De tijding, dat er dien namiddag tusschen twee ridders een kamp om leven
en dood zou worden gestreden, had zich wondersnel tot in de uiterste
hoeken der stad verspreid.
Ook reeds lang voor het gestelde uur verdrong zich de menigte niet
alleen op den burg, maar zelfs in de aanpalende straten.
Volgens het bevel des graven, had men op het binnenplein van den burg
den _krijt_ gesteld, dit is eene vierkante omheining van houten palen
met dikke koorden, die niemand mocht overschrijden en waarbinnen de kamp
moest geschieden.
Aan elk der beide uiteinden van het vierkant, langswaar de strijders
binnen het perk zouden treden, stonden vier krijtwaarders en twee
trompers of bazuinblazers.
Achter hen, binnen een insgelijks voorbehouden omtrek, hielden zich de
twee kampers nevens hun strijdpaard, in afwachting dat het sein tot den
aanval wierd gegeven.
Jakob de Leeuw stond aan den kant die naar 's graven hof zich verlengde;
Segher Wulf naar de zijde van St-Donaas.
Beiden waren omring van eenige vrienden en van schalken, om hun paard te
bedwingen en hunne wapens te dragen.
Rondom den krijt en drukkend op de koorden, ondanks de pogingen der
schildwachten, stond de volksschaar zoo dicht opeengepakt, dat men niets
zag dan eene zee van hoofden, zich nu en dan golvend bewegende onder het
machtig gedrang van andere nieuwsgierigen, die bij de poorten van den
burg vooruitwoelden om nog plaats te vinden.
Alle gebouwen, die uitzicht hadden op het strijdperk, krielden van
menschen; de vensters waren vervuld met vrouwen; het mindere volk, de
schalken en onvrijen zaten op daken en torens.
Alleen de breede gaanderij, boven de Loove van het paleis, was nog
geheel ledig. Wel stonden daar, rondom eene soort van troongestoelte,
eenige zetels voor de kamprechters; maar dezen zouden slechts
verschijnen op het bepaalde uur.
In afwachting waren de beide kampers bezig met de laatste stukken
hunner wapenrusting zich aan de leden te bevestigen.
Segher Wulf werd hierin geholpen door Robrecht Sneloghe en door Eustaas
Van Steenvoorde. Allereerst gespte men hem het harnas voor de borst,
boven zijn maliehemd van ijzeren ringen; dan den halsberg, de arm- en
bilplaten, de knieschijven en eindelijk den vergulden helm met het
neergelaten vizier, waardoor men niets kon zien dan de oogen van den
kamper.
Zoo stond hij daar nu, van hoofd tot voeten overdekt met ijzer en staal,
nevens zijn reusachtig paard, dat insgelijks op hoofd, borst en rug door
metalen platen was beschut.
Zijne strijdwapens, die een paar schildknapen achter hem gereed hielden,
bestonden in eene lange speer of lans, in een breed zwaard en in een
vierkant schild.
Volgens de wetten van den krijt moesten de kampers eerst elkander te
paard en met de speer aanvallen. Leverde deze proeve geenen beslissenden
uitslag op of werd een van beiden uit den zadel gelicht zonder doodelijk
te zijn gewond, dan zou men den kamp te voet en met het zwaard
voortzetten, totdat een hunner om genade smeekte of den geest gaf.
Reeds alsdan lag in de menschelijke natuur de onuitlegbare lust, de
hatelijke nieuwsgierigheid om bloedige, om zielverschrikkende tooneelen
bij te wonen. Men wist nu dat de strijd om leven of dood zou zijn en dat
dus een dezer moedige ridders onder de oogen der menigte ging sterven;
en evenwel heerschte er tusschen de saamgedrongene volksschaar een luid
geschater, een bruisend gemor, dat slechts van het vroolijk ongeduld der
toeschouwers getuigde.
Eensklaps veranderde dit verward gerucht in een lang gejuich, in eenen
galmenden zegekreet, waarboven de roep: "Leve de graaf! Heil graaf
Karel!" met meer kracht zich verhief.
De vorst was boven de Love van zijn paleis verschenen en had plaats
genomen onder het verhemelte van rood brocade, dat daar was opgericht.
Nevens hem stonden twee wapenboden met gevlagde bazuinen; van wederzijde
zaten de kamprechters; en verder op deze verhevene gaanderij hielden
zich de ridders van 's graven hof.
Het sein zou welhaast worden gegeven.
Segher Wulf moest dan een oogenblik van mismoed of van angst ondergaan;
want hij sloot mher Sneloghe in zijne armen en zeide hem met ontroerde
stem:
"Robrecht, mijn zoon, niemand weet wat God zal beslissen. Heden kan mijn
laatste dag zijn. Een oud krijgsman als ik vreest den dood niet; maar ik
ben vader, mij beeft het hart bij de gedachte dat mijne lieve Dakerlia
alleen op de wereld zou blijven. Ach, ik smeek u, doe mij de belofte dat
gij haar, indien ik bezwijk, uw leven lang zult blijven beminnen; dat
gij haar een trouwe echtgenoot zult zijn, een goede broeder, een
liefderijke beschermer!"
"De hemel zal het recht de overwinning gunnen", antwoordde Robrecht,
"maar, hoe het zij, mher Wulf, elke klop van mijn hart zal toegwijd
blijven aan het geluk van uw kind."
"Dit is mij genoeg: ik heb vertrouwen in uwe oprechtheid, mijn zoon.
Vergeten wij nu dat wij vader zijn om nog eens de onverschrokken
krijgsman te worden dien men vroeger roemde om zijne behendigheid. Keert
het lot der wapens tegen mij, ik sterf voor de eer van mijn geslacht en
voor de vrijheid van mijn land!"
Een eerste bazuingeschal verwittigde de kampers dat zij zich tot den
aanval moesten bereiden.
Men hield hen te paard en gaf hun de lange speer in de hand. Zij
naderden tot de koorden van den krijt.
Eene doodsche stilte heerschte tusschen de menigte.
Nu de toeschouwers de kampers op hunne paarden konden zien zitten, drong
een gevoel van medelijden in veler harten voor Segher Wulf. Hij scheen
wel sterk gebouwd; maar zijn tegenstrever geleek een reus en was een
gansch hoofd grooter dan hij.
"Heb betrouwen in Gods bescherming!" zeide Robrecht, die nevens het
paard van Segher Wulf stond. "Heb goede hoop: Dakerlia zit geknield voor
het kruisbeeld en bidt voor u."
"Ach, spreek mij niet van Dakerlia!" zuchtte mher Wulf.
"Denk veeleer aan uw kind; houd uwe welbeminde Dakerlia voor oogen",
sprak Robrecht met geestdrift. "Het zal u sterk maken en uwen moed
verdubbelen."
"Inderdaad", kreet de oude krijgsman, "voor haar moet ik overwinnen,
voor haar moet ik leven!"
De bazuinen op de Loove hergalmden eenmaal; dan nog eens ... Bij het
derde sein wierpen de krijtwaarders de koorden der twee ingangen ter
aarde ... en geen hinderpaal belette nog den aanval.
De kampers staken de lans aan hunnen zadel, dreven de spoor in de lenden
hunner dravers en renden met speer en schild vooruit, naar elkander toe.
Deze eerste schok had geen merkbaar gevolg; de beide lansen waren
afgeschampt op de schilden.
Weder hernamen de moedige ridders hunnen loop en vernieuwden zulke
pogingen nog meermaals.
De speren bonsden als hamerslagen op de schilden, het staal krijschte op
het ijzer der harnassen, de paarden huilden onder den slag der spoor,
die het bloed hun uit de zijde drukte. De menigte liet nu en dan een
goedkeurend gejuich hooren, of getuigde door een hol gemor het ongeduld,
wanneer een steek, die een der strijders scheen te moeten doorboren,
zijn doel miste.
Robrecht en de overige Erembalds begonnen meer vertrouwen in den uitslag
van het gevecht te krijgen; want het was zichtbaar dat Segher Wulf,
indien hij min sterk dan zijn vijand was, dit gebrek aan lichaamskracht
door zijne behendigheid ruimschoots vergoedde. Inderdaad, hij had al de
steken, die hem waren toegebracht geworden, afgeweerd, terwijl hij meer
dan eens zijnen tegenhanger zoo hard op het volle harnas had getroffen,
dat deze reeds tweemaal in den zadel had gewankeld.
Maar dit vertrouwen begaf hen bij den zesden loop. Het paard van Segher
Wulf viel op de knieën, en scheen ijdele pogingen in te spannen om weder
op te staan.
De toejuichingen der Isegrims weergalmden boven de Love.
Gelukkig dat Jakob de Leeuw, door den begonnen loop voortgerukt zich
niet kon omkeeren, vooraleer het paard van Segher Wulf zich had
opgericht, en deze tot het andere einde van den krijt was gereden, om
afstand voor eenen nieuwen en felleren aanval te nemen.
Weder stormden zij op elkander los. Segher Wulf trof Jakob de Leeuw zoo
geweldig voor de borst op den halsberg, dat zijne speer plooide en aan
twee stuken brak; maar mher Jakob boog zich als uitgeput over het hoofd
van zijn paard, terwijl, van den harden schok, het bloed hem uit neus en
mond vloeide.
Een bazuingeschal hergalmde. Volgens de wetten van den krijt mocht men
nu het gevecht te paard niet meer voortzetten. Men zou den kampers
eenige rust gunnen en dan het sein geven tot de beslissende worsteling
te voet en met het zwaard.
Jakob de Leeuw ging buiten het perk bij zijne vrienden, die hem den helm
afnamen, hem te drinken gaven en zijn aangezicht met frisch water van
zweet en bloed reinigden.
Deze hulp en lafenis boden de Erembalds insgelijks hunnen moedigen
vriend Segher Wulf. Zij juichten reeds over zijne waarschijnlijke
overwinning, want tot nu toe waren al de kansen hem voordeelig geweest.
Robrecht omhelsde hem met blijdschap en murmelde nog den naam van
Dakerlia aan zijn oor, in de overtuiging dat het denken aan zijn kind
hem dus behendig en machtig had gemaakt.
De oude kampioen had evenwel geene aanmoediging noodig; de strijd zelf
had hem aangevuurd en hem weder jong gemaakt. Hij scheen nu met ongeduld
naar het hervatten der worsteling te snakken, en sprak woorden die van
zijn eindeloos vertrouwen in eene beslissende zegepraal getuigden.
Ook toen het sein zich liet hooren, greep hij zijn breed zwaard in de
beide banden en sprong juichend in den krijt.
Nu begon er een akelig gevecht. De zwaarden draaiden onverpoosd door de
lucht en vormden bliksemende kringen boven de hoofden der strijders, nu
en dan als hamers nederbonzend op schild of helm of schouderplaat, met
zulke reuzenkracht, dat zij niet alleen de kampers van pijn en woede
deden huilen, maar zelfs meer dan eens het krijschend staal vurige
vonken ontlokten.
Het was hier eveneens zooveel om behendigheid als om lichaamsmacht te
doen; hij, die door eene vlugge beweging zijnen tegenstrever kon
verrassen, om hem tusschen de voegen zijner wapenrusting te treffen, zou
waarschijnlijk overwinnen.
Ook liepen de kampers rondom elkander, bleven staan, sloegen toe, weken
terzijde, weerden het vijandelijk zwaard af, bukten zich, mikten,
sprongen vooruit, staken en hakten zonder eenige verpoozing, zoodat de
toeschouwers zelven het hoofd draaide bij het gezicht zulker snelle
bewegingen en zulker reusachtige inspanning van krachten.
Het zweet moest onder den geblutsten helm van der strijders voorhoofd
stroomen; want een heete damp steeg zichtbaar uit al de voegen hunner
wapenrusting op. Menige slag had wellicht hun het vleesch onder de
ijzeren platen verpletterd of erg gekneusd. Zeker hadden zij reeds door
de ringen van hun maliehemd opene wonden ontvangen, want het bloed droop
Segher Wulf op den halsberg, en bloed vloeide mher Jakob van de vingeren
zijner ijzeren handschoen.
En evenwel gingen zij voort met immer even woedend te kampen; men hoorde
ze schelden en elkander hoonen, men hoorde ze juichen en
vermaledijden....
Er kwam echter een oogenblik dat de adem hun ontbrak en de borst hun
gloeide, als wierde zij door een vlammend vuur verteerd.
"Rust! een weinig rust!" morde Jakob de Leeuw.
"Ja, rust, een oogenblik", antwoordde mher Wulf.
En de kampers, bij gemeene overeenkomst, traden eenige stappen terug en
bleven, met opgeheven zwaard en tot onmiddellijke verdediging gereed,
daar staan hijgen, zoo geweldig en zoo snel dat men de borstplaat van
hun harnas als de tafel van een blaasbalg zag op- en neergaan.
Dit lang en wreed gevecht had de menigte met ontzag en bewondering
getroffen. Er heerschte een diepe stilte; want elkeen gevoelde dat het
einde dezer bloedige worsteilng naderde en het lot der wapenen over het
leven van een der heldhaftige strijders ging beslissen? De onzekerheid,
de twijfel deed het hart der toeschouwers angstig kloppen; de meesten
nog wenschten de zege toe aan den behendigen ridder die, ondanks zijne
mindere gestalte, tot dan met ongeloofelijke kunde en sterkmoedigheid
weerstand had kunnen bieden aan zijnen reusachtigen tegenkamper.
"Het moet eindigen tusschen ons, vermaledijde Blauwvoet!" riep Jakob de
Leeuw zijnen vijand toe.
"Welnu, dat het eindige, valsche Isegrim! Geene schilden meer!"
antwoordde hem Segher Wulf.
"Het zij zoo, geene schilden meer; elke slag bijte in het vleesch!"
kreet de Leeuw, terwijl hij, door mher Wulf hierin nagevolgd, zijnen
beukelaar verre in den krijt wegsmeet. "Zijt gij bereid, Blauwvoet?"
"Ik heb dorst naar uw bloed, Isegrim! Achteruit, tot bij de
krijtkoorde!"
"Welaan!"
[Illustratie: "Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij. (Bladz. 196)]
Zij weken elk tot bij den tegenovergestelden kant van het perk, hieven
hun zwaard op, mikten op hunnen vijand met vlammende oogen, berekenden
hunnen slag en riepen:
"Totterdood!"
"Totterdood!"
En zij stormden razend en huilend op elkander los. De zwaarden
bliksemden door de lucht en vielen neder met zulke ontzettende kracht,
dat de dubbele slag, hol en scherp tevens, tegen de omstaande gebouwen
hergalmde.
Een schreeuw van angst, een gehuil van afgrijzen doorliep de menigte.
Daar lagen de beide kampers doodelijk getroffen ten gronde; mher Jakobs
helm was gekloofd; zijne hersens moesten hem onder het bekkeneel zijn
verpletterd. Segher Wulf had eene breede wonde over hals en schouder;
het bloed stroomde onder zijn hoofd tot eenen rooden plas te zamen.
Een bazuingeschal verkondigde dat de kamp was gesloten.
Op dit sein liepen de magen en bekenden der kampers met de heelmeesters
binnen den krijt om hulp te brengen of om het lijk van hunnen
ongelukkigen vriend voor schennis te behoeden en het met de
verschuldigde eer van daar te doen wegvoeren. Reeds kwamen de
krijtdienaars met twee draagbaren toegeloopen.
Wat Jakob de Leeuw betreft, die had wel waarlijk den geest gegeven; want
men bespeurde zijne bloote hersens door de klove van zijnen helm.
Segher Wulf leefde nog; alhoewel zijne oogen gesloten waren en zijn
gelaat met de lijkachtige loodverf des doods was overtogen, verroerde
hij nu en dan nog krampachtig handen en voeten.
De Erembalds stonden stom en verpletterd rondom hem; eenigen hielpen den
heelmeester in het ontgespen der wapenrusting. Allen echter zagen in
deze sidderende beweging der leden van hunnen gewonden vriend niets dan
de laatste kramp der zieltoging.
Robrecht Sneloghe zat geknield bij het hoofd van Segher Wulf, den hemel
het schrikkelijk onheil klagende en zijne tranen mengende met het bloed
van den armen ridder. Ach, wat zou de liefderijke Dakerlia gebeuren? Zou
haar hart niet breken, zou zij niet sterven van rouw en smart?
Dit schromelijk gepeins ontrukte telkens den jongeling eenen nieuwen
angstschreeuw, en hij sloeg zich de handen voor de oogen als om het
spookgezicht te verjagen dat hem de ijskoude des doods door de aderen
deed vlieten.
Intusschentijd had de heelmeester, door zijne dienaars en door eenige
Erembalds geholpen, Segher Wulf van al de stukken zijner wapenrusting
ontdaan, en door een eerste verband zijne wonde zoo goed mogelijk
gesloten. Hij scheen zeer voldaan over zijnen arbeid en toonde den
omstanders met zekere fierheid dat het bloed nog slechts bij druppels
tusschen de opgelegde pleisters en doeken doorsijpelde.
Men had, op zijn bevel, een pluimenbed aangebracht en het met eenige
kussens op de draagbaar uitgespreid.
"Heeren", zeide hij tot de omstaande vrienden van Segher Wulf, "de wonde
is verschrikkelijk, inderdaad; maar alle hoop is niet volstrekt
verloren. In mijne meening is geen edel lichaamsdeel gekwetst. Wel is
het sleutelbeen verbrijzeld, maar dit kan genezen. Indien hij geen bloed
meer verliest en het vuur zich niet in de wonde zet, zouden wij hem nog
het leven kunnen behouden. Hebt aldus goeden moed, gij vooral, mher
Sneloghe, die van schrik en treurnis schijnt te willen bezwijken. Helpt
ons nu, heeren, den armen ridder zachtjes, voorzichtig, zeer voorzichtig
op de baar te leggen. De minste beweging kan zijne wonde weder openen,
het ware hem een onherroepelijk doodvonnis. Wij zullen hem naar zijnen
Steen dragen; de opene lucht doet hem kwaad."
Men gelukte er in het beweeglooze lichaam van Segher Wulf op de baar te
leggen, zonder het verband zijner wonde te hebben ontschikt; en zoo
begaf men zich, stap voor stap, naar den kant der Hoogpoort.
De Erembalds volgden treurig en met vochtige oogen, als vergezelden zij
eene lijkbaar naar het kerkhof. Robrecht Sneloghe weende, maar scheen
anders alle bewustheid te hebben verloren; want hij hield den blik ten
gronde en stapte wankelend voort, als een dronken mensch. In zijne
overtuiging was Segher Wulf dood, of de laatste levensvonk zou in hem
uitgedoofd zijn vooraleer men den Steen zou bereiken. Dakerlia! Welk
akelig oogenblik! En hoe de gedachte aan dit zielscheurend tooneel hem
ook deed terugijzen, hij mocht het niet ontwijken; hij had eenen
heiligen plicht te vervullen: Dakerlia steunen, troosten en haar sterk
maken, om zonder sterven den vervaarlijken slag te doorstaan.
Terwijl hij eenige klaarte in zijnen geest poogde op te roepen en zijne
krachten tot het vervullen der pijnlijke taak verzamelde, was de
treurige stoet dwars door de menigte in de Hoogstraat geraakt.
Reeds zag men in de verte den toren van sher Wulfs Steen, toen voor het
hoofd van den stoet de volksschaar eensklaps vlottend bewoog, als week
zij terug voor eenen onverwachten drang.
Daar sprong eene kermende jonkvrouw met de armen in de hoogte van
tusschen de menigte ... Waarlijk had iemand de arme Dakerlia verwittigd
van het schromelijk onheil dat haar dien dag had getroffen.
Zij liep tot de draagbaar, staarde bleek en bevend op het levenloos
gelaat haars vaders, slaakte eenen grievenden noodkreet en viel zonder
gevoel achterover in de armen van Robrecht en van den proost van
St-Donaas.
Het was een oogenblik van onuitsprekelijken angst ... Het hoofd van het
arme meisje hing ontzenuwd op haren schouder; hare oogen waren gesloten,
de bleekheid des doods ontverfde haar gelaat.
Op de wangen aller omstanders vloeiden tranen van deernis.
Robrecht, door smart en medelijden weggerukt, legde zijne lippen op het
bleeke voorhoofd zijner verloofde. Hem bleef slechts de kracht om in
onduidelijke woorden den hemel de wreedheid van het lot te klagen.
"Dakerlia, arme Dakerlia!" murmelde hij. "God, o God! Wee, wee!"
Op raad van den heelmeester, had de stoet zich vooruitbegeven, ten einde
aan Dakerlia, als zij tot bewustzijn zou komen, het gezicht van haren
gekwetsten vader te onttrekken.
Reeds moest de draagbaar sher Wulfs Steen bereikt hebben, vooraleer de
lieden, die men uitgezonden had, met koud water en edik terugkeerden.
Nauwelijks had men Dakerlia's voorhoofd en wangen bevochtigd, of zij
opende de oogen, staarde eene wijl als zinneloos op degenen die haar
omringden, sprong dan recht en zocht de draagbaar met den blik.
"Mijn vader, mijn arme vader!" kreet zij. "Dood, o God! En ik leef
nog!... Ik wil niet leven, ik wil hem volgen in het graf!"
En zij begon zich de borst met hare nagels te verscheuren, als hadde de
wanhoop haar waarlijk met zinsverbijstering geslagen. Intusschen
worstelde zij om los te raken uit de vriendenhanden die haar poogden te
wederhouden: naar huis wilde zij loopen om daar, op het lijk haars
vaders, te sterven, ten einde hunne zielen te zamen de reis naar de
eeuwigheid mochten aanvaarden.
Robrecht poogde haar te bedaren en sprak allerlei zoete, troostende
woorden tot haar; maar zij hoorde hem in het eerst niet.
Eindelijk scheen zij, door uitputting van krachten, zelve tot eenige
aandacht bekwaam geworden, want zij riep eensklaps uit:
"Robrecht, wat zegt gij? O, bedrieg mij niet! Mijn vader is niet dood?
Wiens lijk was het dan dat voor mijne oogen heeft gespookt? Ben ik
zinneloos? Heb ik gedroomd? Waarom liegen bij een graf?"
"Ach, uit medelijden met mij, Dakerlia lief, hoor mij aan! Uw vader
leeft; hij is wel erg gewond, maar er is nog hoop. De heelmeester zegt
dat hij kan genezen. Waarom dus vertwijfelen, alsof gij geen geloof meer
hadt in Gods goedheid?"
"Gij bedriegt mij niet, Robrecht?"
"Neen, Dakerlia. Kom nu stil aan, naar huis, en houd u sterk. Wees
zeker, uw vader kan genezen; mijne bedrukte ziel roept mij toe dat hij
zal genezen."
"Eilaas, eilaas! Kom; ik wil hem zien, hem troosten of bidden nevens
zijn doodbed!" zuchtte Dakerlia, die voelde dat hare krachten haar weder
dreigden te begeven.
Zij leunde zwaar op den arm van Robrecht en op den arm van den ouden
Bertulf. Hare stappen waren wankelend en zij liet het hoofd op de borst
hangen. Dan eerst ontstroomde haar een tranenvloed, en hijgde en snikte
zij met krampachtige bewegingen der borst.
Zonder nog een woord te spreken, zonder in schijn acht te geven op de
vertroostingen van Robrecht, liet zij zich tot in de groote zaal harer
woning leiden.
Hier drukte zij den wensch uit om haren vader te zien, maar men deed
haar begrijpen dat de heelmeesters bezig waren met hem te ontkleeden, en
daarna een nieuw vast verband op zijne wonden zouden leggen. Zij moest
geduld hebben; de kastelein Hacket zou zich naar haars vaders kamer
begeven en haar komen verwittigen zoohaast het haar zou toegelaten
worden bij hem te gaan.
Door dit beletsel in hare smart getergd, borst Dakerlia in nieuwe tranen
los. Zij zakte neder in eenen leunstoel en weende en snikte sprakeloos,
zonder acht te slaan op de troostende woorden van Robrecht die, aan hare
zijde zittende, een harer handen in de zijne hield gedrukt.
Zoo, in eene doodsche smart verslonden, bleef zij wel een half uur
beweegloos zitten, totdat eindelijk de kastelein Hacket in de zaal trad
en haar zeide:
"Jonkver Wulf, gij moogt nu tot uwen vader gaan. Voor een oogenblik
slechts. Hij is nog buiten bewustheid, maar hij geeft nu en dan
zichtbare teekens van leven. De geneesheer heeft veel hoop."
"Kom, kom, ik vlieg", kreet Dakerlia, rechtspringende.
"Zoo niet, jonkvrouw", bemerkte de kastelein, haar wederhoudende. "Ik
bid u, wees redelijk en hoor wat ik u zeg. Gij moogt bij het bed uwe
vaders niet spreken, geen enkel woord; ook niet zuchten of klagen. Het
minste gerucht kan den armen zieke schadelijk, ja, doodelijk worden."
"Ik zal stil zijn, mijnen schrik, mijn verdriet met geweld bedwingen",
murmelde het meisje.
"Welaan dan, volg mij."
Allen verlieten de zaal en traden ten einde van den gang in eene kamer
welker beide vensters op de straat uitzagen.
Hier lag Segher Wulf nog met geslotene oogen en paarse wangen op een bed
uitgestrekt.
Dakerlia, door den proost en door Robrecht bewaakt, ging bij het
hoofdeneinde van het bed en staarde in stilte op het levensloos gelaat
haars vaders. Hare lippen beefden; haar strakke blik scheen door ijzing
en door angst met beweegloosheid geslagen.
Gevoelde het hart des vaders de nabijheid van zijn kind, of was het een
bloot toeval? Althans, hij ontwaakte uit de diepe bewusteloosheid, zijne
wimpers hieven zich op, en hij keek zijne bevende dochter eerst verbaasd
en dan met eenen klaren blik van teederheid aan. Ten minste zoo dacht
Dakerlia; het scheen haar zelfs dat zijne lippen eene beweging deden,
als poogde hij haar toe te lachen.
Alhoewel Dakerlia vast besloten had het bevel der geneesheeren te
gehoorzamen, kon zij de uitzinnige blijdschap, die haar bij het gezicht
dezer onverhoopte verrijzing kwam treffen, niet wederstaan. Onder hare
ontsteltenis bezwijkende, boog zij zich over haren vader, zoende hem de
wangen, stortte eenige heete tranen op zijn voorhoofd en murmelde aan
zijn oor:
"Vader lief, vader lief, heb moed: gij zult genezen!"
Maar de heelmeester en de geneesheer grepen haar bij de armen en
trokken haar, hoe zij ook stilzwijgend worstelde, met vereende kracht
tot in de gang.
"Ongelukkige jonkvrouw", sprak de oude geneesheer verwijtend, "zoo zoudt
gij in eens uwen armen vader kunnen dooden! Zijn bloed mag niet
aangejaagd worden; het moet traag en rustig in de aderen rondvloeien,
anders zou het zijne wonde openen of ontsteken."
"Ach, laat mij tot hem wederkeeren!" zuchtte Dakerlia met saamgevoegde
handen.
"Neen, neen, gij moet in eene andere kamer gaan, achter in het gebouw,
verre van den zieke", zeide de geneesheer op strengen toon.
Maar Dakerlia, die bij dit bevel als bij een doodvonnis verschrikte,
liet zich geknield voor de voeten van den geneesheer vallen, hief de
armen tot hem op en riep:
"O, wees medelijdend met mijne smart! Vergiffenis! vergiffenis!
Verwijder mij niet van mijnen vader! Ik wil hem bewaken, hem verplegen,
nacht en dag. Ik zal zwijgen als eene stomme, mij stilhouden als eene
slapende, geenen zucht over mijne lippen laten stijgen. Zie, ik kruip
voor uw aanschijn, ik zaai mijne tranen voor uwe voeten!"
"Om Gods wil, laat zulke ijselijke smart u vermurwen, heer!" smeekte
Robrecht, die achter Dakerlia uit de kamer was gegaan. "Verstoot toch
hare bede niet!"
Door deernis getroffen, hief de geneesheer de maagd van den grond en
sprak:
"Welaan, jonkvrouw, beproeven wij het nog eens! Maar weet wel dat,
indien gij nog, al ware het slechts door een teeken, in gevaar komt van
uwen zieken vader te ontroeren, ik u onverbiddelijk uit zijne kamer zal
verwijderen, al moest men daartoe geweld gebruiken. Ik ben
verantwoordelijk en ik zal mijnen plicht vervullen."
Dakerlia ging op de punten harer voeten binnen; zij sloeg nog eenen blik
op haren vader, wiens oogen weder gesloten waren ...
Dan vatte zij Robrecht de hand, leidde hem tot in het diepe der kamer,
toonde hem sprakeloos de knielbank voor het groote kruisbeeld dat aan
den muur hing en liet zich er op nedergaan.
De jongeling zette zich nevens haar; beiden bogen het hoofd in een vurig
gebed.
Eene stilte, zoo diep en zoo volledig als de sombere ledigheid van een
gesloten graf, bleef uren en uren lang in de kamer heerschen.
X
Het weder was sedert eenige dagen regenachtig en koud geweest; maar
dezen morgen had de zon zich aan eenen zuiver-blauwen hemel verheven en
de lucht was voor het jaargetijde uitnemend zoel en verkwikkend.
In de Zuidzandstraat, omtrent St-Salvators kerk, wandelde een ridder met
langzame stappen over en weder. Hij scheen in diepe overwegingen
verslonden, want alhoewel hij meesttijds met eenen somberen, strakken
blik de oogen ten gronde hield gericht, hief hij nu en dan het hoofd op
en glimlachte, alsof eene verblijdende gedachte hem door den geest
schoot.
Van uit de Steenstraat kwam, zonder dat hij het bemerkte, een ander
ridder hem te gemoet. Deze, hem bereikt hebbende, klopte hem gemeenzaam
op den schouder en zeide:
"Nu, mijn vriend Disdir, wat benevelt toch uw gemoed zoo uitermate, dat
gij bij dage dwaalt en droomt als een slaapwandelaar?"
"Ha, wees gegroet, mher Willem Van Wervick", antwoordde Disdir. "Ik ben
ziek geweest en kom mij nu een weinig in den zonneschijn verwarmen."
"Ziek geweest, mher Vos? Daarvan zijt gij nog bleek? Men heeft u sinds
weken niet meer gezien. De koude koorts?"
"Neen pijn in het hoofd, steken aan het hart."
"Gij hebt evenwel vernomen wat er is geschied en hoe Segher Wulf in den
krijt Jakob de Leeuw het hoofd heeft gekloofd?"
"Ja, Willem, en tevens hoe Segher Wulf, doodelijk gewond, uit den kamp
werd gedragen. Hoe gaat het nu met mher Wulf, weet gij het?"
"Gisterennammiddag nog ben ik hem gaan bezoeken. Hij is zes dagen
blijven liggen zonder spreken, en schier zonder bewustheid. Nu houdt hij
veeltijds de oogen geopend en zou wel eenige stille woorden met de
bezoekers wisselen, maar de geneesheeren, die immer bij zijn bed staan,
verbieden hem alle beweging en zelfs de minste spanning des geestes."
"Arme Dakerlia, wat moet zij verdriet hebben!" zuchtte Disdir. "Zij die
haren vader zoo teederlijk bemint."
"Gij kunt het denken, mher Vos. Zij is schrikkelijk vermagerd en
vervallen. Het mag niet lang zoo voortduren, of de gevoelige jonkvrouw
wordt zelve erg ziek."
Eene lichte spotgrijns trok Disdirs lippen te zamen.
"Robrecht Sneloghe was zeker in sher Wulfs Steen, toen gij er kwaamt?"
vroeg hij.
"Inderdaad, het is niet verwonderlijk."
"En hij houdt zich veel meer bezig met Dakerlia dan met haren
ongelukkigen vader? Hij troost haar?"
"Zooals gij zegt, Disdir; toen ik in de ziekenkamer trad, hield Robrecht
eene van Dakerlia's handen en ik zag dat hem van medelijden de tranen in
de oogen stonden."
"De lafaard! Een man weenen als een meisje!" gromde Disdir Vos op
zonderling nijdigen toon.
"Lafaard? Robrecht Sneloghe een lafaard?" herhaalde Willem Van Wervick
verbaasd. "Omdat hij deernis heeft met ...?"
Maar hij werd onderbroken door het voorbijrijden van eenen grooten
wagen, die hem dwong terzijde te gaan.
Toen zij wat verder bij den kerkhofmuur stonden, zeide Disdir, die zich
intusschen had bedwongen:
"Mij vloog de overweging door den geest dat het eenen man, eenen ridder,
niet betaamt zoo weemoedig en zoo flauwhartig te zijn ... Nu zal toch
Robrechts huwelijk voor langen tijd uitgesteld moeten blijven?"
"Zeker; geneest Segher Wulf, hij zal slechts na verloop van vele
maanden het ziekbed kunnen verlaten."
"En sterft hij, dan volgt er een gansch rouwjaar."
"Dit schijnt u te verblijden?" vroeg mher Willem, hem scherp in de oogen
ziende.
Disdir Vos trok zwijgend de schouders op.
"Ik begrijp", morde zijn gezel, "gij insgelijks hebt Dakerlia bemind en
naar hare hand gestaan? Gij moet u het lot getroosten. Dakerlia zal wel
zeker Robrechts echtgenoote worden."
"Dit huwelijk is nog niet voltrokken!" gromde Disdir Vos met eene vonk
van zegevierende blijdschap in de oogen.
"Maar zijt gij zinneloos, mijn goede Disdir?" schertste Willem Van
Wervick. "Alzoo, gij meent het nog mogelijk dat Dakerlia Wulf uwe vrouw
worde?"
"Wie weet? Er loopt op een jaar zooveel water door de Reije. Laat het
oorlog worden in Vlaanderen, laat de Kerels te wapen loopen tegen den
graaf en de Isegrims ... Bij den vrede kunnen zaken en menschen groote
veranderingen ondergaan hebben."
"Ongetwijfeld, Disdir, indien het oorlog werd, maar dit is nu niet meer
waarschijnlijk. De graaf heeft het oordeel Gods aanvaard. Segher Wulf
heeft dus, door zijne overwinning, Kerlingaland voor groote
bloedstorting behoed."
"Gij meent het, mher Willem?" wedervoer Disdir Vos. "Alhoewel ik ziek
ben geweest, weet ik misschien beter dan gij wat er omgaat. Is het niet
waar dat de Isegrims van 's graven hof sedert den kamp stilzwijgend en
achterhoudend zijn geworden, en elkander geheimzinniglijk de woorden in
de ooren fluisteren, uit vrees dat een Erembald of een andere Kerel iets
verrasse van hetgeen er in 's vorsten raad gebrouwen wordt?"
Willem Van Wervick knikte bevestigend.
"Welnu, het kwaad dat men daar in het verborgen tegen de Kerels smeedt
zal onverwachts uitbreken. De proost van St-Donaas, de kastelein,
Robrecht Sneloghe en wie hunnen raad of hunne zienswijze volgen, zijn
blind. Zij willen niet zien wat er geschiedt; zij zenden boden uit om de
Kerels te doen stil blijven; al wat zij zeggen is: geduld, geduld. De
bloodaards! Zij zullen ontwaken als Kerlingaland zal verloren zijn.
Burchard Knap, ziedaar de man, die alleen misschien nog onze vrijheid
kon redden ... En zij hebben hem onrechtvaardig laten veroordeelen,
zonder iets te hebben gepoogd tot zijne verdediging of zijne wraak!"
"Gij hebt wel gelijk", bevestigde Willem, "de proost van St-Donaas is
lijdzamer dan eene vrouw. Men noemt hem wijs; maar met zulke wijsheid
loopt men recht in de slavernij. Laat ons echter niet denken dat de
Kerels ondadig zullen blijven. Nog zes dagen en de Hoop der Ambachten
vergadert te Veurne. Daar zal men over het lot van Kerlingaland
beslissen en de Erembalds zullen er niet alleen meester zijn. Ik zal er
mij bevinden als afgevaardigde van Proven, waar ik vele goederen heb."
"En ik insgelijks zal er tegenwoordig zijn, als gekozen om
Bekeghem-Ambacht te vertegenwoordigen ..."
"Zie, wie daar uit de Zuidzandstraat tot ons komt!" riep Willem. "Als
men van Loki spreekt ..."
"Robrecht Sneloghe!" mompelde Disdir Vos, met somberen haat in de stem.
Maar dewijl hij bemerkte dat Robrecht naderde om hen te groeten, bedwong
hij zijne ontsteltenis en zag mher Sneloghe stil glimlachende te gemoet.
Nadat zij eenige woorden hadden gewisseld over het zoele weder en over
den toestand van Segher Wulf, zeide Disdir Vos:
"Mag ik mher Snelogde vragen, hoe het met zijne verloofde gaat? Wat moet
toch die arme Dakerlia lijden!"
"Het is onbeschrijfelijk!" antwoordde Robrecht diep ontroerd. "Sedert
acht dagen heeft zij de kamer haars vaders nog niet willen verlaten: zij
rust des nachts bij zijn bed, met het hoofd op eene tafel; maar slapen
doet zij toch niet, want bij den minsten zucht, bij de minste beweging
haars vaders springt zij recht. Hoe een meisje de krachten kan hebben om
bij zulk leven niet van uitgeputheid te bezwijken is onbegrijpelijk. Ook
is zij, och arme, zoo bleek en zoo mager geworden van dit lange waken en
van het overvloedig weenen, dat men ze niet meer zal herkennen, de
eerste maal dat zij zal uitgaan."
"En nu is uw huwelijk onbepaald verschoven?" vroeg Disdir.
"Eilaas, daaraan denken wij niet meer", zuchtte Robrecht. "Late de goede
God Dakerlia's vader genezen! Andere wenschen voeden wij niet; anders
vragen wij niet in onze gebeden."
Er lichtte eene vonk van blijdschap in Disdirs oogen; want de treurige
woorden van Robrecht bevestigden de verborgene hoop zijns harten.
"Ik twijfel niet, of wij zullen u binnen acht dagen te Veurne zien",
zeide hij. "Houthem kiest u gewoonlijk tot zijnen vertegenwoordiger."
"Waarschijnlijk zal ik de vergadering van den Hoop niet kunnen
bijwonen", antwoordde mher Sneloghe. "Het spijt mij grootelijks; maar
gij begrijpt, vrienden, de erge toestand van Segher Wulf? De arme
Dakerlia....?"
"En indien men daar tot den oorlog besluit?"
"Dan zullen wij onzen plicht doen, en goed en bloed ten beste geven voor
de vrijheid van Kerlingaland", antwoordde Robrecht. "Hopen wij evenwel
dat de wijsheid van onzen graaf dit ongeluk zal voorkomen."
"Is het waar", vroeg Willem Van Wervick, "dat gij Ghyselbrecht Tancmar
ten hove uwen handschoen in het aangezicht hebt gesmeten?"
"Het is waar", antwoordde Robrecht.
"En hij heeft den kamp tegen u geweigerd?"
"Ja, onder voorwendsel dat hij, edelgeboren man, niet mag strijden tegen
eenen Kerel, wiens vrije geboorte hem niet is bewezen."
"Welke lafheid!" gromde mher Willem.
"Lafheid niet, huichelarij en boosheid. Het is om ons tot
gewelddadigheid aan te drijven en den graaf tegen ons te verbitteren."
"En gij hebt hem uw zwaard niet in de borst gestooten?" kreet Disdir
Vos.
"De heer graaf kwam in de zaal, waar de twist gebeurde. Hij bande den
vrede tusschen ons. Ik moest gehoorzamen; maar, wat zeker is, ik zal
vroeg of laat het verdriet van Dakerlia Wulf op Ghyselbrecht wreken!"
"Ware mij den kamp geweigerd, ik sloege den valschaard dood, ondanks den
vrede!" morde Disdir Vos.
"Neen, neen, zoo niet", wedervoer Robrecht met zeker misprijzen in de
stem. "Ik zal Ghyselbrecht wel tot een kamp weten te dwingen; een
eerlijk ridder wreekt zich niet door eenen moord ... Nu, heeren,
verontschuldigt mij, dat ik uwe samenspraak heb gestoord. Vaartwel."
Mher Sneloghe vervorderde zijnen weg door de Steenstraat tot op de
Markt, waar hij vele lieden bemerkte die, om het fraaie weder te
genieten, op dit breede plein rondwandelden.
Hij meende, zonder stil te houden, naar de Hofstraat zich te richten en
door den burg te gaan om zijne woning te bereiken; maar nu ontsnapte hem
eensklaps een kreet van blijde verrassing en hij stapte haastig naar het
midden der Markt, terwijl hij in zich zelven murmelde:
"Dakerlia met mijne zuster! Wat wil dit zeggen? Zij schijnen wel te
moede!"
"Jonkvrouwen, zal ik mijne oogen gelooven?" riep hij glimlachend uit.
"Is onze heer vader genezen?"
"Ter goeder ure dat wij u ontmoeten!" zeide Dakerlia. "Nu hebben wij
eenen ridder om ons op de wandeling te geleiden. Verliezen wij geenen
tijd; stel u tusschen ons beiden en laat ons voortstappen; wij zullen al
gaande kouten. O, Robrecht, ik ben zoo gelukkig!"
"Mij dunkt het, de blijdschap straalt uit uwe oogen. Vertel mij toch wat
u dus verheugt."
"Gij zijt dezen morgen vroeg gekomen", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader
was dan nog bezwaard van den nacht en hij scheen niet veel beter dan
gisteren; maar sedert dan is hij ontwaakt. Zijne oogen waren helder; hij
vroeg eten, voor de eerste maal zijner erge ziekte. De geneesheeren
hebben hem, alhoewel met vrees, eenige lepels hoendersoep doen
toedienen. Het deed hem zoo goed! Hij keerde als het ware tot het leven
weder en begon te spreken, wel zeer stil, maar met eene klaarheid des
geestes die, ons allen verbaasde. Hij sprak van u, Robrecht."
"Van mij, Dakerlia?"
"Ja, het is onbegrijpelijk. Hij moet gedurende al den tijd, dat hij daar
beweegloos heeft gelegen, gehoord en opgemerkt hebben wat rondom hem
geschiedde; want hij weet alles. Ach, Robrecht, haddet gij kunnen hooren
hoe hij u bemint en u dankbaar is voor uwe goede zorgen!"
"En u Dakerlia, heeft hij u niet gedankt? Gij toch hebt meer gedaan dan
men van de menschelijke krachten kan eischen."
"Ik durf het bijna niet zeggen", stamelde Dakerlia ontroerd, "Hij heeft
mij de hand op het hoofd gelegd, en zoo, met den blik ten hemel, mij
gezegend ... Spreken wij daar niet van; ik was zoodanig ontroerd dat nu,
bij herdenken zijner liefderijke woorden mij nog de tranen in de oogen
schieten."
Zij vervorderden eene wijl in stilte hunne wandeling.
"Geen wonder", zeide Witta, "dat wij zoo blijde zijn. De geneesheeren,
die tot nu toe achterhoudend bleven en ons geene hoop durfden geven,
hebben dezen morgen verklaard dat zij niet twijfelen of mher Wulf zal
genezen. Zijne wonde, die nog altijd was ontstoken, is nu gesloten."
"God zij geloofd!" riep de jonge ridder, "dit is eene gelukkige
tijding."
"De proost en de kastelein zijn gekomen; zij hebben met mher Wulf
gesproken en zij, insgelijks, zeiden ons dat wij niet meer mogen
vreezen."
"Ja, Robrecht", bevestigde Dakerlia, "en uw oom de proost heeft mijnen
vader doen begrijpen dat hij waarschijnlijk, door het vergieten van zijn
bloed, de vrijheid van Kerlingaland heeft gered, of ten minste
Vlaanderen heeft behoed voor een rampspoedigen oorlog. Dit heeft mijnen
armen vader zoo gelukkig gemaakt, dat zijne oogen van trotschheid
glinsterden."
"Maar dit alles verklaart mij niet hoe het komt dat ik u hier ontmoet",
bemerkte de jonge ridder.
"Uwe ooms zijn daar de oorzaak van", antwoordde Dakerlia. "Zij beweerden
dat ik zeker ziek zou worden, indien ik langer zoo in eene altijd
geslotene kamer bleef zitten. Het was zulk zoet weder; ik moest uitgaan
en wandelen. De geneesheeren hielpen hen. Om mijnen tegenstand te
overwinnen, zeiden uwe ooms dat zij een paar uren in mijne plaats bij
het bed mijns vaders zouden waken. Ik heb toegestemd voor een enkel uur.
Zij hadden gelijk, uwe goede ooms: de zonneschijn, nog meer dan de
blijdschap, doet mij herleven; de zoete lucht vloeit mij als een
verkwikkende balsem door de longen."
Zoo vroolijk koutende en dankbaar juichende over de onverwachte
verbetering van den toestand des zieken ridders, wandelden zij eenige
malen rondom de Markt, totdat Dakerlia, ondanks het aandringen van
Robrecht, huiswaarts wilde keeren.
Zij richtten zich dus naar de Hofstraat, maar werden eensklaps
teruggehouden door eenen hoop volks, die achter twee bazuinblazers van
den burg op de Markt kwam gestroomd.
Van alle kanten liepen nog vele menschen toe; want men herkende de
bazuinblazers als gewone wapenboden des graven, en men voorzag dat zij
een vorstelijk besluit gingen afkondigen.
Even nieuwsgierig als de anderen om te weten wat men hier ten poorters
van Brugge ging bekend maken, bleef Robrecht met zijne gezellinnen
omtrent de wapenboden staan.
De bazuinblazers hieven eenige tonen aan, en zoohaast het volk genoeg
rondom hen was verzameld, trad een klerk vooruit met een vel perkament
in de hand. Hij ontrolde het blad op zulke wijze, dat men de groote
groene zegels er van kon zien nederhangen en begon dan met luide, klare
stem aldus zijne afkondiging:
"Wij Karel, graaf van Vlaanderen, al degenen die deze letteren
lezen of hooren lezen, heil in Gode!
Alzoo er in zekere gewesten van onzen lande van Vlaanderen een slag
van lieden wonen, zich noemende Kerels, die, zonder gezeten te zijn
op vrije erven, gezegd _Allodii_, beweren vrij te zijn in hunnen
persoon en hunne goederen, en tot groote inbreuk op den openbaren
vrede zich vermeten wapens te dragen, niettegenstaande het herhaald
verbod, door onze voorgangers en door ons uitgevaardigd;
Aangezien deze lieden, zich noemende Kerels, tot geene erkende
leenen behooren en onder zulke zich weigeren te schikken;
Overwegende dat dergelijke toestand slechts het gevolg eener
onwettige aanmatiging kan zijn, strijdig met de rechten onzer kroon
en met den vrede des graafschaps;
Maken kond, dat wij, na rijp beraad en onderzoek van elks recht,
hebben besloten en besluiten wat volgt:
Ten eerste. Elk ingezetene dezer landen van Vlaanderen, die niet
toebehoort tot een onzer leenen of tot eene abdij, of niet
eigenaar is eener erkende vrije erve, gezegd _Allodium_, anders
_Boekland_[48], of niet het poortersrecht in eene onzer goede
steden geniet, zal voortaan een man onzer kroon zijn."
Tot dan had de menigte, waaronder waarschijnlijk zich geene of weinige
Kerels bevonden, stom en gapend den klerk de woorden uit den mond
geluisterd; maar nu ontstond er zulk luid gemor van verbaasdheid, dat
men de stem van den afkondiger niet meer kon hooren.
"Stil! stil!" riepen vele der omstanders, die zich misschien de zaak der
Kerels weinig aantrokken.
De klerk zette zijne lezing voort.
"Ten tweede. Al zulke mannen der kroon zullen in handen der
ontvangers onzer burgen en kasteleinen den tol, gezegd _balfaart_,
betalen, dit is een denier jaarlijks, vier deniers op den dag van
hun huwelijk en vier deniers bij hun afsterven, of anders het
beste hoofd ter keuze des heeren.
Ten derde. Het blijft allen dienstbaren lieden verboden, wapens te
dragen, als daar zijn schermzeisen, zwaarden, staven, knijven,
kolven, op lijf straffe of op boete, zooals bepaald is bij de
besluiten der graven, onze voorgangers, en der onze."
Het overige der afkondiging bestond slechts in eenige voorschriften tot
de uitvoering van het zwaarwichtig besluit.
Met groot geschater van stemmen begonnen de poorters elkander hun
gevoelen over dit edict tegen de Kerels mede te deelen; maar dewijl de
bazuinblazers de plaats verlieten en naar de Steenstraat opgingen, om
daar en elders hunne zending te vervullen, volgden hen de meeste
aanhoorders. Andere liepen in allerijl over de Markt, om het verrassende
nieuws aan vrienden of bekenden te gaan mededeelen.
Robrecht en Dakerlia, getroffen met eenen diepen schrik, aanschouwden
elkander eene wijl zonder spreken.
"Eilaas", zuchtte Dakerlia, "daar breekt het langgevreesde onweder over
Vlaanderen los! Het bloed mijns vaders heeft nutteloos gevloeid. Arm
Kerlingaland!"
"Arm Kerlingaland?" herhaalde Robrecht. "Neen, neen, het recht zal
zegepralen! Men heeft met ons gehuicheld. Wij zijn verraden, snood
verraden. Ha, nu is alle geduld lafheid, alle toegevendheid misdaad!
Wanhoop niet van onze zaak. Meent gij dan dat de Kerels zich zullen
laten binden als kalveren op de markt? De nootkreet gaat hergalmen over
Kerlingaland. Wie overwinnen zal, dit weet God alleen; maar wij zullen
den strijd niet opgeven, al eischte de verdediging der vrijheid onzen
laatsten druppel bloed!"
"Ramp, ramp!" klaagde Witta, "wie er ook overwinne, Vlaanderen zal
overdekt worden met lijken ..."
"O, mijn God!" kreet eensklaps Dakerlia verbleekend.
"Wat geschiedt u? Wat ziet gij?" vroegen Robrecht en zijne zuster
verbaasd.
Maar Dakerlia greep haren verloofde de hand, trok hem naar de Hofstraat
en antwoordde haastig:
"Kom, kom, loopen wij naar huis. Mijn arme vader! Indien iemand hem deze
tijding bracht, het zou hem zoo diep bedroeven, hem eenen noodlottigen
slag toebrengen misschien! Kom, wij zullen verbieden dat iemand van
buiten hem nadere, wie het ook weze!"
"Maar bedwing toch uwe ontsteltenis, Dakerlia", zeide Robrecht "Uw vader
zou bemerken dat gij hem iets verbergt ..."
"Neen, neen, hij zal het niet zien; ik ben sterk, ik zal welgemoedheid
veinzen."
Inderdaad, toen zij het bed haars vaders naderde, zweefde er een stille
glimlach op haar gelaat; maar dewijl hij met de oogen gesloten lag, en
de geneesheeren haar teeken deden dat hij rustte, hield zij zich stil en
zette zich bij het hoofdeneinde op eenen stoel.
Robrecht murmelde iets aan het oor van den proost, wenkte den kastelein
met den vinger en verliet de kamer met zijne beide ooms, die,
nieuwsgierig geworden door zijne geheimzinnigheid, hem vragend aanzagen.
Hij bracht hen in eene zaal en zeide hun met de handen opgeheven:
"Schrikkelijk nieuws! Er loopt een klerk in de stad rond, die een
besluit van onsen graaf tegen de Kerels afkondigt. De Kerels zijn
voortaan dienstbaar aan de kroon, evenals waren zij in slavernij
geboren!"
De proost verbleekte; eene siddering doorliep de leden des kasteleins;
beiden bleven stom, als konden zij de onverwachte tijding niet gelooven.
"Zijt gij zeker van hetgeen gij zegt?" vroeg de oude Bertulf.
"Gansch zeker; ik heb het besluit hooren afkondigen."
"Waar?"
"Op de Markt, in tegenwoordigheid van eenen grooten hoop volks."
"En hoe luidde dit besluit?"
"Het verklaarde dat de Kerels ten onrechte zich vrij wanen; het legt hun
den balfaart der dienstbaarheid op en verbiedt hun, op lijfstraf en op
boete, eenige hoegenaamde wapens te dragen."
"Eilaas, welke onheilen dreigen Vlaanderen!" zuchtte de kastelein
Hacket. "De valsche Isegrims zegevieren!"
"Bekent het nu, mijne ooms", bemerkte Robrecht, "al ons geduld, al onze
toegevendheid heeft tot niets gediend dan om den hoogmoed onzer vijanden
aan te vuren. Het is misschien nog tijd. Geef een teeken, heer proost;
help gij er toe, heer kastelein, en morgen staat geheel Kerlingaland
onder de wapens!"
"Met zulk voorbarig besluit ware alles verloren", antwoordde Bertulf,
zich op het voorhoofd wrijvend om een klaar en diep besef van den
toestand in zijne hersens op te wekken. "Onze vijanden moeten hetzelfde
wenschen als gij, Robrecht. Zulke onvoorbereide opstand kan slechts
gedeeltelijk zijn. Vergeet het leger niet dat te Atrecht ons bewaakt. De
opstand der Kerels, indien men verplicht wordt tot zulk uiterst middel
zijne toevlucht te nemen, mag slechts algemeen zijn, en onze
heirkrachten moeten tot eenen langen oorlog worden ingericht."
"Maar, oom lief, is de maat niet vol genoeg?" wedervoer Robrecht, met
eene verontwaardiging die hij uit ontzag voor den ouden proost poogde te
bedwingen. "De tijding van dit hoonend besluit zal de Kerels, de
Houtkerels vooral, verwoed maken."
"Inderdaad", bemerkte de kastelein, "mij zou het niet verwonderen dat
zij onmiddellijk de wapens opnamen en de burchten der leenheeren
begonnen te bestormen en af te branden."
"En ware het niet beter het sein tot den algemeenen opstand te geven?"
vroeg Robrecht. "Wees zeker, oom, uw lankmoedigheid zal het ongeluk van
Kerlingaland zijn!"
"Bedwing uwe jonge drift, mijn neef", sprak Bertulf op strengen toon.
"Met zulke overijling verderft men de beste zaak. Hebt gij dan geen
vertrouwen meer in mijne oude ondervinding?"
"Zeker, oom; maar, met uw oorlof, mij dunkt, dat krachtdadigheid en
moed, in dringende omstandigheden, meer zijn dan wijsheid."
"Ik geloof dat gij gelijk hebt, broeder", zeide de kastelein, "maar
werkeloos kunnen wij niet blijven. Wat gaan wij doen?"
"Wij moeten alle beweging in de Ambachten voorkomen", antwoordde de
proost. "De Kerels doen stil blijven totdat de Hoop over de erge zaak
beslist hebbe. Wat is zes dagen? Wil de Hoop het lot der wapens
beproeven, men zal daar de afgevaardigden van al de Ambachten onder de
hand hebben en dus, moet het zijn, met een enkel woord gansch
Kerlingaland als één man doen opstaan."
"Maar, heer oom", bemerkte Robrecht, "gij vergeet Burchard Knap, uwen
neef. Als die de mare zal vernemen!"
"Ik weet waar hij zich ophoudt: hij zal een bijzonderen brief van mij
ontvangen en in vrede blijven, ten minste tot den dag van den Hoop. Hij
heeft mij dit reeds plechtig beloofd."
"Alzoo, wij hoeven ons te bereiden tot den oorlog?" vroeg de kastelein.
"Bereiden, voorzeker", antwoordde hem zijn broeder de proost, "maar die
noodlottige worsteling is nog niet volstrekt onvermijdelijk. Wie zegt
ons dat, indien onze graaf het oor aan den raad onzer vijanden heeft
geleend, het niet alleenlijk is, omdat de oorlog in Aquitanië, en nu op
de grenzen van Normandië, hem dwingt naar middelen uit te zien om zich
eene groote hoeveelheid gelds te bezorgen? Indien de Kerels hem eene
bede toestonden van eenige duizende marken zilvers?"
"Alweder toegevendheid en gebeden?" morde Robrecht; "kunnen wij dan
niets meer dan smeeken? Gij weet, oom, hoe ik onzen graaf verkleefd
was, ondanks het onrecht dat ons werd aangedaan. Vorst Karel had mijnen
vader zaliger vereerd en bemind. Ik was hem daarvoor dankbaar. Nu moet
ik die dankbaarheid in mijn hart versmachten. Ik heb te kiezen tusschen
den oorlog tegen den graaf en de vernedering van mijn vaderland, het
verlies onzer vrijheid. De overtuiging dat onze vorst door de booze
Isegrims is misleid maakte mij die keus nog pijnlijk, ik beken het; maar
de stem van mijn geweten ..."
"Zwijg toch", onderbrak hem de proost, "Gij wordt even voorbarig en
oploopend als de woeste Burchard. Luister toch eerst naar de kalme rede.
Indien wij door zulke geldelijke opoffering het edict en de
schrikkelijke rampen afweren, die ons geslacht en ons vaderland
bedreigen, zoudt gij mij laken den raad daartoe te hebben gegeven?"
"Neen, neen, oom; maar alle hoop op rechtvaardigheid, alle hoop op vrede
is dood in mij!"
"Welnu, ik zal pogen te weten wat zulk aanbod bij den graaf vermag. In
alle geval, de Hoop te Veurne zal over de zaak beraadslagen; en wij
allen, onzen Gilden-eed getrouw, zullen ons aan zijne beslissing
onderwerpen. Laat ons nu naar de proostdij gaan, Hacket; de tijd is ons
kostelijk; wij moeten met spoed onze voorzorgen nemen om, tot de
beslissing van den Hoop, alle beroerte in de Ambachten te beletten."
In den gang zeide de proost nog:
"Wij zullen terloops Segher Wulf vaarwel wenschen; hij zal misschien
ontwaakt zijn."
Robrecht hield hen terug en deed hun begrijpen dat zij in
tegenwoordigheid des zieken van het afgekondigde besluit niet mochten
gewagen. Segher Wulf, die zich gelukkig achtte, zijn leven te hebben
gewaagd, in de gedachte dat hij door het storten van zijn bloed de
vrijheid der Kerels tegen allen nieuwen aanval had behoed, kon een
noodlottigen slag ontvangen, indien hij nu vernam dat de Isegrims zelfs
het oordeel Gods niet hadden geëerbiedigd.
Zijne ooms erkenden de gegrondheid dezer bemerkingen en beloofden den
zieke van niets te spreken.
Alzoo zij nu door de gang traden, hoorden zij eensklaps op eenigen
afstand bazuintonen hergalmen.
"O! mijn God!" kreet Robrecht verschrikt, "daar komt men nu in deze
straat het noodlottig besluit afkondigen. Mher Wulf zal het hooren. Wat
schromelijke slag!"
"De snoodaards!" morde de kastelein. "Wie weet, hebben zij de wapenboden
daartoe geen bijzonder bevel gegeven? Onverbiddelijk zijn de Tancmars in
hunnen haat."
"Maar neen, de wapenboden zijn nog verre; mher Wulf kan niets van de
afkondiging verstaan", bemerkte de proost.
"Ach, hij hoort zoo verwonderlijk scherp, en hij ligt onder het venster
bij de straat", klaagde Robrecht.
"Kom, kom, gij bekommert u ten onrechte", zeide de proost, terwijl hij
de deur der ziekenkamer opende.
Segher Wulf lag nog met geslotene oogen, en nevens hem stond Dakerlia
met angst en vervaardheid op het gelaat; want zij insgelijks had de
bazuintonen gehoord.
"Ontstel u niet zoozeer, jonkvrouw; uw vader slaapt en de bazuinblazers
zijn weg", fluisterde de proost aan haar oor.
Maar nauwelijks waren deze stille woorden zijnen mond ontglipt of de
stem van den afkondiger verhief zich onder het venster zelf.
Een pijnlijke kreet ontsnapte Dakerlia, terwijl zij de bevende handen
over haren vader uitstrekte, als poogde zij de noodlottige klanken te
onderscheppen.
De zieke opende de oogen wijd en luisterde. Hij bleef rustig; geene
plooi op zijn gelaat duidde aan dat hij verstond wat men daarbuiten zoo
luid afriep.
Reeds was de klerk zeer verre in het lezen van het besluit gevorderd, en
nog had Segher Wulf geen teeken van ontroering gegeven. De omstanders
meenden te mogen hopen, dat hij niets van het besluit zou verstaan.
Maar toen de afkondiger het tweede punt van het noodlottig edict
bereikte, werd de zieke eensklaps als door eenen geweldigen slag
getroffen: al zijne leden trokken zich krampachtig te zamen en, ofschoon
de klagende Dakerlia en de verschrikte geneesheeren hem poogden te
bedwingen, duwde hij zijne twee armen op het bed, spande al zijne
zenuwen en riep uit, terwijl hij zich met verwonderlijke kracht in de
hoogte hief:
"Slaven! De Kerels slaven! Wraak, wraak, o, mijn God!"
Eilaas! Zijn slecht geheeld sleutelbeen brak opnieuw, zijne wond
scheurde open, het bloed golfde hem over de borst en hij viel met eenen
akeligen noodkreet achterover ...
"Het is niets, geen gejammer, geen gekerm!" riep een der geneesheeren,
den proost haastige teekens doende, dat men de jonkvrouw zou
verwijderen.
Allen verstonden hem. Robrecht en zijne ooms grepen Dakerlia bij de
armen en schouders, en hoe zij ook als zinneloos worstelde, zij leidden
ze met geweld in eene ver afgelegene kamer. Daar poogde men haar te doen
gelooven dat het ongeval geene erge gevolgen zou hebben. De geneesheer
had immers zelf gezegd dat men niet mocht bekommerd zijn? Een nieuw
verband zou alles weer herstellen.
Maar Dakerlia, door eenen doodelijken schrik aangejaagd, was niet te
bedaren.
"De wreedaards, de Isegrims!" riep zij uit, terwijl men haar poogde van
de deur terug te houden. "Zij hebben hem in den kamp niet kunnen
overwinnen. Vermoorden moesten zij hem, met valschheid, met
lafhartigheid! O, mijn vader, mijn arme vader, wie zal u wreken? Wie zal
het edel bloed herkoopen, dat gij voor de vrijheid van Kerlingaland hebt
vergoten?"
"Wees gerust, Dakerlia", antwoordde Robrecht Sneloghe. "De noodhoorns
gaan galmen over Kerlingaland. Het is een oorlog om leven en dood. Ik
zal te midden des gevechts de vijanden uws vaders opzoeken en ze
treffen, zoolang mijn arm de macht heeft tot het verheffen van een
zwaard."
De maagd slaakte eenen angstkreet, legde zich de handen voor de oogen en
begon overvloedig te weenen; maar zij was zoo aangejaagd dat zij bijna
onmiddellijk weder naar den ingang der kamer sprong en zich de handen
ten bloede werkte om de geslotene deur open te rukken.
Zij viel op de knieën voor den proost en kermde en bad met saamgevoegde
handen, om tot haren vader te mogen gaan. Hij kon sterven, haar
verkrampend hart riep het luid. Mocht zij hem dan niet een laatst
vaarwel wenschen en hem de oogen sluiten? Zou hij ten hemel varen zonder
zijn kind aan zijne zijde te zien?
Eindelijk door medelijden overwonnen, zeide de proost tot haar, dat hij
den kastelein zou verzoeken naar de ziekenkamer te gaan om het oorlof
der geneesheeren af te smeeken, indien Dakerlia toestemde bedaard te
wachten op de tijding welke hij hun zou brengen.
Men opende met voorzorg de deur en Hacket begaf zich naar de kamer aan
de straat.
Hier ontvloog hem een kreet van schrik, ofschoon de geneesheer door zich
den vinger aan den mond te leggen, hem tot stilte aanmaande.
Segher Wulf lag uitgestrekt op het bed, met een kruisbeeld op de borst.
Zijn gelaat was loodvervig en toonde de doorschijnende tint der
bloedeloosheid. Witta zat ten gronde geknield en weende bitter.
De kastelein naderde met kloppend hart en aanschouwde den geneesheer.
"Niets meer dan een lijk!" murmelde deze.
"Wel zeker?"
"Hoe anders? Al zijn bloed is hem ontloopen."
"Wat akelige ramp!"
"Ja, een ijselijk voorval; maar klagen kan hier niet helpen, heer
kastelein. Gij moet tot de jonkvrouw gaan; haar eerst met halve woorden
een ongeluk doen voorgevoelen, haar dan van een groot gevaar spreken en
zoo allengs haar den dood haars vaders melden, opdat de slag haar niet
plotselijk treffe."
De kastelein verwijderde zich stilzwijgend, om de droeve zending te gaan
vervullen; maar nauwelijks was hij eenige oogenblikken weg, of men horde
in den gang eenige wanhopige klachten hergalmen.
Dakerlia stortte in de kamer en liep tot bij het bed. Een eerste blik
zeide haar alles: zij slaakte eenen machtigen schreeuw, eenen noodkreet,
die het gansche huis doorschalde, en viel gevoelloos met het hoofd op de
borst haars vaders.