DE DAGBLADEN.

Geen land wordt er misschien van den Noord- tot den Zuidpool gevonden,

waar de dagbladen, en gedrukte nieuwstijdingen in zulk eene menigte

rondgebragt, verkocht en gelezen worden, als in Engeland. Men kan

er meer dan vijftig optellen; sommigen worden, den Zondag alleen

uitgezonderd, alle dagen uitgegeven; anderen daarentegen des zondags

alleen: dezen ontvangt men driemaal in de week, genen slechts eens

in de maand. Al deze dagbladen zijn intusschen zoo groot van formaat,

dat de Parijsche Moniteur er slechts een Lilliputiaan bij is.

De staatkundige tinnegieterij..... Wat beteekent dit? Waarom verdikt

zich mijne inkt in de pen? Waarom weigert mijne veder de verschuldigde

gehoorzaamheid aan mijne schrijvende vingeren?--Nimmer zal ik vergeten,

eens gezworen te hebben, nooit over staatkundige onderwerpen te

zullen spreken of schrijven; en dezen duren eed wil ik houden,

o ja! hij zal mij altijd heilig, altijd onverbreekbaar zijn!

Ha! ik gevoel eene nieuwe kracht! Het gaat, de inkt wordt weder

vloeibaar, en de pen onderwerpt zich geduldig aan haren voerder.--Ik

zeg dan, dat de staatkunde het voornaamste onderhoud der Engelsche

papieren is. Wijl zij hun echter te weinig stof verschaft, om

dagelijks twintig of dertig ontzaggelijk groote colonnes, met zeer

kleine letteren gedrukt, behoorlijk te kunnen aanvullen, maken de

schrijvers, na al het nieuws uit andere landen, het zij dan waar of

valsch, breedvoerig medegedeeld te hebben, een afzonderlijk artikel,

waarin zij nogmaals het reeds vermelde herhalen, stukswijze ontleden,

en met hunne bekookte of onbekookte aanmerkingen en oordeelkundige

of geestelooze bijvoegselen doorspekken, en dus de schaal naar

dien kant doen overslaan, welken de partij, waarvoor zij ijveren,

is toegedaan. Op deze wijze ontbreekt het hun geenszins aan stof,

om twee vierde gedeelten van hun blad te vullen. Een derde vierde

gedeelte is toegewijd aan belangrijke onderwerpen, die uit de Parijsche

Petites-Affiches zijn overgenomen; en, om het overige vol te krijgen,

deelen zij een langdradig uittreksel en de kleinste bijzonderheden

mede van de gedingen, welke voor de Londensche regtbanken verhandeld

en gevonnisd zijn. Voorts verhalen zij de gewigtige tijding, dat

Mylord die of die in de hoofdstad is teruggekeerd, en dat zijn naaste

buur daarentegen weder naar zijn landgoed is vertrokken; dat Milady

die of die den vorigen dag een dozijn menschen te eten heeft gehad,

en eindelijk, dat een rappe hazenwind, langs den weg snellende, den

vollen emmer van eene aardige melkboerin omver heeft gesmeten, dat hij

in dezelfde vaart eenen tappersjongen, met al zijne pinten bier, onder

den voet heeft geloopen, en eindelijk eene oude matrone in den modder

heeft doen nedertuimelen, zoodat zij van onder tot boven beslijkt was.

De eigenlijke dagbladen zijn in twee partijen verdeeld, van

welke de eene de ministeriele, en de andere de oppositie-partij

genoemd wordt. Ook heeft men dagbladen, die slechts over

letterkundige onderwerpen handelen, zoo als de Monthly-Review en de

Critical-Review. Intusschen kan men, zonder een fijne kenner te zijn,

uit den schrijftrant ligtelijk opmerken, dat de eerste gunstig is voor

de ministers, en de andere de oppositie-partij aankleeft. Wanneer een

dezer dagbladen zich eenmaal voor de eene of andere partij verklaard

heeft, dan blijft het zijn aangenomen grondbeginsel ook onwrikbaar

getrouw, en verraadt nimmer zijne partij. Zeldzaam treft men in Londen

zulke schrijvers aan, welke heden den afgod met voeten treden, dien zij

gisteren aanbaden, en dien zij morgen nogmaals zouden bewierooken,

indien hij slechts weder op zijn altaar was geplaatst. Ook zijn

zij geenszins verpligt, gelijk in vele andere landen, om valsche

tijdingen te verspreiden, of ware te verzwijgen; noch genoodzaakt,

een slecht werk aan te prijzen, omdat de schrijver invloed heeft,

of eene goede lettervrucht van eenen achtenswaardigen geleerde

onbarmhartig te havenen, omdat zijn vader een regterlijk vonnis

heeft ondergaan. Letterkunde, staatkunde, alles ligt voor hen bloot,

en hunne pen is zoo vrij, als hunne gedachten; terwijl het aan de

regtbanken-alleen staat, de misbruiken te beteugelen, welke zij van

de vrijheid der drukpers mogten maken.

"Bravo!" zeide mijn vriend C..., die, zonder dat ik het bemerkt had,

was ingekomen, en over mijnen schouder de laatste regels, welke ik

bezig was te schrijven, gelezen had: "bravo! ziedaar eens eindelijk

een hoofdstuk, hetwelk, rond uit de borst, voor de Engelschen de

grootste lofrede bevat!"

--"Ik deel slechts daadzaken mede, en laat den bescheiden lezer

de zorg over, om de gevolgtrekkingen te maken. Maar gij doet mij

vreezen, dat ik niet wel begrepen zal worden, en dat men soms een

eenvoudig verhaal voor eene lofrede zal houden. Meent gij dan, dat,

indien ik een dagbladschrijver ware, ik niet liever zou verkiezen,

dat een censor tegen mij zeide: "dit of dat artikel zult gij niet

laten drukken!" dan dat ik den volgenden morgen voor de regtbank

gedagvaard werd; wijl ik het in mijn blad had doen plaatsen? Gelooft

gij, dat ik zulken achting toedrage, die zich verpligt rekenen,

alleen, omdat zij tot de oppositie-partij behooren, de wijste en

verstandigste besluiten van het ministerie te gispen en te gebruiken;

of wederkeerig hem zou verdedigen, die de onbetamelijkste aanslagen

tegen de Engelsche vrijheid trachtte te regtvaardigen, omdat hij een

voorstander van de ministeriele gevoelens is? En ziedaar nogtans

iets, dat men dagelijks in de Engelsche papieren aantreft. Een

dagbladschrijver moet onpartijdig zijn, en over het staatkundige met

de uiterste omzigtigheid en de strengste waarheidliefde spreken. Hij

moet zijne overheid eerbiedigen, zonder echter dezelve laaghartig

te vleijen. Dat hij mij een blad levere, zoo groot hij wille,

mids hetgene er in gevonden wordt, belangrijk is en mijnen leeslust

kan voldoen; maar dat hij mij geenszins veroordeele, eenige honderd

regels brabbeltaal en zoutelooze lafheden in te slikken, waarin niets

opmerkenswaardig gevonden wordt; dat hij eindelijk..."

--"Gij schildert daar eenen man, die nimmer bestaan heeft, en het

land, waar men zoodanigen schrijver zou kunnen vinden, ligt zeker in

het onbekende zuiden, of in de maan."

--"Ik wilde ten minste niet gaarne uw schrijver zijn; want ik zou

met reden vreezen, geene lezers te vinden, en dus van honger te

moeten sterven."

--"De geest der partijzucht en boosaardigheid alleen is de eigenlijke

bron, waaruit die algemeene drift tot lezen ontspringt. Ook houdt ieder

lezer te Londen er twee dagbladen op na, om dus hetzelfde tafereel,

met verschillende kleuren geschetst, op tweederlei wijze te kunnen

beschouwen; en het is vandaar, dat men door het licht der rede geleid,

bij eene ernstige en bedaarde overweging, het beste kan...."

--"Het beste kan ontwaren, dat de twee schrijvers de kleuren van den

hartstogt, in plaats van die der waarheid genomen hebben, en dat zij,

in plaats van eene volledige schilderij, niets meer dan eene flaauwe

schets geleverd hebben."

--"Gij moogt zeggen, wat gij wilt, maar ik heb veel achting voor de

Engelsche dagbladen. Misschien loopt er wel een weinigje dankbaarheid

onder; want mijne eerste kennis, welke ik te Londen gemaakt heb,

ben ik aan een nieuwspapier verschuldigd."

--"Hoe dat?"

--"Ziehier de zaak: zij zal u wel wat romanesk voorkomen, maar zij

behelst toch de zuivere waarheid.

"Slechts weinige dagen was ik te Londen geweest, en had nog aan niemand

kennis gekregen, dan aan eenen eenigen Franschman. Te Parijs had ik

een weinig Engelsch geleerd, doch kon het niet, dan met zeer veel

moeite spreken: het te verstaan, was mij nog lastiger. Op zekeren

morgen met mijnen vriend aan het ontbijt zittende, las ik in de

Morning-Chronicle het volgende berigt, hetwelk ik het vermaak zal

hebben u voor te lezen: "Eene Engelsche Dame, der Fransche taal magtig,

doch zich gaarne verder willende oefenen in het spreken van dezelve,

wenschte eenen geboren Franschman te vinden, die, van zijne zijde,

verlangde, zich de uitspraak van het Engelsch gemakkelijk te maken. Men

zou alsdan gezamenlijk het uur of tijdstip kunnen bepalen, om bij

elkander te komen, en het daaruit voortvloeijende nut en voordeel zal

tot wederzijdsche betaling strekken. Het antwoord wordt verzocht in

ditzelfde dagblad, onder het opschrift: aan ladij A. B."

--"Waarachtig!" zeide ik tegen mijnen vriend, "ik zal ladij

A. B. antwoorden, en mijne onderteekening naar de volgorde van het

Abé rigten."--"Ik zou het maar stilletjes laten blijven," hernam hij;

"buiten twijfel is het eene avonturierster, die een wildbraadje denkt

op te jagen."--"Onverschillig! zij zal ondervinden, dat zij zich

bedrogen heeft!" en op het oogenblik maakte ik het volgende opstel:

"De voorslag van ladij A. B. wordt met vermaak aangenomen door een'

Franschman, die onlangs te Londen aangekomen is. Het zal hem veel

eer en genoegen zijn, naar den dag en het uur te mogen vernemen,

waarin hij zijne opwachting mag komen maken. Hij verzoekt antwoord

onder de letters C. D., no. 7 Wells-street."

Dadelijk bragt ik mijn antwoord aan het kantoor. Er waren

intusschen reeds eenige dagen verloopen, en ik dacht niet meer aan

het geheele geval, toen ik, op zekeren avond te huis komende, het

volgende billet op mijne tafel vond: "Indien de Franschman, die de

uitnoodiging onder A. B. in de Morning-Chronicle beantwoord heeft,

zich de moeite wil geven, om aanstaanden donderdag, des avonds te

zes ure, in de St. James-street no. 9 te komen, zal hij daar de

bewuste dame met haren vader kunnen aantreffen. Alsdan zal men, na

zich onderling gezien en gehoord te hebben, het beste kunnen bepalen,

of men wederzijds genoegen in elkander vindt, en genegen is, om eene

nadere verkeering met elkander te houden."

"Deze stijl scheen mij geenszins die van eene fortuinzoekster; derhalve

verzuimde ik de bijeenkomst niet. Daar komende, vond ik een lief jong

meisje van twintig jaren, even beminnelijk als bevallig. De geheele

familie bestond uit vader, moeder, broeder en zuster: de twee laatsten

alleen verstonden een weinig Fransch. Ik werd intusschen zeer minzaam

ontvangen. Een jaar lang bragt ik mijne avonden bij dit achtenswaardige

gezin door, en werd in dat tijdverloop der Engelsche uitspraak tamelijk

magtig, terwijl daarentegen de jonge miss aanmerkelijke vorderingen

in het Fransch gemaakt had. Korten tijd daarna trouwde zij, en haar

man bewees mij insgelijks veel vriendschap en welwillendheid. Thans

is zij, op hare beurt, moeder des huisgezins, en zelden gaat er eene

week voorbij, dat ik haar niet bezoek.--Welnu, mijn vriend! wat dunkt

u? Ben ik deze kennismaking niet aan de Morning-Chronicle verpligt?"

--"Uwe geschiedenis deugt niets, mijn beste! Om het avontuur op

eene behoorlijke wijze te eindigen, hadt gij zelf het meisje moeten

trouwen."

--"Indien ik u eenen roman hadde opgedischt, zou zoodanig eene

ontknooping onvermijdelijk geweest zijn; maar het is integendeel eene

waarachtige gebeurtenis, welke ik u ter goeder trouw en onopgesmukt

heb medegedeeld."

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 52 / 70 题