De kerk van St-Donaas, binnen den burg, was een schoone, groote tempel
van Romaansche bouwstijl.
Hare middelbeuk was zeer verheven; maar van wederzijde verlengde zich
eene lage, donkere nevenbeuk, waarvan het neergedrukte welfsel op korte
pijlers rustte. Daarboven liep, rondom de geheele kerk, eene opene
gaanderij, vanwaar de geloovigen even goed als beneden de priesters aan
den autaar konden zien en de goddelijke diensten bijwonen.
De Zuidelijke zijde dezer gaanderij had men van het overige gedeelte
afgescheiden, en tot eene kapelle voor den graaf van Vlaanderen
ingericht.
Zij was versierd met een prachtig altaar en met schoone
heiligenbeelden. Een kostbaar gesnedene knielbank voor den graaf prijkte
in haar midden, bijna aan den voet des altaars. Er stonden aan beide
zijden gestoelten voor de lieden van het hof en, meer naar den gemeenen
ingang, vele rijen houten banken voor de geloovigen, die 's graven misse
wilden bijwonen; maar vooral voor de arme menschen, die gewoon waren
hier in menigte te komen, met de hoop van den vorsten aalmoezen te
genieten.
Deze verhevene kapelle, die men de opperkerk noemde, had eenen ingang
voor het volk, die met eenen engen steenen trap onder de lage beuk der
benedenkerk uitkwam; maar dicht bij het altaar was eene tweede deur,
uitsluitelijk bestemd ten gebruike des graven. Een gewelfde gang liep
van daar over de Hoogpoort naar het paleis, op zulke wijze dat vorst
Karel, uit zijne slaapkamer tredende, zich ter kerk kon begeven zonder
het plein van den burg te moeten overstappen.
De nacht was ongewoon donker geweest, ter oorzake van eenen dikken mist,
die reeds van den avond te voren als een somber baarkleed over de aarde
was nedergezakt.
Nu ging de morgenstond aanbreken; maar nog was de nevel zoo dik, dat men
nauwelijks op een paar stappen verre de voorwerpen als onduidelijke
schaduwen kon onderscheiden.
In de opperkerk van St-Donaan hadden de broeders en klerken van het
klooster een aantal waskaarsen op en nevens het altaar aangestoken, in
afwachting dat het uur der vroegmis verscheen.
Vele geloovigen,--poorters uit de naburige straten, of arme menschen,
waartusschen ook eenige vrouwen,--traden onder de donkere poort der kerk
en beklommen langzaam den steenen trap, om in 's graven kapelle de misse
te gaan hooren.
Maar wat niemand bemerkte was, dat nu en dan vele mannen met bruine
mantels en breede hoeden den steenen trap voorbijstapten om zich in de
duisternis onder de lage nevenbeuk der benedenkerk te gaan verbergen.
Eenigen dezer scheidden zich echter zonder spreken bij de groote
ingangpoort van hunne makkers en bestegen den trap. Onder het opklimmen
fluisterden zij nog elkander geheime woorden toe, doch zoohaast zij de
deur der opperkerk bereikten, hielden zij zich alsof zij elkander
geheel vreemd waren, en stapten stil en met zedige houding, ieder in
eene verschillende richting, door de geloovigen, om plaats op eene der
knielbanken te zoeken.
Zoo naderde er nu een man, die op eenen stok leunde, tot eene der
voorste banken en knielde neder tusschen twee vrouwen. Zij bezagen hem,
voor zooveel het schemerlicht der waskaarsen het hun toeliet; zijne
hooge gestalte verwonderde hen. Maar de man moest ziek of zeer oud zijn;
want hij ging diep gebogen, en dat hij noodlijdend was, kon men genoeg
bemerken aan zijnen gelapten en gescheurden mantel. Ongetwijfeld kwam
hij, evenals vele andere arme lieden, in de kapelle om deelachtig te
worden aan de aalmoezen welke de graaf gewoon was in de vroegmis uit te
deelen.
Van zulke zonderlinge arme lieden bevonden er zich nu een zeker getal in
de kapelle tusschen de geloovigen verspreid; maar alhoewel de eerste
dagschemering als een flauwe melkachtige schijn zich aan de
buitenvensters vertoonde, was het nog zoo donker in het diepe der
kapelle, dat men zelfs de lieden, nevens wie men onmiddellijk was
gezeten, niet duidelijk kon onderscheiden.
Het uur der vroegmis moest verschenen zijn; want alles was gereed op het
altaar. Een koorknaap hield zelfs de hand aan het zeel eener klok, om op
het eerste sein te kleppen; ja, in de opene deur van het sakristijn,
vertoonde zich nu en dan een priester in plechtgewaad, die als met
ongeduld naar de deur blikte, om te zien of de graaf nog niet kwam.
Ook de arme man met den gescheurden mantel scheen door ongeduld
aangejaagd; want, ofschoon hij diep voorover op zijne knielbank gebogen
lag, hief hij bij het minste gerucht het hoofd op en liet het dan weer
nederzakken, onder het slaken van een versmacht gemor. De nevenszittende
vrouwen meenden, dat hij zuchtte van verdriet, omdat degene, van wien
hij hulp voor zijnen nood verhoopte, zoolang zich liet wachten.
Maar zij bedrogen zich in hun medelijden; want in het hart, dat onder
den gescheurden mantel onstuimig klopte, woelde de vurigste haat en
gloeide de dorst naar bloed. Indien de graaf, door Robrecht Sneloghe
gewaarschuwd, of door onpasselijkheid belet, in de vroegmis niet
verscheen, dan ontsnapte hij aan de wraakzucht van zijnen vijand, en
verijdeld werd de zoo wel beraamde aanslag! Alle hoop was dan voor
Burchard verloren; want het leger van Atrecbt was misschien reeds in
Vlaanderen, en graaf Karel, door zulke macht van ridders omringd en
beschut, zou niet meer naakbaar zijn voor een balling, die in het diepe
van Kerlingaland eene schuilplaats zou moeten zoeken.
Terwijl de moordzuchtige Burchard dus in zich zelven het dreigend lot
vermaledijdde en eene klimmende hopeloosheid in zijn hart voelde zinken,
kwam er uit het sakristijn een priester, dien hij voor den hofkapelaan
herkende. Deze verdween in de deur welke toegang gaf tot het paleis.
Burchard twijfelde niet of hij wilde naar de reden van des graven
afwezigheid gaan vernemen. En inderdaad, hij misgreep zich niet; want de
priester begaf zich voor de gang naar de nachtvertrekken des vorsten. In
eene voorzaal ontmoette hij Jan Cauwenoghe, den kamerdienaar des graven,
die op zijne vraag antwoordde:
"Onze heer graaf heeft zeer slecht geslapen dezen nacht: hij gevoelt
zich niet wel en is later dan naar gewoonte opgestaan; maar nu is hij
gekleed en komt oogenblikkelijk. Er is geen belet: ga maar binnen, heer
kanunnik."
De priester klopte en opende de deur. Hij vond den graaf staande te
midden der kamer, terwijl een andere dienaar hem hielp om de kap op zijn
hoofd te schikken.
"Ik vraag u verschooning, kapelaan", zeide de vorst. "Laat ik u wachten,
het is mijne schuld niet. Nog een paar minuten."
"Maar indien Uwe Hoogheid onpasselijk is", bemerkte de priester, "ware
het beter nog wat te bedde te blijven en te rusten."
"Neen, neen, heer kanunnik, ik voel heden, meer dan andere dagen den
nood om God te bidden. Ik heb zoo slecht geslapen, den gansenen nacht
gedroomd van ijselijke dingen, koortsig geweest en gewoeld, als ware het
bed mij eene pijnbank geworden[54]. Kanunnik, gij kent de Kerels, gij;
zouden zij inderdaad bekwaam zijn om mij bij verrassing te dooden?"
"U dooden?" herhaalde de priester verschrikt. "Vreest gij dit, heer
graaf?"
"Men heeft het mij gezegd; nu heb ik herhaalde malen er van gedroomd."
[Illustratie: ...Met gekloofd hoofd op den vloer der kerk ... (Bladz.
267.)]
"Het is misschien eene waarschuwing des hemels!" zuchtte de kanunnik.
"Blijf in uwe kamer, heer vorst, de kapel is vol volk. Wie weet?"
"Is er niet dagelijks volk in de kapelle? God houdt mijn leven in Zijne
handen", zeide graaf Karel met eenen glimlach. "Heeft Hij er over
beschikt, dan kan een moordenaar mij even goed hier treffen als in de
kerk. Zou ik nalaten mijne Christelijke plichten te vervullen, omdat een
zwarte droom mijne nachtrust heeft gestoord Ik volg u, kapelaan."
Hij duwde eene andere deur open en zeide tot de ridders die daar op
zijne bevelen stonden te wachten:
"Heeren, wij zijn gereed en gaan ter misse. Gelieft ons te volgen."
Hierop trad hij met den kapelaan uit de kamer. Na hem kwamen de volgende
personen: Tancmar Van Straten, zijn geheimraadsheer; Gervaas Van Praet,
zijn opperkamerling; Walter Van Lokeren, zijn hofbottelier, met dezes
broeder Eustaas Frumold, Arnold en Ogier, zijne schrijvers en
rekenmeesters met nog vier of vijf andere hofbedienden.
Toen de graaf in de kapelle verscheen, klepte men het klokje, dat bij
het sakristijn hing.... Een onwillige kreet ontsnapte den man met den
gescheurden mantel; maar hij boog onmiddellijk het hoofd zoo diep dat,
al hadde er meer licht in de kapelle geheerscht, men toch zijne
wezenstrekken niet zou herkend hebben.
Graaf Karel knielde neder op weinig afstand van het altaar; de lieden
van zijn gevolg namen plaats in het gestoelte. De mis begon....
De priesters zongen de morgengebeden, en de vorst, zijne stem met de
hunne parende, zeide de psalmen Davids op, terwijl in het overige der
kerk de diepste stilte heerschte. Toen de misse eenigszins gevorderd was
en graaf Karel met luider stemme den _pater_ opzeide, verliet Tancmar
Van Straten het gestoelte, haalde eene zijden beurs uit zijne tasch en
legde, volgens de dagelijksche gewoonte, eene handvol deniers op het
rustbord van 's vorsten knielbank.
Dit was een teeken voor de arme lieden, die nu van tusschen de banken en
zoo stil mogelijk den graaf naderden om eene aalmoes uit zijne hand te
ontvangen.
Ook de hoogstaltige man met den gescheurden mantel stond op. Zich diep
gebogen houdende en leunende op eenen staf, als hadde hij moeite om
zijne verstijfde beenen te sleepen, stapte hij langzaam vooruit en
schikte zich tusschen andere noodlijdenden, achter des graven rug.
Eene zieke vrouw, met een kind op den arm, stak het eerste hare hand
uit, om den denier te ontvangen, dien graaf Karel haar toereikte....
Maar op dit oogenblik wierp Burchard den gescheurden mantel zich van de
schouders; een zwaard bliksemde in zijne handen, en hij sloeg het neder
met zulk wreed geweld, dat de arme graaf, zonder zelfs eene klacht te
kunnen uiten, met gekloofd hoofd op den vloer der kerk achterover
stortte ...[55]
De arme lieden vluchtten weg van het autaar en vervulden de kapelle met
den weekreet: "Wacharm! Wacharm! Wacharm!"
Maar boven dit noodgekerm heerschte de machtige stem van Burchard, die
schreeuwde:
"Harop! Harop! Leve Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen! Heil Willem!
Heil! Heil!"
In de benedenkerk hergalmden even ras dezelfde kreten, alsof van daar
honderd verwarde stemmen het akelig moordgeroep hadden beantwoord.
Door de afschuwelijkheid zelve der ongehoorde misdaad verstomd dachten
de ridders des graven in den eerste op geene tegenweer welke zij
overigens als onmogelijk aanzagen. Zij waren terzijde gesprongen, om de
slingeringen van Burchards zwaard te ontwijken; twee of drie waren zelfs
langs de naaste deur in bet paleis gevloden om daar hulp te zoeken.
Tancmar Van Straten wilde hen volgen; maar Ingelram Van Eessen, die nu
met vijf of zes man toeschoot, gaf hem eenen wreeden zwaardslag. Met
geopenden schouder viel de hofraadsheer levenloos in zijn bloed ten
gronde[56].
De geloovigen liepen kermend naar den uitgang en verpletterden elkander
bij de nauwe deur om te ontvluchten. Velen waren reeds op den steenen
trap geraakt; maar daar ontmoetten zij de mannen van Burchard die, als
een woeste drom, de vliedenden terug naar boven dreven en achter hen met
woedend wraakgeschreeuw de kapelle binnenstormden.
In deze drukke verwarring was het onmogelijk iemand te herkennen of te
vervolgen; de moordenaars zelven werden voortgewoeld en onweerstaanbaar
tot tegen den autaar gedrongen. Dit gaf den meesten van 's graven lieden
tijd en middel om te ontkomen; doch, dewijl Ingelram Van Eessen de deur
naar het paleis hield bezet, zagen zij zich gedwongen een anderen weg te
zoeken of zich te verbergen. Dan eerst werd de uitgang naar de
benedenkerk vrij; ook bleef er, een oogenblik daarna, niemand meer in de
bovenkerk dan de moordenaars en drie of vier priesters, die bevend en
weenend op het bloedige lijk van Karel staarden, zonder het evenwel te
durven raken.
De moordenaars, vreugdedronken over hunne gemakkelijke zegepraal, deden
niets dan juichen en schreeuwen:
"Heil Willem, heil den nieuwen graaf van Vlaanderen! Heil! heil!"
Maar Burchard, door eenen schallenden klank zijner stem, gebood hun de
stilte en zeide:
"Zwijgt, mannen, ons werk is niet volvoerd. Met den graaf waren hier een
tiental vermaledijde Isegrims. Zij kunnen niet ontvlucht zijn; de
uitgangen der kapelle waren bezet; zij zijn dus verborgen. Doorzoekt
alle hoeken en kanten; en, vindt gij iemand, brengt hem hier voor mij.
Wie mij Walter Van Lokeren levert, of Gervaas Van Praet, of den
schrijver Frumold, dien geef ik drie marken zilvers!"
Zijne mannen, door het gezicht van twee lijken en van plassen bloed
aangehitst, en door de hoop op de aanzienlijke belooning verlokt,
begonnen hunne opzoekingen niet alleen in de kapelle, maar tevens in de
benedenkerk.
Walter Van Lokeren, na Tancmar de heetste vijand der Kerels, hield zich
verborgen achter het orgel. Een kerkdienaar had eenen mantel over hem
geworpen, en hij zat, op den houten vloer ineengekropen, onder dit wijde
kleedsel.
Hij hoorde hoe men zijnen naam uitriep en hem eenen ijselijken dood
toezwoer; het hart klopte hem van angst, en het koude zweet brak hem
uit. Alle hoop had hem echter niet begeven, want tot dan had geen zijner
vijanden er aan gedacht deze schuilplaats te doorzoeken.
Maar nu hoorde hij eene bende woedende mannen naderen. Welhaast beukten
zij zoo geweldig met hunne zwaarden op de orgelkas, dat elke slag als
een doodvonnis in de ooren van den armen ridder hergalmde.
Zeker dat zij hem gingen ontdekken, sprong hij op en liep dwars door
zijne vervolgers in de kapelle, met opgeheven armen tot God om hulp
roepende en zijne vijanden om levensgenade smeekende.
Burchard en Ingelram herkenden hem. Zij liepen hem achterna en huilden
als bloedzuchtige tijgers:
"Sla dood, sla dood, den snooden Isegrim!"
Walter Van Lokeren viel geknield voor den autaar, op het oogenblik dat
Burchard hem bereikte en hem met de eene hand bij het haar greep,
terwijl hij met de andere zijn zwaard ophief om hem den doodslag te
geven.
Een priester hield evenwel zijnen arm terug en smeekte, met tranen in de
oogen, om genade voor den ongelukkigen ridder; en, toen hij op het
wraakzuchtig antwoord van Burchard wel merkte dat het leven van den
hofbottelier niet te redden was, verzocht hij den moordenaar toch niet
langer aldus de kapelle met bloed te besmetten en het huis Gods te
ontheiligen.
Burchard en zijne beide eedgenooten, Ingelram en Isaac sleurden den
ridder bij het haar over den vloer der kapelle naar de uitgangdeur.
"O, mijn God, mijn God, erbarm u mijner!" kermde Walter Van Lokeren.
"Spaart mij, spaart mij!"
"Wij zullen u sparen zooals gij ons bij den graaf heb gespaard, valsche
lasteraar![57]" antwoordde hem Burchard.
Zij rukten hem van de trap, brachten hem voor de deur der kerk en hakten
daar allen te gelijk op hem, met zooveel woede, dat zijn lichaam schier
onkennelijk was, toen zij het verlieten om in de benedenkerk naar nieuwe
slachtoffers te zoeken.
Onderwijl hadden hunne mannen in de kapelle, achter den autaar de ware
schuilplaats der gevluchte ridders en hofbedienden ontdekt. Opvolgend
hadden zij uit dit donker hol, waarin men gewoon was de minst kostbare
sieraden der kerk te bergen, zeven of acht personen gerukt en ze te
midden der kapelle gesleurd, om te herkennen of er tusschen hen zich
niet een der ridders bevond voor wie Burchard de marken zilvers had
beloofd.
Deze ongelukkigen stonden daar nu bevend, met den doodsangst op het
gelaat, en schouwend op het lijk van hunnen vorst, dat nevens hen in
zijn bloed lag uitgestrekt. Zij twijfelden niet aan het wreede lot dat
hun was beschoren; de eenen knielden neder, de anderen vouwden de
handen, eenigen smeekten de priesters, die bij het sakristijn stonden,
hunne biecht te willen hooren; allen spraken met misbaar en tranen van
hunne kinderen of van hunne ouders ...
Onder hen bevonden zich Arnold en Ogier, des graven schrijvers; Bertyn
en Baldwyn, zijne kamerdienaars; Godbert, zijn schenker, en de jonge
Frumold, zijn schatbewaarder.
Deze laatste was een dergenen, voor wier levering Burchard drie marken
zilvers had beloofd; maar de moordenaars kenden hem niet. Daarom,
alhoewel zij hunne zwaarden en knijven boven de hoofden der gevangenen
zwaaiden, sloegen zij hen niet. Zij wilden op de komst hunnen aanleiders
wachten, opdat zij hun aanwezen wie van dezen hun onbekende lieden moest
vermoord of behouden worden.
Frumold, die zich op de knieën had laten vallen, sprak met luider stemme
zijne biecht, en bekwam dan ook de vergiffenis zijner zonden van eenen
priester.
Den ring van zijnen vinger trekkende, bood hij dien den geestelijke en
zuchtte:
"O, vader, ik smeek u, geef deze laatste herinnering aan mijne dochter
Aleidis! Zeg het ongelukkig kind dat ik haar zegen, dat ik daarboven God
voor haar zal bidden. Weze zij de arme ziel haars vaders gedachtig ..."
En na deze woorden deed hij vruchteloos geweld om nog te spreken: tranen
en snikken versmachtten zijne stem.
De priester, door medelijden geroerd, veinsde de ontvangene boodschap
onmiddellijk te willen volbrengen, en begaf zich naar de deur van den
trap, zonder dat iemand der moordenaars hem belette uit te gaan. Hij had
nog eenige hoop den schatmeester des graven te kunnen redden, en liep
met dat inzicht naar de proostdij, om Bertulf te gaan verwittigen en
zijne hulp in te roepen.
Al deze dingen waren geschied op minder tijd dan er noodig is om ze te
verhalen. Nog altoos heerschte er eene halve schemering in de kapelle,
alhoewel er reeds eene grijze klaarheid in de benedenkerk zich
verspreidde.
Nu kwam Burchard met zijne bloeddorstige vrienden terug in de kapelle.
Isaac Van Reninghe herkende des graven schatmeester. Hij sprong op hem
toe, rukte hem, onder het bulderen van schromelijke vermaledijdingen, de
kappe van het hoofd, greep hem bij het haar en sleepte hem over den
vloer, om hem buiten de kerk te gaan vermoorden.
Maar daar trad de proost Bertulf hem te gemoet, met den ouden Frumold,
des schatmeesters oom, die, ondanks zijne zwakheid, Isaac om de lenden
vatte en hem dwong zijn slachtoffer los te laten.
Burchard kwam toegeloopen. De proost zeide hem met tranen in de oogen:
"Neef, neef, wat hebt gij gedaan? Vreest gij dan niet dat de wrake Gods
om zulke misdaad ons geslacht verdelge als een ras van Caïn?"
"Geene laffe woorden!" riep Burchard zeer trotsch. "Willem Van Loo is
graaf van Vlaanderen. Aan hem alleen heb ik rekening mijner daden te
geven en, keurt hij goed wat ik doe, wie zou mij durven laken?"
"De dooden zijn noch door klachten noch door gebeden op te wekken",
zuchtte de oude Bertulf, "maar uit liefde tot uwen grijzen oom, spaar
het leven dezer arme lieden!"
"Frumold moet sterven!" gromde Ingelram Van Eessen.
"Ach, Isaac, mijn vriend", smeekte Frumold, "heb deernis met mij,
ontferm u mijner arme kinderkens, die op de wereld zullen blijven zonder
steun!"
"Hoe? medelijden met u?" schreeuwde Isaac Van Reninghe, spotlachend.
"Zijt gij het niet, die, meer nog dan anderen, ons bij den graaf hebt
gelasterd? Gij zult sterven, al boodt gij ons zooveel goud aan als de
kapelle kan bevatten. Kom, kom, naar de deur der kerk; ik alleen kloof u
het hoofd!"
Onderwijl had de proost nog eenige woorden met zijnen neef gewisseld.
Deze verhief de stem en, als een veldheer gebiedende, riep hij:
"Stil! Men zal hier doen wat ik beveel."
En zich tot Frumold keerende, die nog biddend op de knieën zat, vroeg
hij, in schijn meer bedaard:
"Gij hebt de sleutels van des graven schat in uw bezit?"
"Hier zijn ze", antwoordde Frumold, eenen reesel sleutels uit zijne
tasch halende.
"Er moeten verborgene schatten zijn?" mompelde Burchard.
"Ja, zulke zijn er", bevestigde Frumold, die begon te hopen dat de
tusschenkomst van den proost hem misschien nog het leven zou redden.
"Zult gij ons die verborgene schatten toonen?" vroeg hem Burchard.
"Ik zal ze u aanwijzen, zonder iets te verzwijgen."
"Welnu", zeide Burchard op eenen toon, die geene wederspraak duldde, "ik
vertrouw de sleutels aan mijnen oom, den proost, die ze zal bewaren. Wij
hebben nu geenen tijd ons daarmede lang bezig te houden. Al deze
gevangene stel ik insgelijks onder de bewaking van den proost van
St-Donaas. Hij blijft jegens ons en jegens den graaf van Vlaanderen
borg, dat geene hunner zonder mijn bevel uit de proostdij zal gaan[58]."
De gevangenen dankten en juichten; want zij waren nu aan eenen
onmiddellijken dood ontsnapt en twijfelden niet of de proost, wiens
overheid groot was, zou hen blijven beschermen, totdat de woede hunner
wreede vijanden was gekoeld. Zij volgden hunnen redder naar de trap der
kapelle.
Wel morden en gromden Burchards gezellen; maar hij zeide hun:
"Geen tegenstand! Wij moeten 's graven schat hebben. Willem Van Loo zal
hem gebruiken om den oorlog tegen onze vijanden te voeren. Wij kunnen
later even goed over het lot van Frumold en van de anderen beslissen. Nu
moeten wij het paleis gaan doorzoeken om te zien of daar geene onzer
vijanden meer te ontdekken zijn. Gervaas Van Praet is ons ontsnapt; de
beide zonen van den snooden Tancmar leven nog! Komt met haast; wij
moeten den ganschen dag arbeiden ..."
Zij liepen door de gang over de Hoogpoort en kwamen in het paleis; maar,
hoe zij zochten in kamers, in zalen en in kelders, zij vonden er geen
levend wezen.
Slechts toen zij het paleis meenden te verlaten, troffen zij in de
voorzaal, tegen het plein, den kastelein Hacket aan, met Hendrik Van
Roesbrugge, eenen ridder van 's graven hof, en Eustaas, den broeder van
den vermoorden Walter Van Lokeren.
Zoohaast zij dezen laatste bemerkten, hieven zij hunne zwaarden op, om
hem onmiddellijk neer te hakken; want hier niet op gewijden grond
zijnde, hadden zij geene reden om hun slachtoffer naar buiten te
sleuren.
Maar Hacket, die hun inzicht bespeurde, sprong voor de twee ridders,
beschutte ze met zijn lijf en riep:
"Zij zijn mijne gevangenen! Niemand raakt een haar van hun hoofd zonder
mij eerst te dooden!"
Hetzij de woede van Burchard was gekoeld, of dat hij zijnen oom niet op
eene bloedige wijze wilde wederstreven, hij gebood zijnen mannen, deze
ridders, die zich toch den Kerels niet bijzonder vijandig getoond
hadden, vooralsnu ongehinderd te laten; en hij stelde ze, evenals hij
met de anderen had gedaan, in bewaring van den proost en van den
kastelein, die voor hunne gevangenhouding verantwoordelijk zouden
blijven.
Op dit oogenblik haalden eenige gezellen van Burchard eenen ouden man
uit eene schuilplaats nevens de poort.
Deze beweerde dat hij zich niet had verborgen. Wie zou Eggard, den
grijzen deurwaarder der Loove, toch willen kwaad doen, hem, die niets
dan vrienden telde in Brugge?
Inderdaad, Burchard lachte over den vond zijner mannen en verbood dat
men den halfzinneloozen poortbewaarder eenig kwaad deed.
"Welnu, Eggard", vroeg hij, "hebt gij altoos bij de poort gestaan,
sedert dezen vroegen morgen?"
"Reeds van vier uren", was het antwoord.
"Gij hebt dan wel lieden zien vluchten, dienaars en ridders?"
"Velen."
"Ook mher Gervaas Van Praet?"
"Ja, die is in den stal op een paard gesprongen en is langs de Hoogpoort
weggereden, als hadde hij den duivel achter zich[59]."
"Zoo, zoo! En de zonen van mher Tancmar?"
"Die zijn beiden niet in het paleis geweest en slapen waarschijnlijk
nog, indien de helsche storm, die er op den burg heerscht, hen niet
heeft gewekt."
"Volgt mij, gezellen!" kreet Burchard. "De zonen van Tancmar zijn onze
grootste vijanden. Wij gaan ze verrassen. Zij moeten sterven!"
Zij liepen in allerhaast over het middelplein en door de Hofpoort.
Nu begon het klaar dag te worden. Ongetwijfeld had de schromelijke mare
zich gedeeltelijk door de stad verspreid; want er was reeds volk op de
straten, meest gemeene lieden en schalken.
Waar de woeste bende voorbijging en den zegevierenden schreeuw: "Leve
Willem Van Loo, graaf van Vlaanderen!" tot boven de huizen deed
hergalmen, juichte het volk hen toe en herhaalde hunnen roep.
Nergens een teeken van afkeuring, nergens een traan over het lot van den
vorst, die zoo ellendig onder den slag van sluipmoordenaars den dood had
gevonden.
Graaf Karel was in Brugge niet algemeen bemind, hoe milddadig hij zich
ook jegens de noodlijdenden toonde. Alhoewel de poorters van Brugge
sedert lang aan eene bijna geheele afhankelijkheid gewend waren, vloeide
hun toch Kerlenbloed in de aderen, en poogden zij met ijverzucht de
weinige vrijheden te bewaren, welke de vorige graven hun had laten
behouden. Omdat Karel van Denemarken, door de Isegrims geraden,
aangaande het bestier des lands meer zuidelijke gedachten koesterde, en
alle macht in zijnen persoon alleen scheen te willen samentrekken,
zonder acht op de bestaande vrijheden te slaan, hadden zij eenen wrok
tegen hem. Dat hij het niet oprecht met zijne onderdanen meende, daarvan
beschuldigde men hem niet; maar het was genoeg dat hij niet zelden
zijnen eigen wil in de plaats van het recht stelde, om hem de
genegenheid der poorters te ontrooven.
Hoe het zij, zeker bevonden zich tevens in de straten vele menschen, die
den moord van vorst Karel als een gruwel laakten of betreurden; maar zij
durfden het niet toonen, uit schrik voor de wreede Houtkerels, tusschen
welke zij er sommigen bemerkten wier handen gansch met bloed waren
geverfd.
Over de St-Salvatorskerk, op den hoek der Zilverstraat, stond de
prachtige steen, door het huisgezin van Tancmar bewoond.
Burchard en zijne mannen, toen zij voor dezen sterken Steen kwamen,
begonnen met hunne zwaarden op de poort te slaan en te schreeuwen dat
men zou openen; maar zij bekwamen geen antwoord, en het bleef binnen in
het huis zoo stil alsof geen levend wezen zich er had bevonden.
Geen middel was er om in den Steen te dringen. Dit onverwacht beletsel
voerde hunne woede ten top, en zij poogden hunne spijt lucht te geven
door het bulderen van allerlei vermaledijdingen.
Maar Ingelram Van Eessen bemerkte eenen balk, die wat verder voor de
deur van eenen wagenmaker ten gronde lag. Hij riep eenige mannen tot
zich en dezen keerden welhaast weder met den vreeselijken stormram op de
armen.
Achteruitgaande, liepen zij tegen de poort en beukten zoo geweldig, dat
de slag als een donder binnen den Steen hergalmde.
De poort was zeer sterk; zij weerstond aan vijf herhaalde botsingen,
zonder te breken of te bewegen; maar bij den zesden slag sprong een der
bovenste hengsels uit den muur en eene zijde der poort neigde
achterover. De aanvallers hieven zegevierende kreten aan. Nog één loop,
en de poort zou onfeilbaar nederstorten.
Men was met den stormram achteruitgeweken, om met verdubbelde kracht
tegen de poort te beuken. Burchard en zijne gezellen hieven hunne
zwaarden in de hoogte, gereed om den Steen binnen te stormen en hunne
vijanden neder te hakken ... toen eensklaps twee personen over den
achtermuur van den Steen in de Zilverstraat sprongen en met ongemeene
snelheid hun behoud in de vlucht zochten.
"Zij zijn het, Tanemars zonen! Slaat dood, slaat dood! Drie marken
zilvers voor elk!" riep Burchard, terwijl hij, door al zijne mannen
gevolgd, de vluchtelingen achternaliep.
Maar dezen waren te verre vooruit en zouden waarschijnlijk ontsnapt zijn
aan degenen die dorst hadden naar hun bloed, indien niet een onverwacht
beletsel hun den weg had versperd.
Zoo vervolgd door hunne wraakzuchtige vijanden, waren zij het
Giststraatje ingevlucht en zouden welhaast de Noordzandstraat bereiken.
Zij zagen reeds van verre de stadspoort; het open veld zou hun middel
geven om tusschen de boomen te ontsnappen ...
Maar daar sprong eensklaps een poorter, Berakin genaamd, met eene bijl
hun tegemoet, en hij zwaaide deze boven zijn hoofd om hen er mede te
treffen. Zij deinsden terug om den slag van het moordtuig te ontwijken:
doch, ziende achter zich de huilende drom hunner vijanden naderen,
sprongen zij kermend en hopeloos weder vooruit. Berakin trof een hunner
zoo wreedelijk, dat hij hem met éénen slag den rechterarm bij den
schouder afhakte.
De ongelukkige ridder viel neder en riep zijnen vliedenden broeder nog
een laatst en grievend vaarwel toe.
Eenige mannen bleven staan en verminkten het slachtoffer met wreed
vermaak, terwijl de overigen immer vooruitliepen om den tweeden ridder
niet te laten ontkomen.
Burchard wierp eenen blik op den stervende, wiens bloed uit eene breede
wonde stroomde.
"Dit is er één!" riep hij. "Het is Walter: hij heeft zijne rekening
Ghyselbrecht nu! vooruit! vooruit!"
En zijnen loop hernemende, zette hij de vervolging met nieuwe woede
voort.
Mher Ghyselbrecht had inderdaad de stadspoort bereikt en liep nu over
het groote plein, dat men het Zand noemde. Alhoewel een twintigtal
vijanden hem op de hielen waren, zou hij misschien nog den dood ontsnapt
zijn; maar op het oogenblik dat hij meende in een kreupelhout te
springen, stiet hij met den voet tegen den wortel ens booms en viel ter
aarde.
Vooraleer hij zich kon oprichten, was hij door twintig handen te gelijk
aangegrepen; en, hoe hij kermde en om genade smeekte, men sleurde hem
verder op het plein.
Daar wilde men hem oogenblikkelijk het hoofd kloven; maar degene, die
beweerde hem allereerst te hebben aangevat, stelde zich tegen dit
voornemen en dreigde de anderen met zijn zwaard. Hij had, zeide hij, de
beloofde marken zilvers verdiend en wilde den gevangene aan Burchard
Knap overleveren, die hem dan ook de toegezegde belooning niet zou
weigeren.
Terwijl zij nog daarover aan het twisten waren, kwam Burchard met de
geheele bende op het plein en naderde degenen die den ridder omringden.
"Ik, Batulf Merlaan, heb hem gevat: mij de marken zilvers!" riep hem een
gezel toe.
"Gij zult ze krijgen, wees gerust", antwoordde Burchard.
"Ha, ha, daar heb ik u in mijne klauwen, gij snoodste aller Isegrims!"
viel hij met bloedzuchtigen spotlach tegen Ghyselbrecht Tancmar uit.
"Beveel uwe ziel aan God, gij gaat sterven! Ik wil, dat men uwe
afgerukte leden rondom dit plein zaaie, zooals men met lafaards en
verraders doet!"
Ghyselbrecht kroop op de knieën voor hem en hief de bevende handen in de
hoogte, met overvloedige tranen om genade smeekende en schatten gouds
hem belovende.
"Gij zijt zinneloos!" bulderde Burchard. "U het leven schenken? U, den
boozen, den valschen, den meedoogenloozen vijand der Kerels? Wie heeft
mher Robrecht Sneloghe bij jonkver Van Woumen gelasterd en ons eenen
bloedigen hoon doen toebrengen? Ha, gij moest de bruidegom van jonkver
Placida worden? Gij gaat trouwen met den dood!"
"Genade, genade, ik verzaak de hand van Placida!"
Maar Burchard hoorde hem niet aan en ging voort:
"Wie heeft aan het hof zelfs de vrije geboorte der Erembalds durven
loochenen? Wie is daardoor de schuld geworden des doods van den edelen
Kerel Segher Wulf? Wie heeft Karel van Denemarken het edict op den
balfaart ingeboezemd? Ha, ha, ik zou u sparen? Zeg vaarwel aan het
leven: uw uur is gekomen!"
"Bij de passie onzes Heeren, heb medelijden, o, dood mij niet!" kermde
Ghyselbrecht.
"Ik zal u niet dooden", schertste Burchard, als hadde hij vermaak
gevonden in de zieltoging van zijn slachtoffer te verlengen. "Neen, ik
wil mijne handen aan uw bloed niet bevuilen; maar gij zult gaan zien of
gij iets daarbij kunt winnen."
Hij gaf den armen ridder zulken geweldigen schop in de lenden, dat hij
ter zijde viel; en dan, een teeken tot zijne mannen doende, zeide hij
hun zeer koel:
"Verplettert de slang die zoovele jaren de Kerels met haar gif heeft
bespuwd!"
Tien zwaarden vielen te gelijk op mher Ghyselbrecht die, zonder nog
eenen zucht te kunnen slaken, den geest gaf. Welhaast waren zijne
overblijfsels onkennelijk en lagen zijne leden, zooals zijn vijand het
had voorspeld, over het plein verspreid[60].
Burchard gunde zijne bende eene korte wijl rust; want, afgemat van de
drukke vervolging, hijgden vele mannen naar hunnen adem.
Hij verzamelde ze welhaast en zeide hun, dat hij onmiddellijk met hen
naar Straten wilde gaan, om daar Rambold Tancmar te verrassen in den
burcht, die nu reeds gedeeltelijk weder was opgebouwd. Van daar zou men
naar Snelleghem loopen, met de hoop er Gervaas Van Praet, des graven
kamerheer, te vinden. Men zou de burchten der ridders onderwege bezoeken
en wapens verzamelen. Er was veel te rapen, en zoo zouden zijne mannen
eene belooning vinden voor hunnen moed en hunne verkleefdheid.
Een schallend gejuich begroette zijne woorden. Met den zegevierenden
schreeuw: "Heil, heil Willem Van Loo, onzen graaf! Leve Burchard Knap!"
verliet de bende, die door bijgekomene poorters zeer was gegroeid, het
plein en verdween kort daarop in de baan naar St-Andries.