ROOVERS, AFZETTERS, ZAKKEROLDERS EN BEURZENSNIJDERS.

Op eenen zekeren avond, of liever morgen, want het was half een

des nachts, uit den schouwburg van Drurij-lane komende, ontmoette

ik eenen grooten, met eenen duchtigen stok gewapenden vent, die mij

staande hield en den doorgang afsneed. Om eenen eerlijken aftogt te

maken, wilde ik terugkeeren, doch ik stiet, helaas! op twee andere

fielten, die geen gunstiger uitzigt hadden. De een, die voor mij

stond, eischte mijne beurs, en dat wel zonder eenige wellevendheid,

welke men anderzins veelal den Engelschen straatroovers toekent. Dit

avontuur was intusschen zoo aangenaam niet, als dat van de drie

Bevalligheden, welke mij, eenige dagen te voren, in Cheapside hadden

aangerand. Juist had ik den vorigen dag in een der dagbladen de lofrede

op eenen Engelschman gelezen, die, insgelijks door drie deugnieten

aangevallen, den moed gehad had, om zijne beurs te verdedigen, en

die, tot belooning voor zijne dapperheid, onder het gewigt van eene

menigte wel aangebragte stokslagen bezweken, en beroofd was van al,

wat hij bij zich had, waarna men hem bijna naakt en half dood tot

zijnent had gebragt. Intusschen gevoelde ik mij niet zeer opgewekt,

om dezen ongelukkigen tot een pendant te verstrekken; want de eer, om

in de Londensche dagbladen te verschijnen, scheen mij tot dezen prijs

wat al te duur gekocht. Ik maakte derhalve geene zwarigheid, om mijner

beurs, die gelukkig niet zeer luisterrijk gestoffeerd was, vaarwel te

zeggen; doch ik vreesde voor mijne horologie, hoewel het aldra bleek,

dat ik met eerlijke gaauwdieven te doen had. Naauwelijks was mijne

beurs uit mijne handen in de hunne overgegaan, of zij verdwenen als

vogels in de lucht, en ik vervolgde mijnen weg naar mijn logement,

waar ik, zonder eenige andere onaangename voorvallen, behouden aankwam.

Iederen avond, voor dat ik naar bed ging, had ik de gewoonte

om een paar bladen op te slaan in een boek, dat ten opschrift

voerde: Beschrijving van Londen, of Wegwijzer voor vreemdelingen

in deze stad. Dit diende mij tot een rigtsnoer, om te overwegen,

met welke bezigheden ik den volgenden dag zou doorbrengen. Mijne

vorige ontmoeting belettede mij geenszins, aan deze gewoonte getrouw

te blijven, en toevallig sloeg ik een hoofdstuk op, dat juist zeer

veel betrekking had met hetgene mij bejegend was. Ik zal er den lezer

eenige plaatsen uit mededeelen, en tevens zorgen, dat het overgenomene

onderscheiden wordt van de aanmerkingen, welke ik mij hier en daar

er over zal veroorloven.

"Des nachts bestaat de wacht uit eenige ongewapende grijsaards,

watchmen genaamd; en slechte een gering getal gerechtsdienaren zijn

belast met het nasporen en opbrengen der roovers en afzetters."

Het is dus geenszins te verwonderen, dat hier zoo velen van dit slag

van volkje gevonden worden; ook gaat er zeldzaam een dag voorbij, dat

de nieuwstijdingen geen verhaal mededelen van geweldige diefstallen

of afzetterijen. Dit vooraf in aanmerking nemende, zou men welhaast in

verzoeking geraken, om de volgende regels voor een fabeltje te houden.

"Er bestaat nogtans geene stad, waar men veiliger en geruster

kan gaan en komen, zonder vrees van eenig ongeval te ontmoeten,

(onverschillig, welk uur van den dag of nacht) dan te Londen. Dit

wonderbare verschijnsel is echter geenszins te zoeken in de orde,

sterkte en geregeldheid van de gewone politie, maar veeleer toe

te schrijven aan den gelukkigen zamenloop van zedelijke oorzaken,

waarvan de voornaamste is de verjaarde vrijheid, welke alle klassen

van het volk onbelemmerd in Engeland genieten, en die zelfs in de

zielen der armen met diepe merken gegrift is; voorts in de algemeene

neiging tot orde in de zamenleving, en in de zucht, om zijn bestaan

te vinden door eene onafgebrokene vlijt en ijverige werkzaamheid."

Ik begrijp derhalve niet al te wel, aan welke dezer zedelijke,

zoo gelukkig vereenigde oorzaken ik het verlies van mijne beurs

moet toeschrijven.

Vervolgens maakt de schrijver melding van de onderscheidene soorten van

fielterijen, waarvoor zich een vreemdeling in Londen te wachten heeft.

"De reizigers moeten, onder anderen, zorg dragen, om niet in den

nacht te Londen aan te komen, of zij loopen groot gevaar van, nog op

het einde hunner reize, door struikroovers aangevallen te worden;

ten minste is het genoegzaam zeker, dat zij, bij hunne aankomst,

zich verrast zullen zien door de vriendelijkheid en de zorg, welke de

heeren vrijbuiters gehad hebben, om de koffers en valiezen, die achter

op de rijtuigen gebonden waren, bij voorraad eene goede bergplaats

te bezorgen.

"Eene legio van dieven en roovers houdt altijd schildwacht aan

de deuren der herbergen, waar de postwagens en andere rijtuigen

aankomen. Volijverig zijn zij in de weer, om de pakkaadje der reizigers

aan te nemen en te bezorgen; maar naauwelijks hebben zij dezelve

in handen, of zij maken zich zoek, en verdwijnen in een oogenblik,

zonder aan het terugkomen te denken.

"Een ander gedeelte dezer fielten verzamelt zich voor de vensters

der kooplieden, waar kunstplaten, spotprenten en wat dies meer is,

verkocht worden, of aan de deuren der huizen, waar de eene of andere

publieke tentoonstelling is, even als in den omtrek der schouwburgen

en van alle andere plaatsen, van openbare vermakelijkheden. Men moet

derhalve wel zorg dragen, zoo haast men zich in het gedrang begeeft,

niets van eenige waarde bij zich te hebben, maar de oogen altijd

geopend en de handen in de sakken te houden.

"Verwisselt gij toevallig eene banknoot, of een stuk zilver, beschouw

dan, in 's hemels naam! naauwkeurig het geld, dat men u teruggeeft;

want verscheiden kooplieden zullen u valsche munten in de handen

trachten te spelen, en bovenal hebben de huurkoetsiers zich deze

hatelijke gewoonte eigen gemaakt."

Het is inderdaad bijna ongeloofelijk hoe vele valsche banknoten en

hoe veel valsch geld men in Engeland allerwege aantreft. Ook zal

een Engelschman zelden nalaten zelfs het kleinste stukje zilveren

munt naauwkeurig van alle kanten te bezigtigen, en op den grond

te laten vallen, om zich door den klank van deszelfs gehalte te

overtuigen. Geeft gij hem eene banknoot in betaling, dan gebeurt

het menigmaal, dat hij u verzoekt, uwen naam en uwe woning er op te

zetten. Deze banknoten zijn meestal door geheel Engeland in omloop, en

worden niet slechts in den handel, maar ook in de dagelijksche uitgaven

meer, dan de geldspecien, gebruikt: men heeft ze van onderscheidene

waarde, ja zelfs tot één pond, dat is vierentwintig livres.

"In vele openbare verkoopingen worden somtijds opgelegde werken voor

echt zilver verkocht.

"De Joden, die op straat uitstallen, zullen, zoo zij kunnen, u de

waarde van een ding tienvoudig doen betalen.

"Alle wisselaars, bijna zonder uitzondering, zullen u trachten te

bedriegen.

"De dagbladschrijvers zullen u aanzienlijke sommen afpersen voor het

stellen van een gunstig berigt nopens een pleitgeding, een nieuw werk,

of een tooneelstuk.

"Hebt gij, bij ongeluk, eene zaak voor het eene of andere geregtshof

hangen, dan zult gij alle toegangen belegerd vinden door een heer

van menschen, die u hunne diensten aanbieden, doch u tevens, op

onderscheidene wijzen, op schatting weten te stellen.

"De kwakzalvers zullen u vermoorden, onder de plegtigste verzekering,

dat zij u zullen genezen.

"De apothekers zullen u vervalschte artsenijen voor goede geven."

Doch ik wil mijn uittreksel niet verder vervolgen; alleen zal ik nog

zeggen, dat de schrijver eindigt met het berigt, dat er twee zeer

nuttige gezelschappen te Londen zijn opgerigt, die ten oogmerk hebben,

om alle schelmsche streken en afzetterijen, van welk eenen aard ook,

te ontdekken en te doen straffen; en mijns oordeels is dit nogmaals

een bewijs, dat dezelve in deze stad zeer menigvuldig zijn.

Bijaldien immer een Franschman al datgene, hetwelk ik uit dezen

Engelschen schrijver heb overgenomen, op eigen gezag had geschreven,

zou hij zeker, zelfs in Frankrijk, van vergrooting zijn beschuldigd

geworden; en echter heb ik dit alles getrokken uit een Engelsch

boek, opzettelijk geschreven, om al, wat in de hoofdstad der drie

vereenigde rijken gevonden wordt, hemelhoog te verheffen, en waarin de

geringste voorwerpen doorgaans met de belagchenswaardigste pralerij

worden voorgedragen. Niets meer bij het geschetste tafereel kunnende

voegen, laat ik dit onderwerp gaarne aan de verdere overweging van

mijne lezers.

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 56 / 70 题