XV

Reeds vier dagen waren er verloopen sedert den moord van graaf Karel,

zonder dat er eenige gewapende macht voor Brugge was verschenen om

zijnen dood te wreken.

De Erembalds wisten echter, door hun toegezonden berichten, dat de

ridders, gansch Vlaanderen door, zich bereidden om met vereende kracht

tegen Brugge op te trekken. Zij hadden zelfs van eenigen hunner heetste

vijanden, onder anderen van Tancmars neven, brieven ontvangen, waarin

men hun toezwoer dat zij allen, als medeplichtig aan den gruwelijken

moord, tot den laatste toe zouden worden uitgeroeid.

Evenwel, deze bedreigingen boezemden hun niet veel bekommerdheid in.

Vooraleer het leger der ridders zich voor Brugge kon aanbieden, zou de

stad ruimschoots voorzien zijn van alles wat er noodig was om ook de

geweldigste aanvallen zegevierend af te weren. Daarenboven, morgen was

de vastgestelde dag voor de vergadering van het Kerlenleger in het

Wolvennest-bosch. Men mocht met recht zich zeker achten dat de ridders,

hoe machtig ook, weinig tegen Brugge zouden verrichten, indien zij tot

daar konden geraken, aangezien zij spels genoeg zouden hebben om niet

door Willem Van Loo in het open veld verpletterd te worden.

Deze bloedige bedreigingen der Isegrims hadden zelfs eenen voor de

Erembalds voordeeligen invloed uitgeoefend, dewijl zij Robrecht Sneloghe

en anderen, die met hem de moordenaars verfoeiden hadden doen besluiten

dit gevoel te verbergen of te versmachten om aan niets meer te denken

dan aan zelfverdediging en aan het behoud van hun geslacht.

Het was kort na den middag. Bertulf, de proost van St-Donaas, stond op

het binnenplein van den burg en wandelde daar langzaam over en weder, in

gepeinzen starende op hetgeen rondom hem geschiedde.

Er heerschte eene koortsige bedrijvigheid op het plein. Honderden

arbeiders krielden er dooreen; men hoorde er den bevelroep der oversten,

den zang der werkers, het gekrijsch der katrollen den zweepslag der

voerlieden.

Alle oogenblikken kwamen er wagens en karren op den burg. De eene,

geladen met koren, boonen, gezouten vleesch of andere nooddruft, werden

bij verschillende stapelhuizen of kelders gelost; de andere, plooiend

onder den last van balken en berderen, van steenen en keien, voerde men

tot aan den voet der muren en torens. Hier werd hunne vracht op ladders

naarboven gedragen of bij middel van katrollen of gewerken omhoog

geheschen. Ja, men zag er harst, vet en olie in vaten aanbrengen om

desnoods zelfs door vlammend vuur den vijand af te slaan, indien ooit

den burg door hem werd aangevallen. Zooverre zelfs had men de voorzorg

gedreven, dat men nevens de Hofpoort eenen stal had ingericht om er

eenige melkgevende koeien te zetten.

Alzoo Bertulf nu het oog gericht hield op een twintigtal arbeiders die

met inspanning van krachten een zwaren balk van den grond poogden te

heffen, naderde hem een kanunnik.

"Heer proost", zeide hem deze, "wij verzoeken u naar 's graven kapelle

te willen komen. Het graf is geheel afgewerkt; alles is gereed om de

kist er in te laten nederzakken en de steenen tafel er op te leggen. Gij

hebt den wensch uitgedrukt om bij het sluiten van het graf tegenwoordig

te zijn."

"Inderdaad, heer Ludgard; ik verwachtte uw bericht dezen morgen",

antwoordde de proost, zich naar de kerk wendende. "Kom, ik volg u."

In de kapelle, ter plaatse zelve waar graaf Karel was gevallen, had men

eene diepte gedolven en er een graf gemetst, dat aan de vier zijden drie

voet boven den vloer zich verhief.

Het lijk van graaf Karel was, op verzoek van Robrecht en op bevel van

den proost, gebalsemd en in eene dubbele kist van eikenhout en lood

gesloten geworden.

Toen Bertulf met den kanunnik Ludgard in de kapelle trad, hing de kist

boven de grafstede in twee gewerken van windassen. Een tiental arbeiders

hielden zich gereed om ze te laten nederdalen. Vele priesters zonder

plechtgewaad omringden de laatste overblijfsels van den ongelukkigen

graaf.

De proost naderde tot de kist, verzekerde zich door een vluchtig

onderzoek dat zij ongeschonden was, murmelde eenige woorden binnensmonds

en deed dan een teeken tot de arbeiders.

Langzaam daalde de kist in het graf[62].

De priesters bogen het hoofd en baden ongetwijfeld; maar hunne lippen

verroerden niet, en geen het minste geprevel stoorde de doodsche stilte.

"Het is deerniswaardig en beklaaglijk", zeide kanunnik Ludgard tot den

proost, "dat wij den armen vorst zoo moeten begraven, zonder de minste

plechtigheid, als een verlaten mensch of als een dier!"

"Het is mijne schuld niet", antwoordde Bertulf met eenen zucht. "Ik

wilde dat het anders mogelijk ware; maar in eene ontheiligde kerk...."

"Hebt gij nog geene tijding van de komst des bisschops, heer proost?"

"Geene. Mijne brieven zullen onderschept zijn geworden. In alle geval,

kanunnik, men heeft in St-Pieterskapelle eene plechtige uitvaart

gezongen, en in de kerk van St-Salvator leest men nog dagelijks de

gebeden voor de dooden. Wij moeten den tijd nemen zooals hij is."

De arbeiders hadden nu de haken der gewerken aan de zeelen gehecht,

waarmede de groote steenen tafel was omringd.

Het duurde niet lang of dit deksel zonk neder op de grafstede, welke

aldus beslissend werd gesloten.

Nog eene wijl bleef de proost, op eenen stoel knielend, voor het graf

zitten, waarna hij de kanunikken eenen stillen groet toestuurde en de

kapelle verliet.

Hij daalde weder op het plein. Daar vond hij zijnen broeder Hacket.

"Welnu, kastelein", vroeg hij hem, "gaat het werk goed voort aan de

vesten? Wij moeten ons haasten; want wie weet wat er kan gebeuren?"

"Wees niet bekommerd, broeder", antwoordde de kastelein. "Het is een

wonder, met hoeveel ijver men ginder arbeidt. Van nu af zijn wij tot

verdediging gereed."

"En hoe toonen zich de poorters?"

"Ja, gij weet het wel, velen zijn onwillig en houden zich verwijderd,

uit schrik van als medeplichtig aan den moord des graven te worden

beschouwd; maar het getal dergenen, die met ons zijn, is zoo groot, dat

wij de hulp der anderen wel kunnen missen."

Bertulf schudde het hoofd.

"Zijt gij over iets bekommerd?" vroeg Hacket.

"Niet zonder reden", morde Bertulf. "Wij hebben brief op brief en bode

op bode tot Willem Van Loo gezonden; wij hebben hem gesmeekt zich aan

ons hoofd te komen stellen; hem verzekerende dat de poorterij hem hier

als graaf van Vlaanderen zou uitroepen. Geen antwoord, geen het minste

bericht van hem!"

"Maar de tijd was kort."

"Indien Willem Van Loo ons ging verraden, Hacket?"

"Ons verraden? Hoe meent gij het?"

"Indien hij ons zonder hulp liet en ons overleverde aan de wraak onzer

vijanden, om te doen gelooven dat hij geheel vreemd is aan den moord

van graaf Karel: hij is een zelfzuchtig en arglistig man."

"Gij zijt hem altijd vijandig gebleven sedert den laatsten oorlog",

bemerkte de kastelein. "Nu nog maakt uw wantrouwen u onrechtvaardig

jegens hem. Het is eerst morgen dat Willem Van Loo aan het hoofd eener

heirkracht zal staan. Wie weet of hij overmorgen niet reeds met gansch

zijn leger voor Brugge zal verschijnen?"

"Ja, ja, maar waarom geen antwoord op onze brieven?"

"Misschien zijn de wegen niet vrij. Kom, kom, Bertulf, geenen moed

verloren: de zaken staan allerbest. Wees zeker, dat de Isegrims niet

binnen Brugge zullen geraken, al bestormen zij het met al hunne macht.

Er ontbreken ons noch mannen, noch krijgsbehoeften. Wat mij betreft, ik

beken dat de moord van Karel mij gansch ter neder had geslagen; maar nu

heb ik daarover mijn besluit genomen. Vermits de Isegrims ons allen den

dood hebben toegezworen, verdedigen wij ons leven met blinde

hardnekkigheid. Ik zal toonen dat de oude Hacket nog Kerlenbloed in de

aderen heeft!"

De proost scheen een weinig gerustgesteld door de moedige woorden zijns

broeders.

"Is Burchard nog verbitterd tegen mij?" vroeg hij.

"Neen, het is gedaan. Ik heb hem doen begrijpen dat wij den verborgen

schat van graaf Karel niet anders konden bekomen, dan door het in

vrijheid stellen van den jongen Frumold, en dat wij dien schat noodig

hebben om Willem Van Loo de kosten des oorlogs te helpen dragen. Wat de

andere gevangenen betreft, aan dezen hechtte hij niet den minsten prijs,

en hij keurt het goed dat wij hun oorlof gaven om de stad te verlaten."

"En hoe gedragen Robrecht en Burchard zich jegens elkander?"

"Tot nu toe zeer wel, Bertulf", was het antwoord. "Beiden hebben mij

beloofd zich te houden alsof zij geene redenen hadden om tegen elkander

verstoord te zijn."

"Maar Burchard is zoo onvoorzichtig. Indien hij Robrecht ging kwetsen!"

"Vrees het niet, broeder; mijne voorzorgen zijn genomen. Burchard wilde

inderdaad den meester spelen en iedereen gebieden; maar ik heb hem

uitdrukkelijk doen verstaan dat, zoolang ik kastelein des graven ben,

niemand aangaande de verdediging van Brugge iets te bevelen heeft dan ik

alleen. Ik heb onder mijn opperbestier onze krachten in drie scharen

verdeeld, en Robrecht en Burchard elk aan het hoofd van eene dezer

scharen gesteld. Zoo zullen zij elkander niet dikwijls ontmoeten. De

derde schaar staat onder mher Disdir Vos...."

"Disdir Vos?" mompelde de proost. "Het schijnt dat hij, meer dan

anderen, door zijnen raad schuld heeft aan den moord, alhoewel hij, uit

list misschien, zich op het beslissend oogenblik afwezig maakte. Hebben

wij nog niet genoeg aan Burchard? Waarom eenen zijner medeplichtigen aan

het hoofd onzer mannen stellen? Het is gevaarlijk."

"Neen, broeder, gij bedriegt u. Wij zijn door het noodlot zelf gedwongen

te handelen alsof wij aan den moord in het geheel niet meer dachten.

Ieder zal later zijne zaak verantwoorden. Disdir Vos toont zich zeer

ijverig en onversaagd. Hoe schuldiger hij is, hoe hardnekkiger hij zal

strijden, om niet in handen der Isegrims te vallen. Burchard verlangde

voor Disdir een bevelhebberschap. Ik heb onze neef die voldoening

gegeven."

"Gistermorgen zijn Ingelram Van Eessen, Willem Van Wervick en Isaac Van

Reninghe met eenigen onzer mannen naar het Noord-Vrije gegaan, om daar

eene bende Kerels te verzamelen. Zijn zij nog niet terug?"

"Neen, broeder, wij verwachten ze heden avond. Mistrouwt gij hen

insgelijks?"

"Geloof mij, Hacket, ik wenschte dat zij niet meer in Brugge

terugkeerden. Hoe minder moordenaars van graaf Karel wij tusschen ons

hebben, hoe beter het zal zijn voor onze zaak."

"Gij zijt niet al te wel gestemd vandaag", zeide de kastelein met eenen

glimlach. "Kom, kom, Bertulf, houd goeden moed. Ik was hier bevelen

komen geven om paarden en karren naar de Kathelijnepoort te doen zenden.

Men wacht mij op de vesten; mijne tegenwoordigheid is daar voortdurend

noodig. Tot dezen avond!"

De kastelein richtte zijne stappen naar de Hofpoort; Bertulf trad in de

proostdij en zette zich daar in eene kamer voor eene tafel waarop eenig

schrijfgerief lag.

Hij bleef lang, met den blik in de ruimte, den toestand der zaken

overwegen. Het volledig stilzwijgen van Willem Van Loo moest inderdaad

zijnen geest bekommeren; want hij schudde soms het hoofd, terwijl hij

den naam van den nieuwen graaf morrend uitsprak.

Eindelijk had hij eene pen gegrepen, en wilde zich aan het schrijven

zetten, toen de kastelein Hacket, door twee ridders gevolgd, in de kamer

trad.

"Mijn broeder", zeide hij, de ridders voorstellende, "ziehier mher

Godschalk Tayhals en mher Baldwin Spegel, die, als gezanten van onzen

graaf Willem, u het antwoord op onze brieven brengen."

Deze aankondiging moest den proost zeer verblijden; want hij sprong

recht, ging met eenen minzamen glimlach de afgevaardigden te gemoet en

drukte hun de handen.

Na eenige woorden tot groetenis en verwelkoming met hen te hebben

gewisseld, betuigde Bertulf den wensch om hunne boodschap te kennen.

"Onze graaf Willem", sprak Godschalk Tayhals, "doet u door onzen mond

zeggen dat gij den moed niet zoudt laten zakken, en vertrouwen hebben op

zijnen bijstand. Zoohaast het hem mogelijk is, zal hij met zijn gansch

leger naar Brugge komen[63]. Al de macht, waarover hij nu kon

beschikken, heeft hij u tot hulp afgezonden. Wij hebben vierhonderd

dappere kerels met ons gebracht. Dewijl wij te paard waren, hebben wij

hen omtrent Zedelghem verlaten. Binnen iets meer dan een uur zullen ze

te Brugge aankomen."

"Ha, het is eene goede tijding!" riep Bertulf.

"Ja, heer proost", bemerkte Baldwin Spegel, "en gij moogt gelooven dat

wij de bloem der Kerels tot u hebben geleid; want deze vierhonderd man

waren reeds in het Wolvennest voor den gestelden tijd. Men is dus

verplicht te denken dat het hun aan geenen strijdlust ontbreekt.

"Dankt in onzen naam den heer graaf voor zijnen goeden bijstand", zeide

de proost. "Wij hebben wel juist geene behoefte aan strijdvaardige

mannen; maar op de poorters kunnen wij toch niet al te vast betrouwen.

Velen twijfelen of zij zich wel voor ons willen verklaren. De minste

tegenspoed zou de anderen eveneens aan het wankelen kunnen brengen. Met

Kerels zijn wij zeker dat men Brugge zal verdedigen totterdood, en de

Isegrims er niet zullen in geraken dan over puinhoopen en lijken."

"Alzoo, gij meent sterk genoeg te zijn om de stad te behouden totdat het

leger u ter hulp komt? De heer graaf richt u door mij deze vraag toe",

zeide Godschalk.

"Voor het behoud der stad stel ik mij verantwoordelijk!" riep de

kastelein.

"Wij weten, heeren, dat een leger Vlaamsche ridders en wapenlieden

Atrecht heeft verlaten en door Rijssel is getrokken. Dezen zullen

waarschijnlijk over Kortrijk en Thourout naar Brugge komen. Morgen reeds

zouden ze voor uwe wallen kunnen verschijnen. Zijt gij zeker de stad

gedurende eenige dagen te kunnen verdedigen?"

"Gedurende weken en maanden", antwoorden de proost en zijn broeder.

"Morgen eerst vergaderen de Kerels in bet Wolvennest-bosch. Een paar

dagen zal onze heer graaf bestellen aan het haastig inrichten van zijn

leger. Dan zakt hij met al onze heirkracht naar Brugge af om u te

ontzetten, indien gij inderdaad waart belegerd. Hebben wij dus goeden

moed: voor het behoud van Brugge is niets te vreezen."

De proost bood den afgevaardigden eenige ververschingen aan; maar zij

drukten den wensch uit om daarmede te wachten tot het avondmaal, dewijl

zij naar de Smedepoort zich wilden begeven, om bij de aankomst hunner

mannen tegenwoordig te zijn.

Hacket zeide dat hij hen zou vergezellen en, indien hem tijd daartoe

overbleef, de gelegenheid zou waarnemen om hun eenige der

verdedigingswerken te toonen, waaraan men nu met allen spoed de laatste

hand legde.

Bertulf zou in de proostdij blijven om te zorgen voor de slaapsteden en

het voedsel der vierhonderd Kerels, en tevens de noodige bevelen te

geven om den afgvaardigden des graven een behoorlijk avondmaal te

bereiden.

Toen de kastelein met de beide ridders aan de Ezelpoort kwam, toonde hij

hun, niet zonder fierheid, hoe honderden en honderden poorters daar aan

het arbeiden waren om balken te richten en aarde aan te voeren. Hij

leidde hen langs de vesten naar de Smedepoort. Onderweg zagen zij overal

dezelfde bedrijvigheid: hier metselde men, daar timmerde men, verder

droeg men steenen op waltorens en op vestingmuren[64].

Bij de Smedepoort ontmoetten zij Robrecht Sneloghe, die daar den arbeid

van zijne zestig Ravenschootsche Kerels bestierde. Dezen waren druk

bezig met achter een gedeelte van den muur, dat onsterk scheen, eenen

hoogen wal op te werpen, en zij brachten de aarde met kruiwagens van het

plein, dat buiten de poort was gelegen.

Juist had Hacket zijnen neef Robrecht aan de afgezanten des graven

voorgesteld, toen men in de verte een bazuingeschal hoorde hergalmen.

Daar de arbeiders niet wisten wat dit krijgsgerucht te beduiden had,

lieten zij allen hun gereedschap of hunne werktuigen staan, en klommen

op de muren om in het veld te kijken.

Alhoewel Godschalk Tayhals en zijn makker verzekerden dat de naderende

bende geene andere kon zijn dan degene welke zij tot hulp nadden

aangebracht, riep mher Sneloghe uit voorzichtigheid zijne mannen onder

de wapens.

Zoohaast echter de vierhonderd Kerels op het plein, dat men het Zand

noemde, zichtbaar werden, herkenden hen de arbeiders aan hun blauw

kleedsel en aan hunne baarden. Een lang vreugdegeroep ontstond boven de

wallen en klonk hun reeds van verre als een gulhartig welkom tegen.

De Kerels trokken de poort binnen, onder het geschal der bazuinen en

onder de aanjagende galmen van der Kerlen krijgslied. Zij werden door

hunne Brugsche vrienden met gejuich, met handgeklap en met het zwaaien

der hoeden onthaald.

Deze mannen schenen in het geheel niet vreemd aan het voeren van

oorlogswapenen; want zij gingen in geslotene gelederen en waren verdeeld

in zekere kleine benden, waarvan elke was voorafgegaan door eenen Kerel

die over haar gebood.

Aan het hoofd van allen stapte Benkin, een beroemd schutter. Hij was een

man van middelmatige gestalte, maar met zulke breede schouders en

struische leden, dat men van hem met reden zeide, dat hij sterk scheen

als een beer. Op zijnen rug hing een groote kruisboog, met eene breede

stalen lat. Zulke bogen droegen tevens de meesten zijner gezellen.

Hier en daar achter de gelederen stapten een tiental gehuwde vrouwen,

even sterk van leden en even fier van houding als mannen, die eetwaren

droegen of met eenig klein gepak waren beladen.

De kastelein en de afgezondenen des graven volgden de Kerels in de

Noordzandstraat.

Nog eenigen tijd na hunnen doortocht bleef het gejuich der arbeiders

aanhouden. Men wenschte elkander geluk over de komst van zulke schoone

bende mannen, wier trotsche houding ontzag inboezemde en wier oogen van

onversaagdheid gloeiden. Maar Robrecht en de mindere oversten

herinnerden hun dat de tijd te kostelijk was om hem aan vreugdegeroep te

verspillen. Allen hernamen weder met nieuwe drift hun werk.

Ongeveer een uur daarna kwamen eenige landlieden met snelheid over het

Zand naar de poort geloopen. Van verre riepen zij reeds uit al hunne

macht:

"Harop, harop! De vijand, de vijand!"

Robrecht ging hun te gemoet.

"Gauw, heer, te wapen!" zeiden zij hem. "De baan naar Thourout, zooverre

het gezicht reiken kan, is overdekt met ridders, met wapenlieden en met

wagens. Gansch een machtig leger!"

"Het is wel", antwoordde hun Robrecht. "Komt nu binnen de stad en maakt

geen gekerm!"

Hij deed de poort sluiten en de egge nederlaten, en vergaderde met haast

zijne mannen. Vier of vijf hunner, op wier behendigheid hij vertrouwen

kon, zond hij naar den burg, om de kastelein te verwittigen, en naar de

andere poorten, om den oversten kennis te geven van des vijands

waarschijnlijke nadering.

De werklieden wierpen hun gereedschap neder, en beklommen de wallen,

daar zich gereed houdende om den vijand, ook van verre, met pijlen of

slingersteenen te treffen.

Weinig tijds daarna zag Robrecht, die boven de poort op eenen der torens

geklommen was, ten einde van het uitgestrekte plein inderdaad eene

schaar ruiters opdagen. Vele andere scharen vertoonden zich opvolgend.

Daarna kwam een machtige drom voetvolk, en eindelijk eene reeks wagens

en karren, van welke de meeste, voor zooveel hij het onderscheiden kon,

met zakken meel en sommige met lange ladders waren beladen.

Deze krijgsmacht, die volgens zijne berekening wel tot twee of

drieduizend man kon beloopen, schikte zich gansch ten einde van het

plein en buiten bereik der schutters in eenen dichten hoop. Het dacht

Robrecht dat men zich bij de achterhoede bezig hield met de ladders van

de wagens te lossen. Was de vijand dan voornemens onmiddellijk eenen

stormloop te beproeven? Wie kon het weten? Misschien hoopte hij door

dezen onverwachten aanval de Bruggelingen te verrassen en te

overrompelen.

Robrecht liep naar beneden en zond in allerhaast nog eenigen zijner

mannen in verschillende richtingen. Hij ging op de wallen, onderzocht

alles, om zich te verzekeren dat men in alle geval gereed was om de

Isegrims duchtig te onthalen, en moedigde iedereen door eenige

vertrouwvolle woorden aan.

De kastelein Hacket, die hier bij hem kwam, verhaalde hij wat hij van

boven den toren had bemerkt. Hij drukte de overtuiging uit, dat men zich

aan eene onmiddellijke bestorming te wachten had, en, aangezien de

Isegrims waarschijnlijk de Smedepoort of de Bouverypoort zouden

aanvallen, vroeg hij of het niet raadzaam was mannen van de andere

poorten te roepen om den bedreigden kant der stad te versterken.

Maar de kastelein zeide hem, dat de vierhonderd Kerels des graven

onmiddellijk ter Smedepoort zouden komen. Deze versterking was

voldoende. Men kon niet vast weten welke de inzichten van den vijand

waren, en men mocht de verdediging der andere poorten niet ontijdig

verzwakken.

Hacket gebood beneden de muren het vuur onder de ketels te ontsteken en

met spoed pek, olie en vet aan het zieden te brengen, om daarmede den

vijand te onthalen, indien hij waarlijk tot aan den voet der wallen

dorst naderen.

Dan klom hij met Robrecht naarboven op den toren der poort en stuurde

zijn gezicht over het plein.

Wel zag hij den dikken drom der vijanden als eene zwarte wolk tegen het

verre geboomte krielen; maar zijne oogen hadden de kracht der jeugd niet

meer, om te onderscheiden wat men daar verrichtte.

"Vele ridders zijn van hunne paarden gestegen", zeide hem Robrecht. "Men

heeft al de ladders van de wagens genomen. Nu is men bezig, op vijftig

plaatsen te gelijk, met de zakken meel te lossen; het zijn kleine zakken

... want elk man loopt weg met zulke zakken op de schouders. Wat mag dit

beduiden?"

"Weet gij het niet?" kreet Hacket. "Het zijn zakjes aarde om de grachten

te vullen. Kom, kom, Robrecht! Geen twijfel meer. Wij zijn bedreigd met

eene geweldige bestorming. Beneden, beneden, en elk aangemoedigd om

zijnen plicht te doen!"

Zij daalden haastig van den toren, liepen op de wallen, kondigden den

onmiddellijken strijd aan en bezwoeren door vurige woorden hunne mannen,

bij den eersten aanval te toonen dat men poorters en vrije Kerels niet

zoo gemakkelijk over het lijf loopt als de Isegrims het schenen te

gelooven.

De vierhonderd man van graaf Willem waren intusschen op den wal gekomen.

Zij werden met de andere boogschutters, in twee of drie gelederen diep,

achter de kanteelen van den muur geschikt, om allereerst den vijand van

verre te begroeten. Degenen, die de zware steenen, de kokende olie of

het brandend pek zouden werpen, hielden zich gereed beneden den wal.

Boven den muur, nevens de Smedepoort, stond Hacket met mher Sneloghe de

bewegingen van het vijandelijk leger gadeslaande. Het oogenblik van den

aanval scheen eindelijk te naderen.

"Robrecht, ziet gij nog de ridders, die van hunne paarden gestegen

zijn?" vroeg Hacket.

"Ja, zij hebben breede beukelaars", was het antwoord. "Zij zijn het die

zullen pogen onze wallen te beklimmen. De mannen met de ladders staan

hen terzijde, niet waar?"

"Zooals gij zegt, oom; en aan de andere zijde staat een gansche hoop

mannen, waarvan elk eenen zak aarde op den schouder heeft ... Maar zie

nu! Daar treedt een dichte schaar boogschutters vooruit en verbergt het

overige des legers voor mijn gezicht!"

"Geeft acht, geeft acht, mannen, het spel gaat aan den gang!" riep de

kastelein, die zulke bestormingen ongetwijfeld meer dan eens had

bijgewoond.

En inderdaad, nauwelijks had hij deze verwittiging uitgesproken of de

bazuinen hergalmden op het plein, en een gedeelte van het vijandelijk

leger, met de schuttersbenden aan het hoofd, kwam vooruit naar de stad.

Duizenden pijlen en schichten snorden eensklaps door de lucht en kwamen

zich tegen den muur verbrijzelen of vlogen over de kanteelen. Uit de

stad antwoordde men even overvloedig; en dewijl de Bruggelingen hunne

pijlen op dichte gelederen zonder beschutting zonden, troffen meest

allen het doel. Men zag onder de vijandelijke schutters vele mannen ter

aarde storten.

Ook op de wallen werden eenige mannen achter de kanteelen door pijlen

geraakt en doodelijk aan het hoofd gewond.

Alhoewel het verlies des vijands meer en meer aangroeide naarmate hij de

vesting naderde, onderbrak hij zijnen gang niet. Men zou gezegd hebben,

dat zijne voorste gelederen onweerstaanbaar door andere scharen werden

voortgestuwd.

Eensklaps opende de schuttersbende zich in haar midden, en een donderend

krijgsgeschreeuw galmde over het plein.

Vele honderden mannen met zakken op de schouders, en achter hen eene

schaar ridders met den beukelaar aan den arm kwamen juichend

vooruitgestroomd, ondanks de pijlen, die velen hunner doodelijk troffen.

De mannen met de zakken smeten hunnen last nevens de Smedepoort in het

water, zoolang en zooveel dat de gracht op die plaats er eindelijk

gansch mede was opgevuld. Lijken en gewonden lagen er bij hoopen op den

boord des waters.

Dan, onder het aanheffen van nieuwe oorlogskreten, naderden andere

mannen den wal en stelden hunne ladders tegen den muur. De ridders

stormden vooruit en klommen op de ladders ...

Maar de Kerels hielden zich gereed om hun deze blinde vermetelheid duur

te doen boeten. Van boven wierp met groote steenen, kokende olie en

vlammend pek op de bestormers. Allen vielen opvolgend met verpletterend

hoofd of verbrande ledematen naar beneden.

Evenwel, hoe meer hunner gezellen zij zagen nederstorten, hoe heviger

zij elkander aanmoedigden om den storm niet op te geven. Zij zouden het

moordenaarsnest rooven en de snoode Blauwvoeten tot den laatste toe

vernietigen, hoeveel edel bloed daar ook voor moest opgeofferd worden.

Robrecht Sneloghe toonde eene verwonderlijke onversaagdheid. Niet alleen

stond hij immer geheel recht op den wal, zonder zich voor des vijands

pijlen te beschutten, en vuurde onophoudend den moed zijner mannen aan;

maar toen eens een zeker getal ridders er in gelukten boven den muur te

geraken, en de toestand voor de Kerels gevaarlijk scheen te worden,

sprong Robrecht met zijne dapperste gezellen toe en doodde, na eenen

heldhaftigen strijd, de aanvallers, of dreef ze van den wal in de

gracht.

Hij was zelfs aan de wang gekwetst geworden; maar hij gaf er geene acht

op, want alhoewel hem bloed in den hals liep, had hij slechts eene

ondiepe snede bekomen.

Burchard en Disdir Vos waren met een gedeelte hunner mannen komen

toegeloopen; maar hunne hulp was overbodig, dewijl er boven den wal

geene ruimte was om nog meer strijders toe te laten.

Er kwam eindelijk een oogenblik dat de vijand, door groote verliezen

uitgeput, begon te beseffen dat hij iets onmogelijks had ondernomen.

Zijn stormloop scheen te verzwakken ...

Dan klonken uit de verte eenige schelle bazuintonen. De ridders, op dit

sein, zagen van den aanval af, hieven onder eenen hagel pijlen met allen

spoed hunne gekwetste makkers van den grond en verwijderden zich van

het plein, om het grootere gedeelte van hun leger te gaan vervoegen.

Een tiental herhaalde zegekreten en hoonend schaterlachen klonken hun

van de stadswallen ten spot achterna.

Evenwel bleef de bezetting boven den muur gereed staan om eenen tweeden

aanval af te weren; want men was overtuigd dat de ridders niet zoo met

schaamte de bestorming zouden verzaken, zonder eene nieuwe poging te

beproeven. Men zag evenwel schier onmiddellijk de ridders te paard

springen en het leger zich bewegen, om het plein te verlaten.

Robrecht en de Kerels des graven wilden de poort geopend hebben om de

Isegrims achterna te zetten en ze in het open veld aan te vallen; maar

de kastelein deed hun begrijpen hoe onvoorzichtig het was, met geringe

macht den strijd te bieden aan een gansch leger ridders, wier paarden

alleen voldoende waren om vijf- of zeshonderd man te verpletten.

Na verloop van eenigen tijd, toen men verzekerd was dat de vijand zich

beslissend had verwijderd, deed de kastelein de poort openen en zond een

groot getal arbeiders naar buiten met spaden, houweelen en draagbaren,

om de dooden te begraven en de gekwetsten binnen de stad te brengen.

Anderen gelastte hij met lange haken de zakken aarde uit de vest op te

halen.

Van eenen gekwetsten ridder, dien Hacket goed kende, vernam hij de ware

macht en de inzichten des vijands. Wel met zesduizend sterk, de

wapenlieden er onder begrepen, hadden de ridders Atrecht verlaten. Hier,

voor Brugge, waren zij ongeveer drieduizend sterk, onder bevel van den

kamerheer Gervaas Van Praet. Het andere gedeelte had zich over St-Omaers

gericht om in Veurne-Ambacht te vallen. Eenige ridders hadden te

Kortrijk het voornemen opgevat eene vermetele poging te beproeven om

Brugge bij verrassing te winnen. Gervaas Van Praet had dit waagspel ten

sterkste afgekeurd, te meer daar hij besloten had Brugge slechts te

bewaken, om te beletten dat het hulp uit Kerlingaland krege, totdat de

Gentenaars met de beloofde stormtuigen zouden aankomen. Ongelukkiglijk

had mher Gervaas de drift en de strijdlust zijner ridders niet kunnen

bedwingen, en eindelijk hun toegelaten den noodlottigen stormloop te

beproeven. Nu zou mher Gervaas ongetwijfeld zijn eerste ontwerp

hervatten, dit is te zeggen, dat hij zijn leger ergens in de omstreken

van Brugge zou nederslaan om daar, zonder iets meer te ondernemen, de

komst af te wachten van de Gentsche ridders, die hem allerlei

stormtuigen moesten aanvoeren.

Het nieuws dezer eerste overwinning had zich met groote snelheid door de

stad verspreid. Vele lieden, die gedurende de bestorming zich hadden

verschuild gehouden, kwamen nu naar de wallen geloopen, om daar met de

gewapende poorters en met de Kerels over de behaalde zegepraal te

juichen, of om zich te verzekeren dat hunne bloedverwanten of vrienden

niet in den strijd gesneuveld waren.

Welhaast was de menigte bij de Smedepoort zoo groot, dat men elkander

daar verdrong, en zeker, het waren de vrouwen en de kinderen niet die

het minst uitgelaten schenen en door luidruchtig gejubel hunne

blijdschap betuigden.

De proost was insgelijks, met eenigen zijner kanunniken en met de

afgevaardigden van graaf Willem naar de plaats der bestorming gekomen.

Hij en zijne gezellen omringden Robrecht Sneloghe en overlaadden hem met

gelukwenschen over zijne onversaagdheid. Men had zijne wonde met eene

enkele kleefpleister gesloten; doch het bovenste gedeelte van zijnen

kolder was nog bevlekt met bloed. Mher Sneloghe riep lachend dat men

ongelijk had hem voor zulke onbeduidende daden te prijzen; de proost,

die hem zeer liefhad, sprak uitbundig zijnen lof.

Disdir Vos stond op een paar stappen terzijde, en luisterde met verkropt

gemoed en nijdig hart op hetgeen men rondom Robrecht zeide. Hij hield in

schijn de oogen in eene andere richting; maar een aandachtig toeschouwer

hadde wel aan den zuren grijns zijner lippen bemerkt dat elk woord van

lof hem als een pijl door den boezem boorde.

Eensklaps trof hem eene zonderlinge ontroering; hij sidderde en

verbleekte ... Daar zag hij Dakerlia en Witta door de menigte dringen,

reeds van verre de handen tot Robrecht uitsteken, en een oogenblik later

hem met kreten van blijdschap aan den hals vliegen.

Zijn hart verkrampte, terwijl hij den blik op Dakerlia hield gevestigd

en zien moest met welke onverborgene teederheid zij hem gelukwenschte en

God dankte om zijn behoud. Dakerlia, zoo op de borst van Robrecht tranen

van liefde stortende? Het deed hem sterven van minnenijd en haat. Een

somber gegrol ratelde in zijne keel; hij verwijderde zich tusschen de

menigte, en vluchtte verre van daar, om niet langer door het

zielverscheurende schouwspel te worden gemarteld.

Het behaagde den proost niet de poorters en Kerels met verwonderde

blikken te zien staren op de bewijzen van genegenheid en liefde, welke

Dakerlia en Witta niet ophielden Robrecht te geven.

"De dag loopt ten einde, mijne kinderen", zeide de oude Bertulf. "Ik zal

den kastelein Hacket verzoeken mijnen neef aan de Smedepoort gedurende

een paar uren te doen vervangen; en ik noodig u allen om met mij en de

heeren gezanten des graven het avondmaal in de proostdij te komen nemen.

Gij zult aldus tijd genoeg en eene betere gelegenheid hebben om uwe

vreugde over onze eerste zegepraal uit te storten."

Deze uitnoodiging werd dankbaar aanvaard. De proost verliet met zijn

gezelschap de plaats van den strijd en verwijderde zich door de

Noordzandstraat.

De kastelein Hacket bleef nog, om de goede uitvoering zijner bevelen te

verzekeren.

Twee uren later was de opgelegde arbeid verricht: de dooden waren

begraven, de gekwetsten naar de ziekenhuizen gevoerd, de aarde uit de

gracht opgehaald.

Men had boven de wallen sterke wachten gesteld en aan de overige mannen

toegelaten gansch gekleed in de gebouwen van den burg te gaan slapen,

ten einde bij den eersten Harop-kreet te been te zijn.

Slechts nog eene enkele maal werd de rust der wachten gestoord, en riep

men de bezetting der Smedepoort onder de wapens. Het was ter oorzake der

terugkomst van mher Ingelram Van Eessen en zijne gezellen, die naar het

Noordvrije waren gegaan om er hulp te zoeken. Zij traden in de stad aan

het hoofd van een honderdtal Kerels, en begaven zich naar den burg.

Alles werd weder stil bij de poorten en op de vesten. Het was zeer

duister en er heerschte eene diepe stilte over de stad. Slechts nu en

dan hoorde men omtrent de wallen de stappen van kleine benden hergalmen,

wanneer het uur tot het aflossen der wachten was verschenen.

Disdir Vos voerde het bevel over de vijftig Kerels die met de bewaking

der Kathelynepoort waren belast..

Terwijl zijne mannen, in de beide wachthuizen van wederzijde der poort,

zich met dobbelen vermaakten of op bossen stroo lagen te slapen, zat hij

in het oppervertrek van een der torens bij eene tafel, waarop een smokig

lampje brandde.

Met het hoofd op de hand schouwde hij denkend in de half-donkere ruimte.

Nu en dan verkrampte zijn gelaat of deed hij een gebaar van gramschap.

Het moest stormen in zijn hart, want zijne wezenstrekken bewogen

geweldig onder den slag zijner akelige gepeinzen, en niet zelden

ontsnapte hem een holle zucht.

Hij stond op, wandelde eene wijl over en weder en morde dan in zich

zelven:

"Het is gedaan: geene hoop meer! De Kerels zullen zegepralen; Willem Van

Loo zal graaf van Vlaanderen zijn; Robrecht, mijn vijand, zal de

bruidegom van Dakerlia worden ... en ik, ik zal van nijd en wanhoop mij

het hart opvreten ... Doemenis! mijn ontwerp was zoo goed berekend.

Hadde ik hem slechts tot deelneming aan den moord van graaf Karel kunnen

verleiden. Ik hadde wel gemaakt dat zijn hoofd de prijs wierde der

misdaad. Hij verdwenen, dan zou Dakerlia mijne vrouw worden. Maar wat

nu? Eilaas, eilaas, wat nu? Ach, hadde ik hem dezen namiddag kunnen

doorsteken met mijne oogen!"

Er werd op de deur geklopt en de Kerel, die onder hem over de wacht der

poort gebood, trad binnen.

"Mher Vos", zeide hij, "hebt gij niet gehoord dat er iemand buiten voor

de poort staat, die vraagt om te worden binnengelaten? Hij beweert

gewichtige tijdingen voor den kastelein te brengen."

"Wie is hij?"

"Hij zegt dat hij Lambrecht Ploegijzer heet en te Bethferkerke woont."

"Ha, ik ken hem; het is een van mher Burchards lieden. Doe uwe mannen

onder de wapens komen, Landfried; open de poort met voorzichtigheid en

geleid den bode tot mij."

Landfried ging ter kamer uit.

Eene wijl daarna keerde hij weder met eenen man, die wel in blauw linnen

gekleed was, doch geenen baard droeg.

Zoohaast Landfried zich weder had verwijderd, zeide Disdir Vos:

"Gij zijt Lambrecht Ploegijzer, een vrijlaat van Bethferkerke, niet

waar? Ik herken u. Zijt gij niet eens met mher Burchard Knap en met mij

ter jacht geweest in het Merleijtebosch, bij Bekeghem?"

"Inderdaad, heer", antwoordde de bode, "het is niet zeer lang geleden."

"Gij brengt berichten voor den kastelein. Zijn zij geheimen, Lambrecht?"

"Voor u niet, heer. Indien gij het verlangt, ben ik bereid u te zeggen

wat ik weet."

"Zeker. Gij zult mij vermaak doen", bevestigde Disdir Vos.

"Welnu, heer, ik breng slecht nieuws."

"Slecht nieuws? Voor de Kerels?"

"Voor Brugge en voor de Kerels."

"Laat hooren, Lambrecht."

"Ziehier de zaak. De Isegrims hebben mij gedwongen, met eene kar en twee

paarden hen te volgen, om gekwetsten te vervoeren. Ik heb gedurende drie

uren afgeluisterd wat er rondom mij werd gezegd, en alles wel in mijn

geheugen gedrukt. Het mislukken van den stormloop tegen Brugge heeft

noch den ridders, noch den wapenlieden den moed benomen. Integendeel,

zij lachen er mede als met een verloren waagspel zonder gewicht, en zij

spreken zonder vrees en drukken pochende de vaste overtuiging uit dat,

eer eene week verloopen zij, niet alleen Brugge in hunne macht zal zijn,

maar tevens geheel Kerlingaland voor altijd onder het juk der

dienstbaarheid zal gebukt liggen."

"Ijdele bedreigingen van verwaande lieden!" mompelde Disdir.

"Neen, neen, heer; hunne woorden deden mij beven; want, indien het waar

is wat zij als bewijzen hunner overtuiging doen gelden, dan blijft er

weinig hoop voor Brugge en voor de Kerels."

"Welke bewijzen?"

"Deze ridders zijn slechts eene zwakke voorhoede van een ontzaglijk

leger, heer. Gansch de Vlaamsche heirkracht, die te Atrecht is, zal

opvolgend naar Kerlingaland afzakken. Binnen weinige dagen, overmorgen

misschien, komen de ridders van Keizers-Vlaanderen met al de stormtuigen

die de burg van Gent zoo overvloedig bezit, en met ontellijke

wapenlieden. Men heeft tot in Holland en Friesland toe ridders gezonden,

om daar huurbenden te gaan halen. Men schat aldus, binnen zeer korten

tijd, twintigduizend man in Kerlingaland te kunnen brengen. Aan zulke

macht, door de stormtuigen van Gent geholpen, kan Brugge geene twee

dagen weerstand bieden, ten minste zoo beweren zij het met eenen grooten

schijn van reden."

"Maar gij vergeet het Kerlenleger", bemerkte Disdir Vos. "En indien men

den landstorm in Kerlingaland uitroept, zullen wij dan niet insgelijks

een even ontzaglijk leger in het veld brengen?"

De bode trok de schouders op.

"Ja, hadden wij tegen de Isegrims alleen te staan, misschien ware alle

hoop niet verloren", antwoordde hij, "maar weet gij, heer, wat ik eenen

gekwetsten ridder heb hooren zeggen? De koning van Frankrijk heeft te

Atrecht gezworen dat, indien de Vlaamsche ridders niet onmiddellijk den

moord van graaf Karel kunnen wreken, hij zelf met het geheele Fransche

leger in Vlaanderen zal vallen. Hij heeft daarbij nog zijn koninklijk

woord verpand dat de moordenaars des graven en alwie hen, van dicht of

van bij, met raad of daad hebben geholpen, zonder genade eenen

schrikkelijken dood zullen onderstaan. De Fransche vorst was vriend en

bloedverwant van graaf Karel, en hij heeft zich aangesteld als

wraakeischer over zijnen moord."

Disdir Vos zag eene wijl ten gronde.

Het hoofd weder opheffende, vroeg hij, in gedachten:

"Waar zijn nu de ridders? Weet gij het?"

"Ja, heer, mijn wagen en paarden zijn er nog De zieken liggen in de

huizen van het dorp Oostcamp; de wapenlieden legeren tegen het

Balanderbosch; de oversten bevinden zich op den burcht van mher Van

Gruuthuse."

"En gelooft gij niet dat men, zoo in den duisteren juicht, ze

gemakkelijk zou kunnen verrassen en overhoop slaan?"

"Het schijnt mij geheel onmogelijk, heer", antwoordde de bode. "Ik

verwittig u dat zij overal, tot zeer verre in het veld, sterke wachten

hebben uitgezet en op hunne hoede zijn."

"Het is wel; ik dank u. Ga nu tot den heer kastelein en draag hem uwe

boodschap."

De bode verliet de kamer met eenen groet en daalde de trappen af. Disdir

Vos luisterde eene wijl op het gerucht van zijnen stap, duwde dan de

deur toe en liet zich, onder het slaken van eenen versmachten kreet, bij

de tafel op eenen stoel vallen. Hij legde de beide handen aan het hoofd,

boog zich voorover en staarde op den vloer.

"Ja, ja, de Kerels zijn veroordeeld; zij zullen bezwijken!" morde hij.

"Wat kunnen zij tegen de ridders, tegen gansch Vlaanderen, tegen het

overmachtig Fransch leger? De koning heeft zich opgeworpen tot

wraakeischer; wie tot den moord van graaf Karel heeft geholpen, door

raad of daad, zal eenen schromelijke dood sterven. Ik insgelijks ... En

Robrecht? Hij is een Erembald. Sterven, ik? O, neen, neen, Robrecht zal

in het graf; ik moet leven!"

Langen tijd bleef hij beweegloos zitten, zonder dat zijne wezenstrekken

iets anders uitdrukten dan verbazing en diepe verslondenheid.

Allengs nochtans kwam een lach van blijdschap zijn gelaat beglanzen.

Eensklaps sprong hij op en liep naar de deur; maar hij bleef staan en

begon te beven, alsof eene plotselijke vrees hem had aangegrepen.

Zuchtend keerde hij terug naar de tafel en zonk opnieuw in gedachten

weg.

"Ik ben een lafaard! Het moet geschieden!" morde hij welhaast. "O,

Dakerlia! Dakerlia!"

En hij sloeg met het gevest van zijn zwaard driemaal op de tafel.

Onmiddellijk hoorde hij iemand den trap beklimmen. Hij bedwong zijne

ontsteltenis met geweld en gaf zijn gelaat eene ernstige of

onverschillige uitdrukking.

"Vriend Landfried", zeide hij tot den Kerel, die in de kamer verscheen,

"ik moet oogenblikkelijk tot den heer kastelein gaan, om hem van een

gewichtig ontwerp te spreken, dat door de woorden van den bode in mijnen

geest is opgestaan. Neem het bevel over de mannen, wees mijn stedehouder

en stel goede wacht bij de poort.--Vaarwel, tot straks."

Hij drukte zijnen gezel Landfried met ongewone vriendelijkheid de hand,

daalde den trap af, en ging voorbij de Mariakerk; maar instede van zich

naar den burg te richten, sloeg hij ter linkerhand de Heiliggeeststraat

in en vertraagde meer en meer zijnen gang, als iemand die in het geheel

geene haast heeft.

Zoo stapte hij voorbij St-Salvators, door het Giststraatje en door de

Meerstraat. Dan keerde hij langs andere omwegen terug naar de

Kathelijnepoort, riep Landfried buiten het wachthuis en zeide hem met

verdoofde stem:

"Landfried, mijn vriend, ik moet oogenblikkelijk de stad uit, om eene

zwaarwichtige boodschap vanwege den heer kastelein te vervullen."

"Zoo gansch alleen, heer!" mompelde zijn gezel verbaasd. "Vreest gij

niet dat de vijand ..."

"Gansch alleen. Het is geheime zending", antwoordde Disdir. "Om de

vrijheid van Kerlingaland te redden, ontziet men geene gevaren. Ik zal

terugkeeren binnen een paar uren, later misschien, in alle geval voordat

het dag worde. Let wel op dat men mij niet te lang voor de poort late

staan. Ik zal driemaal kloppen op der Kerlen wijze en zeggen "Wolf en

Vos". Dit is het woord. Deel het uwe mannen mede ... Nu, doe de egge

ophalen en open mij de poort."

Landfried gehoorzaamde, zonder nog eene bemerking te wagen. Disdir Vos

drukte hem de hand, liep over de brug en verdween in de duisternis.

De Kerels van Vlaanderen · 第 43 / 85 题