"Gij weet, mijnheer!" zeide hij, "dat mijn penseel mij in Frankrijk
het noodige onderhoud verschafte. Eenigen mijner vrienden trachtten
mij over te halen, om mij naar Engeland te begeven; daar zou ik,
volgens hunne verzekering, geld winnen, zoo veel ik wilde, en binnen
weinig tijds een aanzienelijk fortuin kunnen maken. Ik liet mij door
deze bekoorlijke uitzigten misleiden, maakte alles, wat ik bezat,
tot gereed geld, stelde mijner vrouw en dochter zoo veel ter hand,
dat zij in geene twee jaren gebrek behoefden te vreezen, en begaf
mij op reis naar Londen, met ongeveer tienduizend livres baar geld."
"Zoodra ik hier was aangekomen, nam ik een goed verblijf in het
voornaamste gedeelte van de stad--dat de woningen niet goedkoop
zijn, weet gij. Gaarne zou ik mij op eenen minderen voet gezet
hebben; doch men had mij onderrigt, dat men in Londen geenen
opgang kan maken, wanneer men, onder eene bekrompene levenswijze,
te voorschijn treedt. Ik had eenige van mijne werken medegebragt, en
mij in alle nieuwspapieren doen aankondigen. In het eerst kwamen mij
vele nieuwsgierigen bezoeken, en ik werd overladen met beleefdheden
en loftuitingen; maar welhaast vernam ik, dat de kunstenaars van de
stad zich tegen mij eene heimelijke zamenzwering hadden veroorloofd,
en de logenachtigste geruchten verspreidden, om, dusdoende, de geringe
bekwaamheden, welke ik bezat, nog te verkleinen en te belasteren. De
stukken, welke ik in mijne zaal ter bezigtiging had opgehangen, ten
einde men over mijne behandeling en mijn kunstvermogen zou kunnen
oordeelen, werden op het hevigste en onbarmhartigste gegispt en
bedild.--Het heette, mijne teekening was niet juist:--het koloriet
te schitterend, om zich te kunnen volhouden:--ik verstond niets van
de perspectief:--ik wist volstrekt mijn licht en mijne schaduw niet
te plaatsen:--de standen mijner beelden waren slecht gekozen:--de
kleeding geheel en al smakeloos.--En eindelijk kenden de laster,
haat en afgunst mij zelfs niet de geringste dier eigenschappen toe,
welke ook de middelmatigste schilder niet mag ontberen.
"Aldus verliepen drie maanden, zonder dat ik iets te doen
had. Eindelijk verzocht mij een rijke koopman uit de Citij, zijn
portret en die van zijne drie kinderen te maken, te weten, een meisje
en twee jongens; doch hij was op het grillige denkbeeld gekomen, om
deze vier portretten in een historisch tafereel bij een te willen
zien, en daartoe had hij de offerande van Iphigenia verkozen. Hij
zelf wilde als Agamemnon geschilderd worden, zijne dochter moest
Iphigenia voorstellen, en zijne beide zonen de karakters van Calchas
en Achilles verbeelden. Vergeefs stelde ik hem voor, dat dit onderwerp
veel bijwerk zou vereischen, vooral een groot aantal beelden, als
priesters, soldaten enz.; oogenblikkelijk sloot hij mij den mond,
met te zeggen, dat het hem volstrekt op geen geld aankwam. Wij kwamen
derhalve overeen, dat hij mij voor deze schilderij vierhonderd guinies
zou betalen."
"Ik begaf mij aan het werk, en, om hetzelve des te meer te bespoedigen,
wees ik verscheidene leerlingen af, die mij mijne lessen zeer ruim
zouden betaald hebben. Ik verzuimde geen oogenblik, en na verloop van
acht maanden was mijn stuk ten naastenbij af, toen op zekeren morgen
mijn koopman met iemand van zijne kennis in mijne werkplaats kwam,
om te zien, hoe ver ik gevorderd was. Deze laatste vond, dat het
portret van zijnen vriend niet veel geleek, en ik was ongelukkig
genoeg, om dezen bediller te antwoorden, dat de voorgewende fout
in de gelijkenis zeker veroorzaakt werd, wijl hij niet gewoon was,
zijnen vriend met eenen helm op het hoofd te zien. Van dat tijdstip
af had ik geen oogenblik rust, voordat ik mijnen Agamemnon den helm
had afgenomen; en mijns ondanks, moest ik het hoofd van den Griekschen
vorst met eene ronde Engelsche pruik ontsieren.
"Ook de jonge juffer vond, dat de kleeding van Iphigenia hare gestalte
in geen voordeelig licht plaatste, en ik zag mij derhalve genoodzaakt,
de Grieksche prinses in een nieuw Engelsch keurslijf te prangen. Om
aan den oudsten zoon te behagen, moest de baard van den opperpriester
insgelijks worden afgeschoren, en de jongste verkoos, als Achilles
in de montering van eenen Engelschen kolonel gestoken te worden.
"Meer dan honderdmaal was ik voornemens, uit verdriet en ergernis al
het geschilderde door te halen; doch de vierhonderd guinies hielden
mij terug. Dan helaas! toen de dag verschenen was, waarop ik mijn
werk moest leveren, vernam ik, tot mijn uiterste hartzeer, dat mijn
Agamemnon de belegering had opgebroken, of, om mij verstaanbaar uit
te drukken, dat hij bankroet had gemaakt.
"Men ried mij, eener voorname vrouw van smaak, die in de groote wereld
verkeerde, verlof te vragen, haar voor niet te mogen portretteren. Dit
afbeeldsel, in een harer vertrekken opgehangen, zou de algemeene
aandacht tot zich trekken, mijne bekwaamheden bekend doen worden,
en mij rijkelijk werk bezorgen. Ik verkreeg ook wezenlijk hare
toestemming als een bewijs harer bescherming, en besteedde al mijne
zorg en vlijt aan haar portret, waarover men ook zeer voldaan was;
doch in het vervolg hoorde ik nimmer weder van deze dame, noch van
hare vrienden spreken."
"De vermindering mijner beurs drong mij, naar een goedkooper
verblijf om te zien, en van toen af verdwenen oogenblikkelijk
al de nieuwsgierigen, die tot dusverre mijne werkplaats bezocht
hadden. Intusschen had ik nog steeds eenige portretten te schilderen,
waarvoor men mij echter weinig genoeg betaalde, en nu naderde ten
tweeden male het jaargetijde, waarin geheel Londen zich op het land
begeeft; ik bleef dus eenige maanden volstrekt zonder werk.
"Nu moest ik nogmaals eene mindere woning betrekken, want ik
bevond mij zonder eenen duit, en had nog eenige kleine schulden te
betalen. Hierdoor zag ik mij dus in de noodzakelijkheid gebragt,
om mijne schilderijen te verkoopen voor den prijs, welken men er
mij voor wilde geven. Ik had thans mijnen intrek op een zoldertje,
mijne geheele bezitting bestond in drie guinies, en al mijne meubelen
in mijn palet en mijne penseelen."
"Nu zocht ik lessen en leerlingen te bekomen, doch, helaas! veel te
laat. De onder het dak gehuisveste schilder kon voor zijne lessen
geenszins den prijs vragen, welken zijn medebroeder, die op de eerste
verdieping in eene der voornaamste wijken van Londen woonde, mogt
vorderen; want men betaalt hier niet de innerlijke waarde der dingen,
maar wel den uitwendigen schijn."
Sinds bijna een jaar heb ik niet meer dan drie leerlingen gehad;
het geringe, dat zij mij betalen, is naauwelijks toereikende tot het
noodige levensonderhoud--en bij toeval zijt gij getuige geworden, hoe
ik leve. Mijn eenigste verlangen is, naar Frankrijk terug te keeren,
hetwelk ik eigenlijk nimmer had moeten verlaten.
"En wat zult gij doen," vroeg ik hem, "als gij in ons vaderland terug
zult gekomen zijn?"
"Mijne vrouw is overleden," antwoordde hij, "en het is onnoodig,
u te zeggen, hoe zeer haar verlies mij smart: het is u bekend, dat
ik haar teeder beminde; doch, om naar waarheid te spreken, de dood
is voor haar geen ongeluk, maar heeft integendeel een einde aan haar
verdriet en hare smarten gemaakt.
"Ik heb eenen schoonbroeder--wat zeg ik! neen, hij is een weldadige
engel in de gedaante van eenen schoonbroeder! Zonder rijk te zijn,
is hij echter in staat, om, op eene redelijke wijze, met zijn gezin
de genoegens van het leven te kunnen smaken, en schoon zelf met zes
kinderen belast, heeft hij echter mijne dochter tot zich genomen,
en behandelt haar als zijn eigen kind. Het schijnt, dat hij mijnen
jammerlijken toestand, waarover ik hem echter nimmer onderhouden heb,
vernomen heeft; want hij heeft mij verzocht, bij hem te komen inwonen,
en om mijne kieschheid niet te kwetsen, wendt hij voor, dat hij
gaarne zag, dat ik zijne kinderen in het teekenen onderrigtte. Maar
hoe zal ik de gelden bij elkander krijgen, om de reis van Londen naar
Amiens, waar mijns broeders woonplaats is, te ondernemen? Gisteren
nog ontving ik met den post eenen brief van hem, en ik bevond mij in
de droevige noodzakelijkheid van dien te moeten afwijzen; wijl het
port twee shillings en vier pences bedroeg, welke ik, helaas! niet
bezat. Doch morgen moet ik geld voor eene maand onderwijs van een'
mijner leerlingen ontvangen, en dan zal ik geen oogenblik toeven,
om den brief te halen."
--"Wel ziedaar ons juist voor het postkantoor! laat ons er ingaan,
en veroorloof mij, u dit kleine voorschot te doen."
Zonder zijn antwoord af te wachten, trok ik hem met mij binnen. Men
gaf hem den brief over, hij opende denzelven met drift, las, en een
traan glinsterde in zijne oogen.
--"Ach! welk een man! riep hij uit, de beste der menschen! zie, o zie!"
Het was een wissel op zigt van vierhonderd franken op eenen Londenschen
bankier, en dit was de reden, dat het briefport verdubbeld was;
want zelfs het nietsbeduidendste papier in eenen brief veroorzaakt
deze verdubbeling, en de Engelschen hebben eene bijzondere manier, om
dit te ontdekken. Bijna zou ik gelooven, dat zij de brieven openen,
om zich daarvan te verzekeren; indien men zulk een misbruik van
vertrouwen in een land, als Engeland, konde vooronderstellen.
"Nu ga ik," zeide hij! "Vaarwel bekoorlijke Theems; ik denk er niet
meer aan, om mij in uwen boezem te begraven, hetgene, helaas! meer
dan eens mijn voornemen is geweest; want deze wijze van sterven kost
het minste; men behoeft noch touwen, noch pistolen te koopen."
Vanhier gingen wij terstond naar het kantoor, waar de postwagens
afrijden, en bestelden twee plaatsen, om overmorgen gezamenlijk
te vertrekken.