De Kerels van Vlaanderen

I

Op eenen herfstmorgen van het jaar 1126 weergalmden de plechtige tonen

van eenen lofzang binnen de kerk van Onze-Lieve-Vrouwe te Brugge.

Ongetwijfeld zaten onder hare breede gewelven gansche scharen

nedergeknield; want nu en dan riep het gerinkel der schellen de

geloovigen tot een inniger gebed.

Evenwel, op het doodenveld, dat den tempel omringde, heerschte de

volledigste eenzaamheid. Geen ander gerucht stoorde er de stilte dan het

aanhoudend geschreeuw eener vlucht zwarte kauwen, die daarboven, op meer

dan vierhonderd voet hoogte, de lucht met hun treurig gekras vervulden

en als een onweerswolk rondom de spits van den reusachtigen toren vlogen

en slingerden.

Aan eene groeiende rots gelijk, schoot het logge gevaarte zijne bonkige

freiten en graten ten hemel, en hief het teeken der verlossing zoo hoog

boven de stad, dat de scheepslieden, van uren en uren verre in zee, deze

baak konden herkennen....[1]

Een man trad langzaam op het kerkhof, luisterde eene wijl op de statige

galmen die in den tempel herklonken en stapte dan verder in het

kronkelend voetpad.

Hij naderde een steenen kruis,--godvruchtige gedachtenis aan eenen

dierbaren doode,--leunde met den elleboog er tegen en bleef zoo, half

glimlachend, naar de kerkdeur blikken, als wachtte hij met vurig

verlangen op iemand wiens verschijning hem gelukkig kon maken.

Deze man had wel de dertig jaar bereikt; zijne weinig verhevene gestalte

en de magerheid zijner leden deden hem echter jonger schijnen dan hij

was. Met vrij regelmatige wezenstrekken en diep zwarte oogen mocht hij

sommigen toeschijnen als niet beroofd van zekere schoonheid; maar zware

wenkbrauwen en scherpgeslotene lippen gaven zijn gelaat een zuur en

onvriendelijk voorkomen dat, bij den eersten blik, twijfel of mistrouwen

aangaande zijne inborst kon verwekken.

Zijne kleeding liet gissen dat hij tot den ridderstand behoorde; want

zijn overkolder was van fijn groen laken en de draagband, waaraan zijn

zwaard hing, glinsterde van gouden en zilveren stikwerk In diepe

gedachten was hij verslonden. Had in het eerste een glimlach van blijde

verwachting de harde plooi zijner lippen gematigd, nu toch schoot er

insgelijks eene bedroevende overweging door zijnen geest; want hij

sidderde van verborgene gramschap en sloeg met zijne vuist aan den arm

van het kruis waartegen hij leunde, als wilde hij den steen vermorzelen.

Dan was zijn aangezicht terugstootend van bitterheid en haat.... Maar nu

traden er eenige lieden uit de kerk--en de glimlach verscheen weder op

des ridders mond, terwijl hij verder het doodenveld overstapte om niet

te laten vermoeden dat hij daar wachtend had gestaan.

De godsdienstige plechtigheid moest ten einde zijn; want uit de nauwe

tempeldeur stroomde een vloed geloovigen van allen ouderdom en stand.

Al hadde ook het dragen der lange zwaarden en rijke kleederen de ridders

tusschen de menigte niet aangewezen, hunne trotsche houding en de

dienaars welke hen ootmoedig volgden waren toereikend geweest om hen en

hun huisgezin van de Poorters[2] of burgers te doen onderscheiden.

Deze laatsten, ernstig en bescheiden, droegen eenen langen kolder van

donkerkleurig laken, meest zwart of bruin, waarboven, aan eenen

gordelriem, de lederen tassche hing met een mes in eene scheede.

De lijfeigenen of dienstbare lieden,--die men nog met den akker, waarop

zij geboren waren, kon koopen en verkoopen,--waren gekleed in ongebleekt

linnen of in grof roestvervig laken, onzindelijk en slordig. Velen zelfs

gingen met armen en voeten naakt.

Geen dezer ongelukkigen hadde eenig wapen durven dragen, al ware het

slechts een schier onzichtbaar mes geweest. Het teeken hunner slavernij

bestond in de berooving van alle verdedigingsmiddel, en eene wreede

straf wachtte dengene die de onedelheid zijner afkomst poogde te

verbergen.

Reeds hadden vele geloovigen zich verwijderd, toen een bejaard ridder

met zijne dochter uit de kerk kwam en bij de ingangdeur bleef staan, om

met haar over iets te spreken.

Burgers en mindere lieden schikten zich met eerbied op eenige stappen

rondom hem en keken stil en verbaasd op de jonge maagd, wier schoonheid

elkeen met bewondering trof.

Deze ridder, Segher Wulf van Lampernisse, was weduwnaar; zijn eenig

kind, hem dierbaar als het licht zijner oogen, heette Dakerlia.

Alhoewel zij door hare opgeschotene gestalte en sterken lichaamsbouw de

andere vrouwen scheen te overheerschen, was zij echter nog zeer jong.

Dit getuigde het donzig waas op hare beroosde wangen, de zoete

schuchtere blik harer diepe bruine oogen, het koraal op haren fijnen

mond en iets onbestemds in haren gang.

Maar het geviel tevens dat zij, haastig met haren vader sprekende, meer

nadruk aan haar woord wilde geven, en dan ontschoot aan dit helder oog

eene vonk van gemoedskracht die de omstanders met verwondering trof en

deed denken dat in dit zoete maagdelijk wezen eene sterke ziel moest

wonen.

Zelfs murmelde op dit oogenblik eene oude burgersvrouw schier

onhoorbaar:

"Ho, de lieve jonkvrouw! Prachtige Kerlinne van het zuiverste bloed!"

Dakerlia droeg een onderkleed van witte gebloemde zijde met enge,

spannende mouwen; daarop een lichtblauw overkleed, waarvan de mouwen

integendeel wijd en afhangend waren. Haar golvend zwart haar was boven

haar hoofd met eenen witten sluier bedekt en te zaam gehouden door eenen

platten band van zuiver goud, die als eene kroon aan haar voorhoofd

blonk.

Haar vader drukte haar de hand en meende haar te verlaten; de

dienstmeid, door hem geroepen, naderde reeds om hare jonge meesteresse

te vergezellen toen eensklaps de man, die op het kerkhof had gestaan,

met vele buigingen tot hem kwam en onder vriendelijk glimlachen zeide:

"God geve u alle heil, mher Wulf en u, jonkver Dakerlia. Welkom, welkom!

Hoe verblijdt het mij u behouden weder te zien na zulke lange

afwezigheid!"[3]

"Zulke lange afwezigheid, mher Disdir Vos?" schertste Segher Wulf.

"Nauwelijks eene maand."

"Het schijnt zeer lang voor die u eeren ... en beminnen", antwoordde

Disdir, terwijl hij met eenen zucht de oogen op de jonkvrouw richtte.

"Ik dank u voor uwe genegenheid", zeide Segher Wulf, minzaam lachende,

"maar gij zult het mij vergeven, mijn goede Disdir, indien ik niet

langer met u kan kouten. Ik ben slechts gisterenavond van den zeekant

teruggekeerd en moet onmiddellijk bij den proost van St-Donaas eene

gewichtige boodschap gaan vervullen. Indien gij waarlijk nieuwsgierig

zijt om te weten hoe het ons op de reis is gegaan, Dakerlia kan er u

iets van zeggen, terwijl gij haar een eindweegs huiswaarts vergezelt."

"O, God, alleen met haar!" mompelde Disdir Vos binnensmonds terwijl

zijne oogen van blijdschap glinsterden.

En zich tot de jongvrouw keerende, vroeg hij met zekere aarzeling:

"Gij stemt toe, Dakerlia?"

[Illustratie: Ik verbied u mij nog ooit het woord toe te sturen!]

"Uw gezelschap is vereerend voor mij, mher Vos", stamelde zij, "maar, ik

bid u, geef deze moeite niet; mijne dienstmeid zal mij vergezellen."

Haar vader drukte Disdir de hand en verwijderde zich in de richting naar

den Dyver; Dakerlia, door hare meid gevolgd, stapte aan de zijde van

Disdir de Maria-straat in.

Eene wijl gingen zij stilzwijgend. De ridder hield de oogen zijdelings

op haar; zijne borst zwoegde en zijn blik ontvlamde, als bereidde hij

zich tot eenen harden strijd waarin hij eene pijnlijke wonde moest

bekomen.

Eensklaps zeide hij op eenen hollen toon, die van zijne overmatige

ontsteltenis getuigde:

"Dakerlia, ik ben ongelukkig; ik doorsta smarten die mij het leven

ondraaglijk maken. Reeds tweemaal heb ik u durven bekennen wat

onverwinnelijk gevoel voor u in mijnen boezem is ontstaan. Gij hebt

eerst ongevoelig den spot met mijn lijden gedreven, daarna koel en

bitter mij afgewezen. Ach, sedert dan is die vonk in mijn hart tot een

verterend vuur aangegroeid...."

"Maar bedwing u, heer", murmelde Dakerlia op strengen toon. "Spreek zoo

niet tot mij."

"Uw vader, die mij acht en mij met zijne genegenheid vereert, gaf mij er

het recht toe. Hem heb ik de hand zijner dochter gevraagd, en hij heeft

ze mij toegestaan op voorwaarde dat ik uwe toestemming verwierf.

Dakerlia, heb medelijden; blijf niet onmeedoogend mij veroordeelen!"

"Ik ben te jong nog om aan zulke dingen te denken", zeide de jonkvrouw.

"Te jong nog?" schertste Disdir. "Gave God dat het zoo ware!... Maar

versmachten wij den wreeden worm die daar binnen knaagt.... Dakerlia,

het lot heeft mij begunstigd: wij zijn alleen. Ik wil u mijne bekentenis

herhalen, al dreigde mij daarom de dood zelf. Ja, Dakerlia, ik bemin u;

niet zooals een ander man u zou kunnen beminnen, neen, meer dan het

leven, meer dan mijne plaats in het Walhalla der vaderen, meer dan

mijner ziele zaligheid...."

"Schromelijk!" zuchtte de maagd. "Wat gij zegt, heer, is eene

godslastering!"

"Eilaas, het is waar: ik ben blind, betooverd, zinneloos", ging Disdir

voort. "Wees toch genadig, Dakerlia; red mij uit deze hel van

vertwijfeling door een enkel minzaam woord! Gij zwijgt, o wreede?"

"Wat kan ik antwoorden op zulke taal?" morde de jonkvrouw met

ontevredenheid.

"Zeg mij, zeg mij, om Gods wil, dat ik mag hopen!"

"Ik zou liegen, Disdir."

"Gij zoudt liegen! Wee mij! Er is dus geene de minste vonk van

genegenheid voor mij in uw ijskoel hart?"

"Vriendschap, genegenheid kan ik u gunnen, als aan elk der bekenden

mijns vaders", antwoordde het meisje, "maar het gevoel dat gij van mij

eischt, mher Disdir, is iets dat zich niet laat gebieden, gij weet het

wel. Is uwe smart ongeveinsd, dan heb ik waarlijk medelijden met u. Meer

kan ik u niet geven."

Als geheel ontmoedigd, liet de ridder het hoofd op de borst vallen en

stapte eenige oogenblikken zwijgend voort.

Eene rilling doorliep welhaast zijne leden, en hij sprak tot de maagd op

zoeteren, doch niet min ontstelden toon:

"Dakerlia, gedurende deze vier eindelooze weken uwer afwezigheid heb ik

aan niets gedacht dan aan u alleen; mijne ziel is vervuld gebleven met

uw beeld; nacht en dag hebt gij voor mijne oogen gewaard. Ik heb

gedwaald als een verloren geest, u zoekende in de straten, in de

bosschen, in de woestijnen; en overal klonk mij in de ooren het

onverbiddelijke "neen, neen!" dat gij mij, als een gloeiend ijzer, op

het bloedend hart hebt gedrukt. Dakerlia, uw vader stemt toe in ons

huwelijk. Verwerp mij niet voor eeuwig. O, laat mij hopen! Bedrieg mij,

maar laat mij hopen!"

"Bedriegen kan ik niet; bedriegen wil ik niet", zuchtte de maagd, droef

en ongeduldig.

"Niets voor mij dan afkeer en misprijzen!" huilde Disdir op versmachten

toon. "Zelfs geene genegenheid genoeg om mij uit medelijden te

bedriegen! Welaan, het zij dan zoo! Liefde of verachting, mijne vrouw

zult gij worden, Dakerlia!"

"Ik uwe vrouw?" kreet de maagd met verontwaardiging. "Welk ridder, welk

vrijgeboren man zou eene vrouw door geweld tot een huwelijk zonder

genegenheid willen dwingen?"

"Eene liefde als de mijne is blind en kent geene wetten. Wat mij

verhindert, wat mij in den weg staat zal ik verbrijzelen!"

"En ik zal mijnen vader zeggen wat schaamtelooze taal gij tot zijn kind

durft voeren."

"Hij zelf schonk mij uwe hand."

"Gij weet wel, heer, dat dit onwaar is. Mijn vader laat mij de vrije

keus. Hij heeft niet verzuimd het u uitdrukkelijk te zeggen. Daarbij, ik

herhaal het u, ik ben veel te jong om aan zulk iets te denken."

Hij schouwde haar diep in de oogen en vroeg met ontstelde stemme:

"Dakerlia,--o, folterend vermoeden!--Dakerlia, gij bedriegt mij. Ware uw

hart vrij, gij zoudt niet zoo onmeedoogend voor mij zijn. Durf zeggen

dat gij niet reeds uwe keus hebt gedaan!"

Een hevige schaamteblos kleurde het voorhoofd der maagd. Zij voelde zich

gekwetst, aanzag Disdir met fieren blik en antwoordde:

"Wat geeft u de stoutheid om dus beschuldigend mij te ondervragen? Zijt

gij een eerlijk ridder en een Kerel? Waarom vergeet gij dan dat ik eene

vrouw ben en recht heb op uwen eerbied?"

"Nu, durf spreken!"

"Verwijder u, verlaat mij!" gebood de jonkvrouw op ontzagwekkenden toon.

"Ja, ik zal mij verwijderen!" gromde Disdir, uitzinnig van spijt. "Ik

weet wel wie het is die mij belet in uw hart de minste plaats te vinden,

omdat hij het geheel vervult. Robrecht Snelhoge, niet waar? Hij is een

Erembald, hij is machtig, rijk als een vorst; en de hoop dat gij nevens

hem zult schitteren...."

"Onbeschaamde, gij verzaakt zelfs mijne achting!" onderbrak de maagd met

gramschap. "Ga uwen weg; ik verbied u mij nog ooit het woord toe te

sturen!"

"Ach, vergiffenis, medelijden!" smeekte Disdir, die beefde onder den

vertoornden blik der maagd. "Laat mij eene vonk, eenen schemer slechts

van hoop!"

"Mijnen vader zal ik verzoeken u mijn verbod te doen eerbiedigen; en wij

zullen zien of gij den ouden krijgsman zult durven trotsen en zijn kind

blijven hoonen."

"Doemenis, doemenis!" kreet Disdir, van vertwijfeling de vuisten

wringende. "Gij veroordeelt mij tot eeuwige wanhoop?... Ah, neen, neen,

mijne vrouw zult gij worden, Dakerlia!"

En onder het uiten dezer woorden keerde hij zich om en liep met hevige

gebaren terug in de straat.

De jonkvrouw hield vol ontroering den blik nederwaarts en stapte in

gepeinzen voort. Het was haar bang om het hart en zij schudde soms het

hoofd in pijnlijken twijfel. Niet omdat de laatste woorden van mher Vos

haar verschrikten; want zij kende hem als een grootspreker wiens

overdrevene woorden en wiens bedreigingen weinig te vreezen waren; maar

hij had haar iets gezegd dat haar als eene angstwekkende veropenbaring

had getroffen.

Robrecht Snelhoge!--Disdir had deze beschuldiging ongetwijfeld op een

ijdel vermoeden gegrond; de schijn had hem bedrogen?

Als gebuurkind en vriendinne was Dakerlia, om zoo te zeggen, met

Robrechts zuster opgevoed geworden. Van hare eerste stappen in het leven

had zij Robrecht aan hare zijde gezien, en zij was allengs gewoon

geworden hem als eenen broeder te beschouwen. Ofschoon eenige jaren

ouder dan zij, had hij gedurende hare kindsheid wel dikwijls hare spelen

gedeeld. Later was hij ernstiger geworden; maar hij was toch zoo goed en

zoo minzaam voor haar gebleven dat zij dan met dankbaarheid aan hem en

aan hare kinderjaren kon denken. Ach, was het iets meer dan broederlijke

genegenheid, dit diep en innig gevoel dat hen alle drie reeds zoolang in

den band der schuldelooze vriendschap hield gesloten?

Dit waren de angstige gepeinzen der maagd, terwijl zij langzaam de

Hoogstraat instapte.

Van wederzijde dezer straat kon men drie slag van woningen bemerken. De

talrijkste waren huizen tot welker bouw men terzelfder tijd hout en

baksteenen had gebezigd. Eenigen dezer woonsteden van welhebbende

poorters waren tamelijk hoog, en de stijlen hunner enge deuren en de

omlijsten hunner rondbogige vensters waren met eenen overvloed van

gesneden beeldwerk versierd. Het benedengedeelte dezer huizen was

ingericht tot winkels of stapels van allerlei waren; men verkocht er

laken en lijnwaad, leder, huisgerief, ijzerwerk, landbouwgereedschappen

en vele andere benoodigheden des levens of voorwerpen des handels.

Daartusschen en bij groepen hier en daar te zamen geschikt, zag men ook

houten hutten zonder verdiep, zeer laag en onzindelijk, die tot

schuilplaats dienden aan onvrije of geheel arme lieden.

Verder, ten einde der straat, hieven twee ridderlijke Steenen[4] hunne

ronde of achtkantige torens in de hoogte; zij schenen door hunnen loggen

bouwtrant en door de schietgaten, die als zoovele wakende oogen over de

poortershuizen heenkeken, al wat hen omringde te bedreigen en te

overheerschen. En waarlijk, zulk sterk slot, te midden der stad zelve

opgericht, moest in dien tijd den burgers en onvrijen lieden ontzag en

vrees inboezemen voor de heerschzuchtige ridders, die met macht uit dit

arendnest konden vallen, om onrecht te plegen, doch niet vervolgd konden

worden achter muren welke de stormram zelfs onwrikbaar vond.

Van zulke versterkte Steenen stonden er velen binnen Brugge of in de

nabijheid; want reeds alsdan ontkiemden niet alleenlijk in deze stad de

Vlaamsche bedrijvigheid en de Vlaamsche koophandel; maar zij was tevens

het gewoon verblijf van den graaf van Vlaanderen, wiens hofhouding

talrijke edele landheeren uitlokte. Elk dezer machtige ridders had zich

het recht aangematigd om een dergelijk bewald en immer dreigend kasteel

te bewonen.

Dakerlia hield haren ontstelden blik gericht naar eene der beide

ridderwoningen, welker gulden weerhanen in de verte boven de hoogste

poortershuizen glinsterden.

Nu moest zij in hare overwegingen tot een besluit geraakt zijn, want zij

zag er zeer droef en neerslachtig uit; ja, zij vertraagde nog haren

gang, als hadde zij gevreesd het einde der straat te bereiken.

Daar stond nochtans de Steen haars vaders ... maar bijna recht er over

stond de Steen waar de ouderlooze Robrecht Sneloghe met zijne jonge

zuster Witta woonde.

Kon Dakerlia, na eene maandlange afwezigheid, nalaten hare trouwe

vriendin Witta te bezoeken? Onmogelijk!... maar indien Robrecht te huis

was en zijn oog haren vreesachtigen blik ontmoette? Zou zij niet beven,

schaamrood worden en den angst haars harten verraden?

Ja, nu toch zag zij klaar in hare eigene ziel. Hoe had zij het zoolang

voor zich zelve kunnen verborgen houden? Het nijdig woord van Disdir Vos

was er noodig geweest om haar die geheimenis te veropenbaren: uit hare

zusterlijke vriendschap voor Robrecht was een ander gevoel ontstaan!

Nu wist zij waarom zij, maanden reeds voor haar vertrek, eene

onweerstaanbare neiging had gevoeld om hare bezoeken bij Witta in getal

te verminderen en in duur te verkorten; waarom zij zwijgend was geworden

in Robrechts tegenwoordigheid en den blik nedersloeg als hij haar

bezag.... Ah, daarom had het beeld van Robrecht op geheel deze reis haar

vervolgd als een onverjaagbare droom!

Zij stond voor de poort van haars vaders Steen, toen zij met een treurig

knikken deze laatste gedachten bevestigde. Zij meende binnen te treden,

want de meid had reeds den ijzeren klopper laten nedervallen; maar

eensklaps ontsnapte haar een lange zucht; zij richtte het hoofd als met

fierheid op en murmelde in zich zelve:

"Waarom zou ik beschaamd zijn? Ben ik schuldig? Heb ik voor mij zelve

het zoolang kunnen verborgen houden, waarom zou mij dan de noodige

sterkte ontbreken om het voor alle anderen te verbergen? En indien

Robrecht niet vermoedt wat er in mijn hart omgaat?... Misschien is hij

niet te huis? Ik kan toch niet als eene vijandin afbreken met zijne

goede zuster. Wat kwaad heeft zij mij gedaan? Kom, ik zal moed hebben,

mij sterk houden en God bidden dat Hij mij machtig make tegen een gevoel

dat mij verschrikt...."

Zij wenkte de meid en zeide haar:

"Ga binnen, Gertrudis; ik behoef uwen dienst niet meer. Komt mijn heer

vader te huis en vraagt hij naar mij, meld hem dat ik mijne vriendin

Witta ben gaan bezoeken."

Zij richtte zich hierop tot den grooten Steen aan de overzijde der

straat en vroeg eenen dienaar, die in de halfgeopende poort stond, of

jonkver Witta Sneloghe te huis was.

Met een bevestigend antwoord leidde de huisknecht haar over den Neerhof.

Zij volgde hem schier bevend; doch toen hij haar meldde dat zijn meester

sedert den vroegen morgen reeds was uitgegaan, verlichtte haar gemoed en

zij glimlachte zelfs met blijdschap, als viele er een drukkende steen

van haar hart.

De dienaar bracht haar in eene kleine benedenzaal en schoof eenen

leunstoel vooruit.

"Jonkver Wulf", zeide hij, "mijne meesteresse is boven en ongetwijfeld

bezig aan haren opschik. Ik zal eene meid bevelen haar van uwe komst te

gaan verwittigen. Gelief dus het mij niet ten kwade te duiden indien gij

verplicht waart eene korte wijle te wachten"

Dakerlia zette zich neder en liet hare blikken, vrij en helder, rondom

deze kamer dwalen, elk voorwerp glimlachend aanziende, als begroette zij

oude, zeer oude vrienden, tusschen welke zij in reeds verre afzijnde

tijden had geleefd.

Inderdaad, het speelzieke kind, het vrije en zorgelooze meisje, dat hier

vroeger leefde, bestond niet meer; de tijd van heldere, belanglooze

vriendschap was reeds het verleden geworden....

De zaal waarin zij zich bevond was tamelijk duister, dewijl de kleine,

groenachtige vensterruiten slechts een beperkt en gematigd licht

toelieten. Aan de voeten der jonkvrouw spreidde de vloer van kleurige

baksteenen zijne gebloemde reken uit; boven haar hoofd rustte het

verdiep op eiken balken, welker kanten en steunsels versierd waren met

schoone beeldingen, schitterende van goud en allerlei prachtige verven.

Eveneens bestond hier alle huisraad uit gesneden eikenhout dat, ofschoon

donker en zwaar, de teekens droeg van geduldvollen arbeid en van

rijkdom.

In het diepe der zaal verhief zich een hooge schoorsteen van blauw

arduin, en daarboven prijkten eenige ridderlijke wapens, zooals een

krijgsdegen, een maliehemd, een harnas en een ijzeren stormhoed.

Dakerlia was opgestaan en stapte rondom de kamer, als wilde zij elk der

voorwerpen, welke er zich bevonden, van naderbij beschouwen. Misschien

gaf zij slechts toe aan de onrustigheid die haar nog beheerschte.

Zij was blijven stilstaan voor eene halfgeopende kas waarin drie of vier

boeken op een berd lagen. Met verslondenheid hield zij eene wijl de

oogen er op gevestigd. Zij keek eensklaps bespiedend naar de deur der

zaal, als iemand die aarzelt om eene laakbare daad te plegen, greep dan

de deur der kas aan en opende ze verder....

Een zucht ontsnapte haar. Daar stond, nevens de boeken, eene dooze of

zeer klein schrijn, met leder overtogen en met gulden inlegwerk gesierd,

dat ongetwijfeld een juweel of eenig ander kostbaar kleinood moest

bevatten.

Eene lange wijl staarde zij beweegloos doch met begeesterden blik op

deze dooze, legde eindelijk aarzelend de hand er op en schouwde biddend

ten hemel.

Zij murmelde zeer zacht, als vreesde zij dat haar gelispel door iemand

kon worden gehoord:

"Dit schrijn bevat het levensgeluk eener vrouw! Toen zijne moeder haar

einde voelde naderen, schonk zij hem het kostbaar juweel, en zeide tot

vaarwel:'Robrecht, sier daarmede den hals uwer bruid tot mijne

gedachtenis!' Wie? wie zal het zijn, o genadige God?"

Maar een gevoel van beschaamdheid greep haar aan; zij duwde de kas toe,

keerde terug naar den leunstoel en liet er zich op nederzakken.

Waarschijnlijk zette zij den gelukkigen droom voort, die bij de kas hare

dwalende ziel had gestreeld; want nog was haar oog helder en een blijde

glimlach bleef op hare lippen zweven ... totdat eene nog jongere maagd

dan zij in de zaal trad en, met opene armen op haar toesnelde terwijl

zij uitriep:

"Ah, God dank, God dank, daar zijt gij behouden weergekeerd, lieve

Dakerlia!"

"Goede, dierbare Witta", murmelde jonkver Wulf ontroerd, terwijl zij

Robrechts zuster omhelsde, "hoe heb ik onverpoosd aan u gedacht! Nu toch

ben ik wel gelukkig u weder te zien!"

"En ik, Dakerlia, ik was zoo bedroefd en treurig dezen morgen...."

"Treurig? Waarom, vriendinne?"

"Van gisterenavond heeft mijn broeder mij gezegd dat gij teruggekomen

waart. Hij vernam het van onzen oom, den kastelein Hacket, die u in

eenen wagen de Ezelpoort zag binnenrijden. Ik ben vandaag met de zon

opgestaan en heb lang uitgezien of gij niet kwaamt. De vermoeidheid,

niet waar? Gij hebt wat laat geslapen?"

"Maar neen, gij misgrijpt u", antwoordde Dakerlia, hare vriendin de hand

nemende. "Kom, laat ons zitten en kouten. Het is eene gansche

geschiedenis die ik u moet vertellen."

"De reden waarom gij zoo laat mij bezoekt?"

"Ja, Witta; het was eene gelofte die ik, op zee, aan Onze-Lieve-Vrouw

van Brugge heb gedaan."

"Op zee, Dakerlia? In eenen storm? Geloofd zij de Heilige Moeder, die u

heeft beschermd. Maar, lieve hemel, hoe geraaktet gij op de woeste zee?"

"Die zal ik u gaan verhalen, Witta. Luister slechts.... Toen wij te

Lampernisse op de hofstede mijner moei kwamen, was zij zoo ziek dat wij

haar onzen innigen dank betuigden omdat zij ons had laten roepen. Nadat

ik bijna twee weken nevens haar bed had gewaakt, haar had getroost en

verpleegd, werd zij eensklaps beter, en een paar dagen daarna gevoelde

zij zich reeds tot zooverre hersteld dat zij van den bedde opstond en

met mij in den hof wandelde...."

"Hoe? Uwe moei is genezen!" kreet Robrechts zuster verwonderd.

"Maar neen, Witta. Laat mij toch voortgaan. Zij scheen geheel genezen en

onze zorgen niet meer te behoeven. Te Veurne, dat schier aan Lampernisse

paalt, vernam mijn vader dat eenige kooplieden, vrije mannen en Kerels

als hij, voorgenomen hadden in gezelschap naar Witzand te reizen, eene

zeehaven in het graafschap van Boonen[5] gelegen. Dit bracht mijnen

vader op de gedachte deze gelegenheid waar te nemen om zijnen broeder te

bezoeken die niet verre van daar te Helbedinghem woont, en welken hij in

tien jaar niet meer had gezien. Het was wel dertig uren verre; maar

toch, ik, nieuwsgierig om dit gedeelte van het oude Kerlingaland te

kennen...."

"Dertig uren verre over zee? En gij hebt aanvaard?" kreet Witta

verbaasd.

"Dan nog niet, vriendin. Wij reisden over land, en kwamen na vier dagen

behouden te Witzand aan."

"Maar hebt gij niets merkwaardigs of zonderlings onderwege gezien,

Dakerlia? Vertel mij toch iets van uwe lange reis!"

"Wat zal ik u vertellen? Het land, alhoewel wat heuvelachtig, ziet er

uit als hier; de lieden zijn er Kerels van ons geslacht en spreken er

hetzelfde Dietsch als wij, Kerels van Vlaanderen[6]."

"Zij zijn dus ook vrije mannen?"

"Dat weet ik niet al te wel", gaf Dakerlia, het hoofd schuddende, ten

antwoord. "Het schijnt dat hunne voorvaders vroeger door de graven van

Gwynen en van Boonen wreedelijk zijn verdrukt geworden, en dat zij nu in

eene halve dienstbaarheid leven. Het recht tot het voeren van wapens is

hun ontroofd. Zij betalen eene schatting om eene houten kolf tot

verdediging te mogen dragen, en die verlaten zij nooit. Daarom noemt men

hen de Kolvekerels, en die onrechtvaardige schatting, de Kolvekerlij[7].

Deze menschen, wanneer de vrije Kerels uit Vlaanderen zien, klagen over

hun lot en drukken de hoop uit dat zij nog wel eens uit de

dienstbaarheid zullen opstaan. Anders zijn zij van opzicht, gestalte en

kleeding geheel gelijk aan onze Kerels die de Ambachten bewonen. Meer

weet ik u van hen niet te vertellen."

"Maar hoe geraakt gij op de zee, Dakerlia?"

"Het is gansch eenvoudig. Te Witzand lag een schip van Brugge, dat met

eene lading koren en schapevachten naar het Swin[8] zou varen. De

stuurman was een Kerel van Uitkerke die mijn vader goed kende. Hij

stelde ons voor ons onderweg te Sandeshove[9], op de Vlaamsche kust, aan

wal te zetten. Daar wij geen gezelschap hadden om over land terug te

keeren en de reis over zee korter en gemakkelijker is, besloot mijn

vader het aanbod van den stuurman te aanvaarden, indien ik toestemde. Ik

durf het wel bekennen, Witta: ik was een beetje verschrikt van de

overvaart op den grooten, wilden plas; maar de tegenwoordigheid van

eenen Walschen priester, die naar Rodenburg[10] wilde en met ons zou

varen, gaf mij moed."

"En gij deinsdet niet terug van eene zoo lange zeereis, Dakerlia?"

"Neen, vermits een priester ze zonder kommer wilde ondernemen."

"Een priester is een man; wij zijn zwakke vrouwen."

"Maar, onnoozele Witta, onderscheidt de zee?"

"Het is gelijk, Dakerlia; gij doet mij kiekenvleesch krijgen. Vertel

haastig: gij gingt op het schip?"

"Ja. Den vijfden dag na onze aankomst te Witzand, met eenen zachten,

gunstigen wind, staken wij des morgens in zee. Het was helder weder en,

ofschoon zeer verre van de kust, konden wij de zandduinen langs het

strand in de zon zien schitteren. De Walsche priester koutte met mij en

toonde mij in de verte de havens en dorpen welke hij herkende. Zoo

voeren wij voorbij eene stad die mijn vader Rembrechtsgat noemde en de

priester mij met den naam van Calaisiacum of Kales aanwees. Daar viel,

nevens ons schip, een groote vogel uit de lucht, die duikelde en met

eenen visch in den snavel opwaarts steeg. Deze vogel was een zee-arend

en had blauwe beenen. Mijn vader zeide mij ter dier gelegenheid dat de

Kerels van de zeekust, om te betuigen dat zij stoute en behendige

stuurlieden zijn, zich zelven Blauwvoeten noemen, dit wil zeggen:

arenden der zee. Daarvan komt het, Witta, dat onze vijanden alle Kerels

dien naam als een spotwoord toewerpen[11]."

"Ja, maar de Kerels noemen de Leenheeren Isegrims, dat is wolven. Het

is niet schooner...."

"Later op den dag zagen wij Mardyck en de nieuwe kerk in de duinen, die

de priester Dino-Clesia heette, dat is Duinkerke. Schoon en zacht was

het weder tot dan gebleven; ik had den ganschen dag op het dek gestaan,

uitkijkend naar de duinen, of mijnen blik badend in het kolkachtig en

onbestemd verschiet der groene zee, toen eene grauwe wolk zich aan den

gezichteinder vertoonde. Alhoewel nu en dan een zwakke weerlicht uit den

schoot der donkere streep opwalmde, begreep ik niet waarom de schipper

onmiddellijk ongerust werd en met stille stem geheimzinnige bevelen aan

zijne bootsgezellen gaf. Maar de wolk groeide al spoedig tot eenen

zwarten berg aan, schoot als een loodvervige muur voor de zon,

ontplooide zich over den ganschen hemel en dompelde ons in eene

angstwekkende duisternis. Onder voorwendsel dat het sterk zou regenen,

had men mijnen vader en mij naar beneden in de kamer van het schip doen

gaan. Daar hoorden wij weldra doffe, doch akelige donderslagen. Het

bliksemlicht was zoo hevig dat het ons scheen te willen verblinden. Tot

dan besefte ik niet dat eenig bijzonder gevaar ons bedreigde; want het

schip lag stil en rustig, dacht mij. Ik geloofde mijnen vader die poogde

mij te overtuigen dat hier geene reden bestond om ongerust te zijn, en

ik toonde mij zelfs zeer tevreden, omdat iets nieuws de eentonigheid

onzer reis ging onderbreken.... Maar, Witta lief, eenige oogenblikken

daarna zat ik nevens mijnen vader geknield, hem met de eene hand

vasthoudend om niet te vallen, en de andere in de hoogte heffende om 's

hemels bijstand af te smeeken. Een woedend orkaan was over de zee

gerezen en hief nu de golven tot bergen in de hoogte. Het schip

slingerde heen en weer, het draaide, het wentelde, het kraakte! Tweemaal

werd ik met mijnen vader tegen den wand geslagen; doch wij stonden

telkens op om nog inniger te bidden. Donder, hagel, wind huilden

daarbuiten, als ware het einde der wereld verschenen...."

"O, mijn God!" zuchtte Robrechts zuster, "ik beef! Het koude zweet staat

mij op het voorhoofd! En gij zijt niet van schrik gestorven, Dakerlia?"

"Het is dan, Witta, dat ik Onze-Lieve-Vrouwe van Brugge mijn gouden

kruis met de groene smaragden heb beloofd op te dragen, indien zij

mijnen vader en mij geliefde tegen dezen akeligen dood te beschermen.

Zij heeft mijn gebed verhoord. En ik, zoohaast dezen morgen de zon was

opgerezen, ben met mijnen vader ter kerke gegaan om er de gedane gelofte

te vervullen. Wij zijn zeer lang blijven bidden en danken ... en dit is

de reden waarom ik zoo laat tot u ben gekomen."

"Maar Dakerlia", murmelde Witta, "dit is een verbazend mirakel! Viel het

schrikkelijk onweer zoo eensklaps door de voorspraak van

Onze-Lieve-Vrouw?"

"Neen, het duurde nog lang voort; maar het verminderde allengs. Ik werd

ziek van de zeekwaal en bleef dien geheelen nacht te bedde, schrikkelijk

lijdend, doch bijna bewusteloos. Des anderen daags rees de zon weder aan

eenen blauwen hemel op, en ik was geheel genezen. De stuurman liep de

haven van Sandeshove binnen en zette ons daar aan wal. Wij, uiterst

welgemoed over onze behoudenis, trokken langs Veurne naar

Lampernisse...."

Hier werd Dakerlia's stem eensklaps dof en zij onderbrak haar verhaal.

"Welnu?" vroeg Robrechts zuster. "Wat geschiedt u? Tranen in uwe oogen?"

"Ja, Witta; wij meenden mijne goede moei gansch hersteld te vinden ...

en oordeel over onze droefheid: toen wij de hofstede binnentraden en de

armen reeds uitstaken om haar te omhelzen, toonde men ons...."

"Hemel, wat toch?"

"Haar lijk, Witta!"

Een kreet van medelijden klonk door de zaal, en de beide jonkvrouwen

bleven eene poos zwijgend. Dan zeide Witta:

"Kom, Dakerlia, troost u in de gedachte dat de Heer haar eene plaats in

zijnen schoonen hemel heeft gegund. Zij was reeds oud, ongetwijfeld, en

wij zijn allen sterfelijk."

"Het is waar, mijne goede Witta; genoeg reeds heb ik ginder geweend;

want gij zoudt niet gelooven, vriendinne, hoe treffend en hoe roerend de

lijkplechtigheden zijn onder onze Kerels der Ambachten!"

"De Kerels zijn immers Christenen als wij?" bemerkte Robrechts zuster,

"Het moet te Veurne bijna toegaan gelijk hier te Brugge."

"Neen, toch niet. Wel zijn zij Christenen; maar zij hebben nog vele

voorvaderlijke gewoonten behouden, welke wij, Kerels in de steden,

sedert lang hebben vergeten. Van den kerkelijken dienst moet ik u niet

spreken, die is inderdaad overal dezelfde. Het lijk mijner moei lag in

hare schoonste zondagskleederen uitgestrekt op eene breede tafel, met

een spinrok in den arm, even alsof zij nog leefde. Iemand zeide mij

sedert, dat men nevens het doode lichaam van eenen man een naakt zwaard

legt en de afgestorvene kinderen met speelgoed omringt....[12] Aan het

voeteneinde mijner moei stonden drie schotels, de eene met gebraden

vleesch, de andere met gortebrij, de derde met kleine koeken van

weitebloem, en daarnevens eene groote kruik met hoppebier. Met welk

inzicht zulks geschiedde, kon men mij niet goed verklaren. Oude vrouwen

schenen te gelooven dat 's menschen ziel, wanneer zij eens van het

lichaam is gescheiden, nog kan eten, en men daarom voedsel bij het lijk

moet zetten. Vindt gij die gedachte niet zonderling, Witta?"

"Het is bijgeloof, zondig bijgeloof, Dakerlia."

"Het scheen mij insgelijks zoo. Maar het is niet alles. Gedurende de

drie dagen dat mijne moei boven de aarde bleef liggen, zaten immer

twaalf vrouwen rondom het lijk te krijschen en te huilen, dat men het

wel op honderd stappen buiten de hofstede kon hooren. Deze vrouwen

woonden in de gebuurte of waren bloedverwanten of bekenden, en alle drie

uren wisselden zij elkander af. Mij kwetste dit overdreven misbaar; maar

men deed mij begrijpen dat, hoe meer en hoe heviger er werd geweend en

geklaagd, hoe grooter eere der afgestorvene werd bewezen.--Den avond

voor de begrafenis had men mij uit de doodenkamer doen gaan; maar men

riep mij een half uur daarna terug. Daar vond ik al onze bloedverwanten,

vrouwen en mannen, in grooten ernst en plechtigheid rondom de lijktafel.

Een stokoud man, met eenen langen witten baard, deed eenige zonderlinge

teekens over mijne moei en scheen iets in haar oor te prevelen; dan nam

hij de weitekoekjes, brak ze aan twee en gaf den omstanders elk een

stuk. Iedereen begon er van te eten. Mijn vader, die mijne aarzeling

bemerkte, deed mij de anderen navolgen. Ik mocht niet weigeren deel te

nemen aan deze plechtigheid, die men _het doodenmaal_ noemde. Daarna

schonk men bier uit de kanne in eenen grooten hoorn en men dronk _de

doodenminne_ in het ronde, terwijl de oude man met den witten baard

eenige druppels uit de kan rondom het lijk stortte en vreemdklinkende

woorden mompelde. Voor het laatste moesten wij tot vaarwel het lijk

eenen kus op voorhoofd en lippen drukken, en dit heet men daar de

_doodenzoene_, die alle reden tot wrok, haat of vijandschap vernietigt

welke er tusschen de afgestorvene en iemand der aanwezigen zou kunnen

bestaan."

"Maar, lieve hemel!" zuchtte Robrechts zuster, "men zou zeggen dat gij

van Heidenen spreekt! En gij hebt aan deze onchristelijke plechtigheden

deelgenomen, Dakerlia?"

"Ik moest wel, mijn vader gebood het mij. En toch, wat kwaad bestaat

daarin, Witta? Het zijn onze voorouderlijke gewoonten."

Robrechts zuster schudde afkeurend het hoofd.

"Kom, laat ons nu daarover niet twisten", hernam Dakerlia "Waren wij in

de Ambachten geboren en opgevoed, wij zouden deze gewoonten noch vreemd

noch laakbaar vinden."

"Maar, Dakerlia, een kanunnik van Poperinghem zeide mij eens dat de

Houtkerels, die in de bosschen wonen, den boozen geest aanbidden."

"Deze kanunnik heeft men bedrogen. De Kerels hebben vele vijanden die

kwaad van hen spreken; maar geloof mij, Witta, de lieden van

Kerlingaland[13] denken aan God bij al wat zij doen."

"Welnu, ga voort, Dakerlia. Was de begrafenis uwer moei prachtig?"

"Prachtig, zooals wij het verstaan, neen; maar er was groote toeloop

van volk. Het lijk, door vrouwen gedragen, was opgevolgd door wel

vijfhonderd menschen, allen met bukstwijgen of wijpalmtakken in de hand.

De wijpalm is in Kerlingaland de boom der dooden. Al de mannen hadden

lange baarden, die afhingen tot verre op de borst, en aan hunne zijde

een krom zwaard, dat zij eene schermzeis noemen[14]. Elk gehuwde Kerel

was vergezeld van zijne vrouw en kinderen. Ik zag er die er wel zeven of

acht rondom zich hadden."

"En gingen die kinderen ter begrafenis, Dakerlia?"

"Het is eene wonderlijke gewoonte, ginder, Witta. Waar het niet

volstrekt onmogelijk is, heeft de Kerel altijd zijne vrouw bij zich, en

zijne kinderen zelven verlaten hem zelden. Wat eerbied en wat

genegenheid een Kerel zijne vrouw betuigt, is bijna niet begrijpelijk.

Ook, wie ginder, buiten zake van oorlog of veete, eene vrouw durft

hinderen of hoonen, wordt, het geheele Ambacht door, als een eerlooze

veracht en gehaat. Van de begrafenis zelve zal ik u niet veel zeggen;

zij geschiedde op geheel christelijke en stichtende wijze. Maar toen wij

op de hofstede terugkeerden, begon daar een feest dat mij eerst zeer

verbaasde, doch eindelijk mij, als een vreemd schouwspel, met groote

belangstelling de oogen uit het hoofd deed kijken. Men had de groote

schuur geledigd en vele banken en tafels er in gesteld. Daar werden nu

groote ketels brij, een kalf en twee schapen gebraden en gezoden

opgediend. Al deze lieden, mannen, vrouwen, kinderen, begonnen te eten

met zulken lust dat het zonderling was om te zien. Een paar vaten lagen

in eenen hoek der schuur, en men dronk mee en bier bij herhaalde teugen,

telkens daarvan eenige druppels ten gronde stortende. Eene vrouw, die ik

naar de reden dezer vreemde gewoonte vroeg zeide mij dat men dus van den

drank een weinig ter aarde werpt voor de ziel van den afgestorvene,

welke onzichtbaar het doodenfeest bijwoont. Eene andere, integendeel,

beweerde dat men het doet als een offer om de Drollen te bevredigen."

"De Drollen, wat is dit?" mompelde Witta verrast.

"Ja, dit weet ik reeds sedert jaren", antwoordde Dakerlia. "Mijn vader

heeft mij er meer dan eens van gesproken. Vroeger tijd, toen de Kerels

nog geheel Heidenen waren, had elk zijn huisgod, wiens beeld nevens den

haard in een klein kapelleken stond; en, wat men at of dronk, men smeet

er een weinig van ten gronde om hem te vereeren. Deze huisgoden noemde

men de Drollen, en onze Kerels gelooven nu, dat deze Drollen kwade

geesten geworden zijn.--Daarvan, Witta, dat wij nog, in al onze

schoorsteenen, zulk kapelleken hebben, alhoewel wij er nu een beeldje

der heilige maagd Maria inzetten ...[15] maar ik ga voort met u te

vertellen van het feest. Eindelijk, als dit groote doodenmaal ten einde

was, haalde men een paar doedelzakken voor den dag, en al deze mannen

met hunne lange baarden, en de vrouwen en de kinderen begonnen te dansen

en te zingen, op de maat der speeltuigen, dat ik er schier blind en doof

van werd. Dit duurde zeer laat op den dag, totdat twee Kerels, door de

mee en den dans verdwaasd, "kamp! kamp!" riepen, hunne zwaarden trokken

en elkander het hoofd wilden klooven. De twist werd door vrienden

bijgelegd, en men besliste daarop dat het tijd was om huiswaarts te

keeren. Zingende en springende door veld en bosch, ging elke Kerel met

vrouw en kinderen zijnen weg; en een vierendeel uur later was het zoo

stil op de hofstede alsof er niets was geschied."

"Mij schijnt", bemerkte Witta, "dat de Kerels in de Ambachten grof en

woest moeten zijn."

"Toch niet; zij zijn zeer goed, vroolijk, trouw, dienstvaardig en

arbeidszaam; maar hunne trotschheid is iets opmerkelijks. Bij den

minsten hoon grijpen zij naar hunne schermzeis...."

De huisknecht opende de deur en meldde zijne meesteresse dat er een

schildknaap was gekomen met eene boodschap voor mher Robrecht, welke hij

slechts aan haar wilde afgeven.

Jonkver Sneloghe ging daarop ter zaal uit en liet hare vriendin alleen.

Korten tijd daarna keerde zij echter terug en zeide tot Dakerlia:

"Dit is een schildknaap van mehr Rijkaard Van Woumen, die mijnen broeder

laat weten dat hij hem heden voor den middag ten zijnent zal verwachten.

Ik denk er nu eerst aan, Dakerlia: gij hebt mij nog niet eens gevraagd

hoe het met mijnen broeder gaat."

Jonkver Wulf, door dezen onverwachten oproep verrast, murmelde eene

onduidelijke verschooning.

"Inderdaad", bevestigde Witta, "al die vervaarlijke geschiedenissen van

den storm op zee en de akelige lijkplechtigheden der Kerels beletteden u

aan Robrecht te denken."

"Neen, neen, ik wist van uwen huisschalk dat zijn meester welvarend is

en reeds dezen morgen, zeer vroeg en opgeruimd van geest, is uitgegaan."

"Opgeruimd van geest? Heeft de schalk zulks gezegd, Dakerlia?"

"Ik meen het zoo te hebben verstaan."

"Hij zal niet wel gezien hebben: mijn broeder is integendeel, sedert

meer dan drie weken, zwaarmoedig en diep treurig zelfs."

"Hij heeft verdriet? Waarom?"

"Ik weet het niet; hij verbergt het mij. Het moet een geheim, een

pijnlijk geheim zijn; want hij is ontevreden en verlegen als ik hem naar

de reden zijner afgetrokkenheid vraag.--Wel poogt hij dan mij te doen

gelooven dat niets hem bekommerd, en veinst hij opgeruimdheid; maar

evenras vervalt hij in stille mijmerij en murmelt treurige woorden in

zich zelven. Nauwelijks waart gij vertrokken, Dakerlia, of mijn broeder

werd dus droefgeestig en zwijgend; nu, sedert eenige dagen is zijn

verdriet nog aangegroeid. De reden daarvan meen ik te kunnen raden.

Verbeeld u, Dakerlia, dat onze oom, de proost van St-Donaas, en Hacket,

de kastelein, zich in het hoofd gestoken hebben mijnen broeder met

Placida Van Woumen te doen trouwen...."

"Mijn God ... trouwen ... wat zegt gij, Witta?" stamelde jonkver Wulf,

sidderend van het geweld dat zij deed om den diepen indruk dezer tijding

op haar te verbergen.

"Het zou voorwaar een eervol huwelijk zijn, Dakerlia. Mher Rijkaard Van

Woumen is een zeer geacht ridder en uiterst machtig bij den graaf."

"Maar die Placida, kent gij haar, Witta?"

"Zeker. Men roemt hare schoonheid. Wel zegt men dat zij trotsch is, doch

dat misstaat eene edelgeborene jonkvrouw niet. Daarbij, zij is eene der

rijkste erfgenamen van Vlaanderen."

"Maar, Witta, haar vader is een Isegrim; een dergenen die samenspannen

met de Tancmars, onze vijanden, en met de Leenheeren, die de Kerels der

Ambachten van hunne vrijheid hebben willen berooven."

"Mijn oom, de proost van St-Donaas, zegt, dat men hem ten onrechte zulks

ten laste legt. Hij heeft integendeel de Kerels bij den graaf

verdedigd."

"Maar, Witta, jonkver Van Woumen moest trouwen met Ghijselbrecht

Tancmar, den rusteloozen vijand der Erembalds?"

"Van dit huwelijk is er geen spraak meer."

"Het is gelijk: Placida is geene Kerlinne; het bloed der verdrukkers

vloeit in hare aderen."

Robrechts zuster, verwonderd over den scherpen toon van Dakerlia's

stemme, aanschouwde haar twijfelend.

"Gij verwondert mij", zeide zij. "Hoe zijt gij nu eensklaps zulke

onverzoenbare Kerlinne geworden? Men zou gaan vermoeden dat gij die

schuldelooze Placida eenen bijzonderen haat toedraagt."

Jonkver Wulf antwoordde niet; zij scheen vertoornd, alhoewel hare

glinsterende oogen vochtig waren en zij zichtbaar geweld deed om

opwellende tranen te bedwingen.

Zij stond op en zeide:

"Ik gevoel mij niet al te wel; ik heb pijn in het hoofd en moet rusten.

Naar huis wil ik gaan."

Witta greep haar de hand en sprak lachende:

"Kom, kom, blijf met mij. Gij veinst! Maar hoe kan toch zulk onbeduidend

nieuws u dermate ontstellen?"

"Robrecht zal ongelukkig zijn."

"Indien hij met jonkver Van Woumen trouwt?"

"Ja, zeer ongelukkig."

"Waarom?"

"Ah, Witta, gij kent haren hoogmoed niet! Zij zal hem later de eer

verwijten die zij meent hem aan te doen door hare hand hem te schenken."

"Hoe toch? mijn broeder is rijker dan zij."

"Ja, maar zij waant zich van edeler bloed dan een Kerel. Nu stemt zij

misschien toe het te vergeten; maar er zijn honderden Isegrims in haar

eigen maagschap, die later haar deze verbintenis met eenen Blauwvoet

zullen verwijten. Arme Robrecht, welk lot voor zijne fiere mannelijke

ziel!"

En bij het uiten dezer laatste woorden legde Dakerlia zich de handen

voor de oogen om de geweldige droefheid te verbergen die haar het hart

beklemde.

Witta misgreep zich over de reden dezer ontsteltenis en voelde zich

geneigd om de vrees harer vriendin te deelen. Zij sprak troostende:

"Nu, Dakerlia, dit huwelijk is nog niet gesloten. Mijn broeder heeft

niet veel lust om te trouwen."

"Heeft hij u dit gezegd?" kreet Dakerlia met eene vonk van blijdschap in

de oogen.

"Neen, duidelijk heeft hij het mij niet gezegd. Hij is ook voor deze

zaak zoo achterhoudend, zoo stilzwijgend met mij! Ik heb reeds eens

eenen geheelen nacht in stilte geweend, omdat ik meende zijn broederlijk

vertrouwen te hebben verloren. Maar, Dakerlia, indien hij verheugd was

over de pogingen die de proost van St-Donaas aanwendt om dit huwelijk

mogelijk te maken, zou dan mijn arme broeder sedert vijftien dagen in

eenzaamheid morren, het hoofd schudden en zijne vuisten wringen, als

drukte hem een pijnlijk gewicht op het hart?"

"Ach, ik begrijp het, Witta: men wil hem dwingen!"

"Gij weet, Dakerlia, dat hij niet licht te dwingen is."

"Maar indien zijn oom, de proost, het gebiedt?"

"Hij zal toch weigeren."

"Hoe weet gij dit?"

"Hij heeft het gezegd."

"U gezegd?"

"Neen, maar ik hoorde eens, op eenen laten avond dat ik voorbij mijns

broeders kamer ging, hoe hij met kracht uitriep: Nooit, nooit! Ik mag

niet, ik kan niet!... Maar hoort gij het kort en snel geblaf van onzen

wolfshond? Gij kent dit teeken: mijn broeder komt!"

Dakerlia beschouwde bevend rondom de kamer, als iemand die onbewust een

middel zoekt om aan eene gevreesde ontmoeting te ontsnappen. Zij stapte

zelfs naar de deur om heen te gaan; maar Witta hield haar terug en riep

lachend uit:

"Maar wat is dit nu, lieve hemel? Zijt gij vervaard van mijnen broeder

geworden? Hij is toch reeds in den gang; gij kunt hem niet beletten u

welkom te heeten."

Nauwelijks was Dakerlia in de zaal teruggeweken, of Robrecht Sneloghe

verscheen in de deur.

Hij was een jong ridder, rijzig van gestalte, sterk van leden, met

schoon gelaat, glinsterende donkere oogen en lange bruine haren. Zijn

degengevest was met gesteente afgezet, en zijn zwierig kleedsel met

kostbaar gouden stikwerk geboord. Konden deze teekenen van rijkdom den

eerbied der mindere lieden voor hem opwekken, zijn open doch mannelijk

aangezicht, iets in zijne uitdrukking, zacht en fier tevens, stemde

iedereen bij den eersten blik tot toeneiging voor hem.

Bij zijne intrede in de zaal onderbrak hij zijnen stap, als verraste de

tegenwoordigheid van Dakerlia hem pijnlijk. Hij schouwde haar zoo diep

in de oogen dat zij beefde onder zijnen blik; maar dan, zijne

ontsteltenis meester wordende, ging hij tot de jonkvrouw, reikte haar de

hand en zeide met eene stem, die eene uiterste moedeloosheid verried:

"Dakerlia, gij zijt terug van de reis? Wees welkom.... Ik hoopte evenwel

dat gij nog meer dan eene maand te Veurne zoudt gebleven zijn."

De jonkvrouw staarde hem verwonderd aan.

"Zulke wensch schijnt u onbegrijpelijk, niet waar, Dakerlia? Ach, er

gaat hier iets gebeuren dat mij verschrikt en doet lijden. Mijn verdriet

kan u slechts bedroeven. Ik ga trouwen, Dakerlia!"

Een smartkreet ontsnapte jonkver Wulf.

"Wat zoet en helder leven sleet ik hier tusschen eene teedere zuster en

eene zoete vriendinne!" zuchtte de jonge ridder, "Dit leven is ten einde

voor mij!"

"Maar, Robrecht, het is nog niet zeker. Gij kunt weigeren! riep Witta.

"Wie heeft het recht om u te dwingen?"

"Weigeren, zuster? Ik heb langen tijd geweigerd; er is niets aan te

doen. Wie kan mij dwingen? Menschen niet; maar mijn plicht jegens

Kerlingaland, jegens de vrijheid. Neen, neen. Mijn vonnis is geveld; en

ik zelf heb het aanvaard. Hoe dit mogelijk, hoe dit onvermijdelijk was,

zal ik u later verklaren, zuster lief. Nu heb ik geenen tijd; men wacht

op mij."

Hij hoorde hoe Dakerlia snikte; hij zag hoe glinsterende tranen van hare

vingeren ten gronde vielen. Het hart klopte hem fel bij het gezicht van

Dakerlia's medelijden mij zijne smart. Tot haar gaande, sprak hij op

diep ontroerden toon:

"Dakerlia, gij beklaagt mij, niet waar? Ik dank u, lieve vriendinne. Het

is een bitter lot zijn leven te moeten slijten met eene vrouw die men

niet bemint en vreest nimmer te zullen beminnen ... maar troost u,

waarschijnlijk bedrieg ik mij. Placida Van Woumen is schoon; er is

goedheid in haar hart. Wie weet? misschien zal ik haar de liefde kunnen

schenken die zij verdient...."

In Dakerlia's oogen, welke zij nu ontdekte, vlamde een vreemde blik. De

ridder begreep hem niet, doch deinsde er van terug en bleef vragend op

de maagd staren.

"Placida?" riep zij, "Placida zal u ongelukkig maken, arme Robrecht!"

"Hoe kunt gij het weten?"

"Mijn hart, mijn hart, dat niet kan liegen, roept het luid."

Mher Sneloghe worstelde in eene pijnlijke verlegenheid tegen zijn eigen

gemoed. Hij deed geweld op zich zelven om door woorden noch gebaren het

gevoel te verraden dat de bron was van zijn verdriet. Dakerlia zou het

in alle geval niet begrijpen, en zulke veropenbaring op dit oogenblik,

ware niet alleen nutteloos, maar zelfs voor allen schadelijk, ja,

misschien misdadig voor God!

Deze overweging deed hem besluiten de lastige, de droeve samenspraak af

te breken.

"Uw medelijden doet u dwalen, Dakerlia", zeide hij. "Jonkver Placida is

beminnenswaardig. Ik moet weder uitgaan en mij haasten. Ongetwijfeld

wacht men reeds met ongeduld op mij. Kom dezen namiddag ... of ik zal

met mijne zuster ten uwent gaan om u te verklaren wat mij tot dit

huwelijk dwingt."

Hij stapte tot eene kas, trok ze open en nam er eene dooze uit welker

deksel met gulden inlegwerk was versierd.

Dakerlia slaakte eenen angstschreeuw, sprong vooruit en rukte de doos

uit zijne handen ... maar, alsof zij besef had van de onbetamelijkheid

harer daad, gaf zij ze spoedig terug. Dan bezwijkende onder hare

geweldige ontsteltenis, liet zij zich op eenen stoel vallen en bleef

daar beschaamd en overvloedig weenend, met den blik neergeslagen zitten.

Eene hevige siddering had Robrecht aangegrepen en eene doffe angstkreet

was hem ontsnapt. Hij aanschouwde haar eene wijl verbaasd en zeide dan

op pijnlijken toon:

"Dakerlia, Dakerlia, indien gij een geheim in uw hart hebt gedragen, o,

verberg het voor eeuwig uit medelijden! Er zijn dingen die, wanneer men

ze weet, ons zoo rampzalig kunnen maken, dat wij elken verderen dag van

ons leven God om den dood zouden bidden als om de verlossing."

Jonkver Dakerlia stond op en, terwijl de tranen nog over hare wangen

rolden, sprak zij snikkend:

"Ik vertrek van hier; ik begrijp mijnen plicht, over den dorpel van

dezen Steen mag ik niet meer treden. Het geheim dat, eilaas, tegen

mijnen wil mij is ontsnapt, zal ik opsluiten in mijn lijdend hart. Wees

gelukkig, Robrecht.... O, mijn God, Placida Van Woumen uwe vrouw! Ik zou

ze zien aan uwe zijde, op de plaats die.... Zinnelooze droom die mij de

zinnen ontstelt! Vaarwel, mher Sneloghe; bekreun u niet om mij: laat mij

ziek worden, verkwijnen, sterven!"

Zij wierp zich aan den hals van Witta en riep tusschen haren koortsigen

zoen:

"Nog eens, nog eens voor de laatste maal!"

En zich uit de omhelzing losrukkende, meende zij haren stap tot de deur

te richten; maar Robrecht hield haar terug en zeide met aangejaagdheid:

"Blijf, Dakerlia, ik smeek u! Gij waant mij gevoelloos voor uwe smart?

Mijn verdriet is dieper dan het uwe. Ach, hadde ik het vroeger kunnen

gelooven! Maar alle hoop is nog niet verloren. Kerlingaland kan de

slachtoffering van ons beider geluk niet eischen. Wees getroost,

Dakerlia. Wij hebben in elkanders hart gelezen. Neen, neen, Placida Van

Woumen wordt mijne echtgenoote niet! Laat mij gaan; ons levensheil kan

afhangen van een enkel oogenblik."

Hij wierp de juweeldoos op de tafel en liep ter zaal uit.

Dakerlia staarde hem achterna; doch, alsof zij geen geloof had in zijne

voorspelling, legde zij welhaast de handen voor de oogen en begon

overvloediger nog te weenen.

De Kerels van Vlaanderen · 第 4 / 85 题