Greene's "Tu Quoque."

Wel nam ik de opmerking, bij het afscheid door den heer Jarvie

gemaakt, dankbaar aan, maar ik meende toch, dat het geenszins iets

onbetamelijks zijn zou, wanneer ik bij het geldstuk, waarmede ik

Mathilde's voorlichten beloonde, een kus voegde. En haar zacht:

»foei, schaam u, mijnheer!" scheen juist geen erg misnoegen over mijne

vrijpostigheid te kennen te geven. Mijn herhaald kloppen aan de deur

der herberg maakte eerst een paar rondzwervende honden gaande, die

allergeweldigst begonnen te blaffen. Eenige hoofden met nachtmutsen

kwamen uit de naburige vensters te voorschijn en riepen mij wegens mijn

onchristelijk geweld op Zondagnacht--zoo als zij het noemden--allerlei

onchristelijke scheldwoorden toe. Toen eindelijk de kasteleines ook

ontwaakte, vreesde ik, dat dit onweder van woorden, door een stortregen

als die van Xantippe's hand zou gevolgd worden. Maar--overigens op

een toon, die de lieve wederhelft van den wijzen Socrates zeer goed

zou gestaan hebben--kwam de bui op een paar lieden in de gelagkamer

neder, omdat zij zich niet spoedig genoeg gehaast hadden de deur te

openen en dus de herhaling van mijne gewelddadigheid te voorkomen.

Die menschen in de gelagkamer, wier traagheid aldus bestraft werd,

waren geene andere dan de getrouwe Andries, zijn vriend de voorzanger,

en een derde, de stadsomroeper, zoo als ik naderhand vernam. Zij

zaten bij een glas bier, trouwens op mijne kosten, zooals mij bij

het betalen mijner rekening overtuigend bleek, en zij overlegden

met elkander de bewoordingen, waarin de omroeper den volgenden dag

door de straten der stad den ongelukkigen jongeling, zoo als zij mij

geliefden te noemen, zouden oproepen, om zonder verder dralen naar

zijne bekommerde vrienden terug te keeren. Natuurlijk kon ik mijn

toorn over deze onbescheiden bemoeiing met mijne aangelegenheden

niet onderdrukken. Maar het baatte mij niets. Want Andries gaf zich

bij mijne komst aan zulke luide ontboezemingen van vreugde over, dat

hetgeen ik zeide om hem en de zijnen mijne ontevredenheid te kennen te

geven, door hem als het ware overschreeuwd werd. Het spreekt van zelf,

deze uitbundige vreugde was maar geveinsd, en zijne tranen ontsprongen

uit geene andere bron dan uit de bierkan. Voorloopig beveiligde de

luide vroolijkheid, welke hij over mijne terugkomst gevoelde, of

ten minste voorwendde te gevoelen, hem nagenoeg voor de tuchtiging,

welke ik hem reeds eenmaal had toegedacht; eerst voor zijn gesprek

met den voorzanger over mijne zaken, en dan voor zijn ongerijmd

vertelseltje bij den heer Jarvie. Thans kwam hij er zoo genadig af,

dat ik hem slechts de deur voor den neus dicht wierp, toen hij mij

naar mijne kamer volgde, brutaal genoeg mij de vermaning toevoegde,

om in het vervolg voorzichtiger te zijn, als ik alleen uitgaan wilde.

Den volgenden morgen was mijne eerste zorg mij van den lastigen,

eigenwijzen man te ontslaan, die eigenlijk meer mijn meester dan

mijn knecht trachtte te zijn. Toen ik hem op mijne kamer had laten

roepen, en hij binnentrad, vroeg ik hem wat ik hem voor zijn geleide

naar Glasgow schuldig was. Deze vraag deed hem verbleeken: want hij

beschouwde ze niet zonder reden, als de voorbode van zijn ontslag.

»Gij zult toch"--zeide hij stamelende--»gij zult toch, hoop ik,

mij niet...."

»Antwoord mij!" riep ik driftig, »of ik sla je de hersens in!"

Andries aarzelde tusschen het dubbele gevaar, om òf alles te verliezen,

als hij te veel, òf een gedeelte kwijt te raken, als hij minder

eischte dan ik hem waarschijnlijk zou geven, en gaapte mij zwijgend

aan. Eindelijk echter stiet hij uit, alsof hij plotseling een slag

op den rug had gehad: »achttien stuivers daags--dat zal toch niet te

veel wezen!"

»Tweemaal zoo veel als men gewoonlijk betaalt, en driemaal meer dan

gij verdient!" hernam ik. »Maar ziedaar een guinje, en ga nu waarheen

gij verkiest. Ik kan u verder missen."

»Maar goede Hemel! Zijt gij wel bij uw zinnen, beste mijnheer?" riep

Andries.

»Kerel! ge zoudt mij waarlijk zoover kunnen brengen!" viel ik hem

in de rede. »Nu wat wilt ge nog? Ik geef u een derde meer dan gij

eischt. En gij staat daar nog en kijkt mij aan, of meen je, dat ik

je te kort heb gedaan. Neem uw geld en maak dat je weg komt."

»O, goede Hemel!" hervatte Andries. »Waardoor heb ik u dan beleedigd,

mijnheer? Zeker, alle vleesch is gelijk de bloemen des velds. En

even als een handvol kamillen voor den geneesheer zijne waarde heeft,

zoo kan ook Andries u van nut zijn. Dat ik bij u blijve, moet u wat

waard zijn, ja veel waard, zooals u uw leven waard is."

»Waarlijk? Nu, het is inderdaad moeielijk te beslissen, of gij grooter

schurk dan gek zijt. Gij wilt dus bij mij blijven, of ik wil of niet!"

»Juist, zoo dacht ik er over!" antwoordde Andries op vrij stelligen

toon. »Weet gij al niet, dat gij in mij een braven knecht hebt, dan

weet ik ten minste, dat ik in u een braven meester heb. Nooit zou ik

rust of duur kunnen hebben, als ik u zoo aan uw lot overliet. En om

u nu maar ronduit te zeggen, waar het op staat: mijn dienst is mij

niet behoorlijk opgezegd."

»Uw dienst?" vroeg ik. »Ik heb u slechts als gids medegenomen en,

dat wil ik erkennen, tot mijn genoegen ondervonden, dat gij daartoe

bruikbaar zijt."

»Zeker, het is waar, ik ben geen gewone dienstbode," hernam

Andries. »Maar gij weet toch wel, dat ik om uwentwil, alleen op

uw dringend aanzoek, een goeden dienst opgeofferd heb, en dat

ik het slechts één uur te voren wist. Als tuinman van het kasteel

Osbaldistone, kon ik het eerlijk en met een zuiver geweten jaarlijks

tot twintig pond brengen. Zou ik dat inkomen voor eene enkele guinje

weggeworpen hebben! Ik rekende er op, dat ik tenminste het kwartaal uit

bij u zou blijven. Tot zoo lang zou ik toch meenen wettige aanspraak

op loon, kost en drinkgeld te kunnen hebben. Dat is toch duidelijk."

»Kom, kom! Uwe onbeschaamdheid zal u niet baten," riep ik. »Verstout u

niet, daarmede voort te gaan, of gij zult ondervinden, dat Thorncliff

Osbaldistone de eenige niet is van de familie, die zijne handen weet

te gebruiken!"

De gansche zaak kwam mij, toen ik dit zeide, zoo bespottelijk voor,

dat ik, in weerwil van mijn billijk misnoegen, mij echter nauwelijks

bedwingen kon, om over den ernst, waarmede Andries zijn vermeend recht

op mijne beurs verdedigde, in een luid lachen uit te barsten. De schelm

bemerkte den indruk, dien hij op mijne lachspieren gemaakt had. Hij

liet nu nog minder los, hoewel hij het toch raadzaam oordeelde zijn

overdreven eisch een weinig te matigen, om mijn geduld niet te tergen,

en ook misschien langs dien weg zijn doel te bereiken.

»Ik erken gaarne, dat gij het in uwe macht hebt, mijnheer,"--zoo

begon hij weder--»een ouden getrouwen dienstknecht, die u en de

uwen twintig jaren lang bij dag en bij nacht ijverig gediend heeft,

plotseling uit uw dienst te ontslaan. Maar ik ben ook verzekerd, dat

gij, evenmin als ieder ander braaf en weldenkend man, het over u zult

kunnen verkrijgen, om een armen drommel als ik, die veertig, vijftig,

ja honderd mijlen ver is gereisd, alleen om u gezelschap te houden, en

die niets dan zijn dagloon bezit, in den uitersten nood weg te zenden."

Waarde Tresham, als ik mij wel herinner, hebt gij eens de opmerking

gemaakt, dat ik, ondanks mijne eigenzinnigheid, toch in zekere gevallen

veel lichter dan eenig ander mensch te bepraten en om den tuin te

leiden was. Tegenspraak alleen maakt mij halsstarrig. Maar zoodra ik

niet gesard en daardoor opgewekt word om een voorstel te bestrijden,

ben ik steeds meer geneigd om toe te stemmen. Inderdaad, ik heb mij

daardoor soms veel moeite en kwelling veroorzaakt. Ik kende mijn

gids als een hebzuchtigen, lastigen gek. Maar alles wel overwogen,

had ik behoefte aan iemand als wegwijzer en bediende. Daarenboven

was ik aan de luimen en grillen van dezen Andries zoo gewoon, dat

ik er wel eens pleizier in vond. Nog besluiteloos, vroeg ik hem,

of de wegen en steden in het noorden van Schotland hem bekend

waren, daar mijns vaders handelsbetrekkingen met de Hooglandsche

boscheigenaars mij waarschijnlijk noodzaken zouden, mij derwaarts te

begeven. Gaarne geloof ik, dat, als ik hem naar den weg had gevraagd,

die naar het Paradijs leidt, hij evenzeer op zich zou genomen hebben,

om mij dien te wijzen en er mij heen te brengen. Ook had ik naderhand

alle reden om verheugd te zijn, dat zijne wezenlijke kennis van den

weg niet te ver beneden het peil was, waarop hij zich beroemde. Ik

bepaalde zijn loon, mij voorbehoudende, hem, zoodra ik het verkiezen

mocht, met eene week extra-betaling zijn ontslag te geven, en las

hem nu ook eens geducht, de les over zijne houding van den vorigen

dag. Dit stemde zijn zoo even nog vrij hoogen toon merkelijk lager,

hoewel hij overigens betuigde met mijne schikking volkomen tevreden

te zijn. Met een opgeruimd hart ging hij heen. Ik kon echter hooren,

dat hij zijn vriend, den voorzanger, die in de gelagkamer bij zijn

morgenslokje zat, vertelde, hoe hij den dwazen jongen Engelschman

eens goed de waarheid had gezegd en tot rede gebracht.

Ik verliet de herberg en begaf mij naar het huis van Jarvie, waar mij

in het spreekvertrek, dat voor allerlei gebruik diende, een flink

ontbijt wachtte. De welwillende man had stipt woord gehouden. Ik

vond mijn vriend Owen in vrijheid. En na zich behoorlijk gewasschen,

zijne pruik gekamd en zijne kleederen afgeborsteld te hebben, was

hij thans weder een geheel ander man geworden, dan de onzindelijke,

neêrslachtige, schier wanhopende gevangene. Maar het besef van

zijne dringende geldverlegenheid had hem geheel moedeloos gemaakt,

en de bijna vaderlijke omhelzing, waarmede hij mij ontving, werd

door een diepen, smartelijken zucht verbitterd. Toen hij weder was

gaan zitten, verried mij zijn somber oog en peinzend gelaat, zoo

verschillend van zijne gewone kalmte en innige tevredenheid, dat

hij in zijne gedachten de dagen, de uren, ja de minuten berekende,

na verloop waarvan bij niet-betaling der geaccepteerde wissels, het

zoo beroemde huis Osbaldistone en Tresham vallen moest. Het bleef

dus alleen mij overgelaten, mijne dankbaarheid voor het onthaal van

onzen gastheer te betuigen, en zijne thee, die hij rechtstreeks uit

ons China had ontvangen, als ook zijne koffie, die op zijne eigen

plantaadje in Jamaica, Salt-Market-Grove genaamd, gegroeid was,

zoo als hij met een knipoogje te kennen gaf--zijne heerlijke »ale",

zijne gerookte Schotschen zalm, en zelfs zijn damasten tafellaken,

dat niemand anders dan zijn overleden vader, het voormalig lid van

den raad der stad, had geweven, naar behooren te prijzen.

Toen ik door deze en dergelijke kleine attenties, die voor veel

menschen van hoog gewicht zijn, onzen gastheer tot welwillendheid

gestemd had, poogde ik van hem eenige berichten te erlangen, die

mij op mijn verderen weg van nut konden zijn, of ten minste mijne

nieuwsgierigheid bevredigen konden. Nog hadden wij geen enkel

woord over het gebeurde van den vorigen nacht gesproken, en dus

was mijne vraag zoo tamelijk onverwacht, toen ik van het zwijgen,

dat na de geschiedenis van het tafellaken volgde, partij trekkende,

plotseling aldus begon: »Maar zeg mij toch eens, mijnheer Jarvie,

wie is die Robbert Campbell, dien wij dezen nacht ontmoetten?"

Deze vraag scheen den goeden man geheel van zijn stuk te brengen.--»Wie

Robbert Campbell is?" zeide hij, en herhaalde, na een zeer verlegen

hm! hm!--»wie hij is?"

»Dat veroorloof ik mij, u te vragen, wie en wat hij is?" hernam ik.

»Hij is.... Maar waar hebt gij dan dezen Robbert Campbell, zoo als

gij hem noemt, ontmoet?"

»Bij toeval in het noorden van Engeland, nu eenige maanden geleden,"

was mijn antwoord.

»Welnu, mijnheer Osbaldistone," hernam Jarvie, min of meer gemelijk;

»dan weet gij even veel van hem, als ik."

»Ik vraag u verschooning. Dit schijnt toch geenszins het geval te zijn,

mijnheer Jarvie!" antwoordde ik. »Gij zijt immers, zoo als hij ten

minste beweerde en gij niet ontkendet, zijn bloedverwant, zijn neef."

»Nu ja, er bestaat tusschen ons zoo wat neefschap," zeide Jarvie met

zichtbaren tegenzin. »Maar sedert Robbert den handel in vee heeft

gedreven, hebben wij elkander zelden gezien. Die arme drommel! door

menigeen, die hem voor gewichtige diensten grooten dank schuldig was,

is hij allerondankbaarst behandeld. Zijn geld heeft men hem listig

ontstolen. Ja, ja, menigeen wenschte nu wel, dat men hem nooit uit

Glasgow gejaagd had, en men zou hem thans veel liever weder achter

drie honderd ossen, dan aan het hoofd van dertig wezens zien, die

nog veel erger dan dieren zijn."

»Maar, mijnheer Jarvie, dit alles geeft mij nog niet de minste

inlichting omtrent zijn rang en stand en zijne middelen van bestaan,"

hernam ik.

»Zijn rang?" antwoordde Jarvie. »Wel, hij is een Hooglandsch gentleman;

welken stand zou hij meer behoeven? Zijne middelen van bestaan? Wat

is ons daaraan gelegen, zoo lang hij niets van ons begeert? Maar ik

heb thans geen tijd om langer over hem te praten. Er is hier iets

anders te doen, wat voor u, of ten minste voor uw vader, van meer

belang moet zijn."

Na dit gezegd te hebben, zette hij zijn bril op en ging zitten,

om den staat van mijns vaders zaken te onderzoeken, dien Owen noodig

achtte hem zonder eenige achterhoudendheid mede te deelen. Ik verstond

intusschen genoeg van den handel, om te kunnen opmerken met hoeveel

scherpzinnigheid Jarvie elke zaak beoordeelde, die aan zijn oordeel

onderworpen werd. En ik ben hem tevens de volle eerlijke erkentenis

schuldig, dat hij zich in alles niet alleen zeer billijk, maar zelfs

zeer edelmoedig betoonde. Wel krabde hij zich achter het oor, toen

hij bevond, dat Osbaldistone en Tresham per saldo nog zeer hoog bij

hem in debet stonden.--

»Nu, in 's Hemels naam!" zeide hij eindelijk; »ik moet het dan maar

voor een verloren post rekenen. Intusschen, wat uwe goudmakers in

Londen er ook van zeggen mogen, bij ons in Glasgow is dit geene

kleinigheid. Het zal een geweldig groot gat in mijn kas maken;

dat is niet anders. Evenwel, uw kantoor zal er niet door vallen,

hoe veel dan ook reeds weg moge zijn:--en moet het wezen, welnu, in

's Hemels naam. Ik denk er in elk geval zoo onbarmhartig niet over

als die roofvogels daar ginder in de Hoogstraat. Moet ik thans door

u een verlies lijden, dan zal ik toch nooit ontkennen, dat ik door u

menig aardig pondje sterling gewonnen heb. Loopt het dus heel erg,

dan leg ik den kop van het zwijn bij den staart van het varken,

en zal wel zien uit te komen."

Wel begreep ik den eigenlijken zin van dit zonderlinge spreekwoord,

waarmede Jarvie zich troostte, niet best. Maar dit begreep ik wel,

dat hij met welwillende deelneming mijns vaders aangelegenheden

behandelde, ja, dat hij zulken welgemeenden en verstandigen raad gaf,

dat de rimpels op Owen's voorhoofd van lieverlede nagenoeg verdwenen.

Ik zat er evenwel bij als een werkeloos aanschouwer en toehoorder

van al die onderhandelingen. Nu en dan toonde ik mijne neiging, om

den zoo plotseling afgebroken draad van ons gesprek over Campbell

weder aan te knoopen. Eindelijk zeide de heer Jarvie mij zonder

veel komplimenten, dat ik maar eens naar het »collegie" zou gaan,

waar ik eenige lieden zou vinden, die Grieksch en Latijn spraken,

ten minste er geld genoeg voor ontvingen om het te doen. Daar zou ik

tevens iets van Boyd's vertaling der H. Schriften kunnen lezen. Dit

was naar zijne meening veel betere poëzie dan eenige andere, zoo als

hij van menschen gehoord had, die dit konden en moesten weten. Hij

verzachtte het harde van dit afscheid, door mij dien middag bij zich

te gast te noodigen, mits ik precies met klokslag van één ure ten

zijnent was, want later ging hij niet aan tafel; dit was reeds bij

het leven van zijnen vader de vaste gewoonte van zijn huis geweest,

»en daarvan werd niet afgeweken, voor wien ook ter wereld." Ik moest

dus er voor zorgen, klokslag één uur er te zijn.

Robbert Roodhaar · 第 37 / 57 题