Op eenen zaturdag wandelde ik met mijnen vriend C... door de stad.
"En met welk voornemen?" zal men mij mogelijk vragen.
Zie hier mijn antwoord.--Plaats u slechts, waarde lezer! op den eenen
of anderen morgen, zonder u de moeite te geven van naar Londen te
reizen, bij de Pont-Neuf, te Parijs, en doe dezelfde vraag aan alle
voorbijgangers, namelijk, met welk voornemen zij zijn uit gegaan?
Een advokaat zal u zeggen:--"Om voor eenen mijner kliënten te
pleiten." En het is integendeel slechts, om de vijftig Louis d'or te
verdienen, welke hij zich vooruit heeft doen betalen.
Een arts zal u antwoorden: "Om eenen mijner lijders te bezoeken." Maar
geenszins zal hij er bijvoegen, dat dit bezoek hem rijkelijk zal
betaald worden.
Een dagbladschrijver zal u vertellen: "om eene proef te corrigeren." En
het is juist om de eerste letter van zijnen naam, waarachter hij
zich verschuilt, te gaan uitkrabben onder het een of ander artikel,
in hetwelk hij eenen zekeren schrijver al te hard is aangevallen,
en voor wiens onverzoenlijke wraakzucht hij thans beducht is.
De koopman zal u diets pogen te maken, dat hij "eenen
zijner handelvrienden, wiens zaken wat schuinsch zitten, gaat
ondersteunen." Maar hij verzwijgt u, dat zijn voornemens is, tegen
gereed geld voor een derde der waarde den ongelukkigen de goederen,
welke hem nog overig zijn, af te woekeren.
De krijgsman zwetst u voor: "Mij roept eene zaak van eer!" En het
is eene danseres van de Opera, met welke deze zaak van eer moet
beslist worden.
De schoone Agnes, die, u antwoordende, hare tintelende oogen zedig
naar den grond slaat, zegt, met den grootsten schijn van waarheid:
"Ik ga de mis hooren in de naburige kerk." Maar het looze meisje
weet, dat zij eenen jongen vriend zal vinden, welken zij daar
eene bijeenkomst heeft toegestaan.--Dat oude grootje dweept u,
met een uitgestreken gelaat, voor: "Ik ga, in de vreeze des heere,
een heimelijk liefdewerk verrigten." Maar het is, om aan vijf of zes
schijnheilige klappijen van hare kennis een schandelijk nieuws mede
te deelen, hetwelk haar, ten nadeele van eene harer beste vriendinnen,
den vorigen avond verhaald is geworden.
Indien ik nu zelf op uwe vraag antwoordde, waarde lezer! zoudet gij
immers kunnen vermoeden, dat ik u insgelijks mijne ware beweegredenen
wilde verbergen, of dat ik er u slechts een gedeelte van ontdekte. Heb
derhalve de goedheid, om u te vergenoegen met datgene, hetwelk
ik mij in gemoede verpligt acht ter uwer kennis te brengen, en
u te bepalen bij de uitwerkselen, zonder al te diep in derzelver
oorzaken te willen doordringen; want deze aangeborene zucht, hoe
natuurlijk en verschoonbaar dezelve ook zij, is meermaals de bron van
duizende dwalingen en misslagen voor het menschdom geweest. Ja men
kende...... Doch ik bemerk, dat ik mij van mijnen weg verwijder, en
dat ik, dus voortgaande, in plaats van hetgene ik te Londen gezien en
gehoord heb, te verhalen, mij ongevoelig in wijsgeerige bespiegelingen
zou verdiepen. Derhalve ter zake!
"Welk eene verwonderlijke zindelijkheid heerscht er in dit land!" zeide
mijn vriend C... "Ziet gij wel aan alle huizen de dienstmeisjes met
hare emmers, bezems, luiwagens, dweilen, sponsen en zandbakjes? Zij
zijn bezig met de trappen, van den zolder tot aan den kelder,
te schuren, en zij eindigen met den huisdrempel. En dit wordt alle
zaturdagen op nieuw herhaald. Wel nu, wat zegt gij er van?--Doet men
dit te Parijs ook?"
"Maar te Parijs," antwoordde ik hem, "worden bij zeer vele lieden
de trappen niet alleen geschrobd en geboend, maar zelfs met wassen
lappen gewreven; gij zult mij dus gaarne toestemmen, dat dit tegen
het Engelsche wasschen, waarvan gij zoo veel ophefs maakt, wel kan
opwegen. Wat der zindelijkheid betreft, mijn beste! dan moest gij
eens in Holland zijn, daar zoudt gij andere staaltjes aantreffen:
daar wascht men zelfs de muren der huizen van buiten. Ik moet u
daarenboven ronduit verklaren, dat ik mij in het geheel niet met
geestdrift voor de Engelsche zindelijkheid vooringenomen gevoel. Gij,
mijn vriend! beschouwt slechts het vernis der schilderij, maar
geenszins derzelver innerlijke waarde.
Onder dit gesprek wees ik hem eenen tappersjongen aan, die, huis aan
huis, zijne pinten bier rondbragt, welke hij naast elkander op eene,
tot dit gebruik geschikte, plank geplaatst, in zijne hand hield, Aan
ieder huis, waar hij kwam, nam hij, voor het aankloppen, eene teug uit
het pintje, hetwelk hij moest overhandigen, zoo dat hij, dus doende,
middel vond, om zijnen dorst of snoeplust te bevredigen (indien het
nemen van eenen slok bier snoepen mag genoemd worden) zonder dat de
hoeveelheid van het vocht uit de pinten aanmerkelijk verminderde.
Op het zelfde oogenblik zag ik een kind van omtrent acht of negen jaren
met een stuk boter in de hand, dat hij waarschijnlijk voor zijne ouders
gehaald had, en waarvan hij, het papier opligtende, gedurende den weg,
den omtrek met zijne tong belikte, dat het een lust was.
Eindelijk zagen wij vlak tegenover ons eene melkboerin op een' harer
emmers zitten, en die, bemerkende, dat haar rok gedeeltelijk in den
anderen emmer hing, denzelven er zeer voorzigtig uitnam en in dien
emmer uitwrong, om toch geenen droppel van het vocht, dat zij verkocht,
te verliezen.
"Ziedaar!" zeide ik, "het toeval biedt ons, gelijktijdig en juist
van pas, drie sprekende voorbeelden van de Engelsche zindelijkheid
aan! Wel nu, wat zegt gij er van?"
--"Dat dit niets bewijst! Men kan uit bijzonderheden geene
gevolgtrekking tot het geheel maken."
--"Ik heb u ook niet slechts eenen trek aangewezen, maar wel drie, in
dezelfde straat, en op hetzelfde oogenblik, en mijn geheugen herinnert
mij nog een aantal anderen.--Of kunt gij deze vrouw zindelijk noemen,
die, den eersten morgen na mijn ontwaken, in mijn verblijf, dat ik
thans nog bewoon, mij, nadat zij eerst mijn vuur aangemaakt, en de
zwarte kolen met de handen aangevat had, het ontbijt bragt, zonder zich
afgewasschen te hebben, en zich insgelijks gereed maakte, om mijn bed
te schudden, hetwelk ik echter nog gelukkig voorkwam, door haar, bij
wijze van een komplimentje, te zeggen, dat de heldere blankheid van
haar gelaat een sterk kontrast met hare zwarte handen opleverde? Is
het misschien ook een beginsel van zindelijkheid, dat de menschen,
bij welke gij inwoont, toen ik u, op zekeren dag, terwijl zij zaten
te eten, afwachtte, mij gul en hartelijk eene teug bier uit het pint
aanboden, hetwelk gedurig de ronde om de tafel deed, zonder dat een
der drinkenden er om dacht, den mond met een servet af te vegen,
en zulks om de natuurlijke reden, wijl niemand een servet had?"
--"Alles enkele voorbeelden! Gij beoordeelt de Engelschen, als zeker
reiziger de Fransche vrouwen schetste. Deze, te Calais ontschepende,
teekende in zijn zakboekje aan, dat alle Fransche vrouwen zoo rood
als vossen waren, dewijl de kasteleines der herberg, waar hij was
afgestapt, rood haar had."
--"Gij bedriegt u. Ik zeg niet, dat alle Engelschen morsig zijn;
maar ik betwist hun den roem van algemeene zindelijkheid, met welke
men hun zeer ongepast in Engeland vereert, en ik durf beweren, dat
de Franschen, wat dit artikel betreft, hun geenszins, uit den weg
behoeven te gaan. Maar nog iets; indien de bijzondere bewijzen u niet
kunnen overtuigen, indien gij mij tegenwerpt, dat alle voorbeelden,
welke ik heb aangehaald, slechts het lage gemeen betreffen, dan zal
ik u eenige algemeene trekken opnoemen, en wel onder lieden van den
eersten rang in de maatschappij."
"Goed, hier wacht ik u, mijn vriend."
--"Zeer wel, let slechts op!--Gij weet, dat, als men, zelfs in de
eerste huizen, thee gaat drinken, dezelve op een prachtig geschilderd,
en met goud of zilver versierd blad, in het keurigste en kostbaarste
porselein, wordt voorgediend. Maar hebt gij tevens nooit uw oog
gevestigd op die spoelkom, welke half vol warm water op den hoek van
het blad is geplaatst?--Hebt gij er nooit op gelet, dat ieder, na zijn
kopje uitgedronken te hebben, hetzelve in die kom van het overschot en
van eenige, daar in nog overgeblevene, theebladen gaat zuiveren? Is
dit niet even eens, als of ieder beurtelings uit hetzelfde kopje
dronk? Neen! zoo zeer ik met vermaak uit een kopje of schoteltje zou
willen drinken, hetwelk met een paar lieve koralen lipjes in aanraking
was geweest, met even zoo veel tegenzin en afkeer zou ik er mij van
bedienen, indien het in hetzelfde water was afgespoeld geworden,
hetwelk de restjes van eenen dronkaard, of van eene tandelooze bes
ontvangen heeft; want eigenlijk is dit geen reinigen, maar wel degelijk
bemorsen.--Ja, mijn vriend! doorzoek vrij, als gij kunt, de kleedkamer
van de pronkzuchtigste vrouw, of van de rijkst onderhouden wordende
maitresse; ga bij de voornaamste behangers en in de eerste modewinkels,
en gij zult bevinden, dat eene Fransche vrouw, van welk eenen stand
ook, er niet volledig alles zou aantreffen, wat zij noodig heeft,
om zich geheel naar haren zin van meubelen te voorzien.
--Hebt gij reeds onze lieve en beminnelijke landgenoote, welke wij
gisteren door ongesteldheid te bed vonden, vergeten, en die zich
ongelukkig bezeerd had bij het vervaardigen van een stuk huisraad,
dat zij in geheel Londen niet vinden kon? En op wat wijze zult gij
de fraaije manier, om het neuzenmerg op te halen en in te slokken,
verdedigen?--Eene gewoonte, welke onder alle klassen plaats heeft,
en vandaar oorspronkelijk schijnt te zijn, dat de zindelijke heeren
Engelschen nooit iets uitspuwen, uit vrees van hunne tapijten te
bederven, en ook zeer zelden eenen zakdoek gebruiken, uit voorzorg
van denzelven morsig te maken.
Ja zelfs schijnt de regering dezer stad het nuttige en noodzakelijke
der zindelijkheid niet genoegzaam in het oog te houden; want gij
zult mij toch wel willen toestemmen, dat de straten hier zeer slecht
schoon gehouden worden, of laat ik liever zeggen, dat zij altijd zeer
vuil en morsig zijn. Het is waar, men veegt, bij de eene of andere
dwarsstraat, een klein plekje schoon, om van het eene voetpad op het
andere te kunnen komen, en dit werk wordt gemeenlijk nog door eenen
bedelaar verrigt, die, in de eene hand den bezem houdende, de andere
geopend en uitgestrekt den voorbijgangers aanbiedt. Doch wilt gij de
straten dwars oversteken, om aan de overzijde te komen, dan moet gij
tot aan de waden door modder en slijk stappen, of weder terugkeeren,
tot gij aan een dezer paadjes komt, waarvan ik gesproken heb, en
welke veel overeenkomst hebben met eene plank over eene moddersloot.
--"Genoeg! om 's hemels wil, genoeg!" zeide mijn vriend C...;
"gij zoudt eindigen met mij te betogen, dat Londen de tempel der
morsigheid is!"
--"Dan zoudt gij in eene tweede dwaling vervallen. Mijn voornemen is
geenszins, Londen in het overdrevene van morsigheid te beschuldigen,
maar slechts te bewijzen, dat men ongelijk heeft met de Engelsche
zindelijkheid zoo hemelhoog boven de onze te verheffen. Men moet,
om gezond over de zaken te kunnen oordeelen, ze van zeer nabij zien,
en met oplettendheid onderzoeken; want het gaat met de meeste dingen,
welke wij in het eerst verbazend bewonderen, even als met menige
vrouw, die in de verte met al de bekoorlijkheden en frischheid
der jeugd schijnt uitgedost te zijn, maar die, bij iederen stap,
met welken gij haar nadert, iets van hare bevalligheid verliest,
en eindelijk zelfs leelijk zou kunnen genoemd worden.