Twee dagen voor mijn vertrek was ik den geheelen morgen op de been, om
afscheid te nemen van mijne vrienden en kennissen, welke ik te Londen
gemaakt had. Ook had ik een en ander gekocht, en gevoelde mij zeer
vermoeid: ik besloot derhalve, in den omtrek, waar ik mij bevond, het
middagmaal te houden. Ongelukkiglijk was het in eene der voorsteden,
die te Londen niet anders dan door de laagste volksklasse bewoond
worden. Ik kon dus geenszins verwachten, veel bijzonders op tafel
te vinden; doch daar de gourmandise geene mijner hoofdgebreken is,
voor welke ik in het grootboek, waarin al onze ondeugden en zwakheden
aangeteekend staan, zal ingeschreven worden, en ik buitendien een
zeker prikkelend gevoel in mijne maag ontwaarde, hetwelk mij scheen
te beloven, dat de eetlust de spijzen kruiden zou, indien er al iets
aan mogt ontbreken, bleef ik bij mijn genomen besluit volharden.
Ik stapte dus een huis binnen, waar eenige stukken gebraden en gekookt
vleesch, achter een venster geplaatst, schenen aan te kondigen, dat men
er iets te eten kon krijgen, en waar tevens achter eene ruit, op een
stuk papier, met groote letters geschreven stond, dat er opene tafel,
in eene fraaije zaal, op de eerste verdieping, werd gehouden. Boven
gekomen zijnde, vond ik echter, in plaats van eene fraaije zaal, een
morsig, donker kot: de tafels stonden tegen de muren, welker kleur
mogelijk eenmaal wit was geweest, doch thans een vuil grijs opleverde:
niet helderder waren de tafellakens, die, zonder vergrooting gesproken,
gerust met de vier wanden konden wedijveren. De gasten, welke het
gezelschap uitmaakten, schenen tot het laagste gemeen te behooren,
een éénige, van wien ik aanstonds zal spreken, uitgezonderd.
Naauwelijks had ik mijnen eersten stap in dit verblijf gezet, of ik
bemerkte reeds, dat mijn honger zeer verminderd was: intusschen was ik
te ver gevorderd, om weer terug te treden. Ik plaatste mij derhalve aan
eene tafel, en verzocht den knecht om een pint ale en een beef-steaks;
doch dat verzoek moest ik meermaals herhalen, en dit deed mij denken,
dat hij niet gewoon was, dikwijls een middagmaal van zoo veel gewigt
te hooren bestellen. En inderdaad, toen ik mijne oogen over al de
tafels liet gaan, welke mij omringden, ontwaarde ik niets op dezelve,
dan een stuk kaas, en hier en daar een stuk koud vleesch; hetwelk er
juist niet zeer smakelijk uitzag, benevens eenige pinten bier van
twee pences (hetgeen gemakkelijk te onderscheiden is, want de vorm
van het pintje zelve wijst de soort en hoedanigheid van den drank aan,
welke het bevat.)
Middelerwijl men zich in de keuken bezig hield met de buitengewone
toebereidselen, welke de door mij bestelde geregten vorderden, riep een
der gasten, die aan eene andere tafel, digt bij mij, zat, den knecht,
om het gelag te betalen. De rekening was niet zeer omslagtig. Twee
pences brood, twee pences bier, en eene pence kaas maakten zijne
geheele vertering uit. Nu nam hij uit een klein beursje, dat niet al te
breed voorzien scheen, eenen halven shilling, die de waarde heeft van
zes pences, of twaalf Fransche stuivers, gaf denzelfven aan den knecht,
en ontving eene halve pence terug, terwijl hij het overige edelmoedig
tot een fooitje schonk, waarna hij diep zuchtende van tafel oprees.
Het was een man van ongeveer vijf voeten en vijf duimen hoogte. Zijne
beenen waren, in de volste beteekenis van het woord, volkomene
oijevaarsbeenen met een paar zwarte slopkousen bekleed, door welker
knoopsgaten men met een weinigje oplettendheid het bloote vel kon
zien doorschijnen, en waaruit men derhalve gerustelijk het facit
kon opmaken, dat onze vriend de kousen niet onder de noodzakelijke
kleedingstukken rekende. Zijne broek, die van dezelfde kleur, doch
zoodanig kaal en afgesleten was; dat men niet kon onderscheiden, van
welke stof zij gemaakt was, bedekte een paar dijen, niet zwaarder dan
een paar lamsbilletjes; terwijl een half blaauw en half geel vest over
het gedeelte van zijn ligchaam heen fladderde, waar men zelfs met een
vergrootglas geene schaduwe van eenen buik zou hebben kunnen vinden:
de geheele romp was behangen met eenen zwarten rok, waarvan beide
de ellebogen met wit garen waren toegenaaid, hetgeen men naderhand
met inkt besmeerd had, om het in zwart te doen veranderen. Zijne
ingevallene wangen schenen zich in zijnen mond te willen verbergen,
zijn voorhoofd was vol met diepe rimpels, welke mij echter voorkwamen,
meer door rampen en tegenspoed, dan wel door ouderdom, veroorzaakt te
zijn. Niettegenstaande dit alles, had hij een moedig voorkomen, en zijn
levendig en doordringend oog spreidde eene zekere fierheid ten toon.
Daar zijne trekken mij niet onbekend waren, en ik mij verbeeldde,
hem meermaals gezien te hebben, beschouwde ik hem met zeer veel
oplettendheid. Bij geval kreeg hij mij insgelijks in het oog, en
kwam terstond naar mij toe.--"Hoe!" zeide hij, "tref ik u te Londen,
en wel in zulk een prachtig verblijf, aan?"
"Ja, hernam ik, maar ik moet ronduit bekennen, dat ik vergeefs tracht,
mij uwen naam te...."
--"Herinneren, niet waar? Ik wil dit gaarne gelooven: sinds de drie
jaren, dat wij elkander niet gezien hebben, zult gij mij wel zeer
veranderd vinden.--Ik ben Croquis."
Nu herkende ik hem dadelijk, niettegenstaande de ongeloofelijke
gedaanteverwisseling van zijnen geheelen persoon. Mijnheer Croquis
was een Fransche schilder, die, zonder zich tot den eersten rang dier
kunstenaars te hebben kunnen verheffen, op welke de Fransche school
tegenwoordig met regt mag bogen, zich echter van de broddelaars had
weten te doen onderscheiden, en dien ten gevolge eenigen opgang gemaakt
had. Zijn gedrag was steeds zeer fatsoenlijk en geregeld geweest;
ook was mij nooit iets slechts van hem ter ooren gekomen; ik kon dus
niet begrijpen, hoe hij in dezen ellendigen toestand geraakt was,
in welken ik hem, tot mijne groote verwondering, hier aantrof. Ik
verzocht hem derhalve, mij gezelschap te houden, en vriendschappelijk
met mij te deelen, hetgene voor mij op tafel stond.
"Ik heb reeds gegeten," zeide hij, met eenen bitteren glimlach,
"en ik heb niets noodig."
Het gelukte mij echter, zijne beschroomdheid te doen verdwijnen, en
hem gadeslaande, zag ik aldra, dat hij geenszins zooveel gegeten had,
om zich te verzadigen, maar slechts, om den snerpendsten honger een
weinig te stillen.
Ons middagmaal geeindigd hebbende, gaf ik hem, bij het weggaan,
mijn verlangen te kennen, om de redenen te weten, welke hem in dezen
ellendigen toestand gebragt hadden; en daar hem wel bekend was, dat
mijn verzoek geenszins uit nieuwsgierigheid, maar enkel uit een waar
belang, hetwelk ik in zijn lot stelde, voortsproot, deelde hij mij
zijne droevige historie mede, welke de lezer in de volgende afdeeling
zal vinden.