Ten zuiden en ten oosten van Brugge was het land weleer gansch overdekt
geweest met een enkel oorspronkelijk woud, slechts hier en daar
onderbroken door zandige moerassen en turfachtige poelen.
Een taaie, werkzame volkstam had voor eeuwen bezit van dien verlaten
grond genomen, vele bosschen uitgeroeid en tot vruchtbare akkers
herschapen, de lage boorden der beken van alle houtgewas gezuiverd, de
staande wateren door dijken en grachten afwatering bezorgd en zoo, door
geduld en arbeid, de woestijn gedwongen tot het voeden van talrijke
bewoners.
De reizende koopman, die het waagde in het gunstige jaargetijde deze
streken te doorloopen, keek verwonderd op, wanner hij eensklaps, in den
schoot van het bosch zelf, of langs de grasrijke boorden der beken een
ontelbaar hoornvee of groote kudden schapen ganzen en zwijnen zag
grazen.
Zoo werd de grond bebouwd tot aan den voet der eeuwenheugende wouden,
overal waar het zonnelicht eene vlakte kon beschijnen. Alles was
benuttigd: de waterloopen tot het bewegen van molens, de poelen tot het
kweeken van visch, de bosschen tot het hakken van brand- en timmerhout,
ja, de moerassen zelve tot het baggeren van derring of turf.
Het bedrijvige volk, dat deze wonderen had gewrocht, woonde niet in
dorpen; zijne huizen of hutten stonden eenzaam en als bij geval gezaaid
langs de beken of de boorden der bosschen. Enkele zelfs waren verdoken
in het diepste van het woud.
Hierom noemden de lieden van meer vlakke gewesten deze uitroeiers der
bosschen de Houtkerels[37].
Weinig in aanraking komende met de poorters der steden of met
vreemdelingen, hadden de Houtkerels meer nog dan de overige bewoners van
Kerlingaland hunne voorvaderlijke gewoonten schier onveranderd behouden.
Alhoewel zij Christenen waren en des Zondags in de naastgelegen dorp ter
misse gingen, oefenden zij nog vele gebruiken die klaarblijkend
heidensch waren, en vermengden dus, soms zonder het te weten, de
plechtigheden van den Christenen-godsdienst met de overblijfselen der
vroegere vereering van Wodan, Thor en Freya.
Dewijl zij niet gaarne in de dorpen of steden zich begaven en zeer
verspreid leefden, zouden zij, bij gebrek aan middelpunt, weinig verkeer
met elkanderen gehad hebben; maar daarin waren zij voorzien.
Al de bewoners eener beperkte streek vormden eene gemeente welke zij
_Minne_ noemden, dat is _vriendschap_[38].
In het midden dezer Minne, dikwijls bij eenen waterloop, stond een
groot huis, bewoond door eenen bierbrouwer, waarnevens eene zeer wijde
schuur was getimmerd, die men _zale_ of _zele_ heette. Hier hielden zij
hunne vergaderingen van allen aard. Men koos er, bij meerderheid van
stemmen, de Keurmans of bestierders en rechters; men beraadslaagde er
over de gemeene zaken, men bracht er zijnen jaar- of maandpenning in den
Gildenschat, men vierde er doopen, huwelijken en uitvaarten.
Voor de deur, te midden van een grasplein, stond de hooge wip, om met
hand- of kruisboog naar den gaai te schieten.
Een weinig terzijde, tusschen eene groene haag, die eenen halven kring
vormde, kon men vier zodenbanken zien. Dit was de plaats waar de
Keurmans, volgens oud Germaansch gebruik, de misdadigers veroordeelden
of boeten uitspraken tegen degenen die de wet van het Gilde of der Minne
hadden overtreden; en dewijl eene bank bij hen den naam van _scarne_
droeg, noemden zij dit rechtsbeluik _vierscarne_ of vierschaar[39].
Onder deze Houtkerels waren geene onvrije menschen; allen waren gelijk,
met dit eenige onderscheid dat men eigenaar van eenen akker moest zijn
om stemrecht in de vergaderingen te hebben. Om deze reden zelve was de
grond zeer verdeeld, en bijna ieder weerbaar man bezat er in vollen
eigendom een gedeelte lands.
Tusschen Zedelghem en Aartryke stond zulke groote brouwerij, die de naam
van Krekaarzele droeg.
Op zekeren avond waren vele Houtkerels daar vergaderd tot het vieren van
een huwelijk. De groote schuur was er geheel opgevuld met mannen van
allerlei ouderdom, met vrouwen en kinderen. Hier en daar hingen steenen
lampen, uit welker dikke lemmers, zwemmende te midden van drabbige olie,
het roet in smookige kronkels opklom. Langs de wanden liep een houten
bank, waarboven een schab of berd vooruitstak, om er de stoopen en
drinkkannen op te zetten.
Al de lieden die hier tegenwoordig waren droegen hunne beste
feestkleederen. De mannen hadden voor deze omstandigheid hunne lange
baarden zorgvuldig gewasschen, gekamd en geglimd; de vrouwen en meisjes
hadden zich vol goud en zilver gehangen.
De bruid herkende men aan haar wit gewaad, dat zacht en sneeuwig
uitloste op al het blauw dat haar omringde; daarenboven terwijl bij de
ongehuwde meisjes het haar tot op den rug nederviel, had de bruid, ten
teeken dat zij geene dochter meer was, het haar zeer gekort. Zij droeg
eene kroon van wit gebloemte; hare jonge gezellinnen hadden integendeel
hunne vlottende haren met eenen groenen krans van maagdenpalm[40]
bevestigd.
Aan de eene einde der zaal, op eene tafel, zaten drie speellieden: twee
doedelpijpers[41] en een bommelaar.
Een dans was geëindigd: men genoot een oogenblik rust. Gasten en
speellieden hijgden naar hunnen adem. Jonge gezellen liepen met groote
stoopen door de schuur en vulden alle kannen met schuimend gerstebier.
Maar nauwelijks had elk zijnen dorst door eenen teug gelescht, of de
doedelpijpers en de bommelaar begonnen een aanjagend deuntje, en gaven
dus het sein tot nieuw vermaak.
Al de aanwezigen sprongen recht, liepen bij paren te midden der zaal en
begonnen te dansen, te wiegelen en te draaien met zulke snelheid dat het
gezicht van dit driftig gewoel eenen koelen aanschouwer het hoofd
duizelig zou gemaakt hebben. Evenwel was er zekere orde in dezen woesten
dans. Bij tusschenpoozen hielden al de paren stil op eenen vasteren slag
der maat, om oogenblikkelijk weder met vernieuwde kracht dooreen te
springen en te zwieren ... Men lachte, men juichte, men zong; en zelfs
de kinderen huppelden dooreen aan het einde der schuur, even vroolijk en
even uitgelaten als hunne ouders ...
De dansers hadden tusschen al het gerucht der doedelzakken en der bommel
niet gehoord dat een dravend paard voor de deur van het huis had
stilgehouden ... maar nu klonk, eensklaps, boven het geluid der
speeltuigen en boven de galmen hunner vroolijkheid, een machtige stem
en de kwaad voorspellende roep: "Harop! Harop!" die aan elk het
voorgevoel gaf van een onverwacht gevaar.
De dans hield op; de mannen sprongen naar hunne zwaarden, die zij hier
en daar op de houten bank hadden neergelegd; de vrouwen slaakten een
angstgeschreeuw, de kinderen liepen te hoop in eenen hoek; maar allen
hielden het oog naar de deur, waar nu een hoogstaltig man zich
vertoonde. Bij zijne verschijning riep elkeen met verwondering:
"Mher Burchard Knap!"
Velen gingen naar hem toe om te vernemen waarom hij zoo onverwachts
hunne hulp eischte; maar hij deed een teeken met de hand dat hij spreken
wilde, stapte dan te midden der zaal, haalde uit zijne tasch eenen
kleinen menschenvoet waaraan nog bloed kleefde en toonde dien met eenen
pijnlijken spotlach op de lippen. Hij meende te spreken, doch de tranen
borsten hem uit de oogen.
Velen der omstanders waren bij het gezicht van den bebloeden voet
teruggeweken; doch de smart van Burchard, wiens sterkmoedigheid zij
kenden, deed hun voorgevoelen dat hem een groot ongeluk moest gebeurd
zijn. Meer tot hem naderende, ondervroegen zij hem, ongeduldig en reeds
in toorn ontvlammende.
Burchard, door eene geweldige beweging der hand, wreef de tranen uit
zijne oogen en zeide hun op heeschen toon:
"Gezellen, ik ben doodelijk in het hart getroffen. Gij kent Eric, het
schoone kind dat mij somtijds hier ter jacht vergezelde. Hoe dikwijls
heeft hij de warme melk onder uw gastvrij dak gedronken! Gij hadt hem
lief om zijne geestigheid. Ik beminde hem als mijnen zoon, niet slechts
omdat hij het kind mijner zuster zaliger was, maar bovenal omdat het
Kerlenbloed zoo zuiver door zijne aderen vloeide en er uit hem een
wondersterke man moest groeien. Eilaas, mijn arme Eric! hij is dood, dit
is zijn voet!"
"Dood!" riepen al de omstanders.
"De kleine Eric dood!" klaagden de vrouwen met opgeheven armen.
"Wie? wie?" gromden de mannen.
"De Isegrims!" antwoordde Burchard.
Gedurende eene wijle tijds zag men niets dan vuisten wringen en zwaarden
opsteken, hoorde men niets dan wraakkreten en knarsing der tanden. Maar
Burchard verhief de stem en zeide:
"Vrienden, gij hebt meer dan eens mij uwe hulp aangeboden; die hulp kom
ik nu eischen, niet alleen van u, maar van al de Houtkerels die tot onze
Gilde van Krekaarzele behooren. Dat degenen die last van vrouw of
kinderen hebben te huis blijven; jonge mannen zoek ik, en die zijn er
genoeg. Gaat nu naar huis, wekt onderwege de Kerels en zendt ze
herwaarts. Zegt hun dat zij hunne korenwannen medebrengen. De Isegrims,
die mijnen armen Eric vermoord hebben, wonen op eenen sterken burcht.
Dit nest moeten wij bestormen om er het wolvengebroed in te verpletten.
Ladders en boomen, tot beukrammen, zullen wij ginder gereed vinden.
Haast u; wie zich lust gevoelt keere hier weder. Wij gaan het noodvuur
opsteken en den hoorn blazen. Tot straks, gezellen!"
Door al de bijzijnde lieden gevolgd, stapte hij buiten de schuur. Hier
verspreidden zich de Kerels met hunne vrouwen en kinderen door
verschillige wegen. Men hoorde reeds in de bosschen den diepen,
klagenden toon van den noodhoorn hergalmen.
Burchard naderde tot de wip, die men had neergehaald. Drie of vier jonge
mannen waren bezig met aan de ijzeren stangen groote vlokken kemp te
hechten, die vroeger reeds in gesmolten harst waren gedoopt geworden.
"Nog niet vaardig, Wijgbert?" vroeg Burchard.
"Het gaat zoo spoedig niet", was het antwoord. "Om het wel te doen, moet
men wat tijd gebruiken; maar wees gerust, mher Knap; als onze Houtkerels
dit noodvuur zoo hoog in de lucht zien vlammen, zullen ze welhaast hier
zijn."
"Luister, Wijgbert", zeide Burchard, "ik bezwijk schier van
vermoeidheid; de smart heeft mij mijne krachten benomen. Ik moet wat
rusten. Verzoek onze gezellen in de schuur te gaan; doe hun te drinken
geven naar hunnen lust, en kom mij roepen wanneer zij in genoegzaam
getal te zamen zijn."
Hij richtte zich naar het huis en trad in de woonkamer, waar hij zich op
eenen stoel liet nederzakken.
Niemand bevond zich hier dan des brouwers vrouw met drie kinderen, die
bezig waren eene soort van melkpap uit eenen aarden schotel te eten.
De vrouw, die reeds bij de komst van Burchard uit zijnen mond den
wreeden dood van den jongen Eric had vernomen, wilde hem nu eenige
woorden van troost toesturen, doch daar zij zag dat hij ongaarne
antwoordde, stoorde zij hem in zijne zwaarmoedigheid niet meer.
Zij wendde zich tot hare kinderen, die gedaan hadden met eten en zeide:
"Nu, kinderen, vergeet den Drolle niet. Gij moet gaan slapen."
Een der kinderen nam eenen lepel pap en stortte dien bij druppelen ten
gronde in eenen hoek van den schoorsteen waar, op mannenhoogte, in den
muur eene kleine holte als een kapelleken was uitgespaard. Nu stond daar
een Lieve-Vrouwebeeldje, maar het was in vroeger tijd waarschijnlijk de
plaats geweest der heidensche huisgoden, want de vrouw zeide tot de
kinderen:
"Nu zal de Drolle u geen kwaad doen of uwen slaap storen. Bidt nu ook uw
avondgebed."
De kinderen maakten het teeken des kruises en prevelden zeer godvruchtig
het Vader-ons, waarna ze door hunne moeder uit de kamer werden geleid.
Toen de vrouw wederkwam, scheen Burchard een weinig van zijne
vermoeidheid hersteld.
"Vrouw Moerinck", vroeg hij, "waar is uw man?"
"Hij is met den noodhoorn uitgereden, op den weg van Eeneghem om de
Kerels te wekken", antwoordde zij. "Hij moest reeds terug zijn."
"En uw vader, de oude Balderic Wisman?"
"Ja, die loopt altijd in de bosschen, bij het minste dat er voorvalt. Ik
hoor hem hoesten, meen ik. Daar is hij."
Een zeer oud man, met eenen langen witten baard, trad binnen. Hij
naderde tot Burchard, zette zich op eenen stoel nevens hem, en zeide:
"Men heeft beelden van heiligen of van Christen-martelaars aan al onze
wijboomen gehangen, en dus de goden onzer vaderen verjaagd; maar ik weet
nog eenen boom, eenen eik, die gespaard is gebleven. Het is de boom van
Thor, den machtigen God der wraak. Ik heb hem de wreedheid en de
boosheid der Isegrims geklaagd. Hij zal u bijstaan en u de overwinning
geven."
"Gij meent het, Balderik?" mompelde Burchard met eenen glim van
ongeloof.
"Ik ben er zeker van. Wilt gij dat ik de Runen[42] voor u werpe?"
Burchard haalde de schouders op; maar de grijsaard, die ontevreden
scheen over zijn twijfel, stond op en nam eenen lijnwaden zak uit eene
kas. Hij keerde terug, schudde den zak en stortte op de tafel een zeker
getal kleine houten stokjes, in ieder derwelke een zonderling teeken was
gesneden.
"Zie, zie", riep hij, "of het lot u niet gunstig is!"
Op dit oogenblik trad de brouwer binnen. Hij was een man van ongeveer
veertig jaar, tamelijk zwaarlijvig en hooggekleurd van wangen.
"Zijt gij weder bezig, grootvader, met die oude bijgeloovigheden?"
schertste hij. "Kom, kom, doe uwe stokjes weg. Zij zullen den zwakken of
lafhartigen de zegepraal niet geven: de beste Runnen zijne sterke leden
en mannelijken moed ... Mher Burchard, ik moet u melden dat er in de
schuur wel vijftig of zestig Kerels reeds vergaderd zijn. Zij gloeien
allen van wraakzucht; want zij vertellen elkander den ongelukkigen dood
van Eric, dien iedereen hier liefhad. Elstrunc en Everslag, onze
Keurmans en uwe goede vrienden, willen u volgen en zullen u te paard
vergezellen. Hoort het gerucht. Het krielt daarbinnen van Kerels. Nu zal
het wel tijd zijn om te vertrekken, meen ik."
Burchard stond op en begaf zich naar de schuur, die gansch opgevuld was
met mannen, meest langgebaard, waartusschen evenwel ook jongelieden zich
bevonden, wier kin nauwelijks door eenige donzige haren was beschaduwd.
Het grootste getal was voorzien van eenen zwaren kruisboog, eenigen
droegen lange handbogen. Volgens de aanbeveling die hun was gedaan
geworden hadden zij hunne dorschwannen medegebracht, om zich daarvan
als van beukelaars of schilden bij de bestorming van eenen burcht te
bedienen. Allen zonder uitzondering voerden aan de linkerzijde een groot
krom zwaard, de scherpsnijdende schermzeis.
Burchard blikte in het ronde, drukte eenigen zijner bijzondere vrienden
de hand, en sprak dan met luider stemme:
"Gezellen, men heeft u gemeld, niet waar, dat ik u den noodkreet van
_Harop_ heb toegericht, opdat gij mij den dood van den armen Eric helpt
wreken. Tegen de Isegrims, der Kerlen bloedvijanden trekken wij ten
strijde. Het is Rambold, de neef van den hofraadsheer Tancmar, die niet
alleen het kind mijner zuster heeft vermoord, maar daarbij nog een
tiental vrije Kerels. Hij woont nu op den burcht te Straten, en verwacht
zich waarschijnlijk niet aan onze komst. Hoe het zij, moet er bloed
vlieten, wij zullen het geven en hier niet terugkeeren zoolang er een
steen van het vermaledijde Isegrimsnest rechtstaat."
"Wij zullen het afbranden en verdelgen tot in den grond!" kreten de
Kerels, hunne wapens in de hoogte zwaaiend.
"Welaan, gezellen", zeide Burchard, "reizen wij in stilte; pogen wij
onze vijanden te verrassen. Onverwachts, als de pletterende slag van
Thors hamer, treffe hen onze wraak!"
"Wie moeten wij sparen?" vroeg een jongeling.
"Sparen? Hebben zij een arm, onschuldig kind gespaard?"
"Niemand! niemand!" kreten de gezellen.
"Rambold Tancmar bovenal mag ons niet ontsnappen", bevestigde Burchard.
"Indien hij eenen zoon had! Maar hij heeft geene kinderen. Vooruit nu,
gezellen! vooruit naar den burcht te Straten. Het is bijna twee uren van
hier. Wij zullen niet te haastig gaan, om onze krachten tot den storm te
sparen."
De Kerels traden allen buiten de schuur, hingen de korenwannen aan
lederen riemkens op hunnen rug en schikten zich in zekere orde. Burchard
en de twee Keurmans sprongen te paard,--en de bende, wel honderd sterk,
begaf zich door de duisternis op weg.
Langen tijd liep de baan door dichte bosschen, en konden de Kerels
moeilijk te zamen blijven; maar eindelijk geraakten zij in het vlakke
veld op eene breede zandige straat.
Hier reden de twee Keurmans zonder beletsel aan Burchards zijde, en
vroegen hem eenige nauwere bijzonderheden over het gebeurde.
Hij gaf hun de volgende uitlegging:
"Mij behoort te Straten, als deelmakende van mijne moederlijke erfenis,
een boomgaard en eene paarden weide. Onze graaf, als naar gewoonte door
de Isegrims tot het vergeten van het recht der vrije Kerels aangedreven,
heeft dien grond, mijn eigendom, aan Tancmar Van Straten in leen
geschonken. Ik heb natuurlijk mij tegen zulke berooving willen verzetten
met woorden en met geweld. Maar toen de graaf naar Frankrijk ten oorlog
zou trekken, heeft hij, zooals gij weet, eenen algemeenen landsvrede
afgekondigd en mijne ooms, de proost van St-Donaas en den kastelein van
Brugge, in het bijzonder verantwoordelijk gemaakt voor het behoud van
dien vrede. Op hun verzoek heb ik toegestemd den bedoelden grond
ongebruikt te laten totdat de graaf, bij zijne terugkomst, over den
twist kon oordeelen en zijne onrechtvaardige gift herroepen. Maar de
Tancmars, die niets zoeken dan de Kerels tot geweld aan te hitsen, om ze
dus bij den graaf gehaat te maken, hebben den vrede niet geëerbiedigd en
mij dagelijks met zooveel boosheid getergd en vernederd, dat ik
eindelijk, bij die laffe verduldigheid, mij zelven begon te verachten.
Nu laatst, na vele andere uitdagingen, hadden zij mijnen grond met
paalwerk omsloten en mijne gezellen mishandeld. Ik heb het paalwerk
omverre geworpen en een twintigtal gewapende mannen op den grond gezet,
om hem te bewaken. Rambold Tancmar heeft eenige dagen zich stilgehouden,
alsof hij van alle verdere aanspraak op mijn eigendom hadde afgezien.
Maar hij is eensklaps met groote macht verschenen, heeft mijne gezellen
overrompeld,--en gekwetsten en gevangenen den rechtervoet doen afhakken,
om mij deze bloedige teekens zijner wreedheid ten geschenke te zenden
... Helsche uitvinding! Wist hij dan, de afschuwelijke moordenaar, dat
ik al mijne genegenheid, al mijne hoop op het kind mijner zuster had
verzameld? Eilaas, de lieve, zoete Eric! Hoe kan ik hem en mijne doode
gezellen wreken?"
"Wij zullen doen wat Rambold heeft gedaan", gromde een Keurman. "Hun de
voeten afsnijden en ze den hofraadsheer Tancmar toezenden, al bevond de
hatelijke Isegrim zich ook met den graaf."
"Neen, neen", zeide de andere knarsetandende, "wij zullen ze altemaal
binnen den burcht op eenen hoop leggen, ze doormengen met stroo en hout
op zulke wijze, dat ze tot pulver verteerd worden in den brandenden
gloed. De puinen van den burcht zullen nederstortend hunne asch
verstrooien of begraven, en zoo zal zelfs geene gedachtenis van die
snoode Isegrims meer overblijven."
"Maar Rambold, Rambold!" morde Burchard. "Zijnen rechtervoet moet ik
hebben: zijn oom de raadsheer wacht mijn geschenk ..."
En dus tegen de Isegrims bulderende en elkander tot eene bloedige wraak
aanmanende, geraakten zij eindelijk in de nabijheid van Bethferkerke.
Hier steeg Burchard met de Keurmans af en deed de Kerels stilhouden. De
paarden werden toevertrouwd aan gezellen, die ze door het Frinte-bosch
moesten leiden.
"Volgt mij nu, een voor een, en op zekeren afstand, vrienden", zeide
Burchard. "Weest zeer stil; en waar men u zou kunnen zien, buigt u of
stapt verborgen in het kreupelhout. Hier omtrent staan hofsteden en
hutten van Tancmars lieden. Indien men onze tegenwoordigheid op deze
baan bemerkte, zouden de wachten van den burcht onmiddellijk verwittigd
worden. Volgt mij voorzichtig en langzaam."
Door de duisternis slopen al deze mannen achter elkander voort, de
schaduw en de diepten zoekende en met de korenwannen op den rug over de
baan slingerende als eene reuzenslang, wier geelachtige schubben den
zwakken nachtelijken schemer nog herkaatsten.
Eensklaps bleven, bij het hoofd der bende, eenige gezellen verrast
staan; zij meenden eenen man tusschen het kreupelhout te hebben
bespeurd; het geritsel der bladeren bevestigde hun vermoeden.
"Vliegt de Blauwvoet?" riep een der Kerels.
Maar dewijl hij geen antwoord bekwam, spande hij zijnen boog en stuurde
eenen pijl door de heesters. Drie of vier gezellen volgden hem hierin
na. Uit den schoot van het gebladerte ging een smartkreet in de hoogte
en men hoorde de haastige stappen van iemand die vluchtte.
Burchard kwam nader en vroeg wat hen had aangedreven om te dezer plaatse
gebruik van hunne bogen te maken.
Bij de verklaring der Kerels schuddde hij het hoofd met spijt en zeide:
"Wij zijn verraden. Het was een schildwacht of bespieder. Men waakt op
den burcht!"
"De man zal niet verre loopen", bemerkte degene die het laatste schot
gelost had. "Mijn pijl is hem waarschijnlijk door de borst gegaan."
"Daarin bedriegt gij u", zeide een andere. "Hij zal waarschijnlijk
slechts aan den arm gekwetst zijn; ik ken dit: zijne klacht was een
smartkreet, maar geen doodsschreeuw. Daarenboven, gij hebt hem hooren
wegloopen, zooverre dat het gerucht zijner stappen geheel en zachtjes
uitstierf. Wie leert zulke dingen aan mij, Ivo-den-wolvenjager?"
"Laat ons zwijgen", onderbrak Burchard. "Hoe het zij, gaan wij met
voorzichtigheid en in stilte!"
Hij stapte hen vooruit en bracht hen door eenen afgelegen weg aan zijn
landgoed, dat wel geen eigenlijke burcht was, doch waarvan het voorname
gebouw eveneens met eenen hoogen muur en met eene diepe gracht was
omsloten.
Gansch alleen begaf hij zich over de brug tot bij de poort, en klopte
daar op der Kerlen wijze, dit is te zeggen twee slagen en dan, na eene
rust, nog een derden, hard en kort.
"Vliegt de Blauwvoet?" vroeg eene stem van binnen.
"Storm op zee!" antwoordde Burchard. "Doe open, Alijn, ik ben het."
De poort draaide krijschend op hare hengels en al de Kerels traden
binnen den ringmuur op den wijden neerhof.
Hier werden een paar toortsen ontstoken en alles tot den aanval tegen
den burcht van Straten in gereedheid gebracht.
Te midden van den neerhof lagen drie zeer hooge ladders nevens eenen
zwaren eiken balk, aan welks einde een ijzeren ramshoofd met dikke
banden was vastgesmeed. Een weinig verder had men vele in olie gedoopte
kempbundels en toortsen van pijnharst in eenen hoop te zamen gelegd, en
daarnevens houwelen, hamers, haken en koorden.
Burchard verdeelde zijne mannen in kleine benden en schikte ze op den
neerhof in eene soort van stoet.
Vooraan stonden vele kruisboogschutters, gansch onbeladen en gereed tot
onmiddellijke verdediging; achter dezen de dragers der drie groote
ladders, dan de twintig man op wier schouders de eiken balk rustte, en
eindelijk degenen die de koorden, houwelen en brandstoffen aanbrengen
zouden, allen nog opgevolgd door eene bende handboogschutters als
achterhoede.
Zoohaast alles vaardig was, werden de toortsen uitgedoofd en de stoet
trok in de diepste stilte door de duisternis over de brug.
Burchard leidde hen langs eenen verborgen weg door dicht geboomte, beval
nog meer stilte en bracht hen eindelijk tot bij den uitersten boord van
het bosch. Hier toonde hij hun den burcht van Straten die, op een goed
boogschot van daar, als een logge steenberg met zijne torens tegen den
donkeren hemel nog donkerder uitloste.
"Legt uwen last ter aarde, rust een weinig en verzamelt uwe krachten",
fluisterde Burchard, terwijl hij van de eene bende naar de andere ging.
Hij keerde terug tot den boord van het bosch, waar zijne vrienden de
Keurmans, met Ivo-den-wolvenjager het oog bespiedend op den burcht
hielden gericht.
"Men waakt ginder", murmelde een hunner. "Zie daar, boven den muur,
nevens de poort, die bewegende vlekken. Zijn het geene menschenhoofden?"
"Zeker", bevestigde Ivo. "Donker is de nacht, maar staal glinstert nog
in de duisternis: het zijn stormhoeden of zwaarden."
Burchard overspande een wijl zijne gezichtskracht en zeide dan:
"Ja, men waakt; men weet van onze komst. De bespieder, dien wij onderweg
met eenen pijl troffen, heeft ons verraden ... Zij zijn talrijk en pogen
zich voor ons te verbergen. Het spel zal hard zijn. Des te beter, ik zal
mijne vermoorde gezellen in ruime maat kunnen wreken. Ziehier wat wij
gaan beproeven: de twee minst zware ladders zullen wij over de gracht
tot voor de ophaalbrug leggen om de ketens te bereiken en ze te
verbrijzelen. Dan zullen wij met den stormram tegen de poort beuken en
zoo den burcht binnen dringen. Gaat nu bij onze gezellen en deelt hun
dit inzicht mede, elk voor het zijne. Zegt den ouden Lambrecht dat hij
met een tiental mannen in het bosch blijve om de gekwetsten te
verzorgen."
Een weinig later was alles gereed tot den aanval. Bij elken ladderdrager
stond een gezel die hem eene korenwan boven het hoofd moest houden.
Daar de wannen van wederzijde dus opgeheven waren, vormden deze
beschutsels boven elk ladder een voortloopend dak, waaronder dragers en
strijders tegen pijlen en steenen, ja, zelfs tegen werpvuur waren
beveiligd.
Men verliet langzaam het bosch, met de hoop dat men bij eene volledige
stilte misschien de aandacht der wakers zou ontsnappen.
Alles ging naar wensch, totdat de Kerels de gracht van den burcht zouden
naderen. Dan vertoonden zich eensklaps vele hoofden boven den hoogen
muur; de boogpezen klonken en de pijlen snorden door de lucht, terwijl
een schaterende spotlach binnen den burcht hergalmde.
"Vooruit, vooruit de ladders!" kreet Burchard. "Schutters, mikt daar
boven de poort. Geeft dien lachers spel, totdat wij hunne hoonende
vreugd in hun bloed versmachten. Vooruit, vooruit!"
Burchard aanjagend bevel was volbracht geworden. Men had de ladders over
de gracht gelegd, en was nu bezig met mokers, tangen en hefboomen op de
ketens der valbruggen te slaan en ze zoo geweldig te wringen dat het
ijzer schreeuwde en huilde als hadde het pijn gevoeld.
De beide Keurmans en Burchard stonden niet verre van daar onder twee
breede wannen, waarop des vijands pijlen nu en dan als hamerslagen
nedervielen en afbotsten.
Reeds één Kerel lag dood voor de brug en men had er drie anderen, zwaar
gewond, het bosch ingedragen, toen een der Keurmans, eene beweging
terzijde doende, zich gedeeltelijk ontblootte.
Een versmachte kreet ontsnapte hem; hij greep Burchard den arm en zeide:
"Ondersteun mij, ik ga vallen."
"Wat, wat is u geschied?" vroeg zijn gezel.
"Ik heb mijn deel ... hier een pijl, dwars door mijne borst ... het is
gedaan met mij."
"O, God!" kreet Burchard. "Gij, Elstrunc, mijn vriend, gij zoudt
sterven? Neen, neen, heb moed, geloof het niet!"
"Moed?" schertste de bezwijmende Elstrunc.
"Moed? Ben ik hier gekomen met de vrees des doods?"
Burchard greep zijnen gewonden vriend om de middel, hief hem met eene
plotselijke inspanning van krachten op zijnen schouder en liep met dien
last het bosch in waar hij hem bij de andere gekwetsten neder legde.
Hij knielde aan zijne zijde en meende hem te troosten; maar de andere,
ofschoon reeds op den boord van het graf, dacht slechts aan de
overwinning en aan de wraak, en deed Burchard begrijpen dat hij tot den
storm moest terugkeeren, wilde hij den aanval niet doen mislukken.
Inderdaad, toen Burchard uit het bosch trad zag hij dat men van boven de
poort zijne mannen niet alleen bevocht met pijlen en steenen, maar
tevens met vlammend werpvuur, en dat de Kerels, die de keten der
ophaalbrug moesten breken, schier werkeloos onder de opgeheven wannen
zich hielden verborgen.
Dit gezicht vervoerde hem in razernij en ontrukte hem eenen schreeuw die
als een leeuwengebrul over den burcht heenklonk. Hij dreef de wannen weg
van boven zijn hoofd, liep vooruit over de ladder, greep eenen grooten
ijzeren hefboom uit de hand van eenen der gezellen, stak dien met het
einde door enen schakel en begon de keten te draaien en te wringen met
zulke woestheid, dat glinsterende vonken het knarsend metaal
ontsprongen.
Een steen viel hem op den schouder en bonsde terug, als hadde hij eene
rots getroffen; eene vlok vuur zengde hem de haren, maar hij wrong immer
voort, boog zich, kronkelde zich en spande zijne leden, totdat de ketens
braken en de ophaalbrug onder het gejuich zijner gezellen nederplofte.
Een zegevierende schreeuw kondigde dit eerste voordeel aan. Nu was de
baan tot aan de poort geheel vrij en, kon men die insgelijks
verbrijzelen, dan zou niets weerstaan aan hunne woede en aan hunne
wraak.
Wel vijftig man, met den vreeselijken stormram op de armen, liepen over
de brug en beukten zoo geweldig tegen de poort, dat de holle klank van
den slag als de donder over bosch en velden hergalmde.
De eerste stoot scheen geen uitwerksel te hebben. De Kerels verwijderden
zich van de poort, namen eenen nieuwen loop en beukten met meerdere
kracht nog, maar de poort bleef onwrikbaar. Pijlen, steenen en vuur
vielen als hagel op de wannen, en troffen nu en dan eenen Kerel, die den
storm moest verlaten of door anderen in het bosch werd gedragen.
Boven den muur lachte men nog spottend, maar daar moest evenwel meer dan
één man door de pijlen van buiten zijn getroffen geworden, dewijl nu en
dan een scherpere kreet of een noodgehuil tusschen het tergend lachen
opsteeg.
De Kerels, door de moeilijkheid van den aanval verwoed geworden,
herhaalden menigmaal hunnen loop en hitsten elkander aan door een
koortsig strijdgeschreeuw. Burchard zelf had zich nu aan den stormram
gesteld; en, of zijne kracht waarlijk overmatig was, en of zijne
tegenwoordigheid de kracht zijner mannen had verdubbeld, van den eersten
stoot waartoe hij had geholpen, had de poort een rinkelend geluid
gegeven, alsof zij gedeeltelijk van hare hengsels was losgeraakt.
"Terug, terug!" riep Burchard. "Nog eene goede poging en zij stort
neder! Aan ons de overwinning!"
Toen zijne mannen met den balk op eenigen afstand van de brug onder de
opgehevene wannen veilig stonden, zeide hij hun op blijden toon:
"Haalt adem, rust een oogenblik. Werken wij met vereende kracht, het is
de laatste stoot ... Maar wat drijft daarginder langs den muur? Mannen
die zich verwijderen van de poort! Zouden zij onze wraak willen
ontvluchten? Op, op, de stormram! Vooruit, vooruit!"
Een oogenblik daarna sidderde de lucht onder eenen dubbelen dondergalm,
en de poort viel achterover ten gronde.
"Wannen weg! De zwaarden nu!" huilde Burchard, terwijl hij met zijne
gezellen als een onweerstaanbare vloed ten burcht instroomde.
Slechts gedurende eenen korten tijd boden hunne verraste vijanden
eenigen tegenstand en vloden dan weg in het gebouw of in duistere hoeken
en kanten om, ware het mogelijk, nog een uitkomen te vinden; maar de
Kerels vervolgden hen, speurden hen na en hakten alwat leven had
onmeedoogend neder.
Burchard, die slechts een doel voor oogen had, namelijk zijne wraak op
Rambold Tancmar te koelen, deed drie of vier toortsen ontsteken, en liep
op en af de verdiepen van den burcht, alles doorsnuffelende wat maar
eene schuilplaats verschaffen kon. Ook de andere gebouwen onderzocht
hij, koortsig, spijtig en met heesch keelgeluid grommend:
"Hij alleen zou mij ontsnappen! Onmogelijk. Hij is in den burcht, de
vuige moordenaar van mijnen armen Eric! Ah, ik zal hem vinden, ik moet
hem hebben!"
Maar wanneer hij alles had doorzocht, en de Kerels van moorden moede en
met bloed bedekt, hem omringden, stond hij daar, grijnzend het hoofd
schuddende en als ontmoedigd.
"Rambold ontsnapt mij!" zuchtte hij herhaalde malen.
"Hij is gevlucht met een groot gedeelte zijner mannen", zeide een Kerel.
"Ik heb aan den voet van den achtermuur eenen Isegrim doodelijk
getroffen. Die heeft mij, om zijn leven smeekend, mij verklaard dat zijn
meester langs eene ladder is afgedaald en over deze ladder den anderen
boord der gracht heeft bereikt."
"Doemenis!" kreet Burchard. "Zijn mijne gezellen gewroken, de moord van
mijnen armen Eric blijft onbetaald! Hadden wij hier dan slechts iemand
van Rambolds maagschap gevonden, iemand dien hij bemint!..."
Er naderde een Kerel die, de laatste klacht van Burchard hoorende, hem
zeide:
"Iemand van Rambolds maagschap? Wees tevreden, mher Burchard:
daarbeneden, in den kelder, ligt het lijk zijner zuster."
"Het lijk zijner zuster? Ah!" kreet Burchard, eene toorts grijpende.
Door de Kerels gevolgd, daalde hij eene steenen trap af en kwam in eenen
overwelfden gang waar inderdaad het lijk eener jonkvrouw op de zijde ten
gronde lag.
Eene wijl staarde Burchard stom en beweegloos op het doode lichaam.
"Het is Rambolds zuster", morde hij. "Nu zal ook de smart, nu zal ook
de rouw hem in het hart bijten. Eric is gewroken!"
"Zal ik haar den voet afhakken?" vroeg een Kerel, zijn zwaard tot slaan
gereedhoudende.
"Neen, neen, eene vrouw ... Ik ben voldaan, het is genoeg ", antwoordde
hij. "Men drage nu de lijken te zamen in den burcht en steke het vuur
aan al de gebouwen en op honderd plaatsen te gelijk!"
Hij stapte uit den burcht op den neerhof en bleef daar staan, met de
armen overeen gevouwen.
Schier onmiddellijk begonnen de vlammen hier en daar hunne roode tongen
te vertoonen, en het vuur liep voort en verhief zich en kronkelde
allengs om muren en torens, totdat eindelijk de burcht, aan eenen
vulkaan gelijk, den donkeren hemel verfde met eenen bloedigen gloed[43].
De Kerels juichten dit schouwspel toe, als hadden zij zich vermaakt bij
een feestelijk vreugdevuur, totdat het halfverteerde dakwerk met
ijselijk gekraak nederstortte en hun een laatst en machtiger gejubel
deed aanheffen.
"Het werk der wraak is volbracht", zeide Burchard. "Nu de gekwetsten
verzorgd, en huiswaarts gekeerd!"
Eenigen tijd daarna hoorde men der Kerlen zegelied in de verte nog
hergalmen, en eindelijk achter de bosschen geheel in de nachtelijke
stilte wegsterven ... Zij zongen:
Doedele, bommele, romdomdom,
Houd u recht en sie niet om!
Gi, rudders, dwingers, maect u van cant,
Hier sijn de Kerels van Vlanderlant!
Gi, Isegrims, hoedt u vor den Blauvoet,
Of gi selt voelen wat sine clau doet.
Onse vaderen waren vri,
En vri so bliven wi,
So lanc een hert, dat lafheid haet,
In enen Keerlenboesem slaet.
Doedele, bommele, romdomdom,
Houd u recht en sie niet om!