Ten einde der Kuiperstraat verhief zich, verre boven de poortershuizen,
de achtkantige toren van sher Rijkaards Steen.
Deze aanzienlijke woning bestond uit verschillige gebouwen, rondom een
vierkante neerhof, en uit eenen tuin, waarvan de gekanteelde
omheiningsmuur met zijne schietgaten op St-Pieters voorgeborchte uitzag.
Zij was van alle zijden omringd met water, en eene ophaalbrug onderbrak
des nachts of in tijden van gevaar hare gemeenschap met de stad.
De wijde tuin was overlommerd met hooge boomen, welker gebladerte in dit
gevorderde jaargetijde zich reeds begon te sieren met de veelkleurige
tinten die den komenden winter aankondigen. Dien morgen echter stond de
zon glanzend aan den hemel, en de wind was even zoel en even verheugend
als op eenen lentedag.
Onder de boomen, rondom eene tafel, zaten drie vrouwen te arbeiden aan
zekere kostbare kleedingstukken. Eene der jongsten verwerkte zelfs
goud-en zilverdraad in een zijden hoofdhulsel.
De oudste, wier haar reeds begon te vergrijzen, sloeg nu en dan eenen
blik op den arbeid harer twee gezellinnen en wees hen terecht en gaf hun
raad, als ware zij hier de meesteresse.
Evenwel, het was genoegkennelijk aan het eenvoudig linnen kleedsel dezer
vrouwen, dat zij allen dienstmeiden waren; ja, eene zilveren schaar
naast een fraai naaischrijn op de tafel en een stoel van gesneden
eikenhout met een gebloemd zitkussen konden doen vermoeden dat de ware
meesteresse onlangs was opgestaan en den tuin had verlaten.
Eene der beide jongere vrouwen moest geweend hebben; want zij hield
mismoedig het hoofd over haar werk gebogen en hare oogen waren nog
vochtig.
"Kom, Brigitta, denk niet meer aan het voorval", zeide de oudere
troostend. "Gij zijt te gevoelig; en daarbij, onze jonkvrouw heeft
gelijk: wij arme dienaars mogen ons met de zaken onzer meesters niet
bemoeien, zooals gij het soms doet."
"Het is alweder voorbij, Martha", antwoordde het treurige meisje. "Onze
jonkvrouw toont zich hard voor mij. Wat kwaad bestaat daarin dat ik mher
Robrecht Sneloghe roemde?"
"Geen, inderdaad; maar waarom spraakt gij van mehr Ghijselbrecht Tancmar
zonder den verschuldigden eerbied? Mher Ghijselbrecht is ridder; wij
zijn lijfeigene lieden,--slaven."
"Ja, ja, slaven!" herhaalde de jonge Brigitta met eenen diepen zucht.
"En omdat gij zoo stout van eenen edelgeboren man durft spreken, heeft
uwe taal jonkver Placida diep gekwetst. Zij bestrafte u met bitterheid;
gij moet het ootmoedig verdragen."
Brigitta bedwong hare stem, als vreesde zij van uit den Steen gehoord te
kunnen worden. Fluisterend zeide zij:
"Weet gij wat ik denk, Martha? Ik denk dat onze jonkvrouw liever mher
Ghijselbrecht tot bruidegom zou hebben en dat zij nu de hand van
Robrecht Sneloghe slechts aanvaardt omdat hare ouders het zoo willen;
want ziet gij niet...."
"Spreek stiller nog!" onderbrak de oude vrouw, met een gebaar van angst.
"Indien men u hoorde, ongelukkige!"
"Meent gij dat ik mij misgrijp? Wat denkt gij er over, Amelberga?"
"Ik, ik?" stamelde het andere jonge meisje. "Ik denk dat wij beter doen
met hoegenaamd niets te denken."
"Zijn wij dan geene menschen meer?" vroeg Brigitta met eene soort van
verontwaardiging in de oogen.
"Eilaas, ja", was het antwoord, "maar ik weet nog dat ik, voor drie
jaren, eens door eenige stoute woorden liet hooren dat ik zulks
geloofde. Ik zeide tot onze jonkvrouw, die mij al te ruw toesprak, dat
ik mensch en Christen was evenals zij. Weet gij welk antwoord zij mij
gaf?"
"Geen minzaam antwoord, dit is begrijpelijk."
"Zij deed mij door de schalken op den Neerhof zoo wreedelijk met roeden
geeselen, dat het bloed mij van de schouders liep."
"Wee, wee, moest mij zulken hoon geschieden", kreet Brigitta
"Gij zoudt het verdragen evenals Amelberga", bemerkte de oude vrouw.
"Maar wat zoudt gij doen, Brigitta?"
"Ik zou alle voedsel weigeren totdat de honger of de schaamte mij deed
sterven. Reeds meer dan eens heb ik er aan gedacht. Wees zeker, ik zou
zulke mishandeling niet lang overleven."
"Nu, nu, dit is al grootspraak", schertste Amelberga, "zulke taal in den
mond eener lijfeigene!"
"Ja, gij kunt het niet begrijpen", wedervoer Brigitta. "Beiden zijt gij
in slavernij geboren, op een leen dat onze heer omtrent Aalst in
Zeizers-Vlaanderen bezit; maar ik kwam ter wereld omtrent Loo, in het
Land der Kerels, en ik ben eene Kerlinne geweest."
"Wat doet het, vermits er insgelijks dienstbare Kerels zijn?"
"Die zijn er niet, Martha. Wie zijne vrijheid verliest houdt op Kerel te
zijn."
"Dan heeft waarschijnlijk uw vader zich verkocht, of de straf eener
misdaad bracht hem in slavernij", bemerkte Amelberga met eenen
twijfellach op de lippen.
"Ik vergeef u den spot, omdat gij onzer gewoonten onwetend zijt",
wedervoer Brigitta. "Vermits wij hier nu alleen zijn en vrij kunnen
kouten tusschen den arbeid, laat mij u de zaak uitleggen en gij zult
begrijpen waarom er nog eenige fierheid in mijn bloed overblijft. Mijn
vader heette Warnfried; hij woonde in Kerlingaland en was een vrij man;
als eigenaar van eene hut en van eenen akker, was hij lid van het Gilde
en had stemrecht in de vergadering van het Ambacht. Voor alle maagschap
had hij eenen neef, evenals hij. Deze neef werd de oorzaak van ons aller
ongeluk. Op een plechtig Gildenmaal te Loo, door het drinken van
hoppebier verhit, geraakte hij in twist met eenen anderen Kerel en
bracht met zijne schermzeis--dit is een zwaard--zijnen tegenstrever
eenen zoo noodlottigen slag toe dat hij er van stierf. De talrijke
bloedverwanten van den overledene zouden onzen neef en mijnen vader
gedood hebben, zooals het recht en de plicht der _Veete_ het hun
oplegden. Evenwel, zij gaven ons vrede en aanvaardden den zoen; maar het
zoengeld dat zij eischten was zoo aanzienlijk, dat alwat mijn vader en
zijn neef bezaten nauwelijks toereikend was om het te betalen[25]. Mijn
vader bleef dan zijne hut bewonen, niet meer als eigenaar, maar als
vrijlaat, zittende op een anders goed. Weinig tijds daarna, in den
Houthulst op jacht zijnde, werd hij, eilaas, door een everzwijn zoo
deerlijk gewond, dat men hem ter plaatse dood vond. Nu bleef mijne
moeder alleen met drie onmondige meisjes, zonder maagschap en zonder
eenen enkelen verdediger. Door wanhoop gedreven, reisde zij met mij en
mijne kleine zusters naar het klooster ten Nonnenbosch, bij Yperen, en
gaf zich zelve en hare kinderen tot lijfeigenen van het klooster aan de
Priorine[26]. Zoo ben ik, zonder mijn toedoen, van vrijgeborene Kerlinne
in eeuwige dienstbaarheid vervallen. Ten Nonnenbossche heeft men mij wel
behandeld en mij veel schoon werk geleerd. Mijne arme moeder, die nu bij
den Heer is, beschuldig ik insgelijks niet; maar de vrijheid, ziet gij,
is een kostbaardere schat dan het leven; en wat moeite ik er ook toe
inspanne, ik kan mij aan de dienstbaarheid niet gewennen."
Er bleef eene wijl stilte.
"Alzoo, gij zijt waarlijk vrij geweest?" murmelde Martha.
"Gij hoort het wel. Wat ik zeg is enkel waarheid. Toen onze jonkver
Placida den wensch had uitgedrukt om eene jonge huismeid te vinden die
handig was in naai- en stikwerk, heeft haar heer vader mij afgekocht van
het klooster ten Nonnenbosche, en zoo ben ik nu zijne lijfeigene
geworden."
"Maar wat kon uwe moeder anders doen?" bemerkte Amelberga. "In alle
geval zoudt gij de dienaresse van vreemden geworden zijn en uwe vrijheid
verloren hebben."
"Daarin bedriegt gij u", was het antwoord. "Zijn er onvrije menschen in
Kerlingaland, dezen wonen op de leenen der heeren. De Kerels in de
Ambachten kennen geene slaven. Hunne huisdienaars zijn ook vrije
menschen die aan denzelfden disch eten met degenen voor wie zij werken.
Men noemt ze niet dienaars of schalken, maar _gezellen_, en zij gaan en
komen en verhuren hunnen arbeid waar en aan wien zij willen. Het eenig
onderscheid bestaat daarin dat men een grondeigendom, hoe gering ook,
moet bezitten om stemrecht in de vergadering te hebben[27]. Ware ik vrij
gebleven, ik hadde gemakkelijk eenen Kerel tot bruidegom gevonden.
Indien mijn man geen stuk grond bezat, zouden wij jaren gearbeid hebben
om er een te koopen. Dan hadde ik gewoond in onze eigene hut, op onze
eigene aarde, vrij en trotsch als de edelste jonkvrouw van Vlaanderen.
Begrijpt gij dat ik de noodlottige daad mijner moeder betreur, en
moeilijk de schaamte verkrop wanneer men mij toespreekt alsof ik zelf
geen mensch was?"
"Ja, en nu begrijp ik insgelijks waarom gij zulke voorliefde voor mher
Robrecht Sneloghe toont, terwijl gij van mher Ghijselbrecht Tancmar met
weinig eerbied spreekt", zeide de oude Martha.
"Is het niet met reden?" antwoordde Brigitta. "Mher Robrecht is veel
rijker dan mher Ghijselbrecht; hij is schooner van gelaat, zachter van
gemoed en daarbij minzaam met iedereen, zelfs met ons. Hij is slechts
driemaal hier geweest en heeft telkens ons gegroet. Zou Ghijselbrecht
Tancmar zulks doen?"
"Dit is evenwel niet wat ik wil zeggen, Brigitta."
"Wat dan, Martha?"
"Het bloed spreekt in u."
"Ik begrijp u niet."
"Ik zal u dan iets zeggen, Brigitta, dat gij niet weet. Robrecht
Sneloghe is een Kerel geweest."
"Onmogelijk. Wie Kerel geboren is blijft het zoolang hij zijne vrijheid
behoudt."
"En wanneer men wil ophouden Kerel te zijn?"
"Men kan dit niet, Martha. Men is door eenen onverbreekbaren band aan
het Gilde verbonden."
"Welnu, zijn vader, vroeger kastelein van Brugge, was een Kerel, in het
Veurne-Ambacht geboren. Mher Robrecht zelf, meen ik, kwam ter wereld te
Eggewaardskapelle, waar hij nu nog vele goederen bezit."
"Dan is mher Robrecht insgelijks een Kerel!" riep Brigitta met
blijdschap uit.
"Dat hij het nog is, geloof ik zeker niet", ging Martha voort, "maar
indien gij dit alles niet wist, dan heeft wel werkelijk het bloed in u
gesproken, Brigitta."
"Inderdaad, het is wel mogelijk.... Ach, Martha, ik smeek u, beloof mij
iets! Gij kunt veel op onze jonkvrouw. Raad haar aan mij met zich te
nemen als zij, na haar huwelijk, dezen Steen verlaat. Wie weet of zij
niet in Kerlingaland zal wonen? Zoo, met mher Robrecht, met eenen Kerel
tot meester, zal ik mij gelukkig achten; de dienstbaarheid zal mij
lichter wezen en ik zal mij misschien in mijn lot.... Stil! daar is onze
jonkvrouw met mher Robrecht...."
De vrouwen stonden op en bogen ten teeken van eerbied het hoofd, doch
schouwden tersluips naar hunne naderende meesters.
Bovenal hielden zij met bewondering en nieuwsgierigheid den blik
gevestigd op een kostbaar juweel van Oostersche parelen en groene
smaragden, dat aan den hals der jonkvrouw glinsterde en, met een kruis
van vuurroode robijnen, tot op hare borst nederhing. Zij twijfelden niet
of dit moest de aanvaarde gift van haren verloofde zijn. Het huwelijk
zou dus binnen eenige weken worden gevierd!
Placida Van Woumen kon twintig jaar oud zijn. Zij was rijzig van
gestalte en hield hals en hoofd zeer rechtop. Dit gaf haar een voorkomen
van trotschheid, dat nog versterkt werd door den tragen, statigen blik
harer oogen. Het blonde haar dat, evenals bij alle ongehuwde vrouwen,
haar in lange lokken over de schouders golfde, was boven haar hoofd met
eenen gouden band bevestigd. Gansch in witte zijde was zij gekleed.
Men zou gezegd hebben dat zij insgelijks tot het aanvaarden van dit
huwelijk zekeren dwang onderging, of, ten minste, met volledige
onverschilligheid zich aan den wensch harer ouders had onderworpen; want
zij antwoordde slechts met korte bevestigende woorden op de hoofsche
gezegden van Robrecht, en haar gelaat, alhoewel het geene teekens van
ontevredenheid toonde, bleef onbewogen en koel.
Achter de jongelieden kwam Rijkaard Van Woumen met zijne echtgenoote,
Ver Aldegunda.
Eenige dienaars of schalken volgden hen met leunstoelen.
Op een teeken van mher Rijkaard verliet de oude Martha met hare beide
gezellinnen den tuin.
De leunstoelen werden onder eenen hoogen lindeboom geschikt. Elk nam
plaats, en men zettede het afgesproken gesprek voort, terwijl een oude
schalk en een jonge knaap bij de achterdeur van den Steen bleven staan
om elk bevel der meesters te ontvangen.
"Alzoo, mher Sneloghe", vroeg Placida's vader, "het is wel besloten,
niet waar, dat gij Ravenschoot tot zomerverblijf zult kiezen? Deze
burcht staat niet verre van Brugge. Het zou ons pijnlijk vallen van onze
eenige dochter door eenen grooten afstand gescheiden te blijven; maar op
zulke wijze zal het zijn alsof zij ons niet had verlaten."
"O, mijne lieve Placida", riep Ver Aldegunda uit, als wilde zij hare
dochter tot blijdschap opwekken, "Ravenschoot is zulk schoon landgoed,
dat het geroemd wordt in gansch Vlaanderen om zijne lustige boomgaarden,
waranden en tuinen! Het is tevens zeer uitgestrekt en heeft groene
weiden en wildrijke bosschen. Ik ken het wel: toen mher Robrechts moeder
en ik nog kinderen waren, heb ik dikwijls op Ravenschoot gespeeld. Wie
hadde dan kunnen denken dat mijne dochter, mijne lieve Placida, eens
daar als meesteresse den sleutelbosch zou dragen! Zijt gij niet
vroolijk daarom, Placida?"
"Ja, moeder", antwoordde de jonkvrouw. "Ik weet sedert lang dat geen
landgoed zoo schoon als Ravenschoot rondom Brugge ligt; maar wat mij
meest verheugd is toch dat ik u bijna dagelijks zal kunnen zien en
omhelzen."
"Die goede Placida!" zuchtte Ver Aldegunda ontroerd.
"Ik had een oogenblik gevreesd", zeide mher Rijkaard tot zijnen
toekomenden schoonzoon, "dat gij lust kondet hebben om van het landgoed
te Houthem uw zomerverblijf te maken. Het is wel een aanzienlijk
eigendom, maar veel minder toch dan Ravenschoot, en het ligt bij Veurne,
zoo verre van Brugge!"
Robrecht had het hoofd gebogen en scheen in gepeinzen verzonken.
Daarover verwonderd, aanschouwden Rijkaard en zijne vrouw den jongen
ridder met kommer.
Na eene korte stilte vroeg Placida's vader:
"Gij zijt zoo droomachtig, mher Sneloghe?"
Robrecht hief het hoofd op, sloeg met eenen glimlach den blik op Placida
en zeide:
"Ja, mij boezemt de Heer eene goede gedachte in. Ik meende ze verborgen
te houden tot den dag na ons huwelijk; maar dewijl jonkver Placida zoo
minzaam mijne beloftegift heeft aanvaard, voel ik mij aangedreven tot
onbescheidenheid. Volgens de overeenkomst tusschen u, mher Van Woumen,
en mijnen oom, den proost van St-Donaas, gesloten, zal ik mijner bruid
het landgoed te Houthem als morgengave[28] in vollen eigendom schenken,
niet waar?"
"Zoo is het inderdaad tusschen ons bepaald geworden."
"Welnu, ik ben overtuigd dat de heer proost en geheel mijne maagschap
mijn nieuw besluit zullen goedkeuren. Niet Houthem, maar wel het schoone
Ravenschoot zal de morgengave mijner bruid zijn. Zoo wone dan mijne
echtgenoote met mij op haar persoonlijk eigendom."
Placida's oogen glansden van ware blijdschap en van hoogmoed; hare
ouders juichten luid. Ravenschoot was inderdaad zulk uitgestrekt goed,
dat het alleen den rijkdom van een ridderlijk huisgezin kon uitmaken.
Terwijl men nog bezig was met Eobrecht om zijne vrijgevigheid te roemen
en hij betuigde dat hij, zooveel het hem mogelijk was, alles wilde
inspannen om zijne vrouw gelukkig te maken en vereerd te zien, naderde
de knaap die tot dan bij de deur had gestaan.
[Illustratie: ... Robrecht hief het hoofd op. (bladz. 64)]
"Heer", zeide hij tot Van Woumen, "er is een ridder in de zaal; hij
verlangt u te spreken."
"Ik heb nu geenen tijd", mompelde Rijkaard ontevreden. "Verzoek hem na
den middag te willen wederkeeren."
De knaap trok de schouders op, als wilde hij betuigen dat zulke
boodschap moeilijk was.
"Wie is dan deze ontijdige bezoeker?" vroeg zijn meester.
"De hofraadsheer Tancmar Van Straten", was het antwoord.
Mher Rijkaard stond met verrassing op.
"Tancmar? 's Graven raadsheer?" herhaalde hij. Zou hij waarlijk van het
leger teruggekeerd zijn? Zeker, hij brengt belangrijk nieuws.... Nu,
Aldegunda, blijf intusschen met onze jongelieden nog wat kouten. Ik keer
zoo spoedig mogelijk tot u weder."
Deze woorden sprekende, begaf hij zich naar den Steen en trad in eene
groote zaal, waar hij een reeds bejaarden ridder, die hem met bewijzen
van vriendschap te gemoet kwam, de handen hartelijk drukte.
Na de eerste grotenissen gewisseld te hebben, zeide Rijkaard:
"Zoo, zoo, mher Tancmar, gij zijt terug van den oorlog?"
"Niet voor goed, vriend Van Woumen", was het antwoord. "Ons leger blijft
nog te Atrecht; maar de graaf komt overmorgen naar Brugge."
"Onze graaf komt overmorgen te Brugge?"
"Ja. Op mijn verzoek heeft hij mij met Walter Van Lokeren afgezonden om
zijnen voornamen leenhouders de tijding zijner komst te brengen; want
hij verlangt met plecht te worden onthaald, om reden dat eenige Fransche
ridders hem zullen vergezellen, onder anderen de jonge Willem van
Normandië, 's konings gunsteling. Gij zult niet nalaten, mher Rijkaard,
onzen graaf te gemoet te gaan?"
"Zeker niet; ik zal mijnen plicht als trouw vazal met blijdschap
vervullen. Maar hoe komt het dat gij zoo onverwachts uit Frankrijk
terugkeert? Is de oorlog ten einde?"
"De vrede is gesloten."
"En zal onze heer graaf nu voor goed in Brugge blijven?"
"Nog niet. Hij zal insgelijks te Yperen eene plechtige intrede doen en
keert dan onmiddellijk weder naar het leger.... Maar zeg mij, mher Van
Woumen, ik heb in Brugge iets vernomen, zoo verrassend en zoo
ongeloofelijk, dat ik nog zou twijfelen, al verzekerdet gij zelf het
mij...."
Het gelaat van Rijkaard werd streng en mistrouwend. Hij voorzag waarover
Tancmar hem ging onderhouden.
"Aangaande mher Robrecht Sneloghe?" murmelde hij.
"Inderdaad; men zeide mij dat er spraak is van een huwelijk tusschen
uwe dochter en mher Sneloghe."
"Men heeft u niet bedrogen", wedervoer Bijkaard met fierheid, als
wapende hij zich op voorhand tegen eene waarschijnlijke aanvechting.
"Dit huwelijk is besloten."
"Besloten?" riep Tancmar.
"De beloftegift is dezen morgen aanvaard; nog eene maand en het zal
voltrokken worden."
"Ik geloof het niet, mehr Van Woumen."
"Waarom?"
"Omdat de graaf zelf desnoods het u zal afraden; en gij, vriend
Rijkaard, zoudt wel zeker zijnen raad volgen, tenzij gij voorgenomen
haddet, evenals de Kerels, juist dat te doen wat den vorst kan
mishagen."
"De graaf weet niets van het ontworpen huwelijk. Gij zijt het dus die
hem daartoe zoudt aandrijven?"
"Ik of anderen uwer vrienden, uit genegenheid voor u, in het belang uwer
dochter en voor de eer van uwen naam."
"Waarlijk, ik begrijp niet wat gij wilt zeggen", riep Rijkaard met
spijtig ongeduld. "Robrecht Sneloghe is uiterst rijk, een volmaakt
ridder, hoofsch, edelmoedig, goed van harte en door iedereen geacht en
bemind. Zijn vader, die met onzen heer graaf ter kruisvaart trok, heeft
zich in het Heilige Land door zijne dapperheid vermaard gemaakt."
"Sneloghe is een Erembald, mijn vriend."
"Welnu, wat geeft dit?"
"De Erembalds zijn Kerels."
"Meent gij dan dat ik zulks niet weet?" morde Rijkaard Van Woumen.
"Eilaas, eenen goeden vriend blindelings de oneer voor zijn geslacht
zien aanvaarden, het is pijnlijk!" zuchtte Tancmar.
"Maar welke oneer toch? Omdat Robrecht een Kerel is? Ik weet het, mher
Tancmar, gij haat de Kerels en bovenal de Erembalds. Mij verwondert het
dat gij Robrecht Sneloghe niet reeds een Blauwvoet hebt genoemd; maar
Blauwvoet, Isegrim, het zijn scheldwoorden, die niets voortbrengen dan
haat en twist. Mij is een vrije Kerel even waardig als een edelgeboren
ridder."
"Maar de Kerels kunnen niet vrij blijven", wedersprak de hofraadsheer
met nadruk. "Niets kan hen tegen de dienstbaarheid behoeden; het is
slechts eene zaak van tijd."
"Hoe meent gij het?"
"Wel ja, mijn vriend; laat ons vooronderstellen dat de Kerels, van de
barbaarsche tijden af, vrije lieden zijn geweest, zooals overigens al de
barbaren, die naar het zuiden afzakken, de Romeinen uit Gallië, dat is
uit Frankrijk, hebben verdreven. Nu toch, door verloop der eeuwen en
door de meerdere beschaving der wereld, heeft in Frankrijk, in
Duitschland, in Italië en zelfs in het grootste gedeelte van Vlaanderen
het volk zijne vrijheid verloren en zijn de dorpers, arbeiders en alle
laaggeboren lieden den heeren en edelen ondergeschikt en dienstbaar
gemaakt. Meent gij dat de Kerels, zoo weinig sterk als afzonderlijk
volk, alleen wetten en inrichtingen zouden kunnen behouden, die de
gansche ridderschap moet aanzien als eene inbreuk op de vorstelijke
macht en op de overheid die den edelgeborenen toebehoort?"
"Maar het is nu misschien sedert twee eeuwen dat de Kerels hunne
vrijheid te verdedigen hadden", bemerkte Rijkaard. "Mij dunkt, dat ze
daardoor niet zijn verzwakt."
"Inderdaad, maar nu nadert wel zeker hun einde. Tot den dag van heden
bestond onder de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen veel
verdeeldheid. Zij hadden geen hoofd, dat hen kon leiden en gebieden. Dit
hoofd is nu de machtige en gevreesde koning van Frankrijk. Zoo, aan één
opperhoofd gehoorzamende, zal de ridderschap, door hare eendracht
alleen, elke zucht naar onafhankelijkheid verstikken, die ergens uit den
schoot van het dorpere volk mocht opstijgen; en waar nog iets van de
oude vrijheid der onedelgeborenen overblijft, daar zullen wij deze
laatste sporen der barbaarsche wetten onmeedoogend vernietigen. Het is
te zeggen dat de Kerels welhaast tot de dienstbaarheid zullen worden
gedwongen."
"En zijt gij voornemens dit doel met geweld pogen te bereiken?"
"Met list en geweld."
"Maar het is eene schandelijke valschheid!" riep Rijkaard met
verontwaardiging uit. "Gij en de andere ridders, de graaf zelf, hebt
voor uw vertrek de Kerels laten gelooven dat men hun voortaan hunne
vrijheid niet meer zou betwisten!"
"Wanneer men naar verre streken ten oorlog trekt, moet men den vrede
achter zich in het land laten", antwoordde Tancmar met eenen slimmen
glimlach.
"En nu zou onze heer graaf de Kerels bedriegen?"
"Neen; dat zulks voor alsnu ten minste zijn inzicht zij, zou ik niet
durven beweren. Maar vergeet niet dat onze heer graaf eenen heimelijken
wrok tegen de Kerels in het hart draagt, omdat vele Ambachten en zelfs
eenige Erembalds, in den oorlog voor de Kroon, Willem van Loo tegen hem
hebben geholpen. Hij wenscht daarom insgelijks de Kerels onderjukt te
zien; maar hij hoopt mettertijd en zonder bloedstorting allengs dit doel
te bereiken. Laat de Kerels iets bedrijven dat onzen graaf bijzonder
mishaagt,--wij zullen er voor zorgen,--dan zal hij onmiddellijk doen wat
de koning van Frankrijk en wat al de ridders hem raden, dit is te zeggen
de Kerels verpletten en voor altijd in dienstbaarheid slaan."
"De Kerels verpletten?" herhaalde Rijkaard. "Het is zoo gemakkelijk
niet. Welk ijselijk bloedbad!"
"Neen, geen bloedbad, mijn vriend. Weet gij wel dat wij, Vlaamsche
ridders, met onze wapenknechten, in het Fransche leger wel tienduizend
sterk zijn[29]? Wat zouden de Kerels kunnen doen, indien eene macht van
tienduizend krijgslieden in de Ambachten verscheen, om daar al te
verpletteren wat weerstand zou durven bieden? En ware dit ontoereikend,
is geheel het Fransche leger niet daar om ons te helpen."
"Het Fransche leger zou u helpen tegen de Kerels?"
"Ja, zeker."
"Maar onze heer graaf zou het beletten."
"Nu misschien, inderdaad; maar wij kennen zoovele middelen om de Kerels
tot onvoorzichtigheid aan te drijven en den graaf tegen hen verbolgen te
maken!... Kom, kom, mijn vriend Rijkaard, het is ten einde met de
Kerels. Geen grond zonder heer. De Kerels zullen den graaf dienstbaar
gemaakt worden, en willen die vermaledijde Blauwvoeten den nek onder het
juk niet buigen, welnu, dan zal men ze vernietigen en hun land met een
min onplooibaar ras bevolken."
Rijkaard Van Woumen schouwde ten gronde en schudde kommervol het hoofd.
"Ha, ik wist wel dat gij eindelijk den afgrond zoudt erkennen waarin
gij, door onwetendheid der zaken, u en uw onnoozel kind ging storten!"
riep Tancmar zegevierend uit. "Laat ons nu vooronderstellen dat jonkver
Placida met Robrecht Sneloghe getrouwd zij, op het oogenblik dat de
Kerels tot den staat van onvrije lieden worden verlaagd. Uwe dochter zou
dus het lot van het veroordeeld geslacht moeten deelen? Gij zelf zoudt
in dezen strijd de zijde der Kerels moeten kiezen tegen den graaf en
tegen de ridders van Frankrijk en van Vlaanderen. De banden des bloeds
zouden u er toe verplichten; want gij zoudt van der Keerlen maagschap
zijn."
"Veroordeeld geslacht? De Erembalds?" mompelde Rijkaard verschrikt.
"Meent gij macht genoeg op den graaf te hebben om hem de Erembalds in de
vervolving te doen begrijpen?"
"Ik twijfel er niet aan", was het vaste antwoord. "Er is in alle
gebeurtenissen eene natuurlijke volgorde die mij het recht geeft te
denken dat de Erembalds in den val der Kerels zullen begrepen worden."
"Gij brengt mij in erge verlegenheid, mehr Tancmar."
"Maar neen, de zaak is eenvoudig. Zoek het een of ander voorwendsel om
mehr Sneloghe af te wijzen. Willen de Erembalds zich daarover wreken, ik
beloof u niet alleen de hulp van al de ridders, maar tevens de
bijzondere bescherming van den graaf. Gij zult gemakkelijk eenen even
voordeeligen bruidegom voor uwe dochter vinden ... Mijnen zoon
Ghijselbrecht, bijvoorbeeld. Hij geniet 's vorsten gunst in hooge maat."
"Ghijselbrecht, uwen zoon?" herhaalde Rijkaard met eenen schertsenden
glimlach.
"Ik weet dat gij hem niet genegen zijt", zeide Tancmar, "maar bij
bemint jonkver Placida en zij zou hem gewillig tot echtgenoot
aanvaarden."
"Is het daarom dat gij hare huwelijksbelofte met Sneloghe poogt te
verbreken?" morde Van Woumen.
"Ho, neen, spreken wij er niet meer van. Later zult gij rechtvaardiger
jegens hem worden. Nu, zeg mij, vriend Rijkaard, blijft gij waarlijk bij
uw voornemen uwe dochter in een geslacht te doen treden dat eerlang tot
den slavenstaat kan gedompeld worden?"
"Het is eene erge zaak!" zuchtte Van Woumen. "Ik wil daarover nu niets
beslissen. Er blijft nog tijds genoeg over ons er op na te denken."
"Inderdaad; maar ik ben toch zeker van uw besluit. Overmorgen zullen
velen uwer beste vrienden met den graaf in Brugge komen. Ondervraag hen;
gij zult overtuigd worden dat ik uit plichtgevoel nog veel van de
waarheid u heb verzwegen ... Nu moet ik u verlaten; mijn tijd is
kostelijk: ik heb nog veel te bezorgen. Indien gij onzen vriend Walter
Van Lokeren wenscht te zien, gij zult hem ten mijnent vinden tot verre
op den namiddag."
"Ik zal komen", murmelde Rijkaard in gedachten, "ja, ik zal komen."
Beiden verlieten de zaal en stapten over den neerhof.
Tancmar bleef eene wijl staan en zeide tot Rijkaard met teruggehouden
stem:
"Als de Kerels onderjukt zijn, worden al hunne eigendommen tot gronden
der kroon verklaard. Overweeg, mijn vriend, dat, buiten eenige leenen,
de Kerels geheel het land der Ambachten bezitten, van Grevelinghe af tot
op de eilanden in de mondingen der Schelde. Dit schoon en rijk gewest
zal dus door den graaf in leenen worden verdeeld en weggeschonken aan de
ridders die 's vorsten gunst genieten. Onze graaf bemint u zeer
uithoofde der vorige diensten welke gij hem hebt bewezen. Gij zult toch
de kans om uwe erfgoederen aanzienlijk te vergrooten niet willen
vernietigen ... Nu, vaarwel, tot dezen namiddag. Overweeg met wijsheid;
want het lot uwer eenige dochter en de eer van uw geslacht hangen van de
beslissing die gij zult nemen." Onder het uitspreken dezer woorden was
hij tot de poort genaderd. Hij drukte nu de hand van zijnen gezel en
verliet sher Rijkaards Steen.
Placida's vader keerde terug tot de zaal en liet zich daar op eenen
stoel nederzakken. Hij legde zich de hand op het voorhoofd schouwde eene
wijl denkend ten gronde en murmelde dan:
"Arme Kerels! Zij arbeiden in vertrouwen, zij bevaren de zee, zij
beploegen den grond, zij weven, zij drijven handel, zij openen zoo voor
Vlaanderen de bronnen van welvaart en rijkdom, terwijl heerschzuchtige
lieden hunnen ondergang smeden!... Tancmar is de geboren vijand der
Erembalds en, om dezer macht te breken wenscht hij de Kerels onderjukt
te zien. Maar onze graaf zal zijne kroon aan de uitvoering dezer
onrechtvaardige ontwerpen niet gaan wagen. Hij is een wijs en edelmoedig
vorst ... Evenwel, wie weet, eilaas, welke gedachten de koning hem kan
hebben ingeboezemd De Fransche ridders begrijpen niet dat geheel een
volk uit vrije mannen kan bestaan. De geest van onafhankelijkheid, dien
de Kerels tegenover elkeen, zelfs tegenover den vorst toonen behaagt
onzen graaf niet ... Zoo Tancmar mij de waarheid had gezegd? Ik ben
vader: mijn kind mag ik niet opofferen ... Maar indien Tancmar mij had
bedrogen? Droeve onzekerheid!"
Hij stond op en begaf zich met tragen stap naar den tuin, intusschen
zeer bezorgd om te weten welke houding hij nu jegens Robrecht Sneloghe
zou aannemen; maar bij geluk vond hij den jongen ridder bezig met eene
groetenis uit te spreken, om voor dien dag afscheid van zijne verloofde
te nemen. Hij meende te bemerken dat, terwijl Robrecht tot vaarwel
Placida de hand drukte, zijne dochter haren toekomenden echtgenoot eenen
blik toestuurde vol teedere minzaamheid. Dit gezicht bedroefde hem nu,
om reden dat de liefde, indien zij met zekere innigheid tusschen de
jongelieden ontstond, hem het te nemen besluit oneindig moeielijker zou
maken, in geval hij zich gedwongen zag voor het geluk van zijn kind bet
ontworpen huwelijk te breken.
Tot Robrecht naderende, zeide hij:
"Gij verlaat ons, mijn vriend? Het is waar, gij zijt reeds een paar uren
hier, en er zijn tijdingen gekomen die van elk onzer eenige werkzaamheid
eischen. Gij weet ongetwijfeld reeds dat onze heer graaf overmorgen in
Brugge komt?"
"Ja, mher Van Woumen, ik weet het", was bet antwoord. "Zooals gij zegt,
deze komst legt ons zekere plichten op die niemand onzer mag verzuimen.
Wij moeten onzen vorst eene schitterende intrede bereiden."
Op de vraag van Placida en hare moeder, gaf Rijkaard eenige uitleggingen
over het bericht dat des graven raadsheer hem had gebracht. Dan zeide
hij:
"Ik moet ten gevolge dezer tijding onmiddellijk uitgaan. Indien Robrecht
mij een eind weegs wil vergezellen?"
De jonge ridder herhaalde zijnen afscheidsgroet en volgde, zonder meer
te spreken, Rijkaard Van Woumen tot in de Naaldestraat.
Dit stilzwijgen scheen Placida's vader te hinderen. Hij vroeg dan, als
om toch iets te zeggen:
"Wat benevelt dan uwen geest, mijn vriend? Gij zijt zwaarmoedig"
"Ik zwaarmoedig?" mompelde Robrecht, uit eene diepe mijmering
opschietende. "Ho neen, heer, ik dacht aan de onverwachte terugkomst van
onzen heer graaf."
"Indien ik wel onderricht ben, dan zou inderdaad de terugkeer van onzen
vorst niet even verblijdend zijn voor al de lieden van Vlaanderen. Weet
gij iets van zekere onrustwekkende geruchten?"
En onder het uiten dezer woorden bezag hij mher Sneloghe aandachtig.
"Onrustwekkende geruchten?" herhaalde deze, in twijfel het hoofd
schuddende.
"Ah, God dank, men zal mij bedrogen hebben!" juichte Rijkaard.
"Meent gij misschien de geruchten volgens welke de Isegrims zouden
voornemens zijn de Kerels opnieuw te verontrusten en te vervolgen,
zoohaast het leger in Vlaanderen wederkeert?"
"Ja, mijn vriend."
"Mijn oom, de proost, moet er iets van weten; want hij sprak mij er van
met treurnis en spijt."
"Het zou dus waar zijn?" kreet Rijkaard. "De proost sprak er van met
treurnis? Hij vreest dus dat men er in gelukke den Kerels het juk der
dienstbaarheid op te leggen?"
"Ho, neen, dit kan een Erembald niet vreezen", wedervoer Robrecht met
fierheid. "Niemand zal Kerlingaland onderjukken; maar mijn oom treurt
bij het gepeins dat alweder duizenden Christenen gaan sterven om hunne
bedreigde vrijheid te verdedigen."
"Zouden de Erembalds zich waarlijk de zaak der Kerels aantrekken?"
"Daaraan kunt gij niet twijfelen, heer. Wij, zonen van Erembald zijn
Kerels zoowel als de vrije lieden der Ambachten, en wij zullen tegen het
onrecht blijven worstelen ten koste van goed en bloed, al moest ook de
laatste onzer in dien strijd bezwijken."
Deze bevestiging van Tancmars voorspelling verschrikte Rijkaard. Hij
zeide dat hij naar de Zilverstraat moest gaan, drukte Robrecht ontsteld
de hand en verwijderde zich.
De jongeling zette met zekeren haast zijnen weg huiswaarts voort, door
de St-Jacobsstraat; maar na eene korte wijl begon allengs zijn stap meer
en meer te vertragen en zijn hoofd voorover te hellen, als wierd zijn
geest bezwaard door duistere gedachten.
Toen hij achter St-Christoffelskapelle kwam, bleef hij staan en keek
aarzelend in het ronde, als wist hij niet meer welken weg hij zou
inslaan om zich naar zijnen Steen te begeven.
In stede van de Markt over te gaan, keerde hij ter linkerhand, stapte
over de Kraanbrug en daalde eene nauwe straat af, totdat hij de
Spiegelrei bereikte.
Hier naderde hij den boord der vliet, staarde eene lange wijl in de
diepte van het heldere water en zette dan zijne droomachtige wandeling
voort onder de hooge olmen die de kade overlommerden.
Eindelijk liet hij zich, als afgemat van denken, op eene steenen bank
nederzakken, en bleef daar met den blik ten gronde zitten.
Zijn lot was dus beslist, afdoende en voor altijd beslist! Hij had zich
onderworpen aan de onverbiddelijke wet des plichts; hij had moed en wil
getoond en zich jegens Palcida en hare ouders op zulke wijze gedragen
dat zijn oom over hem moest tevreden zijn. In den eerste had deze
overtuiging hem verblijd en getroost: maar nu die eerste worsteling was
doorgestreden en hij zich alleen bevond met zijne gedachten, was allengs
weder het beeld van Dakerlia in zijnen geest opgestaan. Zijne droomen
schetsten hem nu voor de oogen het stil en gelukkig leven dat hij hadde
gesleten indien hij tot aan het graf had mogen vereenigd blijven met de
zoete speelgenoote zijner eerste jaren, met de teedere maagd wier beeld
zijn hart gansch had ingenomen en het nog onverwinbaar beheerschte, hoe
hij ook poogde, in het gevoel des plichts, krachten te vinden om het te
verjagen. Ach, nu hij eeuwig vaarwel aan den schoonsten droom zijner
ziel had gezegd, nu las hij met klaarheid in zijnen eigen boezem, nu kon
hij afmeten wat hij had verloren en welke schrikkelijke opoffering het
noodlot hem had afgedwongen! Zijne goede zuster Witta, de arme weeze,
welk zou voortaan haar lot zijn? Met de trotsche Placida zou zij niet
lang kunnen wonen zonder zich vernederd te gevoelen. Zij zou dus
heengaan en bij magen of vreemden eene toevlucht tegen de droeve
eenzaamheid moeten zoeken. Met Dakerlia hadde zij aan de zijde eener
zoete vriendin, eener teedere zuster geleefd. Welk huisgezin ware op de
gansche wereld gelukkiger geweest? Een hemel van genegenheid, van
vriendschap en van liefde! En nu, wat zou het zijn?... Maar er was niet
op terug te keeren. Zijn hart bloedde en stortte nog eens zijne treurnis
uit. Voor de laatste maal! Hij was man en zou zijnen plicht vervullen.
Het beeld van Dakerlia zou hij uit zijn hart rukken, zijn vorig leven
vergeten, en pogen gansch en oprecht de echtgenoote te beminnen die het
lot hem had gegeven.
Dit waren de gepeinzen van den lijdenden jongeling, daar hij onder de
boomen, op de steenen bank, gansch bewusteloos van het overige der
wereld, eenen smartelijken strijd tegen zijn eigen hart voerde.
Bij het einde dezer overweging ontsnapte hem een diepe zucht, en nog
meer helde zijn hoofd voorover onder het gewicht der smart.
Terwijl hij daar beweegloos zat, naderde van den kant der Engelsche
straat een ander ridder. Zoohaast deze mher Sneloghe herkende, bleef hij
verrast staan en beschouwde hem met oogen waarin haat en nijd schenen te
vlammen. Van dit bitter gevoel moest zijn hart overstorten; want zijne
scherpe lippen trokken bevend tot eenen grijns te zamen.
Na eene wijl dus met eene soort van booze vreugde op Robrecht te hebben
gestaard, gaf hij zijn gelaat eene treurige, doch minzame uitdrukking en
trad langzaam tot de steenen bank.
Onder het murmelen eener groetenis zette hij zich neder met eenen diepen
zucht en zeide:
"God zij dank dat Hij mij den eenigen mensch laat ontmoeten die mij kan
troosten. Robrecht, ik ben ongelukkig, diep ongelukkig O, mocht ik door
u vernemen dat alle hoop mij niet is ontnomen!"
"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet", mompelde mher Sneloghe.
"Robrecht, wij zijn vrienden. Laat gij mij toe u iets te vragen?"
"Waarom niet? Spreek vrij, Disdir."
"Robrecht, Dakerlia is schoon, niet waar?"
"Welke vraag! Dit weet toch iedereen."
"Ik bemin haar uit al de kracht mijner ziel; zonder hare wederliefde kan
ik niet leven."
Mher Sneloghe zag hem verwonderd aan.
"En Dakerlia bemint u niet?" murmelde hij. "Het is pijnlijk inderdaad."
"Ha, zij zou zoo koel en zoo wreed niet voor mij blijven", kreet Disdir
Vos met eene nijdigheid welke hij poogde te bedwingen "maar, eilaas, zij
bemint iemand anders! Kent gij dien gelukkigen sterveling, Robrecht?"
"Kom, kom, mijn vriend Disdir", antwoordde mher Sneloghe, treurig
glimlachende, "waarom dus met linksche omwegen mij ondervragen? Wees
openhartig. Gij wilt zeggen dat ik bet beletsel ben tot uw geluk? Heeft
jonkver Dakerlia dit verklaard?"
"Ho, neen, maar ik meende het uit hare woorden te verstaan. Zij bemint u
wel zeker. Beken het mij, ik smeek u!"
"Wat daarvan zij, Disdir, het is haar geheim."
Eene zenuwtrekking schokte Disdirs leden, en een zucht ontsnapte hem.
"Dit behoefde ik u niet te vragen, Robrecht", zeide hij, "ik wist het
sedert lang. Het is eene andere vrees die mij als een venijnige worm aan
het harte knaagt. Indien gij, Robrecht, voor Dakerlia hetzelfde gevoel
koestert, ben ik veroordeeld tot levenslange hopeloosheid. Indien gij,
integendeel, haar niet bemint, dan zal ik hare koelheid jegens mij wel
overwinnen. Wees edelmoedig ik zal, indien gij het eischt, alle hoop
verzaken en mijne liefde voor jonkver Wulf in mijnen boezem versmachten;
maar zeg het mij oprecht: bemint gij Dakerlia, Robrecht?"
Zonder het zelf te weten, knikte mher Sneloghe met het hoofd.
Een somber gegrol van wanhoop ontsnapte Disdir; hij stak de hand in zijn
kleed en neep zich de borst ten bloede, terwijl een traan van afgunst of
van smart in zijne oogen blikkerde.
"Gij hebt mij niet begrepen, Disdir", zeide Robrecht, door medelijden
ontroerd.
"Aldus gij bemint haar niet?" kreet mher Vos.
"Ik heb haar inderdaad bemind ..."
"O, hemel! En nu?"
"Nu is die liefde door den plicht en door God zelf mij verboden Ik ga
trouwen-"
"Trouwen?"
"Met Placida Van Woumen. Ik kom van sher Rijkaards Steen. Jonkver
Placida heeft dezen morgen mijne beloftegift aanvaard. Binnen eene maand
zal ik haar echtgenoot zijn. Mijn oom de proost heeft dit huwelijk
bereid."
"Ha, dank, dank!" murmelde Disdir. "Gij ontlast mijn hart van een
versmachtend gewicht."
"Ik geloof inderdaad, Disdir, dat mijn huwelijk met jonkver Van Woumen
het u gemakkelijker zal maken de hand van Dakerlia te bekomen. Dit
gezegde kwetse u niet. Gij weet dat Dakerlia bijna van kindsbeen af met
mijne zuster Witta is opgevoed geworden. Geen wonder diensvolgens dat er
allengs een gevoel van wederzijdsche genegenheid in ons is ontstaan,
zonder dat wij het zelven wisten ..."
"Zonder dat gij het wist?" onderbrak Disdir met eenen glim van
blijdschap.
"Slechts dezen morgen, bij de aankondiging van mijn huwelijk ontsnapte
ons dit geheim."
"En gij hadt nooit te voren uwe liefde bekend?"
"Noch ik, noch zij. Geen woord had ooit deze geheime zucht onzer harten
verraden."
"Ach, bedriegt gij mij niet, Robrecht?"
"Wanneer heb ik iemand bedrogen? Ik ben niet verplicht u dit alles te
zeggen; maar ik gevoel te diep in mijnen eigen boezem wat gij moet
lijden. Daarom poog ik u te troosten."
"O, heb dank!" riep Disdir Vos, zijnen vriend de hand drukkende "Het is
als gaaft gij mij, met de verlorene hoop, een nieuw leven weder. Durfde
ik van uwe edelmoedige vriendschap eene weldaad afsmeeken ..."
"Spreek; wat mogelijk is zal ik gaarne doen."
"Indien gij bij jonkver Dakerlia eenige goede woorden ten mijnen
voordeele wildet spreken? Naar u zal zij luisteren-"
"Onmogelijk!" antwoordde Robrecht met eenen zucht, "Gij begrijpt het,
niet waar? Als eerlijk ridder moet ik mijne toekomende echtgenoote
eerbiedigen en mijnen plicht jegens haar vervullen Tusschen jonkver
Dakerlia en mij mogen geene betrekkingen meer bestaan. Kan ik haar naar
mijnen wensch geheel ontwijken, dan zal ik haar zelfs in vele maanden
niet meer zien."
"Gij hebt gelijk, ja, gij hebt groot gelijk!" juichte Disdir.
Na eene wijl vroeg hij, alsof hij eene overweging voortzette:
"En is uw huwelijk wel zeker vastgesteld? Er is niet meer op terug te
komen?"
"Onverbrekelijk vastgesteld, vermits jonkver Van Woumen daarop mijne
beloftegift heeft ontvangen."
"En gij verzaakt Dakerlia voor immer?"
"Uwe vragen zijn stout en indringend", antwoordde Robrecht met lichte
spijtigheid. "Ware ik nog vrij, dan zeker zou ik aan geen mensch ter
wereld de hand van Dakerlia afstaan. Nu even wel kost het mij niets u te
bevredigen door u te zeggen dat ik desaangaande alle hoop heb verzaakt.
Ik wensch uiterharte dat gij gelukket; geloof mij, ik zou Dakerlia
willen getrouwd zien."
Robrecht stond op en, de hand drukkende die hem werd toegereikt zeide
hij nog met eene uiterste goedheid:
"Nu, Disdir, heb moed. Ik zal mijne zuster aanraden in uw voordeel te
pleiten, als zij jonkver Wulf gaat bezoeken. Wat mij betreft, ik herhaal
het u, met Dakerlia wil nog mag ik voortaan spreken. Nu, vaarwel, en
blijf hopen."
Hij verwijderde zich tusschen de boomen. Disdir Vos zag hem achterna
met een zuren lach op de lippen.
"Hij heeft haar bemind! Hij bemint haar nog!" morde hij binnensmonds.
"En voor hem alleen klopt haar hart ... Wreede minnenijd, die mij den
boezem verscheurt!"
Robrecht verliet welhaast de Spiegelrei en trad in de Ridderstrate, ten
einde derwelke de gulden weerhaan boven den toren van zijn Steen hem in
de oogen blonk.
Al gaande overwoog hij eerst wat Disdir hem had gezegd, doch even ras
keerden zijne gedachten op zijn eigen lot en op het verlies van alle
levenshoop voor hem zelven. Weder werd hij treurig, bovenal toen hij
voorbij sher Wulfs Steen moest en het hoofd afkeerde om het gevaar te
voorkomen van Dakerlia's blik te ontmoeten.
Toen hij zijne woning had bereikt en in de zaal trad, vond hij zijne
zuster met de handen voor de oogen zitten. Hij zag dat hare borst hijgde
en glinsterende tranen van hare vingeren rolden.
"Mijne zuster, mijne goede Witta", vroeg hij, "hoe zijt gij zoo
bedroefd? Wat is de reden uwer smart?"
"Ach, Robrecht", kreet zij, "die arme ongelukkige Dakerlia!"
"Welnu? Dakerlia? Wat is haar geschied?" morde de jongeling verschrikt.
"Ik heb haar de pijnlijke boodschap gebracht. Zij heeft nog niets gedaan
dan weenen, zij gaat te werk als eene zinnelooze. Nu ligt zij te bed.
Haar vader is niet te huis; maar de kamermeid heeft in aller haast
gezonden om den geneesheer te halen. Zij meent dat men Dakerlia zal
moeten aderlaten. Ik ben weggevlucht bij de komst van den geneesheer.
Bloed, bloed van die arme Dakerlia? Ik stierve moest ik het zien!"
Een traan wilde in des jongelings oogen opwellen; maar hij bedwong dit
teeken zijner ontroering met geweld.
"Ach, het is wel wreed, het lot dat ons allen treft!" klaagde Witta. "Nu
zal Dakerlia nooit meer in onzen Steen mogen komen. Dit is de belooning
voor hare teedere vriendschap, voor hare liefde! Eilaas, ik bezwijk van
wanhoop bij het verlies mijner goede zuster!"
"Luister, Witta", sprak Robrecht op ernstigen toon. "Het huwelijk is een
band door God geheiligd en dien wij als Christenen verplicht zijn, tot
in den grond van ons hart te eerbiedigen. Ik ga trouwen, Placida Van
Woumen wordt mijne echtgenoote. Van dit oogenblik af mag ik aan Dakerlia
niet meer denken en gij, zuster, gij moogt haren naam voor mij niet meer
uitspreken. Begrijpt gij mij, Witta?"
"Ik begrijp u, broeder", was het treurig antwoord. "Pijnlijk is de
plicht, maar toch, gij hebt gelijk. Zwijgen zal ik. Eilaas, indien die
arme ... Bloed laten! Het is schromelijk!"
"Houd u sterk, Witta", zeide Robrecht met eene stemme die door den angst
was verdoofd. "Ga naar sher Wulfs Steen, verneem wat daar geschiedt,
opdat gij ten minste van de onrust wordet verlost. Ik ga op mijne kamer;
ik heb eenzaamheid noodig. Men store mij niet, ik smeek u, zuster lief."
De smart overwon hem plotseling; hij sloeg de handen voor de oogen en
verliet met haast de zaal.