Toen de gevluchte Rambold Van Straten te Atrecht kwam, en met groot
misbaar den graaf de verwoesting van zijnen burcht en den wreeden moord
zijner zuster en zijner dienaars klaagde, ontvlamde de vorst in eenen
onuitsprekelijken toorn.
Terwijl Rambold zijne eigene gewelddadigheden verzweeg of verbloemde,
lieten Tancmar en zijne vrienden niet na de Erembalds en de Kerels in
het algemeen van medeplichtigheid aan deze euveldaad te beschuldigen.
Zij poogden de verontwaardiging des vorsten tot het uiterste aan te
vuren en hem over te halen om onmiddellijk met een sterk gedeelte des
legers verdelgend in de vrije Ambachten te vallen. De gelegenheid was nu
gunstig, meenden zij: niemand zou de Kerels helpen of beklagen; en, kon
men ze dwingen eens voor goed den nek onder het juk der dienstbaarheid
te buigen, dan ware het voor eeuwig met dit wreed en overmoedig ras
gedaan.
Graaf Karel, alhoewel hij niet gewoon was zonder lange overweging eenig
gewichtig besluit te nemen, had hun laten denken dat hij, ditmaal ten
minste, gansch hunne woede deelde en hunnen raad zou volgen.
Maar nog denzelfden dag had de proost van St-Donaas eenen bode naar
Atrecht afgezonden met eenen langen brief waarin hij den graaf het
gebeurde verhaalde van zijnen eersten oorsprong af en Rambold Tancmar
beschuldigde den bloedigen twist te hebben begonnen door het vermoorden
van Burchards gezellen. De proost, in zijnen brief, betreurde diep wat
er voorgevallen was en drukte de vaste hoop uit dat de vorst, in zijne
wijsheid, uitspraak zou doen tusschen de beide vijanden, volgens rede en
recht, opdat verder bloedvergieten mocht worden voorkomen.
Dit schrijven deed den vorst wankelen. Ofschoon zeer trotsch van gemoed,
wist hij zich zelven genoeg te bedwingen. Daarenboven hield hij er aan
door het Vlaamsche volk als rechtvaardig te worden geacht. Ook kwam hij
allengs tot het besluit Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het
hooger ridderhof te dagen, en dus over dit schuldig verbreken van den
landsvrede in het openbaar een plechtig en onpartijdig vonnis te doen
vellen.
[Illustratie: "Het is Rambolds zuster." (Bladz 151)]
De Tancmars toonden zich bedroefd en ontevreden over dit besluit en
klaagden dat de graaf, in zijne overdrevene zucht tot rechtvaardigheid,
weigerde tusschen den schuldige en zijn slachtoffer eenig onderscheid te
maken. Het was list en veinzerij van hunnentwege; want zij wisten dat
zij, door zulke eerbiedige tegenstreving, den vorst in zijn genomen
besluit konden bevestigen. Zij waren wel overtuigd dat een rechtbank
die, als het ridderhof, geheel uit vijanden der Erembalds en der Kerels
was samengesteld, niets anders kon doen dan Burchard veroordeelen, hij
mocht dan al zijne wraakpleging kunnen verrechtvaardigen of niet.
Daarop werden naar Brugge en naar andere steden boden gezonden, dragers
van 's graven bevelbrieven, waarbij afgekondigd werd dat, vijf dagen
later, het hooge ridderhof onder het voorzitterschap des vorsten te
Yperen zou vergaderen, om Rambold Tancmar en Burchard Knap aangaande de
gepleegde moorderijen te hooren en te vonnissen.
De gestelde dag was nu verschenen; te twee uren namiddag zou te Yperen,
in de zaal op den Burg, de vorstelijke vierschaar worden geopend.
Volgens de gewoonte van dien tijd, zouden de bloedverwanten en
bijzonderste vrienden der beschudigden dezen ter vierschaar vergezellen,
hetzij om hen desnoods voor het gerecht te verdedigen, hetzij om, door
hunne tegenwoordigheid, te betuigen dat zij de achting veler lieden
genoten of tot eene machtige maagschap behoorden.
Zoo kwam het dat op dien dag, in den morgen, de Erembalds van Brugge,
ten getalle van wel dertig, omtrent Staden, op de baan naar Yperen
voorbijreden.
Zij hadden den nacht te Thorhout doorgebracht en waren laat genoeg te
paard gestegen om niet voor het bepaald uur te Yperen aan te komen.
Bertulf, de proost van St-Donaas, had het dus goedgevonden om reden dat
hij het oploopend gemoed van Burchard vreesde, en zooveel mogelijk hem
de aanraking met zijne vijanden, de Tancmars, wilde doen vermijden.
Wel is waar dat, door de dagvaarding voor 's vorsten rechtbank, er
tusschen de belanghebbenden en hunne vrienden een plechtige vrede was
gebannen, dien men op de doodstraf moest eerbiedigen; maar Burchard had
reeds zoovele blijken van ontembaarheid en van blinde gramschap gegeven,
dat de oude Bertulf alle vertrouwen in zijnen woesten neef had verloren.
Alhoewel de proost in den grond zijns harten bekende dat Rambold Tancmar
de eerste oorzaak der betreurlijke moorderijen was geweest en Burchard
eene wettige wraak had uitgeoefend, beschuldigde hij niettemin zijnen
neef van onvoorzichtigheid en wreedheid. Zulks was insgelijks het
gevoelen van Hacket, den kastelein, en van vele andere leden van hunne
maagschap.
Waarschijnlijk hadden zij gedurende hunne reis deze meening herhaalde
malen uitgedrukt; want nu waren zij sedert een uur opnieuw daarover in
een hevig gesprek met Burchard, wier onverduldigheid zooverre ging, dat
hij den proost en al wie zijne zienswijze deelde van lafheid durfde
beschuldigen.
Door eene strenge vermaning zijner ooms gekwetst, hield Burchard zijn
paard terug en betuigde in toornige woorden het inzicht voortaan op
eenigen afstand achteruit te blijven om zulke bewijzen van
kleinhartigheid niet meer te moeten hooren.
Nauwelijks was hij eenige oogenblikken alleen, of een ander ridder
vertraagde insgelijks den stap van zijn paard totdat hij zich terzijde
van Burchard bevond. Dan zeide hij met eene stem die versomberd scheen
door een diep gevoel van verontwaardiging:
"Het is om rood te worden van schaamte, bij elk woord dat ze ginder
spreken! Ha, mher Burchard, de Erembalds, behalve gij en een paar
anderen misschien, zijn geene Kerels meer!"
"Gij hebt wel gelijk, mher Disdir Vos", antwoordde Burchard. "Het leven
in de stad, het genot van hooge ambachten heeft hen bedorven. Zij
stellen de Romaansche voorzichtigheid boven de Germaansche koenheid."
"Gave God dat zij u geleken, Burchard, dan zouden de Isegrims het niet
durven bestaan de Kerels te hoonen of te bedreigen. Ik heb hier niet
veel te zeggen, dewijl ik geen Erembald ben en slechts naar Yperen ga
uit achting, ja, uit bewondering voor u; maar gij hebt gehoord hoe ik
evenwel uw recht tegen den proost verdedigde?"
"Ja, en ik ben er u dankbaar voor, het heeft mij verheugd omtrent mij
toch eenen Kerel te vinden die zich nog den mannelijken trots der
vaderen in het harte voelt."
Disdir Vos scheen eene wijl te overwegen.
"Het is pijnlijk zulk iets te moeten denken, Burchard", zeide hij, "maar
het zou mij niet verwonderen indien sommige Erembalds u op het oogenblik
van gevaar verzaakten en verlieten, om zich aan de zijde uwer vijanden
te schikken."
"Neen, neen, dit toch niet!" kreet Burchard, "uwe vrees is overdreven."
"Gij meent het?" wedervoer Disdir Vos, die ongetwijfeld met verborgen
inzicht den gramstorigen Kerel tegen zijne magen aanhitste. "Bemerkt gij
dan niet dat er reeds zekeren uwer naaste bloedverwanten van nu af u
verlaten?"
"Wie zou dit zijn?" vroeg Burchard verwonderd.
"Waarom is mher Sneloghe niet in uw gezelschap?"
"De proost heeft mij gezegd dat hij gisteren te Brugge moest blijven om
eene gewichtige zaak af te doen; maar dat hij heden evenwel intijds te
Yperen zal aankomen."
Disdir Vos schudde het hoofd met eenen scherpen spotlach op de lippen.
"Sa, Disdir", morde Burchard, "ik meende dat gij een vriend van Robrecht
waart, en gij beticht hem van ontrouw en lafheid! Wat doet u denken dat
hij niet zal komen?"
"God gave dat ik mij bedroge! Maar ziet gij niet, Burchard, hoe Robrecht
alle moeite aanwendt om door prachtige kleeding, door overdrevene
heuschheid en door verfijnde spreekwijze zelfs aan de leenheeren te
gelijken? Hij snakt om tusschen de Isegrims als een hunner te worden
aanvaard. Zal een echte Kerel kruipen en vleien, zooals hij gedaan
heeft, om de hand eener edele jonkvrouw te bekomen?"
"Bij Loki![44] gij zijt zinneloos, Disdir, en weet niet wat ge zegt!"
viel Burchard met ongeduld uit. "Robrecht zou de Isegrims vleien en voor
hen kruipen? Wat domheid toch! Ja, hij luistert te veel naar zijn oom;
maar, wees zeker, het Kerlenhart klopt hem op de goede plaats. Waren al
de Erembalds hem gelijk, er kwame spoedig een einde aan den overmoed
onzer vijanden. Het is mher Sneloghe niet die de hand van jonkver
Placida heeft gevraagd; het is zijn oom de proost. Zijne
huwelijksbelofte met Placida is verbroken. Hij gaat trouwen met Dakerlia
Wulf. Gij moet het weten."
"Eilaas, ja, ik weet het tot mijn ongeluk!" zuchtte Disdir. "Snode spot!
Robrecht had de wreedheid zelf mij zijn huwelijk met Dakerlia aan te
kondigen, ofschoon hij wist dat zulke tijding als een moordpriem mij
door het hart moest gaan."
"Versta ik wel? Gij insgelijks bemindet jonkver Wulf?"
"Ach, meer dan mijn leven!"
"Dan beklaag ik u, mijn arme Disdir. Het bij eene vrouw op mher Sneloghe
te winnen, dit hebt gij wel zeker nooit gehoopt?"
"Doemenis, doemenis! Robrecht heeft mij snood bedrogen", klaagde Disdir
Vos met versmachte woede. "Ik maak u rechter tusschen ons beiden,
Burchard. Oordeel of ik niet het slachtoffer eener hatelijke kuiperij
mij mag noemen. Het is reeds lang dat ik jonkver Wulf bemin. Zeker, zij
hadde mijne hulde aanvaard indien Robrecht mij dit geluk niet had
benijd. In alle geval, hij heeft, toen er spraak was van zijn huwelijk
met Placida, mij verklaard dat hij beslissend van Dakerlia's hand
afzag."
"Ik geloof het wel", bemerkte Burchard. "Men trouwt niet met twee
vrouwen te gelijk."
"Neen, zoo eenvoudig was zijne verklaring niet. Hij beloofde mij zelf
ten mijnen gunste bij Dakerlia te pleiten. Nu breekt hij, als een
valschaard, zijne plechtige belofte en vernietigt mijne levenshoop voor
altijd. Ho, beken het, Burchard, het is een wraakroepend verraad."
"De minnenijd berooft den mensch van zijn verstand, ik zie het",
schertste Burchard. "Wel, wel, mijn arme Disdir, het zijn dwaasheden die
gij uitkraamt, dunkt mij. Dakerlia Wulf is geen kind meer, en ik ken
haar genoeg om te weten dat zij, minder nog dan een man misschien, in de
beschikking over haar hart zich zou laten dwingen. Bemint zij u? Dit is
de vraag ... Gij antwoordt niet? Zij bemint dus Robrecht. Gij moet hare
beslissing eerbiedigen."
"Robrecht is een veinsaard; hij heeft mij laffelijk bedrogen; ik zal mij
wreken!" riep Disdir, knarsetandend van spijt en woede.
"Gij zult u wreken? op Robrecht?" herhaalde Burchard glimlachende. "Het
is uwe zaak, maar uit vriendschap tot u kan ik niet nalaten u van twee
dingen te verwittigen. Ten eerste, Robrecht is sterker dan gij en wordt
geroemd om zijne bedrevenheid in het behandelen der wapenen. Hij zal
geenen hoon verdragen. Ten tweede, hij wordt zoo algemeen geacht en
bemind dat, indien het u gelukte hem in eenen kamp te treffen, twintig
anderen u opvolgend zouden uitdagen. Ik zelf zou naar uw bloed moeten
staan. Gij begrijpt, het is alsof gij reeds dood waart ..."
"En toch zal ik mij wreken!" gromde Disdir Vos.
"Kom, kom, gij droomt. Uwe spijt zal bedaren. Wat onzin Gij zoudt u
wreken over een ongelijk dat niemand u aandoet. Overweeg toch: wie ter
wereld die eene vrouw bemint en zich door haar bemint weet zal deze
vrouw verzaken uit toegevendheid voor eenen anderen man? Zoudt gij het
doen? Waarom verlangt gij het dan van mher Sneloghe?"
Eene stem riep nu van de andere zijde der baan Burchard eenen goeden dag
toe.
"Doemenis, daar is hij!" zuchtte Disdir Vos bevend van angst of van
toorn.
Inderdaad, Robrecht en Dakerlia's vader reden hen voorbij, om den proost
en den kastelein, die vooruit waren, hunne groetenissen te brengen. Na
eene lange wijl de oogen met nijdigen blik op Robrecht te hebben
gehouden, zeide Disdir tot Burchard:
"Gij ziet wel hoe hij u ontwijkt. Nauwelijks gunt hij u eenen korten
groet, en vervordert zijnen weg, schier zonder u te bezien."
"Neen, neen", antwoordde Burchard, "ik ken Robrecht beter ... Daar keert
hij reeds zijn paard om tot ons te komen."
Mher Sneloghe naderde inderdaad tot Burchard, drukte hem de hand en
wisselde eenige woorden met hem over het geding dat ging geopend worden.
Hij drukte de vaste hoop uit dat Rambold Tancmar zou veroordeeld worden;
want, volgens zijn gevoelen, had Burchard niets gedaan dan eene wettige
wraak uitgeoefend. Wel was deze wraak bloedig geweest, maar wreeder toch
niet dan de onmenschelijke moord door Rambold op den kleinen Eric en op
de Kerels van Bethferkerke gepleegd.
Burchard zeide, spottende, dat hij naar Yperen ging om zijne ooms deze
bevrediging te geven; maar dat hij het deed met de vaste overtuiging dat
de ridders hem zouden veroordeelen. Welke rechtvaardigheid mocht een
Kerel toch verwachten in eene vierschaar die slechts samengesteld was
uit de heetste Isegrims, en voorgezeten door Karel van Denemarken, den
huichelenden en valschen vijand der Kerels en der Erembalds?
Disdir Vos scheen in gedachten verslonden en bemoeide zich met de
samenspraak niet.
Eene nauwe brug over eenen waterloop dwong hen welhaast hunne paarden
het eene achter het andere vooruit te laten stappen Deze omstandigheid
waarnemende, zeide Robrecht tot Disdir: "Ik wenschte wel een ogenblik
alleen met u te kunnen spreken, mher Vos. Verleen mij een kort
onderhoud, ik bid u."
"Onmiddellijk, als gij wilt", was het antwoord.
Nu kwam Burchard hen weder terzijde. Robrecht verzocht hem om
verschooning, zeggende dat hij met Disdir eene wijl achteruit zou
blijven, om met hem over iets bijzonders te kouten.
"Ik weet wel wat gij samen te verhandelen hebt", zeide Burchard
glimlachend. "Liefdezaken, uw huwelijk met Dakerlia, niet waar?"
"Hoe? Heeft mher Disdir u daarvan gesproken?"
"Ja, het schijnt dat hij wel gaarne in uwe plaats zou zijn."
"Is het zoo, dan behoef ik hem niet alleen te spreken, en gij moogt het
wel hooren, Burchard, wat ik hem te zeggen heb. Het zal kort zijn."
Hij wendde zich tot Disdir en zeide hem op kalmen, doch nadrukvollen
toon: "Mher Vos, ik heb u plechtiglijk mijn aanstaande huwelijk met
jonkver Wulf aangekondigd. Na onze woordenwisseling over deze zaak hebt
gij, in schijn ten minste, als vriend afscheid van mij genomen. Waarom
veinst gij nu te vergeten wat ik u heb gezegd?"
"Is het om dus hoonend mij te ondervragen dat gij mij alleen moest
onderhouden?" gromde Disdir. "Ik ben onbedreven in het oplossen van
raadsels."
"Welnu, ja, laat ons klaar zijn. Mher Vos, zoolang gij niet wist dat er
tusschen jonkver Wulf en mij eene huwelijksbelofte bestaat kondet gij u
vrij achten tot het aanwenden van pogingen om, ware het mogelijk, u door
Dakerlia te doen beminnen. Nu is u daartoe het recht benomen. Dakerlia
heeft mij geklaagd dat gij haar vervolgt, dat gij haar afspiedt als zij
ter kerke gaat of er van terugkeert, en dat gij, ondanks hare herhaalde
afwijzing, haar lastig valt met de betuigingen uwer liefde. Mij is het
nu een plicht geworden mijne bruid te doen eerbiedigen. Ik hoop, mher
Vos, dat deze weinige worden voldoende zullen zijn om u insgelijks uwen
plicht jegens Dakerlia en jegens mij te doen begrijpen."
"Wat wilt gij zeggen?" vroeg Disdir.
"Dat gij jonkver Dakerlia voortaan met vrede zult laten."
"Ik heb van niemand bevelen te ontvangen."
"Aldus, gij zijt voornemens voort te gaan met mijne bruid te hoonen?"
"Ik zal doen wat mij goeddunkt."
"Het zij dan zoo, vermits gij het verlangt", zeide Robrecht. "Mij spijt
het zeer eenen vriend dus toe te spreken, maar gij dwingt er mij toe.
Wordt er bloed tusschen ons gestort, het valle dan op u, mher Disdir.
Daar, aanvaard dit pand!"
En dit zeggende, bood Robrecht zijnen handschoen aan Disdir Vos. Deze
verbleekte en aanschouwde zijnen uitdager met scherpen blik.
"Gij aarzelt?" kreet Robrecht verbaasd.
Maar Burchard, die de weigering van Disdir gansch goedkeurde en hem
daarom uit de pijnlijke verlegenheid wilde redden, greep den handschoen.
"Hier is een misverstand; gij zult niet strijden!" riep hij.
"Maar weigert Disdir den aangeboden kamp? Ik moet het weten!"
"Bloed tusschen vrienden!" zuchtte mher Vos met eenen geveinsden afkeer.
"Voor een ongeluk waaraan het lot alleen schuld heeft ..."
"Kom, Robrecht, wees redelijk", viel Burchard in. "Dat Disdir droef en
spijtig is, zult gij hem daarom gaan haten? Indien Dakerlia u verstiet,
zoudt gij niet treuren?"
"Zeker, zeker", antwoordde Robrecht getroffen. "Dat Disdir belove mijne
bruid te eerbiedigen, en ik wil alles vergeten."
"Ik zal ze eerbiedigen", stamelde Disdir. "Deze verzekering hadde ik u
gewillig gegeven, hadde gij niet, op eenen kwetsenden toon van bevel,
mij ze hadt willen afdwingen. Ik ben ridder, ik ben ongelukkig, gij
behandelt mij zonder achting, zonder medelijden. Waart gij in mijne
plaats en ik in de uwe, wees zeker, ik zou beter dan gij toonen dat ik
gevoelig ben aan de wettige smart van eenen vriend."
Deze woorden, oprecht of geveinsd, hadden Disdir een pijnlijk geweld op
zich zelven gekost. Tranen glinsterden in zijne oogen; hij scheen
vernederd en beschaamd.
Mher Sneloghe, door deze teekens van diepe droefheid getroffen, reikte
hem de hand en zeide met minzaamheid in de stem:
"Nu, Disdir, het is een misverstaan, inderdaad. Laat ons vrienden
blijven. Geloof mij, had jonkver Wulf u hare genegenheid geschonken, ik
hadde hare beslissing geëerbiedigd. Evenals gij zou ik daarover getreurd
hebben; maar daarom toch zou ik u niet vijandig geworden zijn."
Zij drukten elkaar de hand. In Disdirs oogen fonkelde nog de nijd, en
zijne lippen waren scherp gesloten; maar Robrecht en Burchard meenden te
mogen denken dat deze zure uitdrukking slechts het gevolg was van het
geweld dat hij op zijn hart deed, om zoo beslissend eene lange hoop te
verzaken. Zij mistrouwden zijne oprechtheid niet en prezen hem
integendeel om zijn moedig besluit.
Robrecht verschoonde zich bij Burchard omdat hij niet langer zoo van de
anderen afgescheiden met hen kon blijven, aangezien hij
beleefdheidshalve zijne ooms en zijnen schoonvader gezelschap moest
houden. Hij dreef daarom zijn paard vooruit en begaf zich naar het hoofd
van den stoet.
Eenigen tijd daarna bereikten de Erembalds de stad Yperen.
Zij reden de Thorhoutsche poort binnen en namen hunnen intrek in de
groote afspanning de Gouden Liebaart, om eene wijl te rusten en hunne
kleederen van stof te zuiveren.
De stad Yperen, door zich zelve reeds volkrijk, had nog gansche benden
bezoekers van Veurne, Dixmude, Roesbrugge, Steenvoorde Poperinghe en
andere naastgelegene Ambachten ontvangen. Daarenboven, de gansche
hofhouding des graven, benevens een honderdtal ridders met hunne
talrijke wapenknechten, waren er dien morgen aangekomen, zoodat het in
de straten krielde van allerlei lieden, en de stad een voorkomen aanbood
alsof een leger er zich, te midden eener kermis, tot den oorlog
bereidde.
Naarmate het uur van het vorstelijk geding naderde, drong de menigte
meer en meer te zamen op het voorplein van den burg, om van de eene
zijde de Tancmars, en van de andere de Erembalds te zien voorbijgaan.
Hoezeer ook sommige Kerels of poorters lust hadden om een der beide
geslachten toe te juichen of uit te jouwen, en dus hunnen haat of hunne
genegenheid te betuigen, zij durfden het niet doen, omdat zulks door den
gebannen vrede was verboden, en de wapenlieden met uitgetogen zwaard
genoeg in machte daar stonden om de wet en des vorsten wil te doen
eerbiedigen.
Nauwelijks was het bepaalde uur verschenen of de trompers gingen rond en
daagden bij name Rambold Tancmar en Burchard Knap voor het hooger
ridderhof.
De geroepenen, door hunne bijzonderste bloedverwanten gevolgd, traden in
de groote zaal van den burg. Hun werden, elk langs eene zijde, banken
aangewezen, ten dien einde te midden der zaal gesteld.
De graaf zat op eene verhevenheid, onder eene soort van troon en achter
eene breede tafel, waar rondom de leden van het hof, de maarschalk en de
schrijvers plaats genomen hadden.
Al de leden van het hof waren vijanden der Erembalds, ten minste zij
stonden bekend als Isegrims, dit is te zeggen als zulke lieden die den
leenheeren alle macht en alle recht wilden toegekend zien, ten koste van
het recht en van de vrijheid der poorters en der Kerels.
Eenen enkelen ridder, den kastelein of burggraaf van Yperen, die nevens
den vorst zat, meende Burchard als eenen vriend en verdediger te mogen
beschouwen. Het was Willem van Loo, afstammeling der graven van
Vlaanderen, en die slechts na eenen ongelukkigen oorlog zich gedwongen
had gezien de kroon aan Karel van Denemarken af te staan. Hij alleen had
Burchard met een teeken des hoofds en eenen minzamen glimlach gegroet.
Zijne tegenwoordigheid tusschen de rechters verheugde de Erembalds,
ofschoon de proost Bertulf wel wist dat Willem van Loo eenen geheimen
wrok tegen hem had, omdat hij, in den oorlog voor de kroon, zich ten
voordeele van Karel van Denemarken had verklaard.
Nog werden de trompen aangeheven en eenige afkondigingen gedaan, waarna
de maarschalk, woordvoerder des vorsten, Rambold Tancmar als aanklager
opriep en hem vroeg waarover hij recht eischte.
Rambold verhaalde met berekende bedaardheid en geveinsde droefheid wat
er te Straten was geschied. De graaf had uit grootmoedigheid zijnen
raadsheer Tancmar eenige gronden, die de kroon toebehoorden, ter leen
geschonken. Burchard Knap had beweerd dat de graaf geen recht had om
over deze gronden te beschikken en had er zijne lieden op gesteld, om
Tancmar den eigendom er van met geweld van wapenen te betwisten.
Rambold, die door zijnen oom belast was geworden, gedurende zijne
tegenwoordigheid in het leger zijne goederen te Straten te bewaren en te
verdedigen, had zich verplicht gezien geweld tegen geweld te stellen en
Burchards lieden van den bedoelden grond te verjagen. Wat Burchard dan
had gedaan: hoe hij Tancmars lieden had neergehakt, hoe hij eene
edelgeborene maagd, eene onschuldige jonkvrouw had vermoord, hoe hij al
de lijken zijner slachtoffers en den burcht zei ven had verbrand, dit
wist iedereen. De droeve mare zijner gruwelijke gewelddaden had geheel
Vlaanderen met verontwaardiging vervuld; en uit alle burchten, uit elk
ridderlijk hart steeg eene stem op tot den troon om recht en om wraak.
Op den ijselijken dood zijner arme zuster wilde hij nu niet aandringen,
om den vorst niet pijnlijk te ontroeren en zelf niet in rouwtranen te
smelten. Hij putte sterkte en troost in de overtuiging dat de graaf
recht zou doen met al de strengheid die zulke voorbeeldelooze wreedheid
eischte.
Burchard, die met diepe aandacht de rede van zijnen vijand had
afgeluisterd, en bij elk woord had gevoeld hoe deze, door het verzwijgen
of verdraaien der omstandigheden, al de schuld hem op den hals poogde te
schuiven, wrong zijne vuisten, trappelde met de voeten en morde hoorbaar
vermaledijdingen tegen zijnen aanklager.
Bertulf en Hacket, zijne ooms, spanden alle moeite in om hem tot bedaren
te brengen; doch de stem van Rambold, die hij zoolang had moeten hooren,
was alleen toereikend geweest om zijn geduld te vernietigen en hem in
woede te doen ontvlammen.
Nu werd hij zelf opgeroepen en de maarschalk vroeg wat hij tegen
Rambolds aantijgingen in te brengen had.
Burchard trad met fierheid en zichtbaar toornig voor het hof.
"Wat die listige mensch u zegt is valsch, geheel valsch!" riep nij met
kracht. "De grond was mijn eigendom; ik heb hem geërfd van mijne moeder
zaliger. Men heeft u bedrogen, heer graaf. Haddet gij geweten dat de
weide en de boomgaard te Straten u niet toebehoorde, gij zoudt deze
goederen zeker niet weggeschonken hebben, want ook de vorst moet elks
recht eerbiedigen...."
Een afkeurend gemor, dat onder de Tancmars en zelfs onder eenige leden
der rechtbank opsteeg, onderbrak zijne rede.
Hij, daarover gekwetst, hief het hoofd met trotschheid op, stuurde
fonkelende blikken tot de bank zijner vijanden, en riep uit:
"Vleiers en valschaards zijn zij die alle mannelijke openhartigheid
terzijde stellen en hier durven beweren dat de vorst het recht bezit om
onrechtvaardig te zijn, daar de God des hemels zelf dit recht niet
heeft!"
Deze vermetele worden ontrukten al den ridders eenen kreet van
verontwaardiging; het gelaat des graven was versomberd door eene
uitdrukking van beklemden toorn.
Bertulf, de proost van St-Donaas, die het gevaar merkte, stond op en
naderde tot zijnen neef, met wien hij in stilte eenige haastige en
driftige woorden wisselde. Burchard keerde onwillig naar zijne plaats op
de bank terug. De oude Bertulf wendde zich met eene diepe buiging tot
het hof en zeide:
"Genadige heer graaf, en gij, heeren rechters, de beschuldigde gevoelt
wel dat hij, ondanks zijnen eerbied voor het hof, door ontsteltenis in
gevaar zou komen van dingen te zeggen welke hem niet zoo in het gemoed
liggen. Hij heeft mij, zijnen oom, aangesteld als zijnen woordvoerder,
en in deze hoedanigheid zal ik spreken, indien de vorst en de heeren
rechters gelieven mij aan te hooren."
Er werd over deze vraag eene wijl in stilte beraadslaagd. Vele rechters
getuigden door ontkennend schudden des hoof dat, dat zij van gedachte
waren den woordvoerder van Burchard niet te aanvaarden en deze te
dwingen zijne eigene verdediging voor te dragen. Dit was inderdaad een
onfeilbaar middel, niet alleen om hem te doen veroordeelen, maar tevens
om den graaf tot eene strenge en onmiddellijke straf pleging aan te
drijven. Maar Willem, de burggraaf van Yperen, deed den vorst begrijpen
dat men den beschuldigde de gewone middelen tot verdediging niet mocht
ontzeggen.
Men besliste dus dat men de vraag van den proost van St-Donaas zou
inwilligen.
De maarschalk stond op en riep:
"Onze genadige heer graaf en het hof stemmen er in toe den woordvoerder
van Burchard Knap te hooren. Dat hij spreke!"
"Heeren", begon Bertulf op zeer kalmen toon, "om te kunnen oordeelen wie
hier de ware plichtige is, hoeft men niet te onderzoeken wien de
boomgaard en de weide te Straten toebehoorden. Het is genoeg te weten
dat de heer graaf bevolen had dat men, tot zijnen terugkeer van den
oorlog, desaangaande alles zou laten in den toestand waarin het bij zijn
vertrek zich bevond. Wie heeft allereerst dit hoog bevel overtreden? Is
het niet Rambold Tancmar die nog onlangs dien grond met paalwerk deed
omsluiten? Heeft mijn neef iets gepleegd dat buiten zijn recht was, toen
hij de palen uitwierp en den grond in den staat herstelde waarin onze
genadige heer graaf had bevolen hem te laten?"
"Hij heeft er gewapende lieden op gezet en mijnen neef eene
oorlogsverklaring toegezonden", onderbrak de raadsheer Tancmar.
"Maar had mher Rambold niet reeds gewapenderhand de gezellen van mijnen
neef mishandeld en verjaagd?" wedervoer Bertulf. "Dan, tot dit oogenblik
was er nog niets geschied, dat de gewelddaden, die wij allen in het
diepste van ons hart betreuren, kon veroorzaken. Maar Rambold, den
landsvrede op eene bloedige wijze willende breken, is met macht van
wapenen op de gezellen van mijnen neef gevallen, heeft er een gedeelte
van vermoord, en dooden en gevangenen den rechtervoet afgehakt. Deze
voeten heeft hij in eenen korf gelegd en ze, in de proostdij te Brugge,
mijnen neef Burchard als een geschenk toegestuurd, den bode de
gruwelijke woorden in den mond leggende: 'Rambold Tancmar zendt Burchard
Knap deze vruchten van eenen nieuwen grond; hij hoopt dat het gezicht
daarvan hem zal verblijden.' In dezen korf vond mijn neef insgelijks den
voet van den zoon zijner zuster zaliger, een kind van veertien jaar, dat
hij beminde als het licht zijner oogen. Ik beroep mij op uw hart, heer
graaf, en ik spreek tot uw gemoed, heeren. Wat zoudt gij bij zulke
ijselijke wreedheid, bij zulken helschen spot hebben gedaan? Recht
geëischt bij onzen genadigen heer graaf, zult gij zeggen? Inderdaad,
maar vergeet niet dat mijn neef mensch is, en meer dan mensch zou moeten
zijn om bij zulken bloedigen hoon niet onder zijne wettige wraakzucht te
bezwijken."
"Het hof late mij toe eenige woorden tot terechtwijzing te spreken",
zeide de hofraadsheer Tancmar. "Zeker, hadde mijn neef Rambold de voeten
van mher Burchards lieden afgesneden zonder daartoe uitgedaagd te zijn
geworden, het ware eene onmenschelijke wreedheid en eene helsche spot
geweest, zooals de heer proost zegt. Maar hier valt aan te merken dat
Burchard Knap in het openbaar mijnen neef gedreigd had zulks aan zijne
lieden, ja, aan hem zelven te doen, indien iemand hunner den voet op den
betwisten grond durfde zetten."
"Wie dit gezegd heeft is een valschaard: hij liegt!" riep Burchard
rechtspringende.
Een strenge oogslag van den proost dwong hem echter weder tot stilte.
"Heeren, de wraak die mijn neef Burchard te Straten gepleegd heeft",
hernam Bertulf, "is wreed en bloedig geweest. Mij doet het pijn, ja, mij
grieft het diep dit te moeten bekennen. Maar was zij wreeder dan de
moorderij door Rambold vroeger aangericht, en welker ijselijkheid hij
zelfs niet onder den naam van wraak kan pogen te verminderen? Rambold
heeft de gezellen van mijnen neef vermoord en het kind zijner zuster van
het leven beroofd na het onmenschelijk te hebben verminkt. Burchard
heeft de lieden van Rambold vermoord, en in de woestheid der
wraakpleging heeft men Rambolds zuster insgelijks het leven benomen.
Wanneer men alleenlijk de daden beschouwt, dan zouden zij beiden even
plichtig zijn; want wat de tweede deed is de herhaling van wat de eerste
had gedaan. Evenwel, de rechters verzuimen nooit de oorzaak der dingen
te onderzoeken om te weten wie de stichter was van het kwaad en dus met
vrijen, onbelemmerden wil heeft gehandeld, niet om wraak te plegen, maar
uit enkele nijging tot vijandschap en tot wreedheid. Wie was hier de
eerste stichter van de afschuwelijke gewelddaden welke het geheele land
met ons betreurt? Uw antwoord kan niet twijfelachtig zijn, heeren
rechters. De overtuiging welke mijn neef, omdat hij niet gewoon is in
het openbaar te spreken, verkeerdelijk heeft uitgedrukt, ligt ook in
onze harten: Onze heer graaf kan niet onrechtvaardig zijn, omdat zijne
wijsheid, zijne grootmoedigheid en zijne vaderlijke bezorgdheid voor het
welzijn van zijn volk zulks onmogelijk maken. Daarom, wij berusten in
het recht onzer zaak en zien met vertrouwen een gunstig vonnis te
gemoet."
Rambold Tancmar hield daarop eene tegenrede; de proost van St-Donaas
antwoordde hem eene tweede maal; de hofraadsheer poogde nog van tijd tot
tijd door eene onderbreking zijnen neef behulpzaam te zijn; ook Burchard
riep nog twee- of driemaal dat de Tancmars wetens en willens logen; maar
al deze pleitredenen en woordenwisselingen brachten niets nieuws aan den
dag, en lieten de zaak zooals zij zich van den beginne had voorgedaan.
Op deze wijze liep het geding ten einde. De graaf en de leden van het
hof verlieten de zaal, om in een ander vertrek over het vonnis te
raadplegen.
Intusschen bleven de Tancmars en de Erembalds op hunne plaatsen zitten
en koutten met hunne vrienden, en berekenden de kansen eener gunstige
uitspraak.
Terwijl de meeste Erembalds den glimlach op de lippen hadden en luidop
spraken, fluisterden de Tancmars in stilte. De eersten, door de
welsprekendheid van Bertulfs pleitrede aangemoedigd, twijfelden niet aan
den goeden uitslag hunner zaak; de vrienden van Rambold vreesden
integendeel dat hij, als stichter en als eerste oorzaak van het kwaad,
zou worden veroordeeld. Wel hielden zij zich overtuigd dat de graaf de
Erembalds haatte en tegen de Kerels in het algemeen was verbitterd; maar
hij was zoo zonderling en zoo ondoorgrondelijk van gemoed. Daarenboven,
iedereen wist dat graaf Karel zijnen hoogmoed stelde in de faam van een
streng, doch rechvaardig vorst te zijn. Zou hij nu niet terugwijken voor
eene veroordeeling van Burchard, indien de welberekende pleitrede van
den proost hem deed vreezen dat zulke veroordeeling als een onrecht zou
worden aangezien?
Het hof bleef zeer lang in beraadslaging.
Naarmate de tijd verliep, groeide de hoop op eenen goeden uitslag onder
de Erembalds aan, omdat zij elkander moed inspraken en door allerlei
gunstige vooruitzichten Burchard poogden te bedaren.
De Tancmars, integendeel, door het gevoel van Rambolds plichtigheid
reeds in twijfel gebracht, verloren bij het gezicht der welgemoedheid
hunner vijanden bijna alle hoop.
De oude Bertulf, die de ridders als vijanden der Erembalds mistrouwde
en de mogelijkheid der veroordeeling zijns neefs in zijn gemoed erkende,
nam den tijd waar om Burchard tot het aanvaarden van het vonnis te
bereiden, hoe het ook mocht zijn. Hij deed hem begrijpen dat alle
opstand, alle oneerbiedig geschreeuw den graaf slechts kon verbitteren
en hunne zaak bederven. Hij bezwoer hem uit liefde, uit opoffering voor
zijn geslacht en voor Kerlingaland, met verduldigheid des vorsten
uitspraak aan te hooren en, al ware het slechts in schijn, zich er aan
te onderwerpen Hij verkreeg door welsprekendheid en door lang aandringen
zooveel op zijnen neef, dat deze beloofde zijnen raad te volgen.
Eindelijk verscheen weder het hof in de zaal. De graaf en de rechters
gingen tot hunne vorige plaatsen; de trompers hieven een kort geschal
aan; de jonge Frumold, als schrijver van het hof, kwam vooruit en las,
met luider stemme, terwijl de diepste stilte in de zaal heerschte, het
uitgesproken vonnis.
Dit stuk was zeer lang. Het verhaalde, tot in de minste bijzonderheden
al de feiten die zoowel door Rambold Tancmar als door Burchard Knap
waren gepleegd geworden, zonder dat men uit deze bloote beschrijving der
voorvallen kon opmaken wat het besluit van het vonnis kon zijn.
Ook luisterden de aanwezigen met overspannen aandacht en veler hart
popelde van vrees of van ongeduldige verwachting, totdat eindelijk een
zegevierende lach op de aangezichten der Tancmars verscheen en de oude
proost van St-Donaas, met eenen kreet van angst en medelijden, zijnen
neef omhelsde en hem, bij al wat hem duurbaar was, bezwoer zijne
verontwaardiging te bedwingen.
Burchard Knap was schuldig verklaard en veroordeeld; Rambold Tancmar
kwam er niet alleen gansch ongestraft van af, maar hem werd nog
daarenboven schadevergoeding toegekend!
Wel liet Burchard een versmacht gegrom hooren als van eenen getergden
leeuw, maar hij hield het hoofd gebogen en roerde zich niet, terwijl de
schrijver dus voortlas.
"Ten eerste, wij bevelen dat de burcht te Straten, ten koste van den
veroordeelden Burchard Knap, weder zal worden opgebouwd zooals hij te
voren was.
Ten tweede, wij bevelen, omdat de veroordeelde den landsvrede heeft
gebroken, dat zijn huis te Bethferkerke zal worden afgebrand en
vernietigd, hem verbiedend, op lijfstraffe, voortaan in het Ambacht van
Brugge eene woning op te richten of te hebben[45].
Ten derde, wij bevelen dat de veroordeelde Burchard Knap uit onzen Lande
van Vlaanderen blijve gebannen, gedurende den tijd van tien
achtereenvolgende jaren. Wij willen en bevelen dat hij, te beginnen van
heden met zonneondergang onze stad Yperen ontruime en voorts den grond
van ons graafschap na den derden dag, gevende al onzen ridders,
kasteleins, wapenlieden, poorters en laten recht en bevel hem aan den
lijve te gaan en hem te dooden, indien hij ooit, in miskenning van dit
ons vonnis, voor den gemelden tijd van tien jaren, binnen de palen van
ons graafschap zich durfde vertoonen."
Burchard, die tot dan, door zijne gemoedssterkte te overspannen zich had
kunnen bedwingen, sprong nu eensklaps recht en bief de dreigende vuist
tegen den graaf op, terwijl uit zijne borst onverstaanbare
vermaledijdingen opstegen: maar de proost, de kastelein, Robrecht,
Segher Wulf, Yorg Koevoet, Matfried Wezel en andere vrienden omringden
hem, biddend en smeekend, of omarmden en weerhielden hem met geweld.
Eindelijk rukten zij hem uit de zaal, terwijl de trompers de opheffing
der rechtbank verkondigden.
Hem omringende en het nieuwsgierige volk terugdrijvende, sleurden zij
hem met groote haast tot in de herberg de Gulden Liebaart, en brachten
hem hier in eene zaal waarvan zij de deuren toesloten.
Burchard, uitzinnig van woede over het schreeuwend onrecht dat, volgens
zijne meening, hem was aangedaan, bulderde van niets min dan van den
graaf en al de rechters die hem veroordeeld hadden te vermoorden en hun
de meineedige tong uit den mond te rukken.
Disdir Vos gaf hem gelijk en ging zelfs nog verder: hij was van gedachte
dat men den nacht moest afwachten en het vuur aan de vier hoeken van den
burg steken, om den graaf en de hatelijke Isegrims, die hem het onrecht
geraden hadden, te verbranden en onder de puinen van den burg te
begraven.
Alhoewel van zulke gewelddaden niet sprekende, beklaagde Robrecht
Sneloghe met ware deelneming het onrechtvaardig vonnis en drukte de
meening uit dat het waarlijk tijd was om geweld tegen geweld te stellen,
wilde men niet door de Isegrims zelven worden aangezien als lafaards,
die men zonder vrees van tegenstand mag vervolgen en verdrukken.
Segher Wulf sprak in denzelfden zin, en was zeer verbolgen over eene
veroordeeling welke hij aanschouwde als eene daad van wraakroepende
dwingelandij.
De oude Bertulf riep zijne overheid in, als hoofd der Erembalds, om zich
te doen aanhooren, en wendde al zijne welsprekendheid aan om zijnen neef
en de anderen tot eene kalme overweging van hunnen toestand te brengen.
Volgens hem had men door kuiperijen en bedrog den graaf verrast en hem
dit onbegrijpelijk vonnis doen bezegelen. Men moest de gemoederen
slechts tijd geven om een weinig te bedaren, en door onderwerping den
vorst laten gelooven dat men zijne besluiten wilde eerbiedigen. Hij,
proost van St-Donaas, zou persoonlijke pogingen bij het hof doen. De
graaf zou voor eenige dagen te Brugge komen verblijven; dan konden de
Erembalds en hunne vrienden bijna dagelijks den vorst naderen. Men mocht
de hoop voeden, men mocht bijna zeker zijn dat de graaf de
ongerechtigheid van zijn vonnis zou erkennen en het zou herroepen.
Burchard viel in nieuwe wraakreten uit, beschuldigde zijne ooms van
lafheid en riep dat hij niemands hulp noodig had om de Kerels te wapen
te doen loopen. Men zou het wel zien eer acht dagen voorbij waren, hoe
de burchten der Isegrims over geheel Kerlingaland in vuur en vlam zouden
staan, en hoe de kroon, welke de graaf slechts droeg om onrecht te
plegen, hem van het hoofd zou worden gerukt.
Maar de proost verloor zijn geduld niet en zette onverstoord zijne
bedarende rede voort. Hij deed elk begrijpen dat men niet om het kwaad
dat een enkel persoon werd aangedaan, het geheele Kerlingaland tot een
bloedbad mocht maken, niet alleenlijk omdat zulks in zich zelven eene
onrechtvaardigheid was, maar bovenal omdat de wetten der Gilden
verboden iets gewichtigs te ondernemen zonder eerst hunne
vertegenwoordigers te hebben geraadpleegd. Binnen drie weken zou te
Veurne de jaarlijksche _Hoop_ der Gilden van Kerlingaland te zamen
komen. Gunstiger omstandigheid kon zich niet voordoen. Men zou in de
Hoop kennis geven van het gebeurde en van den ergen toestand der zaken,
en dan, na rijp beraad, de afgevaardigden laten oordeelen wat de Kerels
behoorden te doen. Besliste men daar tot den opstand en tot den oorlog,
welnu de proost, de kastelein en alwie het met hem hield, zouden de
besluiten van den Hoop aanvaarden en ze helpen uitvoeren, ten koste van
goed en bloed. Burchard kon in afwachting eene schuilplaats bij zijnen
vader te Rodenburg vinden. Niemand zou hem daar durven opzoeken en veel
min vervolgen. Hij, de proost, zijn oom, zou hem nu en dan gaan bezoeken
om hem kennis van den gang der zaken te brengen.
Eindelijk door de vereenigde pogingen zijner magen en vrienden
overwonnen, of eerder vermoeid van hen tegen te spreken, scheen Burchard
eenigszins gestild en stemde er in toe, dewijl het daglicht verzwakte,
met hen Yperen te verlaten, volgens het bevel des graven.
Men hoorde de opgezadelde paarden in de straat trappelen en hinniken, en
reeds opende de proost de deur om de zaal te verlaten, toen een ridder
binnentrad en, recht tot Burchard gaande, hem met een woord van troost
de hand drukte.
"Mher Willem Van Loo, burggraaf van Yperen, wilt gij graaf van
Vlaanderen zijn?" riep Burchard.
"Ik graaf van Vlaanderen?" stamelde Willem verwonderd.
"Zijt gij niet de wettige erfgenaam onzer vorsten?" vroeg Burchard, zeer
aangejaagd en als door eene hevige blijdschap ontroerd. "Heeft niet deze
Karel van Denemarken u de kroon ontroofd?"
Willem van Yperen deed een teeken dat men de deur der zaal zou sluiten;
dan zeide hij tot Burchard:
"Mher Knap, spreek toch hier van zulke dingen niet. De graaf is in
Yperen met vele ridders en wapenlieden; hij kan met u doen wat hij wil.
Zeker, indien men het recht had geëerbiedigd, zou ik nu op den
grafelijken troon zitten en zulke ongehoorde wetsverkrachting, als wij
heden hebben bijgewoond, zou op Vlaanderens grond niet geschieden; maar
het lot heeft zich tegen mij verklaard en ik heb mij gebogen onder het
geweld der wapenen ..."
"De tijden zijn veranderd", viel Burchard ongeduldig in zijne rede. "De
maat der ongerechtigheid is vol. Wilt gij graaf van Vlaanderen zijn,
mher Willem? Zeg één woord!"
"Eilaas, wie kan mij mijn erfdeel terugschenken?" zuchtte Willem Van Loo
met een moedeloozen glimlach.
"Wie? Ik!" riep Burchard.
"Maar welke middelen meent gij te hebben?"
"Ha, dit is mijn geheim", morde Burchard, zich met de vuist op het
voorhoofd slaande.
"Kom, kom, dit zijn droomen, onmogelijke droomen", zeide Willem. "Ik ben
u dankbaar voor uwen goeden wil ten mijnen opzichte; maar, gekwetst en
verbitterd als gij nu zijt acht gij mogelijk wat geheel onmogelijk is."
De proost had reeds tusschen deze zonderlinge samenspraak eenige
bemerkingen geworpen, om te doen gevoelen hoe zinneloos en hoe
gevaarlijk zulke bedreigingen tegen den vorst waren, en hij drong weder
met kracht op het vertrek aan. De zon zou welhaast onder den
gezichteinder wegzinken, en wie kon verzekeren dat niet de eene of
andere ridder of dienaar des graven op het leven van Burchard zou
toeleggen, aangezien het gevelde vonnis zulks iedereen ten plichte
maakte?
Allen verlieten op zijnen raad de zaal en gingen buiten de herberg.
Willem van Yperen had Burchard gevolgd.
Op het oogenblik dat deze te paard zou steigen, neigde hij zich naar
mher Willem en fluisterde aan zijn oor:
"Burggraaf, wij zien elkander spoedig weder."
"Maar gij zijt gebannen!" bemerkte de andere, niet zonder
verschriktheid. "Ik mag u niet onder mijn dak onthalen."
"Als de graaf vertrokken is. Des nachts. Vrees niet. Ik heb gewichtige
zaken u mede te deelen: uw geluk en onze vrijheid hangen er van af."
En na het uitspreken dezer woorden sprong hij te paard en volgde de
andere Erembalds die reeds vooruit waren, als hadden zij groote haast om
de poort te bereiken en de stad te verlaten.