XIV

Robrecht Sneloghe lag nog te bed. De ontsteltenis zijns gemoeds,

tengevolge der afschuwelijke voorstellen van Burchard, had hem in het

midden van den nacht langen tijd belet te slapen; maar eindelijk toch,

onder de vermoeidheid bezwijkende, was hij in eenen loomen sluimer

weggezonken. Reeds begon het morgenlicht in zijne kamer te dringen, toen

hij eensklaps ontwaakte en de oogen luisterend hield geopend.

Er heerschte in de verte een onduidelijk gebruis, als de suizende

branding eener verre zee, waartusschen bijwijlen een machtiger gerucht,

even versmoord, opsteeg. In zijne zware slaperigheid kon hij zich geen

helder denkbeeld vormen van wat hij hoorde; hij meende dat het weder

stormig was geworden en dat nu en dan een rukwind zuchtend tegen de

torens der Steenen aansloeg.

Het gebruis scheen echter te vergaan. Robrecht liet zijn hoofd terzijde

op het kussen vallen en sloot de oogen.

Maar welhaast hoorde hij in de straat eenige stemmen van lieden die in

twist waren, die klaagden of elkander riepen. Dewijl zijne slaapkamer in

het diepe zijner woning was gelegen, onderscheidde hij niets dan doffe

klanken; hij zou misschien opnieuw ingesluimerd zijn, indien niet op dit

oogenblik de stappen van een snel voorbijdravend paard voor zijnen Steen

hadden hergalmd.

Alhoewel hij in zich zelven deze geruchten verklaarde door de meening

dat het eerste veroorzaakt was door lieden die naar den burg ter

vroegmis gingen, en het andere door eenen bode des graven, zooals er

dikwijls bij het aanbreken van den dag uitgezonden werden, ontstond er

niettemin een angstige twijfel in zijnen geest.

De slaap was hem beslissend ontvloden, en vermits het nu reeds licht

begon te worden, stond hij op en kleedde zich met haast. Hoe het ware,

hij had beloofd, voor zijne afreis naar Houthem, Dakerlia en zijne

zuster nog tot vaarwel de hand te gaan drukken. Zij zouden

waarschijnlijk reeds op hem wachten.

Na eene korte wijle tijds was hij gansch gekleed, daalde den trap af en

ging naar de voorzaal om daar zijn zwaard te nemen.

Nauwelijks had hij den gordelriem zich om de lenden gegespt, of Dakerlia

en Witta stormden klagend en met opgeheven handen de zaal binnen.

"Wach arme! Wach arme!" kermden zij, "God behoede Kerlingaland!"

"Wat is er geschied?" mompelde Robrecht verschrikt.

"Wee, wee, de graaf is vermoord!" kreten zij.

"De graaf vermoord? Graaf Karel?"

"Hij ligt in St-Donaas met gekloofd hoofd!"

"Wie, wie zijn de moordenaars?"

"Eilaas, het is gruwelijk! Houtkerels van Eerneghem ..."

"En Burchard Knap?"

"Ja, Burchard ... Wat schromelijk ongeluk!"

"Hemel, ik wist het!" zuchtte Robrecht met gebogen hoofde.

"Gij wist het?" herhaalde Dakerlia, eenen stap achteruitwijkende als

hadde het verdenken van Robrechts medeplichtigheid haar doen

terugschrikken.

"Neen, neen", zeide hij, het hoofd opheffende. "Ik wist dat de woeste

Burchard het voornemen van dien ijselijken moord had opgevat. Mijne

verontwaardiging, mijne bedreigingen, mijne gebeden troffen hem, en hij

verzekerde mij dat hij van den misdadigen aanslag beslissend had

afgezien. O, die ellendeling, wat al vermaledijdingen, wat al rampen

roept hij niet over Kerlingaland en over geheel Vlaanderen!"

"Onuitwischbare schande voor ons geslacht!" klaagde Dakerlia

"Ons wacht de rechtvaardige wraak des hemels!" murmelde Witta snikkende.

"Ja, ja, men zou zich den naam van Kerel schamen", gromde Robrecht met

toorn. "Ach, ik verbrijzel veel liever mijn zwaard dan het aan de zijde

van moordenaars te moeten voeren!"

En onder het uitspreken dezer woorden trok hij zijn zwaard uit de

scheede; doch, eensklaps zich bedenkende, stak hij het weder in en zeide

op droeven toon:

"Mijne ooms! ik mag ze niet verlaten; ik moet ze steunen, beschermen

misschien. Hoe zullen zij bedrukt zijn en schrikken, zij, de hoofden van

ons geslacht! Men zal hen verantwoordelijk maken, de misdaad op hen

wreken, op hen, die onschuldig zijn.... Keer terug naar huis, Dakerlia,

of blijf hier met mijne zuster. Ik moet mij haasten naar den burg. Mijne

ooms zullen zich tegen Burchards gewelddadigheid verzetten. Hij is in

zijne blinde woede bekwaam om hen te mishandelen...."

De beide jonkvrouwen, in de gedachte dat Robrechts leven kon bedreigd

zijn, wilden hem wederhouden; maar roepend dat het niet op zulk

gevaarvol oogenblik was dat hij de vervulling van zijnen plicht zou

verzaken, rukte hij zich los uit hunne armen en verliet de zaal, ondanks

hun gekerm.

In de Hoogstraat zag hij vele lieden, die met gebaren van ontsteltenis

en schrik van den kant van den burg kwamen. Onder hen bemerkte hij eenen

poorter die hem goed bekend was. Dezen staande houdende, vroeg hij:

"Nu, Thiebald, wat geschiedt er op den burg?"

"O, mher Sneloghe, het is afgrijselijk! De graaf is vermoord in de

vroegmis; zijn lijk ligt nog in zijn bloed op den vloer der kapelle!"

antwoordde de poorter.

"Ik weet het. Waart gij er tegenwoordig?"

"Ja, ik sidder er nog van in al mijne leden."

"Ik bid u, Thiebald, zeg mij in eenige woorden: hoe is dit schromelijk

ongeluk gebeurd?"

"De graaf zat geknield voor het autaar. Burchard Knap is genaderd en

heeft hem met eenen enkelen slag het hoofd gekloofd. Ingelram Van Eessen

heeft den hofraadsheer Tancmar den schouder afgehakt; Isaac Van Eeninghe

heeft den hofbottelier bij de poort der kerk vermoord...."

"IJselijk, ijselijk!" morde Robrecht, de handen met wanhoop wringende.

"Kent gij niet mher Disdir Vos?" vroeg hij.

"Zeker, heer, ik ken hem wel."

"Was hij in de kapelle met de moordenaars?"

"Neen, hij was er niet, anders hadde ik hem gezien."

"En is Burchard Knap nog op den burg?"

"Neen, hij is daareven met zijne bende Houtkerels de stad ingeloopen,

om Tancmars zonen te gaan dooden. Wee, wee ons, mher Sneloghe! de wrake

Gods gaat nederstorten op onze stad, die besmet werd met zulke

euveldaad."

Vier of vijf andere poorters waren genaderd; een hunner, die de laatste

klacht had gehoord, riep dreigend uit:

"Wat raast gij daar, Thiebald? Dat gij een bloodaard zijt, weet

iedereen. Hoe? gij beklaagt de dwingelanden? Gave God dat al de Isegrims

dus naar de helle werden gezonden; dan zou Vlaanderen van zijne booze

verdrukkers voor eeuwig zijn bevrijd!"

"Zinnelooze, gij weet niet wat gij zegt", morde Robrecht met eenen blik

van misprijzen, doch hij liet de poorters staan twisten en haastte zich

naar den burg.

Voor de poort der kerk greep hem eene ijskoude siddering aan en hij

weerhield zijnen stap, als dede iets akeligs hem twijfelen of hij wel

verder zou gaan. Daar lag een groote plas bloed, ter plaatse waar men

den hofbottelier had gemarteld.

Zijnen moed te zamen rapende, sprong Robrecht met eene breede schrede

over de gruwelijke vlek, beklom de trap en ging in de kapelle. Hier zag

hij niemand dan eenige mannen, die met bloote zwaarden bij de deur van

de gang naar het paleis op wacht schenen te staan, vijf of zes

priesters, die met diep gebogen hoofde in de gestoelten zaten te bidden,

en drie vrouwen, bij het altaar ten gronde geknield, die nevens het lijk

weenden.

Akelig en doodsch was het hier als in een graf; slechts nu en dan werd

de stilte door eenen pijnlijken snik der treurende vrouwen onderbroken.

Mher Sneloghe naderde tot het altaar en blikte lang met stommen schrik

op het lijk van vorst Karel, dat daar nog in zijn bloed lag uitgestrekt,

zooals het onder den slag van Burchards zwaard was neergestort[61].

De jonge ridder kon zijn medelijden niet bedwingen; hem borsten de

tranen uit de oogen; maar welhaast ontstond er een grijns van diepe

verontwaardiging op zijn gelaat, en hij dreef zijne tranen met geweld

terug.

Tot de priesters gaande, zeide hij hun:

"Maar, eerwaarde heeren, waarom laat men het lijk van onzen armen vorst

dus schandelijk liggen? Bewijst hem ten minste de eer die men allen

dooden schuldig is."

De priesters schenen verwonderd over deze taal.

"Ach, mher Sneloghe, wij durven niet", antwoordde de kanunnik Ludgard,

die hem een vriend was. "De moordenaars hebben gedreigd de kerk van

St-Donaas te verdelgen, indien wij het lichaam van graaf Karel eenige

eer bewijzen. Zij zwoeren bij duren eede, den eerste die zijnen dood

durft beklagen, zonder genade neder te hakken. Zij gaan wederkeeren ..."

"En toch, wij mogen geenen godsdienst oefenen, geene plechtigheden

vervullen in eenen tempel die door eenen moord ontheiligd is", bemerkte

de oude kanunnik Littra.

"Het zij zoo", antwoordde Robrecht, "maar roept eenige broeders, doet

het lijk zooveel mogelijk van bloed reinigen, legt het op eene baar en

verbergt zijn hoofd en zijne gruwelijke wonde met een linnen kleed."

"Wij zijn u dankbaar, mher Sneloghe, voor uw Christelijk medelijden",

zeide Ludgard. "Wij zullen gelukkig zijn dezen plicht jegens de

stoffelijke overblijfsels van onzen vorst te mogen vervullen; maar wie

zal den tempel en wie zal ons tegen de wraak zijner wreede moordenaars

beschermen?"

"Wie, heeren? Ik zal u behoeden, al ware het zelfs ten koste van mijn

leven. Zegt dat de proost het u heeft bevolen."

"De proost!" herhaalde de priester op eenen zonderlingen toon, die

Robrecht verbaasde en verschrikte.

"O, mijn God!" kreet hij, "spreek toch duidelijk. Wat wilt gij zeggen?

Beschuldigt gij den proost?..."

"Neen; maar hij is oom van Burchard. De ijselijke misdaad heeft hem

zoodanig ontsteld, dat hij van moed en wil is beroofd. Hij bemoeit zich

met niets meer, zegt hij. Hem ontbreekt de macht om ons te beschermen."

"Welnu, heeren, doet alles op mijn bevel, ik blijf verantwoordelijk.

Wil iemand u hinderen, men roepe mij in de proostdij; ik zal

onmiddellijk komen en verantwoorden wat ik u heb geraden."

Dit zeggende verliet hij de kapelle en ging over het middelplein van den

burg, om zijnen oom te gaan spreken.

Een huisschalk hield hem terug, onder voorwendsel dat de heer proost

bevolen had niemand tot hem toe te laten, wie het ook ware. Hij was zeer

aangedaan en bedrukt, en wilde alleen zijn.

Maar Robrecht, daarop geene acht slaande, stiet de deur eener zaal open

en verraste zijnen oom, waar hij met het hoofd op de beide handen voor

eene tafel zat. Een open zakdoek, die nevens hem lag, scheen te getuigen

dat hij tranen had gestort.

Robrecht en de proost aanschouwden elkander een oogenblik zonder

spreken.

"Oom, wat afschuwelijke misdaad!" riep mher Sneloghe.

"Ja, ja, Robrecht", zuchtte de oude Bertulf, moedeloos het hoofd

schuddende, "Het is misschien ons aller doodvonnis! Onze vijanden zullen

de kans niet laten ontsnappen, om al de Erembalds van medeplichtigheid

aan dezen moord te beschuldigen. Gansch Vlaanderen zal ons vervolgen en

ons verderf najagen als eene rechtvaardige wraak!"

"De dood is niets, oom, wanneer men onschuldig sterft", zeide Robrecht

met beklemden toorn, "maar de schande! Wij beweren ridders te zijn,

ridders en vrije mannen, en daar gedragen voorname leden van ons

geslacht zich als laffe sluipmoordenaars! Ach, het is eene vlek die in

de verre toekomst nog op onzen naam zal kleven. Weerhield de plicht

jegens u en jegens Kerlingaland mij niet, ik verzaakte van heden af

eenen naam die met wraakroepend bloed is besmeurd!"

"Weze God ons barmhartig, Robrecht, anders is deze gruweldaad de

slavernij voor de Kerels en de marteldood voor uwe ooms!"

"En waar is nu Burchard?" vroeg Robrecht.

"Men heeft mij daareven geboodschapt dat hij met zijne woeste Houtkerels

naar Straten is geloopen om Rambold Tancmar te gaan verrassen. Eilaas,

hij heeft in de stad de beide zonen van den hofraadsheer vermoord!

Zeker, zij waren ons booze, onmeedoogende vijanden; maar zoo toch

moesten wij ons niet verdedigen. Dit bloed zullen wij duur betalen...."

"Oom, vergeef mij mijne vraag", onderbrak hem Robrecht. "Hebt gij dan

niets gedaan om Burchard het moorddadig zwaard uit de handen te rukken?

Uwe overheid op hem is groot; uw gebod ..."

"Neen, wees niet wreed voor mij, mijn goede neef", antwoordde Bertulf

bijna smeekende. "Ik gevoelde mij niet wel en lag nog te bed, toen reeds

de graaf en zijne twee raadslieden van het leven waren beroofd. Ik heb

het beproefd, Burchard van verder bloedvergieten te wederhouden; maar

hij noemde mijne vermaningen laffe woorden en weigerde mij aan te

hooren. Hij handelt op bevel en met goedkeuring van Willem Van Loo, zegt

hij, en indien dit waar is, wat kunnen wij tegen den wil van dengenen

die in den Hoop tot graaf van Vlaanderen werd verheven?"

"Maar het is niet waar, het is eene snoode logen!" kreet Robrecht met

verontwaardiging. "Burchard bedriegt ons."

"Hoe kunt gij het weten, neef?" antwoordde de proost met een treurig

schokschouderen. "Kent gij den burggraaf van Yperen? Zijne ziel is diep

verbitterd; hij haat Karel van Denemarken ontzeglijk, sedert deze, in

zijne plaats, zoo hij meent, den troon van Vlaanderen beklom. De

heerschzucht, mijn zoon, maakt den mensch tot alle euveldaden bekwaam;

de geschiedenissen, oude en nieuwe, krielen van bewijzen."

"Schromelijk!" morde mher Sneloghe, "gij waant Willem Van Loo uitzinnig

of boos genoeg, om door plassen bloed, laffelijk en snood gestort, den

troon zijner vaderen te beklimmen? En hij zou eenen Erembald, hij zou

Burchard Knap deze gruwelijke misdaad bevolen hebben?"

"Ik weet het niet, neef; maar gij zelf hebt mij gezegd, dat Burchard te

Veurne zich aanstelde als een gunsteling van mher Willem en zichtbaar

zijn bijzonder vertrouwen genoot."

"Het is waar!" bevestigde Robrecht, met eenen zucht van moedeloosheid.

"En zouden wij hem nog als graaf erkennen, den valschen en wreeden

mensch, die zijn rijk met eenen eerloozen sluipmoord begint?"

"Spreek zulke onvoorzichtige woorden niet, mijn neef", bemerkte de

proost. "Wij moeten de voorvallen afwachten en zien wat ons eigen behoud

en de verdediging van Kerlingaland van ons eischen. Wij zijn gebonden

door onzen gildeneed. Vergeet dit niet."

"Waar is mijn oom Hacket?" vroeg mher Sneloghe.

"Die is in het Gijselhuis en bewaart daar den schatmeester Frumold en

andere hofbedienden des graven, die Burchard aan onze wacht heeft

toevertrouwd."

"Oom, ik heb bevolen dat men het lijk des graven wassche en het op eene

baar legge. Het volk gaat komen; dit bebloede lichaam, indien wij het

zonder eenig bewijs van eerbied op den vloer lieten liggen, zou den

poorters afgrijzen inboezemen en hun erg verdenken tegen u en den

kastelein doen opvatten. Daarenboven, men is allen dooden eerbied

verschuldigd, en Karel van Denemarken was toch voor Vlaanderen nog de

wettige graaf."

"Ik dank u voor uwe goede zorg; gij hebt wel gedaan, mijn neef ... Ik

was door dezen ijselijken moord zoo diep ontsteld, zoo verpletterd, dat

het gansch duister in mijnen geest was geworden; nu klaart mijn verstand

een weinig op. Ik ga metterhaast brieven schrijven: naar Willem Van Loo,

om hem te melden wat hier is geschied en zijne hulp in te roepen; naar

de bischoppen van Terouaen en van Noyon, om hun te bewijzen dat ik

onschuldig ben aan deze schromelijke voorvallen en hun te verzoeken de

ontheiligde kerk te komen herwijden. Ja, Robrecht, gij zult het zien, de

Isegrims zullen al de Erembalds, en mij meer dan anderen betichten van

aan dezen moord te hebben deelgenomen of hem te hebben aangeraden.

Burchard is mijn neef; met weet dat ik alleen invloed op hem bezat, en

men zal beweren dat ik zijnen arm hadde kunnen weerhouden, indien ik den

ijselijken aanslag niet had goedgekeurd. De schijn is tegen ons. Niemand

toch kan vermoeden dat eene hoogere overheid dan de mijne dezen moord

heeft bevolen."

"Ik zelf, oom, ik kan nog niet gelooven dat mher Willem Van Loo zulk

bevel heeft gegeven. Hij is toch ridder!"

"Geve God dat gij u bedrieget; anders valt de pletterende

verantwoordelijkheid geheel op ons. Laat mij nu alleen, Robrecht; ik zal

metterhaast mijne brieven voor Willem Van Loo en de bisschoppen gaan

schrijven."

"Kan ik hier niet van eenigen dienst zijn, heer oom?" vroeg Robrecht.

"Ja, zeker, van grooten dienst; ik dacht er niet aan. Hoe verward zijn

toch mijne zinnen!" antwoordde de oude Bertulf. "Ga naar de kapelle en

blijf daar waken over het lijk des graven. Ik heb reeds vijf of zes

wapenlieden er naartoe gezonden; maar zij hebben geenen overste. Ik zal

uwen oom Hacket verzoeken er u nog anderen te sturen. Welhaast zal de

gansche bevolking van Brugge te been zijn. De menigte zal uit

nieuwsgierigheid naar St-Donaas komen gestroomd. Niet alleen moet men

daar het gewoel en het gedrang beletten, maar tevens het lijk tegen

allen hoon beschermen; want de woeste gezellen van Burchard kunnen

terugkeeren, en zij zouden hun slachtoffer niet eerbiedigen.

Daarenboven, vele poorters koesterden eenen even vurigen haat tegen

graaf Karel. Er zijn ijselijkheden genoeg gepleegd. Ga, mijn neef, en

behoed ten minste het doode lichaam tegen alle schennis en tegen alle

oneerbiedigheid."

"Het is wel, oom", antwoordde Robrecht, met eenen groet. "Wees gerust;

al moest mijn bloed zich mengen met het bloed van den ongelukkigen vorst

Karel, niemand zal ongestraft zijn lichaam hoonen."

Hij verliet de proostdij en keerde terug naar de kapelle, waar zich een

twintigtal nieuwsgierigen bevonden, die in stilte op de banken geknield

zaten en, met schrik op het gelaat, naar het altaar blikten.

Het lijk lag nu op eene soort van tafel en was overdekt met een wit

linnen. Rondom deze baar brandden een zeker getal waskaarsen Men had den

vloer van bloed gereinigd en alles, wat in de kapelle door de woeling

was overhoop gesmeten geworden, weder geschikt en gezuiverd.

Door de woorden van mher Sneloghe aangemoedigd, hadden de priesters

hunne genooten en klerken verwittigd, zoodat nu bij de baar en in de

gestoelten vele geestelijken en broeders van St-Donaasklooster in stilte

zaten te bidden. Maar hun plechtgewaad hadden zij afgelegd, en de gewone

gebeden voor de dooden lazen zij niet; want dit was hun verboden door de

kerkelijke wetten, zoolang de ontheiligde tempel niet door eenen

bisschop zou herwijd zijn.

Robrecht sprak eene wijl met den kanunnik Ludgard, schikte dan de

gewapende wachten op eenigen afstand rondom de baar en beval hun niemand

het lijk te laten naderen, en al degenen die zich oneerbiedig zouden

toonen zonder eenig ontzag terug te drijven. Hij zou in de kapelle

blijven en op het minste gerucht hun terzijde komen, om hun hulp te

bieden, indien het noodig werd.

Na dus zijne onderrichtingen te hebben gegeven, trok hij eenen bidstoel

tot bij de deur van de gang naar het paleis, en zette zich daar geknield

en met gebogen hoofd neder.

Allengs kwam er meer en meer volk in de kapelle, en na een uur tijds

begon men er zoo dicht opeen te staan, dat de wachten, alhoewel zij nu

wel twaalf in getal waren, moeite hadden om de lieden te beletten

elkander tot tegen het lijk te dringen.

Daaruit ontstond verwarring, en nu en dan een hevig gemor, dat waarlijk

inbreuk maakte op den eerbied dien men deze plaats en bovenal het doode

lichaam des graven was verschuldigd.

Robrecht stond op en beval dreigend de diepste stilte. Dan stelde hij

vier gewapende mannen bij de deur, aan de trap, en legde hun ten plicht

op niemand meer toe te laten dan wanneer de kapelle door een zeker getal

bezoekers zou ontruimd zijn.

Toen hij naar zijnen bidstoel meende terug te keeren, hoorde hij eenen

poorter luidop zeggen dat Karel van Denemarken niet meer had dan wat hij

verdiende; hij noemde hem valschaard, dwingeland en huichelaar.

Robrecht zag hem met vertoornden blik aan en beval hem te zwijgen; maar

de poorter, die verblind was door zijnen haat tegen den doode, sprak

eene grove vermaledijding uit.

Robrecht deed geweld om zijne verontwaardiging te bedwingen; hij ging

tot twee zijner wachten, zeide hun eenige stille woorden en naderde

weder met hen tot den oneerbiedigen poorter.

"Wilt gij zwijgen of oogenblikkelijk deze kapelle verlaten?" vroeg hem

mher Sneloghe.

De poorter toonde zich nog onwillig.

Op een teeken van Robrecht grepen de beide wapenlieden te gelijk hem

aan en rukten hem naar de deur, ondanks zijnen tegenstand.

"Weigert hij den burg te verlaten, men voere hem naar het Gijselhuis in

den kerker!" riep Robrecht.

De rust, een oogenblik door dit voorval gestoord, was welhaast geheel

hersteld. Dit bewijs van krachtdadigheid boezemde de menigte ontzag in,

en ieder hield zich stil.

[Illustratie: En zette zich daar geknield en met gebogen hoofd neder

(Bladz. 288)]

Robrecht keerde terug naar zijnen stoel. Uren verliepen er, zonder dat

zijne tusschenkomst nog noodig werd; want, dank aan den wijzen maatregel

door hem voorgeschreven, het men slechts opvolgend een beperkt getal

nieuwsgierigen de kapelle binnentreden.

Weinig tijds voor den middag, terwijl hij in diepe verslondenheid zat te

bidden of te overwegen, werd zijn naam zeer zachtjes achter hem

uitgesproken. Hij hief het hoofd op en zag met verrassing Dakerlia en

Witta aan zijne zijde staan.

Hij sprak met hen door treurige blikken en stomme gebaren, want, om de

stilte niet te storen, durfde niemand hunner iets zeggen.

Robrecht trok twee stoelen bij, en Dakerlia en zijne zuster knielden

nevens hem met saamgevoegde handen. Tusschen het prevelend gebed der

jonkvrouwen werd nu en dan een doffe snik hoorbaar. Zij weenden over de

misdaad en over het arm slachtoffer.

Wel een half uur hadden zij daar voor de ziel van graaf Karel en voor

het bedreigde Kerlingaland gebeden, toen mher Eggard Van Ysendijke, een

vriend van Robrecht, in de kapel trad en eenige woorden aan zijn oor

fluisterde. Robrecht stond op en deed Dakerlia en zijne zuster teeken

dat zij hem zouden volgen.

Zij zwegen totdat zij buiten de kerk op het plein waren.

Hier begonnen de ontstelde jonkvrouwen, onder het storten van nieuwe

tranen, hun medelijden met het doorluchtige slachtoffer uit te storten

en hunnen afschrik van den ijselijken moord te betuigen; maar Robrecht

troostte en versterkte hen, zoo hij best kon, en deed hun begrijpen dat

zij huiswaarts moesten keeren en daar gerust op hem wachten. Hij zou hen

gaan vervoegen zoohaast hem dit mogelijk zou zijn. Nu moest hij nog op

den burg blijven, om in de kapelle over het doode lichaam te waken. Wel

had de proost hem door Eggard Van Ysendijke doen aflossen; maar het was

slechts om hem toe te laten in de proostdij metterhaast en weinig

voedsel te nuttigen. Dan moest hij weder in de kerk zijne wacht gaan

hernemen. Overigens wist hij niet met welken anderen dienst men hem zou

kunnen belasten. Zijne ooms waren, om zoo te zeggen, gansch alleen en

zonder hulp; zijn plicht gebood hem met hen te blijven zoolang zijne

tegenwoordigheid hun van eenig nut kon zijn. Tot nu toe bestond er voor

de poorters der stad geen het minste gevaar. Dakerlia en Witta konden

dus in volle gerustheid naar huis gaan, en daar onbekommerd op hem

wachten.

Zou koutende en moeite doende om hun moed in te spreken, leidde hij hen

door de Hoogpoort en bijna tot voor zijnen Steen. Hier nam hij echter

afscheid van hen en keerde terug naar den burg.

Toen hij op het plein trad, zag hij eenen ganschen stoet geladene wagens

de Hofpoort binnenrijden. Daarop lagen in groote verwarring allerlei

wapens opgehoopt: helmen, harnassen, maliehemden zwaarden, kruisbogen,

speren, en zelfs werptuigen die men in belegerde plaatsen gebruikt om

eenen stormloop af te weren. Rondom en tusschen de wagens reden vele

Houtkerels, aan hunne diepblauwe kleeding en lange baarden kennelijk.

Dat zij deze paarden in het veld of op de ridderburchten hadden geroofd

bleek genoeg daaruit dat de meeste dezer dieren ongezadeld waren en

sommige met een zeel bij de hand werden geleid. Een gansche drom

Houtkerels te voet kwamen achter de wagens aangestapt Velen hunner

droegen kostbare voorwerpen op hunne armen of op hunne schouders: gouden

lakens, rijke kleederen, ingelegde wapens, zilveren schotels, die zij

ongetwijfeld op hunnen tocht tot buit hadden gemaakt.

Bij hunne intrede binnen den burg zongen zij met verwarde galmen:

"Gi, rudders, dwingers, maect u van cant,

Hier zyn de Kerels van Vlaenderlant!

Gi, Isegrim, hoed u vor den Blauwvoet

Of gi selt voelen wat sine clau doet.

Onse vorderen waren vri,

En vri so bliven wi,

So lanc een hart, dat lafheid haat,

In eenen Kerlenboesem slaat!

Doedele, bommele, rondomdom,

Houd u recht en sie niet om!"

En na dezen zang deden zij den schreeuw: "Heil Willem Van Loo, graaf van

Vlaanderen! Heil, heil!" als een donder over den burg schallen, terwijl

vele poorters dien kreet met evenveel drift herhaalden.

Het pijnigde mher Sneloghe zeer diep, het lied der Kerels bij zulke

beklaaglijke gelegenheid in den mond te hooren van lieden die hij als

laffe moordenaars aanschouwde. Het scheen hem eene ontheiliging van den

vaderlandschen krijgszang; hij sidderde van verontwaardiging bij het

gepeins dat ditzelfde lied ook in den oorlog, welke er ongetwijfeld ging

ontstaan, der Kerlen scharen ten strijde zou voeren. Het was hem nu

hatelijk geworden, het zou hem voortaan ontmoedigen en beschamen,

telkens dat het in zijn oor zou hergalmen.

Daar zag hij eensklaps Disdir Vos tusschen de Houtkerels. Deze ridder

moest een hunner oversten zijn, want hij deelde zichtbaar bevelen uit

tot het ontladen der wagens en tot het bergen der wapens in de

stapelhuizen.

Disdir Vos bemerkte Robrecht en kwam tot hem.

"Hoe staat gij daar werkeloos en onverschillig, mher Sneloghe?" vroeg

hij. "Wij gaan straks om nieuwen buit naar de burchten der omstreken.

Ditmaal zullen wij allen te paard zijn. Gaat gij niet mede?"

"Ik wil niets gemeens hebben met lieden die eenen afschuwelijken

sluipmoord hebben gepleegd", antwoordde Robrecht zeer koel.

"Maar de slag is nu toch gegeven. Uwe treurnis zal den dwingeland niet

opwekken."

"Kleve de wrake Gods en de vermaledijding der wereld op degenen die het

bloed van Karel hebben vergoten! Ik, Robrecht, wil ten minste voor mijn

eigen geweten onschuldig blijven van alle medeplichtigheid aan dien

gruwel."

Mher Vos veranderde eensklaps van toon, en het was met zekere

bekommerdheid, dat hij zeide:

"Ik was niet tegenwoordig bij den moord; toen men mij de erge

gebeurtenis kwam melden, lag ik nog te bed, wees daarvan zeker."

"Ik weet het", mompelde Robrecht. "Misschien hebt gij Tancmars zonen

zien dooden?"

"Neen, neen, in mij bijzijn is er geen druppel bloed gestort. Uit enkel

nieuwsgierigheid ben ik Burchard achternagereden naar Straten. Ik heb

hem vergezeld naar Snelleghem, Lophem, Oostcamp en Assebroeck. Overal

waren de lieden gevlucht en niemand bood ons wederstand. Burchard meende

ten minste Rambold Tancmar te verrassen; het nest was ledig en de vogel

ontvlogen ... Kom straks met ons, Robrecht. Burchard handelt op bevel

van graaf Willem; hij is zijn gunsteling en hij zal den graaf laten

weten wie in deze gewichtige omstandigheid hem bewijzen van

verkleefdheid gaven."

Mher Sneloghe glimlachte met misprijzen.

"Gij begrijpt", ging Disdir met vleiend aandringen voort, "dat vele

leenen der Isegrims zullen verbeurd worden. De graaf zal deze leenen

uitdeelen aan de ridders die hem door openbare daden van moed en

opoffering hebben geholpen. Uw deel zal groot zijn, indien gij nu zonder

aarzeling u aan de zijde van Burchard schikt en niet ten onrechte laat

denken dat het u aan stoutheid faalt."

"Ik heul niet met lieden aan wier handen nog het bloed van den

sluipmoord kleeft! Op tijd en plaats, in eenen open en eerlijken oorlog,

zal ik toonen dat ik niet weiger mijn leven voor het heil van

Kerlingaland te wagen. Nu blijf ik op den burg."

Disdir Vos scheen verdrietig over het mislukken zijner poging.

"Denk toch niet, mher Sneloghe", zeide hij, "dat ik juich over den

ellendigen dood van graaf Karel; maar, al weende ik nu ook in mijn

binnenste over het bloedig voorval, wat zou het er aan helpen? Is onze

plicht niet ons te wapenen tegen onze vijanden, die op de stad Brugge en

op Kerlingaland het verlies van den graaf zullen willen wreken? Wij

kunnen ons toch niet als kalveren door de Isegrims laten doodslaan?"

"Het is waar", zuchtte Robrecht, "maar tusschen moordenaars? Nooit,

nooit!"

Disdir Vos keerde zich om met eenen korten groet; een dof gemor rolde

van zijne lippen en hij verwijderde zich, knarsetandend van geheime

spijt.

Robrecht richtte zich naar de proostdij. Een schalk leidde hem in eene

kamer en bracht hem een stuk gebraden vleesch en eene flesch wijn.

Hij begon te eten zonder veel lust, ofschoon hij wel gevoelde dat zijn

lichaam nood had tot herstelling van krachten.

Spoedig had hij met zijnen maaltijd gedaan, en meende zich weder naar de

kapelle te begeven, toen zijn oom Bertulf bij hem in de kamer trad. De

oude proost scheen minder neerslachtig; ja, eene uitdrukking als een

glimlach verhelderde zijn gelaat.

"Kom, mijn goede Robrecht", zeide hij, o wat geschied is kan niet

hersteld worden. Wij moeten het lot aanvaarden zooals het zich voordoet,

en met beradenheid de middelen verzamelen om ons tegen de wraakzucht

onzer onmeedoogende vijanden te kunnen verdedigen. Burchard is toch van

ons maagschap. Hoe schromelijk ook de daad zij, die door hem is

gepleegd geworden, wij moeten hem bijstaan."

"Ach, oom, spreek zoo niet!" zuchtte Robrecht met afgrijzen. "Burchard

is eene afschuwelijke moordenaar. Ik hem helpen? Eischt gij dat van

mij?"

"Het is een bloedplicht, mijn neef, gij weet het wel. Ik heb lang met

Burchard gesproken; hij is in de proostdij en rust nu een weinig ...

Indien het waar is, zooals hij het verzekert, dat Willem Van Loo hem

last heeft gegeven om den graaf te dooden ..."

"Dit is onmogelijk!" kreet Robrecht met driftigheid.

"Gij kent Willem niet, mijn neef. Uw edelmoedig hart begrijpt niet dat

een ridder tot zulke gruwelen kan besluiten, al moest ook de kroon van

Vlaanderen de prijs van den sluipmoord worden. Gij bedriegt u; de tijd

zal het u leeren. In alle geval, Burchard toont zich bereid om voor den

nieuwen graaf, wie hij ook weze, zijne daden te verrechtvaardigen. Laat

hem dan verantwoordelijk blijven voor den moord, en pogen wij, van onze

zijde te beletten dat onze vijanden deze gelegenheid waarnemen om het

geslacht der Erembalds te verderven en Kerlingaland in eeuwige slavernij

te dompelen."

"Ik ben bereid tot alles, heer oom", antwoordde Robrecht, "maar aan de

zijde van Burchard niet. Sedert dezen morgen is hij een wangedrocht in

mijne oogen; mijn afkeer voor hem is onuitsprekelijk"

"Dit gevoel begrijp ik, Robrecht; maar het zal verzwakken. Kom, wees

beter beraden; men moet ook zedelijke opofferingen voor zijn land kunnen

doen ... Ik heb daar straks eene bijeenkomst gehad met de schepenen van

Brugge ..."

"Ha, zij insgelijks beven van verontwaardiging en van afschuw niet

waar?"

"Inderdaad; maar als wijze mannen denken zij aan de verdediging der stad

en aan het behoud hunner vrijheden. Wij hebben gezamenlijk besloten dat

men, met den grootsten spoed de grachten zal uitdelven, waar ze door

verloop van tijd ondiep zijn geworden. De paalwerken zullen wij

herstellen, de zwakste plaatsen der omheining met aarden wallen

versterken, de torens en poorten met allerlei wapens voorzien.

Verschijnen dan de Isegrims voor de stad, wij zullen ze kunnen afweren

en terughouden totdat Willem Van Loo met het Kerlenleger hun den strijd

komt bieden. Zijn de Kerels overwinnaars, Burchard zal voor hem en zijne

ridders terechtstaan en zich volgens hun vonnis gedragen. Gij ziet wel,

mijn goede neef, dat alles nog zoo erg niet is als wij meenden."

Robrecht schudde zwijgend het hoofd, ofschoon hij innerlijk niet

ontkende dat zijn oom gelijk had, ten minste wanneer hij aanried zich

tot verdediging tegen de Isegrims te bereiden.

Daar hoorde men in de proostdij een gerucht van stappen.

"Hemel, zou hij het zijn?" kreet Robrecht als verschrikt.

"Burchard?" antwoordde de proost, "ja, ik geloof dat hij het is."

Mher Sneloghe sprong recht en zocht met de oogen eene deur om de kamer

te verlaten.

"Bij uwe liefde tot mij en tot Kerlingaland", zeide de oude Bertulf, hem

de hand grijpende, "ik bezweer u, Robrecht, toon niet zoo openlijk uwen

afkeer voor Burchard; het zou hem diep kwetsen ... en wie weet? Ach,

indien gij elkander op zulk oogenblik naar het leven moest staan, waar

bleef onze verdediging?"

"Laat mij gaan", smeekte mher Sneloghe, "ik zal het gezicht van den

moordenaar niet kunnen verdragen; nu nog niet, later; maar nimmer toch

zal ik zonder blozen...."

"Wij bedrogen ons, het is Burchard niet!" riep de proost met blijdschap.

De kanunnik Ludgard was in de kamer getreden en zeide met groote haast:

"De schalken wilden mij beletten tot u te naderen, heeren; ik heb uw

bevel niet geëerbiedigd ... Mher Sneloghe, kom toch zonder uitstel naar

de kerk! Daar zijn Houtkerels die het lijk van graaf Karel allen smaad

aandoen; zij hebben den doek er af getrokken, de lichten uitgedoofd, de

geloovigen verjaagd en ons, dienaars des Heeren, gehoond en bespot."

Robrecht sloeg, van verontwaardiging sidderend, de hand aan zijn zwaard

en, terwijl hij zich naar de deur richtte, morde hij, dat hij een einde

aan de baldadigheid der Houtkerels zou stellen, al moest hij ook dien

goddeloozen het hoofd klooven ... maar hij deinsde eensklaps terug, als

hadde een onverwacht gezicht hem met verschriktheid geslagen.

Burchard Knap vertoonde zich glimlachende in de deur. Hem hing een

zilveren jachthoorn aan de zijde.

"Wat komt kanunnik Ludgard hier van mijne Houtkerels vertellen oom?"

vroeg hij den proost, die uit voorzorg zich tusschen Robrecht en

Burchard had gesteld.

"Hij komt hulp vragen tegen uwe mannen, die in de kapelle het doode

lichaam van vorst Karel hoonen en mijne priesters smaad aandoen",

antwoordde de proost toornig. "Ik zal niet langer dulden dat de kerk van

St-Donaas zoo wraakroepend worde ontheiligd!"

"Is het anders niet?" schertste Burchard, zijnen zilveren hoorn

aangrijpende. "Gij zult gaan zien hoe mijne Houtkerels den overste

gehoorzamen, die in naam van graaf Willem over hen gebied. Hier is de

jachthoorn van den valschen Rambold Tancmaar; zij kennen dien klank."

En dit zeggende, stapte hij, door de anderen gevolgd, uit de proostdij

en deed op het plein eenige schelle tonen hergalmen.

Even ras antwoordden van alle kanten verwarde stemmen op dit geluid, en

men zag uit de stapelhuizen en uit de kerk vele Kerels en ook poorters,

die zich in hunne bende hadden geschikt, met haast naar Burchard komen

geloopen.

"Vrees nu niet meer voor uwe kerk, heer oom", zeide deze. "Ik ga weder

met mijne mannen het veld in, om wapens te verzamelen en buit te maken

op onze vijanden ... Ginder bij de kerk staat mher Sneloghe. Hij

ontwijkt mij; ik begrijp het en vergeef hem zijne teergevoeligheid; maar

zeg hem, oom, dat hij zich niet verstoute in het openbaar mij te hoonen,

of, bij Thors hamer, hij zal slaan met mij!"

"Wat? woestaard!" gromde de proost vergramd, o gij zoudt Robrecht durven

uitdagen? Mij zoudt gij moeten dooden, vooraleer ik zulken broederstrijd

toeliete!"

"Welaan, hij bedwinge zich dan! Zijne vriendschap behoef ik niet, maar

zijn misprijzen zal ik niet dulden, in geener wijze!"

"Maar wie zegt u dat Robrecht u misprijst?"

"Ik heb er een staal van gehad dezen nacht; er zijn geene scheldwoorden

die den trotsaard mij niet naar het hoofd wierp."

"Dezen nacht?" vroeg Bertulf verwonderd.

"Ik zal het u later uitleggen. Nu heb ik geenen tijd. Vaarwel, oom, tot

onzen terugkeer."

De proost ging naar de kapelle, waar hij Robrecht reeds werkzaam vond

aan het doen herstellen van wat de woeste Houtkerels hadden ontschikt.

Een nieuw linnen werd over het lijk gelegd; men ontstak nog meer

waskaarsen en nam eenige maatregels om alle verdere ontheiliging der

kapelle te voorkomen.

Toen men hiermede gedaan had, wenkte de proost zijnen neef. Beiden

gingen tot op het middelplein. Daar zeide de oude Bertulf:

"Robrecht, wij kunnen zoo niet blootgesteld blijven aan de baldadigheid

van Burchards gezellen, zonder eenige hulp om desnoods hen in bedwang te

houden. Hoevele gewapende mannen zoudt gij op uw landgoed Ravenschoot

kunnen verzamelen?"

"Onmiddellijk, oom?"

"Voor den avond."

"In zoo korten tijd? Zeker vijftig of zestig, indien niet meer."

"Het is genoeg. Wij zullen hun de wacht van den burg toevertrouwen, en

gij zult hun overste zijn. Kunt gij zonder uitstel u naar Ravenschoot

begeven?"

"Ja, ik zal naar huis gaan om een paard te nemen. Dit zal mij

gelegenheid geven om mijne zuster en jonkver Wulf over mijne afwezigheid

gerust te stellen. Ik vertrek, heer oom, en zal mij spoeden, om met al

de mannen, die ik kan vergaderen, voor het einde van den dag terug te

zijn."

Hij meende zich naar de Hoogpoort te richten; maar de proost weerhield

hem.

"Nog één woord, mijn goede neef", zeide hij, "en ik smeek u, ik bezweer

u, hoor mijnen vaderlijken raad aan! Het kan zijn, het is zelfs

waarschijnlijk dat gij in aanraking zult komen met Burchard Knap. Uit

opoffering voor uw geslacht, uit liefde voor Kerlingaland verberg uwen

afkeer voor hem. Indien gij beiden in twist geraaktet, er zou tusschen

de mannen, die ons moeten verdedigen, eene noodlottige, eene

onherstelbare verdeeldheid ontstaan. Genoeg ware dit om onze kracht te

verlammen en al onze pogingen op voorhand te verijdelen. Beloof mij,

Robrecht, dat gij geweld op u zelven zult doen om geene reden tot zulke

splitsing te geven."

"Maar ik gevoel eenen onverwinnelijken afkeer voor hem", mompelde

Robrecht.

"Hij weet het; gij hoeft het hem dus niet meer te betuigen. Ik zal hem

aanraden, in uwe tegenwoordigheid, van Karels dood niet meer te gewagen.

Zwijg gij insgelijks daarover."

"Ik zal het beproeven, oom: uw raad is wijs, ik beken het gaarne."

"Welnu, ga dan, mijn zoon, en ontvang met mijnen zegen al mijnen dank

voor uwen goeden wil."

Hij drukte nog tot vaarwel de hand van mher Sneloghe, die met haastige

stappen zich verwijderde, om de hem opgelegde boodschap te gaan

volbrengen.

De Kerels van Vlaanderen · 第 40 / 85 题