Daags voor mijn vertrek, ging ik naar het alien-office, om mijnen
Franschen pas, die daar in bewaring was gebleven, terug te halen, en,
in wisseling, dien terug te geven, welke mij was ter hand gesteld. Om
den lezer niet te vervelen, zal ik hem het verhaal besparen van
eenige langwijlige plegtigheden, welke nog hierbij in acht moesten
genomen worden. Zij zouden mij nogmaals een hoofdstuk opleveren van
denzelfden inhoud, alsdat, waarmede dit werk begonnen is, en ik ben
geen vriend van herhalingen, even min als van het eentoonige.
Nu ging ik mijnen vriend C... opzoeken, wien ik bijzonderen dank
verschuldigd was voor de verpligtende wijze, waarop hij mij, gedurende
mijn verblijf te Londen, behandeld had; en daar de postwagen niet
voor den volgenden morgen te twaalf ure afreed, verzocht ik hem,
met mij en den heer Croquis te ontbijten; want laatstgenoemde had ik
reeds te voren dezelfde uitnoodiging gedaan.
"Van harte gaarne!" zeide hij, "maar gij; komt thans, als of gij
geroepen waart; want juist was ik voornemens, om u af te halen. Ik
denk u heden eens een schoteltje naar uwen smaak op te disschen;
en op den laatsten dag, welken gij te Londen doorbrengt, zult gij u
waarschijnelijk geenszins het minst vermaken."
--"Gij weet, beste vriend! dat ik altijd bereid ben, om u te
volgen. Doch mag men ook weten, welk nieuw en zonderling geregt het
is, waarop gij mij heden denkt te onthalen?"
--"Kom slechts, kom slechts! het is hoog tijd!"
En ziedaar ons in eene straat, welke ons naar de Abtdij van Westmunster
moest geleiden.
"Gij zijt een liefhebber van verrassingen!" zeide ik lagchende tegen
mijnen vriend; "ik hoop echter niet, dat gij plan hebt, om mij een
dergelijk schouwspel te doen zien, als toen gij mij onlangs op een
hangpartijtje wildet onthalen?"
--"Neen, waarachtig niet! het is geheel iets anders. Ik zal u
verplaatsen in de schoonste eeuw der Romeinen, onder de tijdgenooten
van Scipio."
--"Waarschijnlijk zult gij mij in een kunstkabinet van wassen beelden
brengen? Doch ik moet u waarschouwen, dat ik Curtius en zijne opvolgers
reeds gezien heb."
--"Gij bedriegt u, mijn vriend! Integendeel zult gij iets zien, dat
gij nog nooit gezien hebt. Evenwel wil ik u gaarne toestemmen, dat
hetgeene gij zult hooren, niet geheel en al vreemd voor u zal zijn; en
het is niet zonder moeite, dat ik twee toegangskaartjes bekomen heb."
"Hoe veel kosten zij?"
--"Niets."
--"Niets? ik bewonder de Engelsche edelmoedigheid! Maar juist deze
zelfde edelmoedigheid geeft mij eene geringe verwachting van hetgene
wij zullen zien."
--"Schort ten minste uw oordeel op, tot gij gezien en gehoord hebt."
Nu maakte ik geene verdere tegenwerpingen, en aldra kwamen wij
pratende voor een groot gebouw, hetwelk ik terstond als de School
van Westmunster herkende. Men deed ons in eene genoegzaam ruime
zaal binnentreden, waarin een tooneel was opgerigt, hetwelk zich
vrij goed liet aanzien. Niet zonder veel moeite gelukte het ons,
plaats te krijgen; want het gezelschap was reeds te naastenbij
voltallig. Eindelijk gezeten zijnde, zeide ik tegen mijnen vriend:
"ziedaar ons dan geplaatst; nu ontbreekt er niets meer aan, dan dat
men spoedig begint."
--"Zoo ver is het nog niet!" hernam mijn vriend; "wij zullen nog een
oogenblik geduld moeten hebben; wacht slechts!"
Gelukkig echter behoefden wij niet lang te wachten; want de gordijn
werd spoedig opgehaald.
Het tooneel stelde een marktplein voor. Er trad een slaaf op, in
Grieksche kleeding, en sprak, gedurende twee of drie minuten, zonder
dat het mij mogelijk was, een enkel woord van hetgene hij zeide, te
verstaan. Vervolgens kwam er een tweede slaaf te voorschijn, en mijne
oplettendheid verdubbelende, meende ik eenige Latijnsche woorden te
onderscheiden.--"Ik geloof waarachtig," zeide ik tegen mijnen vriend,
"dat het een Latijnsch stuk is, hetwelk hier gespeeld wordt."
--"Zonder twijfel, het is de Phormio van Terentius."
--"Hadt gij mij dit vooraf gezegd, dan zoude ik mij van eenen Terentius
voorzien hebben, ten einde de spelers te kunnen nagaan."
--"Ik heb op alles gedacht. Ziedaar een Terentius."
Dadelijk sloeg ik het stuk op, dat gespeeld werd, en ging de
tooneelisten na, die echter het Latijn even als het Engelsch
uitsprekende, aan de zoetvloeiende taal van Virgilius eenen wanklank
gaven, welke mij alles onverstaanbaar maakte, en mij tevens het
ongelukkige tijdstip herinnerde, waarin de Barbaren van alle zijden
op het Romeinsche gebied losstormende, hetzelve verwoestten, en
onderling de overblijfselen deelden. Wat, voor het overige, het spel
der handelende personen betrof, dit was niet geheel te verwerpen:
hunne gebaren en standen waren zeer natuurlijk en wel overeenkomstig
met de karakters, welke zij moesten voorstellen: ook speelden zij hunne
rollen met warmte, en vermijdden tevens zorgvuldig het eentoonige van
stem. De vrouwenrollen werden insgelijks door jonge scholieren vervuld;
en de kleeding en verdere toestel konden niet beter gewenscht worden.
"Gij hebt mij niet bedrogen," zeide ik, in het uitgaan, tegen mijnen
vriend; "ik heb deze vertooning niet zonder deelneming en genoegen
bijgewoond. Nogtans geloof ik, dat, bijaldien Terentius dezelve met
zijne tegenwoordigheid vereerd had, hij slechts matig zou zijn voldaan
geweest over de wijze, waarop zijne verzen werden opgezegd, en dat
hij de spelers echte Barbaren zou genoemd hebben. Daarenboven heeft
in deze tijden iedere beschaafde natie aan het Latijn de uitspraak
van hare eigene taal geleend, en waarschijnlijk heeft niemand hunner
den regten tongval. Maar wordt hier dikwijls gespeeld?"
--"Alle jaren ééns, en wel omtrent dezen tijd. Het is reeds
sedert onheugelijke jaren een vastgesteld gebruik in de school van
Westmunster, om door de kweekelingen, omstreeks den vijftienden
December, een Latijnsch tooneelstuk te doen geven."
--"Het doet mij leed, dat ik het zeggen moet, maar dit is al weder
een gebruik, hetwelk ik geenszins kan goedkeuren. Immers kan het,
mijns oordeels, nergens toe dienen, dan om bij jonge lieden de
gevaarlijke zucht voor het tooneel op te wekken, en gevolgelijk der
maatschappij, in stede van ijverige, werkzame burgers, ledigloopers
en laffe grappenmakers te leveren."
--"Maar dit gebruik heeft ook in Frankrijk plaats gehad."
--"Daarom is het niet prijzenswaardiger. Integendeel was het
in Frankrijk nog minder te vergeven dan hier. De scholieren van
Westmunster prenten ten minste nog goed Latijn in hun geheugen, daar
integendeel in de Fransche kollegien de jonge lieden niets anders
leerden, dan eenige barbaarsche verzen van vader Caussin, welke niet
meer gelezen worden, en van eenige anderen, welkers namen ter naauwer
nood bekend zijn. Dit misbruik is echter afgeschaft door de voormalige
hoogeschool te Parijs, dat achtingswaardige ligchaam, hetwelk, tot
onberekenbaar nadeel voor de maatschappij, nog niet weder hersteld
is. Wel is waar, er kwam geen heer van schei- en wiskundigen uit te
voorschijn, en in deze tegenwoordige eeuw, waar alles zoo gewikt en
gewogen wordt, is men bijna verpligt, om aan deze twee wetenschappen
de voorkeur te geven."
--"De voorstanders der tooneelvertooningen in de scholen beweren
echter, dat de jonge lieden daardoor eene zekere losheid en bevalligen
zwier verkrijgen."--
--"Ongetwijfeld, ten naastenbij als men door het lezen der almanakken
vorderingen in de sterrekunde kan maken, of in de bouwkunde door
het zetten van kaartenhuisjes, of eindelijk, zoo als men zich in de
berekening der wetten van zwaarte en het evenwigt bekwaam zou kunnen
maken door het spelen met eenen duikelaar, waarmede zich de kinderen
vervrolijken."