XVI

Na den mislukten aanslag tegen Brugge waren de ridders teruggetogen naar

het dorp Oostcamp[65], waar zij, tegen het Balanderbosch steunende, zich

hadden nedergeslagen, om op de komst der Gentenaars te wachten, die hun

vele machtige stormtuigen moesten aanbrengen.

In het dorp zelf waren de meeste ridders geherbergd, en werden de

gekwetsten en zieken verpleegd. De wapenlieden lagen onder de open lucht

op den zoom van het bosch, waar zij de waak hielden over de talrijke

paarden, die men niet in het kleine dorp had kunnen stallen.

Van de lange dagreis vermoeid of van den geweddigen stormloop afgemat,

hadden allen zoo goed mogelijk eene plaats gezocht om te rusten,--en nu

sluimerden ridders en wapenlieden den eersten, loomen slaap, alhoewel

het slechts negen uren in den avond kon zijn.

Ware het niet geweest dat het gehinnik der paarden of het geroep der

schildwachten nu en dan de nachtelijke stilte kwam storen, men hadde

niet kunnen vermoeden dat daar, in de dikke duisternis, meer dan

drieduizend krijgslieden waren gelegerd.

Zoo stil en rustig was het echter niet op den burcht van Oostcamp, een

groot en schoon kasteel, door mher Halewijn Van Gruuthuse bewoond.

Deze ridder was vroeger geen Isegrim geweest; hij had integendeel zeer

dikwijls de gevaarlijke ontwerpen der Tancmars afgekeurd en zelfs de

Kerels ten hove verdedigd; maar, zooals het nu bij velen het geval was,

de moord des graven had hem met verontwaardiging vervuld, en hij

wenschte niets meer dan tot de wraakneming over de afschuwelijke

euveldaad te mogen medewerken.

Ook had hij gulhartig den oversten en voornaamste ridders de

herbergzaamheid op zijnen burcht aangeboden, en geene moeite gespaard

om hen wel en prachtig te onthalen.

Zij zaten nu in eene zaal van den burcht, rondom eene lange tafel, nog

beladen met de overblijfsels van smakelijke gerechten; want het

avondmaal was ten einde. Maar des te overvloediger werden de

kostelijkste wijnen rondgeschonken, en het klinken der bekers en het

geschater der hartelijke samenspraak vervulden de zaal met een vroolijk

en verward gebruis.

Ter rechterzijde van den gastheer zaten mher Gervaas Van Praet, de

veldheer van het ridderleger, en Raas Van Gaveren, Jan Van Nevele en

Alyn Van Bouchante, die onder hem het bevel over de scharen voerden. Ter

linkerzijde bevonden zich Gerhart Van Audenaarde, Diederik Van Ter

Beerst en Arnold Van Beveren De overige dischgenoten hadden, volgens

hunne eigen keus, nevens hunne vrienden rondom de tafel plaats genomen.

Nu de wijn het gezelschap begon te verhitten, spraken allen luidruchtig

en met opgevoerdheid van de glansrijke wapenfeiten die elk hunner wilde

bedrijven, en van de meedoogenlooze wraak welke zij op de moordenaars

van graaf Karel zouden uitoefenen. Al de Kerels waren, volgens hen,

medeplichtig aan de ijselijke misdaad; men zou ze uitroeien tot den

laatste toe, hunne hofsteden afbranden, hunne velden verwoesten en zelfs

hunne vrouwen en kinderen dooden, opdat de herinnering aan het

vermaledijd geslacht wierd vernietigd.

Waren er ook al eenige meer bedaarde ridders, zooals Gervaas Van Praet,

die zich tegen zulke algemeene verdelging der inwoners van een groot

gedeelte des lands verklaarden, allen waren het evenwel eens, dat van de

Erembalds en hunne aanhangers en vrienden geen enkele mocht gespaard

worden.

In hunne aangejaagdheid, verbonden zij zich met duren eede niet toe te

laten dat er één Erembald, op welke voorwaarden of door wien ook,

lijfsgenade werd verleend. Zoo zou het ridderschap voor immer verlost

worden van den hoon, dien men zoolang had te lijden gehad, door den

overdreven rijkdom en door den onwettigen invloed dezer trotsche Kerels.

Terwijl zij nog bezig waren met dus hunne vijanden tot eene volstrekte

vernietiging te doemen, en reeds poogden te berekenen welk gedeelte zij

van de uitgestrekte grondbezittingen der Erembalds ten leen zouden

krijgen, traden er eensklaps een tiental minstreelen of speellieden in

de zaal.

Deze minstreelen behoorden zichtbaar tot twee verschillige

gezelschappen; want elk dezer bestond uit eenen doedelpijper, eenen

schalmeier, eenen bommelaar en twee zangers.

Zulke gezelschappen volgden gewoonlijk de legers. Gedurende den rusttijd

en bij lange avondstonden vermaakten zij de ridders, die hunne kunst

zeer vrijgevig loonden.

Nu kwamen zij gewis ter goeder ure; want bij het klinken der bekers

behooren muziek en zang.

Het eerste gezelschap zong een minnelied in de Walsche of Fransche taal.

Zeer geestig waren de rijmen en trippelend en vroolijk het deuntje; maar

evenwel, zoohaast het ten einde was, ontstond van alle kanten, tusschen

de toejuichingen zelve, de roep:

"Van de Kerels! van de Kerels! Laat hooren het lied der Isegrims!"

Nu trad het tweede gezelschap vooruit. Begeleid door doedelzak en

schalmei, en bij het referein door den bommel, verhieven de beide

minstreelen de stem en zongen het volgende lied:

Wij willen van den Kerel singen;

Si sijn van quader aert,

Si willen die rudders dwingen,

Si dragen enen langen baert.

Haer cleedren die sijn al ontnayt,

Een hoedekin op haer hooft gecapt,

't Caproen staet al verdrayt;

Haer cousen en haer scoen gelapt.

Wrongele ende wei, broot ende caes.

Dat eet hi al den dach;

Daerom es de Kerel so dwaes,

Hi eets meer dan hi mach.

Deze vier laatste verzen, die als referein dikwijls met geweldige

begeleiding des bommels werden herhaald, deden de ridders in handgeklap

en schaterlachen losbarsten. Slechts na eene wijl onderbreking konden de

minstreelen hun lied dus voortzetten:

Een groten ruggenen cant

Es harde wel genouch;

Dien neemt hi in sijn hant

Als hi wil gaen ter plouch.

Dan comt hem tot sijn wijf, de vule,

Spinnende mit enen rocke;

Een sleter omtrent haer mule;

Ende gaet syn sceutele broeken.

Wrongele ende wei, enz.

Ter kermesse wil hi gaen;

Hem dinct dat hi es een grave;

Daer wil hij 't al omme slaen

Met sinen verroesten stave.

Dan gaet hi drincken van den wine,

Stappans es hi versmoort;

Dan es al die werelt sine,

Stede, land ende poort.

Wrongele ende wei, enz.

Met enen Zeeuwschen knive

Soo gaet hi deur sijn tassche.

Hi comt tot sinen wive;

Al vul brinct hi sine flassche.

Dan geeft si hem vele quader vloucke.

Als haer die Kerel genaect;

Dan geeft hi haer van den lyscoucke,

Dan es die pays gemaect.

Wrongele ende wei, enz.

Dan comt die grote cornemuse

Ende pijpt hem turelureluut.

Ai, hoor van desen abuse!

Dan maact si groot geluut,

Dan springt si al overhoop,

Dan lacht haer lange baert;

Si maken groot geloop.

Gode geve hen quade vaert!

Wrongele ende wei, enz.

Wi willen de Kerels doen greinsen

Al dravende over dat velt;

Hets al quaet dat si peinsen,

Ie weetse wel bestelt.

Men sal se slepen ende hangen,

Haer baert es al te lanc.

Si ne connens niet ontgangen,

Si ne dogen niet sonder bedwanc.

Wrongele ende wei, enz.

Dat eet hi al den dach;

Hi eets meer dan hi mach[66]

Daerom is de Kerel so dwaes,

De ridders werden in hunne luidruchtige goedkeuring en in hun spottend

lachen gestoord door de komst van eenen wapenknecht, die ongeroepen in

de zaal trad en groetende voor den veldheer kwam staan, als iemand die

eene haastige boodschap brengt.

"Nu, spreek, wat hebt gij mij te melden?" vroeg mher Gervaas Van Praet.

"Heer, een Brugsch ridder heeft zich bij de brandwacht aangeboden om in

het leger te worden toegelaten. Hij moet u onmiddellijk spreken, zegt

hij, om u iets van het grootste gewicht mede te deelen."

"Een ridder? Wie is hij?"

"Zijn naam wil hij voor ons verborgen houden. De veldheer kent hem zeer

wel, zegt hij."

"Breng hem in deze zaal."

"Alleen moet hij u spreken, heer; het is een geheim. Ik heb hem onder

bewaking mijner gezellen in eene kamer van dezen burcht geleid."

Mher Gervaas richtte eenige woorden tot zijne makkers, om hun te

verzekeren dat hij slechts eenige oogenblikken afwezig zou blijven, en

hen aan te manen hunne vroolijkheid onafgebroken voort te zetten. Dan

volgde hij den wapenknecht naar eene bijgelegene kamer van den burcht.

Nauwelijks had hij, onder den schijn der eenige lamp, die hier brandde,

den ridder beschouwd, of hij riep met verwondering uit:

"Mher Disdir Vos! Gij hier? Welke is de reden uwer komst?"

Disdir Vos gaf hem door een teeken te verstaan dat hij in

tegenwoordigheid der wapenlieden niet vrij kon spreken.

De veldheer deed de wachten buiten de kamer gaan, bood Disdir eenen

stoel aan en zeide:

"U zoo te midden van den nacht in mijn leger te zien, daaraan had ik mij

zeker nimmer verwacht, mher Vos. Zenden de Kerels of de poorters van

Brugge u tot mij? Ik verwittig u dat ik de stad op genade wil

overgegeven hebben."

"Gij misgrijpt u over het doel van mijn bezoek, mher Van Praet",

antwoordde Disdir met eenen scherpen glimlach. "De Bruggelingen noch de

Kerels zijn voornemens de stad over te geven. Integendeel, zij hebben

besloten ze tot den laatsten man te verdedigen, zelfs al kwam de koning

van Frankrijk met al zijne macht hen belegeren. Zij zijn ruimschoots

voorzien van alwat er noodig is om maanden lang tegenstand te bieden."

"Ha, ha", spotte mher Gervaas, "laat onze stormtuigen aankomen en Brugge

bezwijkt in de eerste week?"

"Maar, heer, duid het mij niet ten kwade, indien ik u de waarheid onder

de oogen leg, Morgen loopt gansch Kerlingaland te wapen en treedt Willem

Van Loo, dien de Kerels tot graaf van Vlaanderen hebben verkozen, met

een ontzaglijk leger in het veld. Wel verre van Brugge zoo gemakkelijk

te krijgen, zult gij wonderen van dapperheid moeten doen, om niet zelf

overrompeld te worden en onder de overmacht te bezwijken."

"Morgen loopt gansch Kerlingaland te wapen?" mompelde de veldheer

bekommerd. "Zijt gij daar zeker van?"

"Het is zoo sedert lang besloten, heer", antwoordde Disdir. "Wat meer

is, nu Kerlingaland door uwe tegenwoordigheid is bedreigd, zal de

landstorm verkondigd worden, en alwie slechts eenen boog of eene

schermzeis voeren kan, zal zich rondom Willem Van Loo komen scharen.

Indien gij aangevallen werdt door twintig duizend verwoede Kerels, zoudt

gij niet bezwijken, vooraleer eenige hulp u van elders kon toekomen?"

Mher Gervaas schouwde Disdir in de oogen en schudde kommervol het hoofd.

"Ik betwijfel den moed, ja, de onverschrokkenheid uwer ridders niet",

zeide Disdir Vos, "maar het onmogelijke kan niemand"

"Inderdaad", mompelde de veldheer in zich zelven, "het ware voorzichtig

op den weg naar Gent terug te wijken en mijn leger in veiligheid te

brengen, totdat wij met meerdere macht kunnen terugkeeren ... Ik dank u,

mher Vos, voor uw bericht ... Maar laat mij toe u iets te vragen. Gij

zijt een Blauwvoet en waart een aanhanger der Erembalds. Hoe komt het nu

dat gij hun vijandig zijt geworden?"

"Hoe? dit verwondert u, heer?" antwoordde Disdir, in schijn met

gekwetste fierheid. "Welk eerlijk hart zou de Erembalds niet haten na

den gruwelijken moord van graaf Karel?"

"Gij haat de Erembalds?"

"Diep en onverzoenbaar!"

"Hoe wilt gij dat ik geloove? Welk bewijs kunt gij mij daarvan geven?"

"Gij zult het vernemen, heer. Dit is juist het doel mijner komst. Nu

verre van Brugge trekken na den mislukten aanval, dit zal u en uwen

ridders niet behagen. Indien gij de sterke stad kondet veroveren, zelfs

zonder de hulp der Gentenaars te moeten afwachten, ware het niet voor uw

leger en bovenal voor u een wonderlijk wapenfeit, dat men zelfs in

Frankrijk zou roemen?"

"Inderdaad; maar zulke hoop is een droom", schertste mher Gervaas.

"Welnu, die droom kan ik verwezenlijken, nog dezen nacht ... Gij

twijfelt, heer? Ik stel mijn hoofd ten pande voor de waarheid mijner

woorden."

"Gij zoudt mij Brugge leveren?" kreet de veldheer verbaasd. "Nog dezen

nacht?"

"Ja, dezen nacht; en waarschijnlijk zonder veel bloedvergieten"

"Nu, ik bid u, mher Vos, laat hooren uwe middelen. O, kondet gij uwe

belofte volvoeren, ik en al de ridders, mijne gezellen, bleven u eeuwig

dankbaar voor dezen onschatbaren dienst!"

"Ik heb voorwaarden te stellen, heer." "Alwat mogelijk is, wil ik u

verspreken, mher Vos."

"Ik vraag slechts weinig. De Erembalds, als zij zullen weten dat ik

hunne vijanden in de stad heb gebracht, zullen mij pogen te lasteren; en

wie weet of ze niet zullen beweren dat ik deel heb genomen aan hun

verfoeielijk eedgenootschap tegen graaf Karel. Uw woord eisch ik, mher

Van Praet, dat gij tegen al zulke lasteraars wie ze ook zijn mogen, mij

zult verdedigen."

"Het is wel zeker toch dat gij hoegenaamd niet hebt geraden of geholpen

tot den moord des graven?" mompelde de veldheer twijfelend.

"Geheel zeker", antwoordde Disdir. "Robrecht Sneloghe heeft mij in het

eedgenootschap willen trekken ..."

"Mher Robrecht Sneloghe? Hoe is dit mogelijk?" kreet Van Praet. "De

eenige Erembald dien ik hadde willen sparen!"

"De hevigste en schuldigste is Robrecht", ging Disdir voort. Hij is het

die onder een geveinsd voorwendsel mij in de geheime vergadering bracht,

waar de moordenaars te zamen waren. Maar ik heb met verontwaardiging

hunne voorstellen verstooten, en zelfs met tranen hen bezworen hun

gruwelijk opzet te verzaken. Zij beloofden het mij, in schijn met

oprechtheid. Eilaas, en toen ik nog gerust in mijnen Steen lag te

slapen, doopten zij hunne misdadige handen in het bloed van graaf

Karel!"

"Is het zoo, geene genade voor de Erembalds; zij zullen sterven tot den

laatsten toe!" gromde de veldheer verbolgen.

"Ja, zij zijn allen schuldig", bevestigde Disdir, "en allen verdienen

den dood.--Nu, heer, geeft mij uw woord, dat gij mij tegen alle

beschuldiging van medeplichtigheid met de hatelijke Erembalds zult

verdedigen?"

"En gij zult de stad Brugge in mijne handen leveren?"

"Indien ik het niet doe, dezen nacht, zijt gij vrij jegens mij te

handelen zooals u goeddunkt[67]".

"Welaan, daar is mijne hand; ik geef u mijn plechtig woord, mher Vos."

"Nog ééne voorwaarde", zeide Disdir.

"Zoo?"

"Het heeft geen belang voor u, heer. Weet dat ik vroeger naar de hand

heb gestaan van jonkver Dakerlia, de dochter van mher Segher Wulf.

Dakerlia was mij niet ongunstig, en haar vader stemde toe in ons

huwelijk. Robrecht Sneloghe heeft mij mijn geluk benijd, en heeft zelf

de hand van Dakerlia gevraagd. Gij kent de macht der Erembalds, heer; en

het is wel onnoodig u te zeggen dat ik onmeedoogend werd geslachtofferd.

Nu is mijne voorwaarde, dat gij mij helpet om jonkver Dakerlia uit de

macht der Erembalds te verlossen, en mij toelatet, niet alleen haar te

beschermen, maar tevens jegens haar te handelen zooals ik doelmatig zal

oordeelen om hare hand te bekomen."

"Eene liefdezaak?" schertste de veldheer. "Is het anders niet? Dit heeft

geene zwarigheid in, mijn goede Disdir. Desaangaande beloof ik u alwat

gij kunt verlangen."

"Welnu dan, heer, ziehier mijn voorstel. De Kathelijnepoort is slechts

bewaakt door een vijftigtal Kerels. Deze poort, langswaar ik de stad heb

verlaten, kan ik op het uitspreken van een enkel woord doen openen,

dewijl de wacht bevel heeft mij op mijnen eersten roep binnen te laten.

Breng uw leger in stilte onder de wapenen; laat de paarden hier blijven,

leid uwe scharen door de duisternis tot op eenigen afstand van de

Kathelijnepoort. Van daar zal ik met een toereikend getal der stoutsten,

ridders of wapenlieden, vooruitgaan en de poort doen openen. Wij stormen

de stad binnen en overrompelen de wacht der poort. Op ons geschreeuw

komt gij met gansch uw leger toegeloopen. De Kerels en poorters slapen;

wie zich toont wordt verpletterd eer hij op verdediging kan denken; wij

overdekken welhaast de Markt als een dichte drom; geen tegenstand is

mogelijk, en schier zonder slag of stoot krijgt gij Brugge in uw bezit."

Er verliepen eenige oogenblikken, vooraleer Gervaas Van Praet zijn

gevoelen over dit ontwerp te kennen gaf.

"Wonder, wonder! Eenvoudig maar wel berekend!" riep hij na eene diepe

overweging. "En ik mag op u betrouwen? Het is geen strik dien gij ons

spant?"

"Hebt gij mijn leven niet in uwe handen, heer? Doe mij dooden indien gij

bevindt dat ik u verraad."

"Ik geloof dat gij oprecht zijt", zeide mber Gervaas, "maar duidt het

mij niet ten kwade dat ik, als veldheer, eenige maatregelen tegen alle

verrassing neem. Stemt gij toe dat ik u door twee trouwe en onversaagde

mannen doe bewaken?"

"Waarom niet, heer? Ben ik niet zeker van mij zelven?"

[Illustratie: Eene groote kan wijn en drie bekers op de tafel ...

(Bladz. 330.)]

"Bij het minste verraad, bij de minste poging om ons zonder oorlof te

verlaten, klooft men u het hoofd."

"Het zij zoo, ik begrijp dat gij deze voorzorg neemt."

"Des te meer dankbaarheid zal ik u bewijzen na het welgelukken onzer

poging."

"Anders vraag ik niet, heer."

"Welnu, men zal u hier wijn brengen", zeide de veldheer. "Verveel u

niet, mher Vos, terwijl ik alles ga bereiden tot onzen geheimen optocht

naar Brugge."

Met deze woorden verliet hij de kamer, bij welker deur onmiddellijk

eenige wapenlieden verschenen.

Disdir zette zich dichter bij de tafel en legde het hoofd op de handen.

Een glimlach speelde op zijne lippen; hij zegevierde! Zeker, zijn

aanslag zou gelukken. Daardoor zou hij niet alleenlijk bij de vervolging

en de wraak tegen de moordenaars van graaf Karel uitgezonderd blijven;

maar hij zou invloed en geloof genoeg bij den veldheer en zijne ridders

verkrijgen, om Robrecht Sneloghe zonder genade ter dood te doen brengen.

Dan bleef Dakerlia alleen; dan verviel zij geheel in zijne macht. En wie

weet? Misschien zou het gunstig gevoel dat zij, zooals hij meende, hem

vroeger had toegedragen, weder in haar hart ontwaken. Wat hij deed was

wel iets schromelijks, iets, dat zijn geweten hem innerlijk verweet als

een snood verraad; maar zoolang reeds verzamelde de gal der wraakzucht

zich in zijnen boezem! Robrecht Sneloghe in het verderf storten,

Dakerlia tot vrouw bekomen; voor dit dubbele geluk hadde hij zijne ziel

den booze zelven verpand.

Hij werd in zijne zoete droomerij gestoord door het gerucht van stappen

en van wapengeklingel, dat zich eensklaps door den ganschen burcht liet

vernemen. Ongetwijfeld had de veldheer zijne ridders het ontwerp

medegedeeld, en nu begaven zij zich allen naar de legerplaats, om er

zijne bevelen te gaan uitvoeren.

Nog lang bleef Disdir alleen. Eindelijk trad er een schalk in de kamer.

Deze zette eene groote kan wijn en drie bekers op de tafel en schonk in.

"Voor wie?" vroeg Disdir.

Maar vooraleer de schalk hem kon antwoorden, verschenen er twee ridders

in de deur. Dezen kwamen glimlachend tot hem, terwijl een hunner hem

zeide:

"Mher Disdir Vos, wij zijn door den veldheer belast, in afwachting dat

hij ons roepe, u gezelschap te houden. Wij nemen de vrijheid ons bij u

neder te zetten en, indien het u aangenaam is, met u eenen dronk op de

gewichtige onderneming te ledigen."

"Dit gaat u, mher Gheldorf van Stalhille", antwoordde Disdir zijnen

beker verheffende.

"Ik drink insgelijks ter eere van ..."

"Van mher Hugo Van Rolleghem, mijnen vriend en wapenmakker"

De bekers nedergezet zijnde, vroeg Gheldorf met eenigen twijfel in de

stem:

"Het zou dus inderdaad waar zijn, mher Vos, dat gij ons de stad Brugge

leveren gaat?"

"Gij zult het zien."

"Maar gij zijt een Kerel. Voor hooveel marken zilvers hebt gij uwe

broeders verkocht?"

Disdir Vos aanschouwde hem met vlammende oogen en riep uit:

"Mher Gheldolf, gij hoont mij onverdiend. Ware uw veldheer hier, ik zou

hem zeggen dat ik van mijn voorstel afzie, en nimmer zoudt gij de stad

Brugge krijgen!"

"Nu, nu, mher Vos, vergram u niet", sprak de andere onbewogen. "Men ziet

toch zelden dat iemand zijn eigen geslacht verraadt, zonder dat hij wete

tot welken prijs."

"Dit is waar", voegde Hugo Van Rolleghem er bij, "maar deze ridder heeft

gewis redenen van eenen anderen aard."

"Zooals gij zegt, heer", bevestigde Disdir. "Mijn geslacht verraad ik

niet; maar ik wil medewerken tot het wreken eener euveldaad die mij met

verontwaardiging en afgrijzen heeft vervuld."

"En zijn het de Kerels niet die onzen armen graaf hebben vermoord?"

vroeg Gheldolf.

"Neen, de Kerels niet."

"Wie dan?"

"De Erembalds."

"De proost van St-Donaas en de kastelein?"

"Ja, ja, en Burchard Knap en Robrecht Sneloghe."

"Ingelram Van Bessen en Isaac Van Reninghe, die den hofsraadsheer en den

hofbottelier zoo wreedelijk hebben neergeveld, zijn toch geene

Erembalds?"

"Neen, maar het zijn hunne vrienden. Door mher Robrecht Sneloghe zijn

zij in het vloekbaar eedgenootschap getrokken."

"Wat gij zegt! Het is schier ongeloofelijk. Wij hebben berichten van

lieden die ooggetuigen van alles waren. Mher Sneloghe was niet bij den

moord aanwezig. Hij heeft geweend over het lijk, het eere bewezen en het

verdedigd tegen schennis, zoo ten minste verklaarde ons de oude kanunnik

Littra, die hier met ons in het leger is."

"Mher Robrecht is de grootste huichelaar der wereld", antwoordde

Disdir. "Hij is de aanstoker der misdaad geweest. Zijn schijnheilig

gedrag heeft den kanunnik Littra bedrogen. Ik zal, op tijd en plaats

daarvan ontegensprekelijke bewijzen leveren."

"Op mijn riddereer!" riep Gheldolf uit, "ik had veel achting voor mher

Sneloghe; maar nu, wees zeker, indien ik hem ontmoet zal ik hem met

blijdschap het hoofd klooven!"

"Dan zult gij u mogen beroemen hem te hebben gestraft die de eerste en

ware oorzaak van des graven beklaaglijken dood was", bevestigde Disdir.

Er trad een zeer jong ridder of schildknaap in de kamer, en deze sprak

in stilte eenige woorden tot sher Gheldolf, waarna hij even ras vertrok.

"Mher Vos", zeide deze laatste, opstaande, "de veldheer verzoekt ons hem

voorbij Oostcamp op de baan naar Brugge te gaan vervoegen. Hij heeft ons

belast op u te waken en ons verantwoordelijk gemaakt voor uw behoud. Gij

zult het dus niet vreemd vinden dat wij u overal evenals uwe schaduw

vergezellen. Gelief ons nu te volgen."

Zij gingen door het dorp Oostcamp en kwamen welhaast op de groote baan

van Kortrijk naar Brugge.

Hier vonden zij het grootste gedeelte des legers, dat in dichte

gelederen geschaard, op de baan stond. Volgens het ontvangen bevel

hielden de wapenlieden zich zoo stil, dat men in de duisternis slechts

van zeer nabij hunne tegenwoordigheid kon bemerken.

Aan het hoofd dezer scharen, en wel een boogschot vooruit, hield zich

mher Gervaas Van Praet met een honderdtal mannen, door hem onder de

onversaagsten uitgekozen. Wel de helft dezer waren ridders, die gesmeekt

hadden om van de voorwacht te mogen deel maken, en evenals de

wapenlieden hunne harnassen en ijzeren wapening hadden afgelegd om geen

het minste gerucht te maken. Slechts de helm en de ijzeren handschoenen

hadden zij behouden.

Toen Disdir Vos den veldheer was genaderd en zich door hem had doen

herkennen, zeide hem deze aan het oor:

"Alles is gereed; gij gaat vooruittreden met uwe beide gezellen,

langzaam en voorzichtig. Honderd man zullen u volgen tot bij de brug

achternakruipen. Doe nu wat gij mij hebt beloofd. Gelukken wij, ik zal u

niet alleen beschermen, maar nog u doen beloonen door alles wat den

hoogmoed van eenen ridder kan streelen."

"Het is wel, men volge mij!" mompelde Disdir Vos, zich met loozen,

tragen stap vooruit begevende.

Het was zoo donker dat de beide ridders, die Disdir vergezelden, hem

zelfs van nabij niet konden zien, en hem aan wederzijde bij den arm

hielden om zijn spoor niet te verliezen.

Zij kwamen tot op de brug, zonder dat de schildwachten boven den muur

eenig gerucht hadden gehoord; maar nu klonk door de duisternis, op

dreigenden toon, de roep:

"Wie daar?"

"Storm op zee! Wolf en Vos!" antwoordde Disdir. "Open mij de poort en

haast u!"

"Te wapen, te wapen!" klonk het schier onmiddellijk achter de poort.

Disdir herkende de stem van Landfried, zijnen stedehouder, die bezig was

met zijne mannen te wekken. Deze voorzorg kon het gelukken van zijn

verraad moeielijker maken, doch het geheel beletten, daarvoor was,

meende hij, niets te vreezen.

"Zijt gij het, mher Disdir Vos?" vroeg Landfried door het kijkgat der

poort.

"Ik ben het, doe open", morde Disdir. "Waarom laat gij mij zoolang in de

duisternis staan wachten?"

"Een oogenblik, heer; ik haal de egge naarboven", antwoordde Landfried.

Ondertusschen waren de honderd man, die den eersten aanval zouden wagen,

op handen en voeten over de brug nader gekropen, en lagen nu stil en met

opgehouden adem ter aarde, op eenige stappen achter Disdir Vos en zijne

gezellen.

De poort krijschte in hare hengels ... maar nauwelijks was zij half

geopend, of de honderd mannen sprongen recht, drongen de beide deuren

onweerstaanbaar open en stormden als een vloed met groot geschreeuw en

gejuich er binnen.

Hier trokken zij hunne zwaarden en vielen op de vijftig Kerels der wacht

die, verrast en overrompeld, een oogenblik aarzelden; maar, door

Landfried aangemoedigd, schier onmiddellijk in de nauwe Mariastraat

eene onverwachte tegenweer boden, terwijl zij uit al hunne kracht om

hulp riepen en de lucht deden hergalmen onder den noodkreet: "Verraad!

verraad! Harop! harop!"

Van boven de muren kwamen in korten tijd vele Kerels toegeloopen en het

gelukte hun de Isegrims eenigen tijd terug te houden; maar dewijl deze

laatsten meester van de poort waren, vonden hunne makkers van buiten

geen beletsel om in de stad te komen.

Welhaast was het hoofd van het ridderleger de poort genaderd, en nu

drongen de Isegrims met weergalmend geschreeuw door de Mariastraat

vooruit.

Zoohaast een duizendtal ridders en wapenlieden de poort binnen waren,

kon niets meer aan hunnen drang wederstaan, en zij stormden, elkander

omverre loopende, naar de Markt.

De noodkreet der aangevallen wacht was tot in den burg gehoord geworden.

In minder dan eenen oogwenk waren al de Kerels te been; en, zonder goed

te weten welk gevaar hen bedreigde, richtten zij zich naar de plaats der

stad vanwaar de haropschreeuw in de hoogte steeg.

Reeds toen de dikke drom der Isegrims den ingang van de Oudebrugstraat

bereikte, werden zij van terzijde met woede aangevallen en boorden de

Kerels eene breede klove in hunne schaar.

Om elkander in de duisternis te kunnen herkennen, begonnen de Kerels

elkander toe te roepen met het woord: "Blauwvoet! Blauwvoet!" En, hen

daarin navolgende, riepen hunne vijanden: "Isegrim! Isegrim!"

Geene dapperheid, geen geweld kon echter het ridderleger wederhouden van

op de Markt zich te ontplooien; en daar begon dan eindelijk de

afgrijselijke menschenslachting te midden eener duisternis die niemand

toeliet vriend of vijand te onderscheiden.

Men hoorde er niets anders dan het wraakgehuil der strijders, het

noodgekerm der stervenden, het geknars der zwaarden en boven dit alles

het aanhitsend geschreeuw: "Blauwvoet! Blauwvoet! Isegrim! Isegrim!" dat

onophoudend door duizenden monden ten hemel werd geworpen, en als het

gebruis eener stormachtige zee met klimmende en dalende kracht over de

Markt heen en weder golfde. Men struikelde er over lijken, men

vertrappelde er gekwetsten, men waadde er door plassen bloed, men viel

er neder met gekloofd hoofd of doorboorde borst, zonder dat men zelfs

de schaduw zijns vijands had kunnen zien.

Wel waren er vele honderden Kerels en poorters uit den burg en van de

stadswallen komen toegeloopen; maar de Steenstraat spuwde nog immer

nieuwe gedeelten van het ridderleger op de Markt.

Niemand kon oordeelen over den gang of over de kansen van den akeligen

nachtstrijd. De eenige en onzekere maatstaf waren de oorlogskreten

"Blauwvoet! Isegrim!" maar tot nu toe galmden ze beide met evenveel

kracht en hevigheid.

De kastelein Hacket, die te midden der Kerels had gevochten, meende dan

te bemerken dat zijne mannen, onder den druk eener onweerstaanbare

overmacht, allengs achteruitweken. Door een angstig gepeins aangegrepen,

verliet hij den strijd en ging terug tot bij de Hofstraat, om over den

toestand te kunnen oordeelen. Hier bekwam hij, na eenige oogenblikken te

hebben geluisterd, de droeve overtuiging dat het krijgsgeroep der Kerels

verzwakte, terwijl integendeel het geschreeuw der Isegrims meer en meer

in kracht verdubbelde.

Hij liep achter de schaar zijner mannen en kreet daar uit al zijne

macht:

"Wijkt naar den burg! Kerels, naar den burg! Langzaam, langzaam naar den

burg!"

Men herkende zijne stem, en zijn bevel werd door vele Kerels herhaald.

Het was tijd; want op dit oogenblik boorde eene machtige bende Isegrims

van terzijde door den vijand en sneed aldus meer dan de helft der Kerels

van hunne gemeenschap met den burg af.

Aan het ontvangen bevel gehoorzamende, weken de Kerels, wien de baan nog

vrijstond, al vechtende door de Hofstraat naar den burg, en een groot

getal hunner geraakte er nog behouden binnen.

Men had even de egge neergelaten en de poort gesloten, toen de Isegrims,

onder het bulderen van vermaledijdingen en zegevierend geschreeuw, met

hunne zwaarden er begonnen op te beuken. Maar hier werden zij van boven

de poort en van boven de wallen zoo overvloedig en zoo woedend met

steenbonken, met balken, met pijlen en met allerlei werptuig onthaald,

dat elke Isegrim, die dorst naderen, even ras verpletterd nederviel[68].

Het was als lage daar voor de poort een bodemloos graf, in welks

gewapenden muil honderden ridders en wapenlieden werden verzwolgen; want

dewijl van op de Markt immer nieuwe Isegrims in de nauwe straat

vooruitdrongen, werden de voorsten onweerstaanbaar tot voor de poort

gedreven, waar zij onder den hagel steenen en pijlen onmiddellijk werden

verpletterd.

In weinige oogenblikken was de gansche brug zoodanig met hoopen dooden

overdekt, dat de opgestapelde lijken zelven een onoverstapbaar beletsel

werden om nog de poort te naderen.

Onderwijl werd de akelige strijd nog op de Markt voortgezet door de

Kerels die van de gemeenschap met den burg waren afgescheiden geworden.

Zij vochten als verwoede leeuwen en zaaiden rondom zich dood en

vernieling in de schaar hunner vijanden, zoolang totdat, hun getal

schier geheel weggesmolten zijnde, hun geene hoop meer overbleef om te

kunnen overwinnen.

Dan, op de stem van Ingelram Van Eessen, drongen zij met eene laatste

inspanning van krachten door den drom hunner vijanden en weken, altijd

strijdende, in de St-Jakobsstraat.

Zoo geraakten zij, alhoewel aanzienlijk in getal verminderd, buiten de

Ezelpoort, en vonden hun behoud in het vrije veld.

Mher Gervaas Van Praet, die den noodlottigen toestand zijner mannen voor

de poort van den burg zelf had gaan erkennen, en de duizenden pijlen der

Kerels tot op het midden der Markt door de lucht hoorde snorren, deed de

trompers blazen en riep zijn leger naar den kant der

St-Christoffelskapelle te zamen.

Hier verhief zich een zoo lange en zoo dikwijls herhaalde zegeschreeuw,

dat de veldheer in langen tijd zich door niemand kon doen verstaan of

hooren.

Eindelijk gelukte het hem zijne bevelen aan eenige oversten mede te

deelen. Men moest bezit nemen van al de huizen rondom den burg en de

uitgangen dezer vesting met sterke wachten bezetten, opdat niemand der

Kerels, die er zich bevonden, mocht ontsnappen. De overige benden, de

wapenlieden bovenal, zouden bij De Christoffelskapelle gelegerd blijven,

en niemand hoegenaamd zou zich tot slapen begeven, aangezien men niet

twijfelen kon of de Kerels van den burg zouden nog eenen uitval

beproeven.

[Illustratie: ... De egge neergelaten en de poort gesloten....]

Daarom tevens verbood hij dat iemand zich tot plunderen begave. Wel was

hij voornemens de woningen der Erembalds te laten verdelgen en hunne

goederen den wapenlieden tot buit te geven; maar daarover wilde hij,

zooals de voorzichtigheid het gebood, slechts morgen bij klaren dag

beslissen.

Nauwelijks had hij dus zijne bevelen uitgedeeld, of hij trad nevens de

kapelle in een openstaand poortershuis, waar hij licht bemerkte. Hoe hij

ook riep, niemand antwoordde hem; de bewoners, door het akelig

nachtgevecht verrast en verschrikt, waren gevlucht.

Mher Van Praet zette zich neder op eenen stoel en veegde zijn zweet af.

Daar verscheen voor hem Disdir Vos, die met eenen zegevierenden lach op

het gelaat hem vroeg:

"Welnu, veldheer, heb ik mijn woord gehouden, of niet?"

"Ja, mher Vos", antwoordde Gervaas, "het kostte evenwel veel, veel

bloed."

"Maar zooveel te meer gerucht zal deze overwinning maken, zooveel te

grooter zal de roem zijn voor u en uwe ridders, die de sterke stad

Brugge hebt gewonnen zonder hulp der Gentenaars."

"Het is waar, mher Vos; ik ben u dankbaar en zal mijne belofte jegens u

vervullen, wees des zeker."

"Ik kom u reeds iets vragen", zeide Disdir.

"Spreek stoutelijk."

"Mij zou het vermaak doen, veldheer, dat gij een twintigtal trouwe,

moedige wapenlieden onder mijn bevel steldet. De jonkvrouw, waarvan ik u

heb gesproken, Dakerlia Wulf, zou ik zoowel tegen mishandeling door uwe

wapenknechten als tegen ontvoering vanwege de Erembalds willen

behoeden."

"Doe naar uw goeddunken, mher Vos. De twintig wapenlieden zullen u

worden gegeven."

"Er is nog eene andere jonkvrouw, de eigen zuster van Robrecht Sneloghe.

Indien ik deze terzelfder tijd onder mijne bewaking nam, zou zij u

kunnen dienen als gijzelaresse. Ik zal de beide jonkvrouwen naar mijnen

Steen in de Moerstrate leiden. Zult gij gelieven bevelen te geven, opdat

iedereen dien Steen eerbiedige?"

"Onmiddellijk. Roep, bid ik u, mher Raas Van Gaveren, die in de kamer

aan de straat met eenigen zijner gezellen zich bevindt."

Toen Disdir Vos deze boodschap had vervuld en met den aangewezen ridder

was teruggekeerd, zeide de veldheer:

"Mher Van Gaveren, ik verzoek u onder uwe wapenlieden er twintig uit te

kiezen en dezen ter beschikking van onzen vriend Disdir Vos te stellen.

Zij zullen onder zijn bevel staan en hem gehoorzamen totdat zij door

anderen worden vervangen."

Disdir verliet het huis met mher Van Gaveren, die de twintig man onder

de wapens riep en hun het bevel van den veldheer mededeelde.

Zij volgden zonder spreken den nieuwen overste die hun was gegeven.

Disdir Vos leidde hen door de St-Jansstraat, om de nabijheid van den

burg te ontwijken, en bracht hen zoo voor sher Wulfs Steen.

Hier klopte hij op de poort en riep dat men zou openen. Daar hij na lang

wachten geen antwoord bekwam, klopte hij nog eens met dreigend geweld,

en meende juist terug te wijken om naar hamers of naar eenen balk uit te

zien, ten einde de poort te verbrijzelen; maar nu liet zich achter het

kijkgat eene verschrikte stem hooren, die vroeg:

"Wie zijt gij? Wat wilt gij? Er is niemand te huis."

"Ik ben Disdir Vos, en gij kent mij wel, Peter. Open onmiddellijk: ik

kom uwe jonkvrouw redden."

Een oude schalk ontsloot de poort.

"Ach, mher Disdir, wat akelige dingen gebeuren er toch? Vergaat de

wereld?" kermde hij. "God zegene u, mher Vos, die ons ter hulpe komt in

onzen nood.--Al de andere huisbedienden zijn gevlucht...."

"Zwijg. Waar is uwe meesteresse?"

"Achter, in de zaal. Zij bidt."

"Is zij alleen?"

"Jonkver Sneloghe is met haar."

"Houd u stil en blijf hier, totdat ik wederkeer."

Hij deed de twintig wapenlieden binnen de poort treden, koos er vier

uit, die hem zouden volgen, en ging met dezen over den neerhof naar de

aangewezene zaal, waar hij door het venster bemerkte dat er licht

brandde.

Bij zijne verschijning in de zaal zag hij de beide jonkvrouwen nog

geknield, maar met den angstigen blik naar de deur gekeerd.

Hem herkennende, sprongen zij met eenen noodkreet recht en vluchtten tot

in het diepe einde des vertreks.

Dit bewijs van afkeer en mistrouwen kwetste Disdir zeer diep; maar hij

bedwong zijne spijt en poogde zijn gelaat eene uitdrukking van droefheid

en tevens van vriendschap te geven.

Hij gebood den wapenlieden, die hem vergezeld hadden, op den neerhof

terug te keeren, sloot de deur der zaal, en dan tot de bevende

jonkvrouwen gaande, zeide hij:

"Hebt vertrouwen in mij, ik kom u het leven redden. Ach, de Kerels zijn

bezweken; onze vijanden, de Isegrims, hebben de stad Brugge verrast en

ingenomen. De Markt is overdekt met de lijken onzer ongelukkige

vrienden!"

"O, God, en mijn arme broeder?" kreet Witta.

"Wie kan het weten?" antwoordde Disdir op treurigen toon. "Een gedeelte

onzer mannen zijn op den burg gevlucht. Of Robrecht behouden is of dood,

dit is het geheim der duisternis."

Witta begon luid te kermen; Dakerlia stortte stille tranen.

"Gij moet mij volgen, jonkvrouwen; ik wil u in eene veilige schuilplaats

brengen."

Maar deze woorden ontrukten de wanhopige meisjes eenen nieuwen

angstkreet, en zij sprongen terzijde, als boezemde Disdir Vos hun eene

diepe vervaardheid in.

"Ik begrijp", zeide hij, "dat gij liever in dezen Steen zoudt blijven;

maar het is onmogelijk. Morgen, bij het eerste daglicht, zal men al de

woningen der Erembalds en hunner vrienden aan de plundering der woeste

wapenlieden overleveren. Wie er zich in bevindt, zal men vermoorden en

martelen. Hier blijven is u zelven veroordeelen tot den ijselijksten

dood. Beeft niet; ik zal u redden."

"O, dank, dank, mher Vos", riep Witta met opgehevene handen. "Dit zal

God u loonen in zijnen hemel!"

En zij meende tot Disdir te gaan; maar Dakerlia greep haren arm en hield

ze met koortsig geweld terug, terwijl zij haar zeide:

"Onnoozele! Het is een strik; hij komt hier met Isegrims!"

Disdir Vos trad nader en zeide, in schijn kalm en treurig:

"Dakerlia, gij zijt onrechtvaardig jegens mij; ik vergeef het u. Mijne

eenige belooning zal zijn u te hebben gered ondanks u zelve. Ja, ik kom

hier met Isegrims. Verwijt het mij niet; want daarin bestaat juist het

hoogste bewijs van opoffering dat ik u kan geven. Toen ik te midden van

het gevecht mij bevond en aan de zijde van mher Sneloghe den vijand

hopeloozen weerstand bood, bemerkte ik alras dat de Kerels zouden

bezwijken. Dan dacht ik aan u, Dakerlia; voor mijne oogen ontstond, als

een akelige droom, uwe marteling en uw vervaarlijke dood. God zelf

boezemde mij eene plotselijke gedachte in. Ik liep in de gelederen der

vijanden, huilde tegen de Kerels en veinsde hen te bevechten. Na den

slag vleide ik de Isegrims, spuwde venijn tegen onze arme broeders, en

won zoo het vertrouwen van mher Gervaas Van Praet, den veldheer. Wat zal

daarvan voor mij het gevolg zijn? Door de Kerels als een verrader

verfoeid, door de Isegrims als een lafaard veracht. Ik verlies aan dit

spel meer dan mijn leven; ik verlies er mijne faam en mijne eer aan.

Voor u alleen, Dakerlia, om u te redden, om u tegen de wreede

mishandelingen der wapenknechten en tegen eenen ijselijken dood te

behouden, heb ik deze eeuwige schande aanvaard. De veldheer, die meent

dat ik rechtzinnig mijn zwaard tegen mijn geslacht heb gekeerd, vroeg

mij welken prijs ik voor mijn verraad eischte. Weet gij wat ik hem met

saamgevoegde handen heb toegeroepen? "O, schenk mij het leven van

jonkver Wulf; anders wil ik niet, anders verlang ik niet!" Uwe oogen

vragen mij wat mij tot zulke slachtoffering van mij zelven aandrijft?

Gij weet het. Het is mijne schuld niet en ik spreek er niet van. In mijn

geweten en in mijn hart ligt mijne belooning."

Hij had deze reden op zulken toon van oprechtheid gesproken, er was

zooveel medelijden en treurnis in zijne stem, dat Dakerlia haar

mistrouwen geheel voelde vergaan. Ja, door eene plotselijke omkeering

haars gemoeds, bewonderde zij nu den man die haar tot dan eenen diepen

afkeer had ingeboezemd. Het was toch wel eene daad van ongehoorde

opoffering, zich dus der eeuwige oneer toe te wijden, om twee

ongelukkige meisjes te kunnen redden.

Dakerlia trad vooruit en reikte Disdir te hand.

"Heer, ik geloof in uwe edelmoedigheid", zeide zij. "Ik heb u miskend;

vergeef het mij. Beschik over ons lot: wij volgen u."

Disdir leidde de jonkvrouwen over den donkeren neerhof. Hier voelde

Dakerlia dat de hand van Disdir gloeide en hij hare hand koortsig

drukte. Zij poogde zachtjes zich los te rukken; maar hij hield haar vast

totdat hij de bende wapenknechten had bereikt.

"Ho, Dakerlia, Dakerlia, gij zijt ondankbaar en wreed!" gromde hij. "Ik

geef u meer dan mijn leven, en gij mistrouwt mij, als ware ik uw

vijand."

Dakerlia slaakte eenen zucht, doch antwoordde niet.

"Eerbiedigt en bewaakt deze jonkvrouwen", gebood Disdir Vos. "Men volge

mij!"

Allen verlieten den Steen en daalden door de duisternis naar de

Spiegelrei.

De oude schalk Peter, zonder er zelfs aan te denken de poort te sluiten,

ging naar de zaal, waar zijne jonge meesteresse daareven nog had

geknield. Hij liet zich op eenen stoel vallen en begon haar lot te

beklagen en overvloedige tranen te storten.

Reeds een half uur zat hij daar, schier bewusteloos in zijne droefheid

verslonden, toen hij, het gerucht van sluipende mannenstappen meenende

te hooren, het hoofd ophief.

Inderdaad, door de opene deur der zaal zag hij in de halve duisternis

menschenschaduwen bewegen en zwaarden glinsteren.

Hij liet zich op de knieën vallen en smeekte reeds om genade; maar toen

hij den ridder herkende, die tot teeken van geheim met den vinger op de

lippen tot hem kwam, sprong hij op en riep met verdoofde stem:

"Mher Sneloghe, gij hier, o, hemel! Vlucht, vlucht, de Isegrims hebben

de stad overrompeld. Zij zullen de Erembalds vermoorden. Wapenknechten

hebben het mij gezworen...."

Een tweede ridder, die met Robrecht in de zaal was getreden, legde hem

de hand op den mond en brak zijn gekerm af.

"Peter, waar is Dakerlia? Waar is mijne zuster?" vroeg Robrecht.

De schalk verhaalde hem hoe Disdir Vos met een bende Isegrims was

gekomen, en hoe dezen de beide jonkvrouwen hadden weggeleid.

Een sombere kreet van angst en afgrijzen bonsde op uit Robrechts borst.

"Waar? Waar naartoe?" riep hij.

"Ja, heer, ik weet het niet. Naar de Isegrims zeker, naar de gevangenis

misschien."

Mher Sneloghe wrong zich de vuisten en sloeg zich de borst met teekens

der diepste vertwijfeling.

"Te laat, te laat!" zuchtte hij. "Dakerlia, mijne zuster in handen van

Disdir Vos! O, mijn God, wat akelig lot hebt Gij die onnoozele

slachtoffers voorbewaard? Zij insgelijks moeten boeten voor den

gruwelijken moord? En niets, niets kunnen doen voor hunne verlossing!"

De andere ridder greep hem bij den arm en zeide:

"Robrecht, wij moeten met haast deze plaats verlaten. Het is een groot

ongeluk dat u treft; maar hier kunnen wij niets nuttigs meer

verrichten."

"Deze plaats verlaten zonder Dakerlia, zonder mijne zuster?" kermde mher

Sneloghe. "Ach, hadde de dood mij getroffen dezen nacht!"

"De vijanden kunnen komen; wij zouden bezwijken. Ons leven behoort toe

aan de verdediging van den burg; het hier langer nutteloos wagen, ware

verraad."

"Verraad, verraad?" mompelde Robrecht, terwijl hij zijnen gezel lijdzaam

volgde. "Ja, Eggard, verraad! Nu begrijp ik alles. Disdir Vos had de

wacht bij de Kathelijnepoort. Zoo had Burchard het gewild. Disdir heeft

ons verkocht en den Isegrims de poort geopend...."

"Zwijg, zwijg", mompelde zijn gezel, "stap zacht, buk neder en ga langs

de huizen."

Zij slopen met looze stappen door de duisternis, tot bij den hoek der

Hoogstraat.

Hier werden zij uit een nevensstaand huis door Isegrims bemerkt of

gehoord; want men riep hun dreigend het: "Wie daar?" toe, en

onmiddellijk snorden drie of vier pijlen boven hunne hoofden voorbij.

Zij liepen op de brug van den burg. Daar stonden voor de poort een

twintigtal Kerels op hen te wachten.

De poort werd voor hen en hunne gezellen geopend, en dan weder gesloten.

De egge daalde neder, en de diepste stilte verving het lichte gerucht,

dat hunne komst had veroorzaakt.

De Kerels van Vlaanderen · 第 47 / 85 题