DE WANDELING.

"Helaas! nog al veroordeeld, om eenen zondag te Londen door te

brengen! welk een verdriet! Geene andere publieke plaats staat open,

dan de koffijhuizen, die juist niet in mijnen smaak vallen, en de

herbergen, waar gerookt wordt, en welke ik verfoei! Geen bezoek kan

men afleggen! Ha! ik kan echter eene predikatie gaan hooren! Eene

predikatie... de hemel beware mij! ik vergenoeg mij gaarne met de

eerste, welke ik gehoord heb.--Komaan, laat ons een hoofdstuk bijeen

flansen, en het de verveling doopen. De verveling is immers eene

ziekte, welke al de inwoners van Londen bekruipt, en die mogelijk

eenigen mijner lezers, bij het doorbladeren van dit boekje, mijns

ondanks, ook zal bevangen."

Ik nam derhalve een groot vel schrijfpapier, en schreef boven aan met

groote letteren: Een en twintigste Hoofdstuk.--De Verveling. Reeds was

ik bezig met eene inleiding te ontwerpen toen ik mij op den schouder

voelde tikken. Ik keerde mij om en zag mijne vriend C...

"Wel!" zeide hij, "wat denkt gij van daag te doen?"

"Ach!" antwoordde ik met eenen zucht, "hetgene men te Londen op

zondag kan doen. Ziedaar!" vervolgde ik, hem mijn vol papier onder

de oogen houdende.

"Smijt het in het vuur!" hernam hij: "het is een heerlijke winterdag,

niet te koud, geen wind; komaan, laat ons in Hyde-Park gaan wandelen;

dit zal onzen eetlust opwekken, en wij zullen alsdan dezen middag

der tafel eer kunnen aandoen."

Ik liet mij niet lang bidden; wij begaven ons terstond op weg en

kwamen, na omtrent een uur wandelens, aan dat vermakelijke park, door

de poort van de Oxford-street. Zonder medelijden liet mijn vriend mijne

voeten de lengte van het geheele park meten, en toen vroeg hij mij:

"Welnu! hoe vindt gij deze wandeling?"

"Overheerlijk! Ik zou er mij geen denkbeeld van hebben kunnen

vormen! Maar in ernst! Hoe toch kunt gij vooronderstellen, dat deze

plaats mij zou kunnen behagen? Een wijd uitgestrekte grond, van eenen

onregelmatigen omtrek, bedekt met een dun en dor groen, waartusschen

het oog hier en daar eenige wijd en zijd verspreide boomen aantreft,

even als men in de Lijbische zandwoestijnen, van tijd tot tijd,

eenige oasen ontwaart, en in wiens midden, tot volmaking van dit

fraaije tafereel, een magazijn van stof ligt!--Voorts is dit treffend

geheel doorsneden met eene soort van lanen, vol modder en slijk, die

tegenwoordig gelukkig stijf bevrozen is, en waar honderd wandelaars,

even als wij, hunne verveling medebrengen, den tijd trachten te dooden,

en van welke men te regt zou kunnen zeggen:

"Rari nantes in gurgite vasto!"

--"Wat het dorre en weinige gras betreft, dat komt, wijl men der

zeissens hier al te dikwijls bezigheid verschaft."

--"Wat raakt mij de oorzaak? ik beoordeel de uitwerkselen."

--"En verdient deze schoone gracht, welke men het Slangen-kanaal noemt,

ten minste uwe verwondering niet?"

--"De nabijheid van de Theems vermindert aanmerkelijk het schoone van

dit kanaal.--Maar ik zie daar eenige jonge lieden schaatsen rijden:

ik dacht niet, dat het ijs reeds sterk genoeg was."

--"Gisteren reed men hier al. Wel is waar, er kwam een gat in,

waarin wel vijftien menschen gevallen zijn; doch er is slechts één

verdronken."

--"En waarom zet men niet een paar schildwachten uit, om te beletten,

dat iemand op het ijs komt, voor dat het dik en sterk genoeg is?"

--"Wat zou er dan van de Engelsche vrijheid worden?"

--"Het is waar, ik dacht er niet om.--Welaan! laat ons dit betooverend

verblijf verlaten."

--"Wij zullen eerst de tuinen van Kensington nog bezigtigen; want

wij zijn er zeer digt bij."

Zoo gezegd, zoo gedaan; en nu moet ik mijnen waarden lezer ronduit

bekennen, dat ik hier waande, mij in eene andere wereld getooverd te

zien. Eene wijde uitgestrektheid van de schoonste boomen, welke het

oog naauwelijks overzien kan, met fraaije lanen doorsneden, bood hier

den liefhebbers eene bekoorlijke wandeling aan, welke in den zomer

overheerlijk moet zijn, en alsdan ook de bijeenkomst is van alles,

wat in Londen aanzienelijk en voortreffelijk mag genoemd worden. Maar

gij vindt er niets, om u te verfrisschen of te verkoelen; noch ijs,

noch limonade, noch zelfs een glas bier; niet eens eenen stoel, om uit

te rusten: men treft er geene andere zitplaatsen aan, dan eenige, op

eenen grooten afstand van elkander geplaatste, banken, even als men

die heeft in ons Luxembourg of in de Tuilleries, waar de Invaliden

en nieuwsgierige ledigloopers gewoonlijk hunne bijeenkomsten hebben.

Wij wandelden den tuin rond, en het was reeds half vier ure, toen wij

denzelven verlieten. Nu moesten wij nogmaals Hyde-Park oversteken,

om in de stad te komen. Maar hoe groot was mijne verwondering! Ik

bevond mij als in eene andere wereld. Misschien wel vijf- of zesduizend

personen, van onderscheiden rang en stand, wandelden te voet in het

binnenste gedeelte van het park; terwijl het in de dwarslanen krielde

van rijtuigen, koetsen en paardrijders, en dat bijna in zulk eene

menigte, als in onze wandeldreven te Long-Champ.

--"Spijt het u nu wel, gebleven te zijn?" vroeg mijn vriend; "wat

zegt gij nu van Hyde-Park?"

--"Dat de decoratiën veranderd zijn, maar dat het tooneel altijd

hetzelfde blijft. Ik verbeeld mij, eene groote kamer te zien, die wel

prachtig en rijk gemeubeld, doch welker vloer oud en morsig is, en

welker zoldering en lambrizering sedert lang niet zijn opgeschilderd."

Nogtans moet ik der waarheid hulde doen, en bekennen, dat dit gezigt

niet geheel onbelangrijk was, ook kan men er alle zondagen, van drie

tot vijf ure, gebruik van maken. Met genoegen beschouwt men een

aantal jonge lieden te paard, van beide seksen, die hunne moedige

en dartele rossen met zwier en bevalligheid berijden; terwijl men,

aan den anderen kant, wederom eene menigte van rijtuigen ziet, welke

in smaak en pracht met elkander wedijveren. Niet minder verlustigt

zich het oog in de wandelende en rijdende dames, van welke sommigen

den bekoorlijksten luister van het natuurlijk, eenvoudig schoon ten

toon spreiden, welks gemis anderen wederom door pracht van opschik en

sieraden trachten te vergoeden. Wij hielden ons eenige oogenblikken

op, om dit schouwspel naauwkeurig gade te slaan, hetwelk, hoe schoon

ook, mij toch eindelijk zou verveeld hebben. Mijn vriend wist echter

aan deze vervelende eentoonigheid, door het verhalen van sommige

bijzonderheden en voorvallen, eenige afleiding te geven.

"Ziet gij daar in die geel geschilderde koets, met die fraaije wapens

en eene grafelijke kroon er boven, dat lieve vrouwtje wel? vroeg

hij mij. Zij is eene bloedverwante van een' der aanzienlijkste

personaadjes van geheel Engeland. Zij was de echtgenoote van Lord

F...; maar eene onwederstaanbare zucht tot galante minnarijen deed

haar gehoor verlenen aan de vleijerijen van Mijlord G... Haar man

bemerkte het: hij was niet minder ervaren in de Heidensche fabelleer,

dan in de Engelsche rekenkunde: de historie van Venus en Mars,

benevens de boertige wraak van Vulkaan waren hem geenszins onbekend;

en daar hij het zonderlinge begrip koesterde, dat eene vrouw minder,

en wat geld meer, een wezenlijke zegen des hemels was, hield hij

zich, als of hij den beiden gelieven schoon spel wilde geven, en wist

eindelijk het arglooze paar, door eenige zijner vrienden verzeld,

die hem voor getuigen zouden dienen, in den beslissendsten toestand,

even als de hierboven vermelde goden, te betrappen. Een Italiaan zou

zeer zeker de schuldigen terstond geponjaardeerd hebben; een Franschman

zou zijnen mededinger op de pistool of op den degen geeischt hebben;

maar een Engelschman is wel wijzer! Lord F... vervolgde Lord G... in

rechten, en verkreeg tegen hem een vonnis, waar bij deze, als onwettig

bruiker van eens anders eigendom, in eene boete van 15,000 pond, dat

is (360,000 livres Fransch) veroordeeld werd, tot schadevergoeding

van kosten en intrest, en hetwelk hem tevens magtigde, om van zijne

snoepachtige vrouw te scheiden. Toen trouwde de Mylord G... het

onbestorvene weeuwtje. Doch daar de opvolger van Lord F... niet

geldgierig is, zegt men, dat hij de uiterste voorzorgen gebruikt,

om niet genoodzaakt te zijn, de uitgeschotene gelden, welke hij aan

Lord F... betaald heeft, weder van eenen anderen zijner vrienden of

bekenden te moeten invorderen."

"Die ruiter, op dat kastanjebruine paard, wiens sporen en stijgbeugels

van zilver zijn, heet Sir John H... Deze heeft eens eene weddenschap

aangegaan van tweeduizend guinies, dat een man in twintig dagen

duizend uren te voet zou afleggen, hetgeen iederen dag vijftig uren

maakt, of ten naastenbij zestien en eene halve Fransche mijlen. Het

gelukte hem in de daad, iemand te vinden, die dit wandelingje wilde

ondernemen, en dien hij vervolgens iederen morgen door zijnen arts

liet bezoeken; terwijl hij zelf zich met de zorg belastte, om den

looper met voedende en krachtige spijzen te onderhouden. In een woord,

hij won de weddenschap. Thans is het hem gelukt, eene heldin op te

schommelen, die zich wil verbinden, in twintig achtereenvolgende

dagen daags dertig uren af te leggen. Hij houdt zich dus bezig met

iemand op te zoeken, die hem nogmaals tweeduizend guinies wil houden;

maar ik twijfel sterk, of hij eenen wedder zal vinden; want de spraak

gaat, dat hij altijd gelukkig is in het winnen."

"Zie daar mistress L..., in dat eenvoudige grijs geschilderde rijtuig

zonder eenig versiersel. Zij is met eenen Franschman getrouwd, dien

zij, van den morgen tot den avond, onophoudelijk kwelt, vooral,

wanneer hij het ongeluk heeft van in de eene of andere kleinigheid

zich tegen de Engelsche gewoonten te bezondigen. Op zekeren avond

thee bij haar drinkende, beknorde zij haren echtgenoot zeer hevig,

in het volle gezelschap, dewijl hij de onoplettendheid gehad had, van

het suikerpotje op de tafel, in plaats van op het theeblad, te zetten."

"Ziet gij daar links af, een paar schreden van ons, dien man wel, in

zijnen bruinen rok, met dat levendige oog, en blootshoofds, die, even

als wij, stilletjes voortwandelt?--Het is een schilder vol talenten

en verdiensten; Hij heeft de minnares van eenen der voornaamste heeren

van het rijk geportretteerd. Toen het werk af was, had zijne Edelheid

de goedheid van hem te zeggen:--"Zie daar een portret, mijnheer! dat

u eer zal verschaffen! het is onmogelijk, van dien aard iets beters

te zien! En dit is al de betaling, welke de verdienstvolle kunstenaar

ooit heeft kunnen bekomen."

"Spoedig! Spoedig! Beschouw die blaauwe koets daar, met die

hertoglijke wapens! Ziet gij daar niet, naast die oude dame, met dat

stuursche drakengezigt, een lief, bekoorlijk, jong meisje, hetwelk

men het verdriet uit de oogen kan lezen? het is eene wees. Hare

bevalligheden, misschien ook wel hare vijftienduizend pond renten,

trokken de liefde van een jong mensch tot zich, die wederkeerig het

geluk had van haar te behagen. Noch zijn rang noch zijne fortuin

veroorloofden hem, naar hare hand te staan. Derhalve besloten de twee

gelieven, volgens het Engelsche gebruik, een Schotsch reisje te doen;

doch voordat zij het doel hunner wenschen bereikt hadden, en door

eenen zwartrok het heilvolle woordje conjungo! (ik vereenig u!) over

hen was uitgesproken, werden zij door de bloedverwanten der jonge

juffer achterhaald en vastgehouden. Haar stelde men in de bewaring

en onder het opzigt van deze oude, welke haar even min verlaat,

als de schaduw het ligchaam: de jongeling werd als schaker aan de

kaak te pronk gezet. Men zegt evenwel, dat het beminnelijke meisje

een vast karakter heeft, en zoodra zij meerderjarig geworden is,

welk tijdstip met snelle schreden nadert, den ongelukkigen jongeling

zal trouwen en met hem naar het vaste land oversteken."

De menigte van origineelen, welker portretten mijn vriend mij schetste,

begon echter langzamerhand te verminderen en uit een te gaan. Het

was nu bijna vijf ure. Wij vertrouwden, dat zij voornemens waren, de

wandeling door eene meer kracht gevende en meer zelfstandige bezigheid

te doen vervangen; en wij, ons aan den wil der maag onderwerpende,

achtten het niet te onpas, hun voorbeeld te volgen.

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 46 / 70 题