaad, er was een wapenbode verschenen die vanwege den veldheer de

toelating had gebracht om de poorters van Brugge uit den burg te laten

gaan. Zijne afkondiging was onthaald geworden met vreugdekreten,

dankzeggingen en gejubel. Hadde hij niet het bevel medegedeeld dat de

poorters en hunne vrouwen slechts stil en met tragen stap over de brug

mochten gaan, zij zouden waarlijk door de Hoogpoort zingend en juichend

op de Markt gestroomd zijn.

Nu verlieten zij den burg bij kleine groepen en stapten langzaam

tusschen de wapenknechten en ridders door, die hen wel nauwkeurig

bekeken, doch niemand terugdreven.

De bode verklaarde in naam van mher Gervaas Van Praet, dat de

wapenstilstand ging ophouden en voortaan elkeen, wie hij ook waren, die

den burg poogde te verlaten, zou worden gedood of gehalsrecht, als

medeplichtig aan den moord des graven.

"Ik moet u in allerhaast verlaten, Robrecht", zeide de kanunnik, hem

bedektelijk de hand drukkende. "Blijf welgemoed; ik zal zooveel mogelijk

over jonkver Dakerlia en over uwe zuster waken...."

"Heb dank om uwe edelmoedige vriendschap, kanunnik; mijne droeve ziel

overlaadt u met zegeningen; mijn gansch leven blijf ik u dankbaar."

Ludgaard verwijderde zich met den wapenbode.

Achter hen werd de Hofpoort gesloten en de stormegge nedergelaten.

Robrecht legde zich de hand aan het voorhoofd en bleef lang te midden

van het plein staan, zoo diep in gedachten verslonden en zoo beweegloos

dat hij, voor degenen die hem zagen, het voorkomen had van een steenen

beeld.

De Kerels van Vlaanderen · 第 49 / 85 题