DE VUISTVECHTERS. (BOKSERS.)

Slechts zeer weinige menschen brengen den dag door naar het ontwerp,

hetwelk zij den vorigen avond gevormd hebben. Aan den eenen kant

wederstreeft ons bijna altijd in onze voornemens het register van

onvoorziene toevallen, hetwelk zoo vruchtbaar in deszelfs geheelen

omvang is; terwijl, aan den anderen kant, onze eigene wispelturigheid

ons niet zelden een welberaamd besluit doet opgeven, om een ander

te volgen, hetwelk een louter toeval deed geboren worden. In een

woord, wanneer wij het onderscheid tusschen willen en doen, beramen

en uitvoeren, naauwkeurig gadeslaan, dan zullen wij ons meestal in

de slotsom onzer ontwerpen jammerlijk bedrogen vinden. Men denkt,

zich, bij voorbeeld, in den schouwburg te vermaken, en men geeuwt

er: men waant, veel leerzaams in het een of ander Genootschap van

Wetenschappen te zullen hooren, en men sluimert er zachtkens in:

men vervoegt zich in het een of ander gezelschap, op hoop van een

geliefdkoosd voorwerp te ontmoeten; men is er, en zij komt niet:--men

is voornemens, eener lieve jonge vrouw een bezoek te geven, en men

treft haren ouden echtgenoot aan.

Evenwel moet men ook toestemmen, dat het toeval, onze ontwerpen

verijdelende, ons dikwijls veel beter dient, dan wij ons hadden

kunnen verbeelden; en hij, die ter goeder trouw eenen blik op het

verledene wilde terugwerpen, zou ongetwijfeld moeten bekennen,

dat hij een groot gedeelte van het wel slagen zijner ondernemingen,

hetwelk zijne eigenliefde aan het wel beramen van zijne plans wil

toeschrijven, veeleer aan het bloote geval te danken heeft.

Even zoo was ik aan het lot het gezigt van een schouwspel verschuldigd,

dat wel niet zeer aanlokkend voor eenen Franschman, doch des te

belangrijker voor een volk is, hetwelk meer vermaak vindt in de

geestverschijning in Macbeth, en in de ijsselijkheden in Koning Lear,

dan in de verteederende droefheid van eene Iphigenie, en in de zachte

tranen, welke de wegslepende moederliefde van eene Andromache uit de

oogen doet vloeijen. Doch de beschouwer is dikwijls genoodzaakt, zijne

oogen op voorwerpen te vestigen, welke hem met afschrik vervullen; even

als de ontleedkundige door het ontleden der lijken lessen verzamelt,

om de smarten der lijdende menschheid te verligten.

--"Ziedaar eene waarlijk lange inleiding!"

Maar vergeet tevens niet, op te merken, waarde lezer! dat het de

eerste is, waarop ik u vergast; en indien zij u al min of meer verveeld

hebbe, bedank mij dan ten minste, dat ik niet al mijne hoofdstukken,

even als vele dagbladschrijvers gewoonlijk hunne tijdingen beginnen,

met eene voorrede heb aangevangen, die meestal zoo weinig betrekking

heeft tot het onderwerp, dat behandeld zal worden, als de zeden van

Londen naar die van Parijs gelijken. Doch daar het uw wil is, zal

ik eenige aanmerkingen, welke ik hier eigenlijk nog te maken had,

in mijne pen houden, en mij spoeden, om tot de zaak zelve te komen.

Het paleis van den Prins Regent van Engeland ligt bijna in het midden

der stad, in Pall-mall.

Men heeft het voornemen, van dit punt, in eene regte lijn, eene groote

en zeer fraaije straat, in de lengte een aanzienlijk gedeelte der stad

doorsnijdende, tot aan New-road te leiden, en dus met Regents-Park

te vereenigen.

Een gedeelte dezer onderneming heeft men ook reeds ten uitvoer

gebragt, en deze nieuwe straat, welke Portland-place genoemd wordt,

en voorzeker de schoonste van geheel Londen zal zijn, maakt omtrent

een vijfde gedeelte dezer hoofdstad uit, en zal ten naastenbij drie

kwartier uurs lang zijn. New-road, hetwelk in het Fransch zoo veel,

als Nieuwe Aanleg beteekent, is in een der uithoeken van de stad

gelegen, digt bij het Regents-park, of het Park van den Prins Regent.

Op zekeren morgen, niets te doen hebbende, ging ik al vrij vroeg

uit, met het voornemen, om het nieuwe plantsoen in Regent's-park,

dat nog niet in volle orde is, te bezigtigen. In den Nieuwen Aanleg

gekomen, zag ik op zekere hoogte, Primrose-hill genaamd, van verre

in het veld, eene groote menigte van mannen en vrouwen, en tegelijk

een aantal menschen, die, dwars overstekende, uit al hunne magt naar

hetzelfde punt liepen. Hier bleek het weder, dat ik, even als zij,

een echte afstammeling van onze goede moeder Eva was: ik vergat het

doel mijner wandeling, en liet mij door den Daemon der nieuwsgierigheid

naar dezelfde zijde heen slepen.

De bonte menigte bestond uit lieden van allerlei stand en rang der

beide seksen: eene welgekleedde dame stond naast eenen kruijer

of lastdrager, en een opgeschikte modezoon tusschen eenen hoop

van vischwijven en bedelaarsters. De aanschouwers vormden eenen

ongemeen wijden kring, in wiens midden een man van eene Herculische

gestalte bezig was, met zich van zijne das, zijnen rok, en zijn

vest en eindelijk van zijn hemd te ontdoen, waarna, tot mijne groote

verwondering, het baaijen onderhemdje hetzelfde lot onderging, zoo

dat ik nu zeker vooronderstelde, dat broek en kousen de uitgetrokken

plunje zouden navolgen; doch dit gebeurde niet. De oogen en wangen

der zedige Ladij's, welke dit schouwspel met hare tegenwoordigheid

vereerden, schenen, tot mijne uiterste verbazing, noch te blikken,

noch te blozen op het gezigt van eenen man, die tot aan zijn midden

moedernaakt voor haar stond. Weinige oogenblikken hierna konden zij een

dubbel genoegen smaken; want een ander kampvechter, die zich buiten den

kring ontkleed had, kwam nu, vol drift, door de menigte heen dringen,

om zijne partij te ontmoeten. Ieder was door twee mannen vergezeld,

die bestemd waren, om ruimbaan voor de kampioenen te houden en hen,

des noods, te ondersteunen. De laatst gekomene was intusschen veel

kleiner, dan de eerste, maar zijne spieren en pezen, die borst, rug

en armen bekleedden, verkondigden den aanschouwer, dat de natuur hem

voor zijne kleinere gestalte rijkelijk schadeloos had gesteld door

het geschenk van buitengewone ligchaamskrachten.

Na veel moeite gelukte het mij, plaats te vinden onder de echte

liefhebbers, en wel in den eersten rang, naast eenen bejaarden

Engelschman, die zeer oplettend was op al, wat er voorviel, en wien ik

verzocht, mij te onderrigten, wat deze bijeenkomst eigenlijk beduidde,

en wat er gebeuren zou.

"Gij zijt een vreemdeling," zeide hij, "uwe vraag--alleen zou mij dit

ontdekt hebben, indien uwe uitspraak u niet reeds verraden hadde.--Gij

zult zien boksen, maar ik vrees, dat wij niet veel pleizier zullen

hebben; want deze knapen zijn juist niet van de voornaamsten; het

zijn twee ambachtslieden, die gisteren toevallig verschil gekregen,

en hier tijd en plaats bepaald hebben, om hetzelve te beslechten. Maar

wacht! let op! let op! zij beginnen!"

"Tien guinies tegen zeven op Tom!" schreeuwde een jong mensch, die

eenige schreden van ons af stond, uit al zijne magt.

Tom was degene, die het voordeel der grootte had.

"Ik houd de zeven guinies op Dick!" riep de Engelschman, die naast

mij stond.

En op het oogenblik kwamen de twee kampvechters met geslotene vuisten

op elkander af, en trachtten, wel vijf minuten lang, elkander duchtige

vuistslagen toe te brengen, welke zij echter beide met veel vlug-

en vaardigheid wisten af te keeren.

"Het zijn kinderen der natuur, ongeleerde vechters!" zeide mijn

buurman; "er heerscht noch kunst noch overleg in hunne wijze van

boksen."

--"Heeft men het hier dan zoo ver gebragt, dat men de kunst van

vuistvechten naar grondregelen uitoefent?"

--"Zonder twijfel! Even als in de schermkunst, hebben wij hier

leermeesters in deze wetenschap, en het is gemakkelijk te zien,

dat deze twee menschen zich weinig geoefend, of ten minste slechte

meesters gehad hebben."

Op dit oogenblik bragt Dick, met eenen uitgestrekten arm, zijner

partij Tom eenen, zoo wel gerigten, vuistslag onder de laatste rib toe,

dat die als een os ter neder stortte.

Middelerwijl de twee secondanten van Tom hem oprigtten, zeide ik

tegen mijnen buurman: "ziedaar uwe weddingschap gewonnen!" In het

denkbeeld verkeerende, dat door den val van den eenen der strijders

het gevecht geheel geeindigd was.

"Gewonnen! riep hij, och, mijn vriend! zoo ver zijn wij nog niet. Tom

zal het zoo gemakkelijk niet opgeven: het gevecht eindigt niet,

voor dat een van beiden bekent, overwonnen te zijn."

--"En waarom heeft Dick zich dan niet van zijn voordeel bediend,

en zijne partij gedwongen, zijne nederlaag te bekennen?"

--"Dewijl deze soort van gevecht, even als iedere andere, naar regt

en wetten behandeld wordt, en men zijnen neergevelden vijand geene

slagen mag toebrengen."

Intusschen was Tom weder op de been gekomen, en had den aanval

hernieuwd. Eenige oogenblikken daarna liet hij zijne vuist zoo

onzacht op het kakebeen van Dick nederglijden, dat deze, op zijne

beurt, insgelijks den grond kuste, terwijl een stroom van bloed,

met eenige tanden, uit zijnen mond vloog.

Na eenen korten stilstand hernieuwde men het gevecht. Dick, zich

houdende, als of hij nogmaals eenen aanval op de ribben van zijne

partij wilde doen, drukte, door eene vaardige wending, onverwachts

zijne volle vuist zoo onzacht op den regter kijker van zijnen vijand,

dat deze, tegen wil en dank, het, door deze persing opgezwollene,

venster gesloten moest houden.

"Niet slecht!" riep mijn buurman, "niet slecht!" Doch naauwelijks was

het tweede niet slecht! over zijne lippen gegleden, of Tom onthaalde

den neus van Dick op eene zoo allergeweldigste stomp, dat uit beide

neusgaten twee bloedfonteinen sprongen, terwijl Dick ruggelings op den

grond nedertuimelde. Nu snelden zijne twee secondanten vaardig toe,

reinigden zijn gezigt met sponsen van het bloed, en rigtten hem op,

ter hervatting van dit moorddadig gevecht.

Thans scheen Dick al zijne pogingen aan te wenden, om het linker oog

van zijne partij in denzelfden toestand als het regter te brengen. Het

kwam mij dus voor, dat Dick, alhoewel niet sterk voor de broederschap

ingenomen, echter des te krachtdadiger de gelijkheid betrachtte, tot

welk einde hij telkens de vrijheid nam, om zijne vuist met het linker

oog van Tom in aanraking te brengen, en hetzelve, op deze wijze,

gelijkvormig aan het regter te maken. Daarbij scheen hij volstrekt

ongevoelig voor de slagen, welke hij ontving, en niet eens te merken,

dat stroomen bloeds uit zijnen mond en neus ontsprongen, toen het

hem eindelijk gelukte, het voorgestelde doel te bereiken, en het

andere oog van zijnen vijand insgelijks te treffen en te sluiten,

zoo dat deze rampzalige nu te regt kon gezegd worden blind geslagen

te zijn, welke kunstbewerking in Engeland bij het edele boksen den

uitvoerder den grootsten roem verschaft. Dan daar, helaas! in het

menschelijke leven het grootste geluk veelal door rampen is verzeld,

ontving de oculist gelijktijdig van zijnen lijder, ter betaling

voor de opgedrongene kuur, eenen zoo hevigen slag op den hartkuil,

dat hij zelf ten derdemaal op den grond nederplofte.

Nu dacht ik ten minste zeker, dat de strijd geëindigd was. Tom,

wiens luiken digt geslagen waren, scheen mij door dit kleine beletsel

buiten staat, om zich te verdedigen, en dus veel minder in staat,

om den aanval te kunnen doen; en den, op den grond uitgestrekten

en naauwelijks adem kunnende halen, Dick was het, mijns oordeels,

insgelijks onmogelijk, het gevecht te hervatten. Maar ik bedroog

mij nogmaals.

De secondanten van Dick kwamen andermaals bij hem, wiesschen hem op

nieuw het bloed met sponsen van het gezigt, drukten hem citroensap

in zijnen mond, verkwikten den sterk beschadigden neus insgelijks met

eenige droppelen van datzelfde vocht, en trachtten hem te overtuigen,

dat hij met een weinigje moed en standvastigheid ongetwijfeld

overwinnaar moest worden; wijl hij zijne tegenpartij geheelenal

blind had geklopt; en zij bragten het inderdaad ook zoo ver, dat

zij hem overeind kregen, en door hunne aanspraak weder met nieuwen

moed bezielden.

Gedurende dezen tijd bleven de vrienden van Tom geenszins

werkeloos. Een ligte lancetsteek onder beide de oogen, deed het

daartusschen gedrongen bloed over de wangen loopen, en verminderde

in zoo verre de ontsteking, dat de lijder een weinigje kon zien.

Nu vielen zij met vernieuwde woede, als twee tijgers, op elkander aan,

en eene menigte van vuistslagen, wederzijds gegeven en ontvangen, bragt

zulk eene hoeveelheid bloeds te voorschijn, dat de beide vechters er

geheel mede bedekt waren.

En zelfs vrouwen konden op dit afgrijsselijk schouwspel hunne teedere

oogen vestigen! oogen, welke zich nimmer moesten openen, dan, om

tooneelen van vermaak en stille vreugde te beschouwen! "Helaas!" zeide

ik bij mij zelven, "zijn deze, welke ik hier ontmoet, Engelsche--zijn

deze wel Europesche vrouwen?--Zijn het niet veeleer vrouwen (vrouwen,

zeg ik!) neen, vrouwelijke monsters uit de horden der Kannibalen,

die met wellust rondom de vlammen dansen, in welker midden zij den

ongelukkigen gevangene, langzaam bradende aan eenen paal, van een

scheuren, en deszelfs geblakerde leden met de lillende ingewanden

tot een smakelijk voedsel nuttigen!"

Doch, terwijl ik mij in deze en dergelijke overdenkingen verdiepte,

gaf de ongelukkige Tom, door eenen laatsten hartslag ter nedergeveld,

groote gulpen bloeds over, en alle moeite, welke zijne secondanten,

eenige minuten lang, aanwendden, om hem op de been te houden,

vruchteloos bevonden zijnde, behield zijne tegenpartij het slagveld,

en werd, met eenige tanden in den mond minder, een paar bont en blaauw

geslagene oogen en eenen gebroken neus, door zijne vrienden juichende

als overwinnaar weggeleid.

Twist of oneenigheid is echter niet altijd de aanleidende oorzaak van

deze vuistgevechten, o neen! er is een aantal boksers van beroep,

die om geld deze moorddadige kunst uitoefenen, en in dat geval is

eene beurs met twintig, dertig of vijftig guinies tot eenen prijs voor

den overwinnaar bestemd. De eene of andere rijke en aanzienlijke Lord

laat in zijn park eenen ruimen omtrek met palen en touwen afsluiten,

welke tot het slagveld voor de kampvechters verstrekt, en waar zij

ongehinderd hunne vlugheid, kracht en bekwaamheden kunnen ten toon

spreiden. Alsdan worden er belangrijke weddingschappen aangegaan,

en welgelukzalig zij, welken het te beurt valt, de eer te genieten,

om in het vermaak van dit bekoorlijk schouwspel te mogen deelen,

even als in vroegere tijden vorsten en edelen de ridderspelen met

hunne tegenwoordigheid vereerden.

En dan durft men de Romeinen nog van wreedheid beschuldigen; wijl hunne

oogen zich in den strijd der zwaardvechters konden verlustigen! Dit

oorlogzuchtige volk, onder de wapenen geboren en in den krijg opgevoed,

zag immers in die gevechten slechts het afbeeldsel van den oorlog, en

daarenboven was ieder burger soldaat. De vechters zelve waren bezield

met de zucht tot roem. Als een hunner, na zich dapper gekweten te

hebben, op het punt stond van den doodsteek te ontvangen, gaven de

aanschouwers dikwijls hun verlangen te kennen, dat de ongelukkige

mogt gespaard worden, ten welken einde zij hunne handen opstaken,

met hunne doeken wuifden en somwijlen met een onstuimig geschreeuw

de vrijheid van den verwonnenen eischten.

Maar welk een belang toch kan een laag en hatelijk vuistgevecht

verwekken, gedurende hetwelk de aanschouwers zich met niets anders

schijnen bezig te houden, dan met pogingen, om de verwoedheid der

razende vechters aan te moedigen, tot eindelijk een hunner bijna

levenloos nederstort? En dit is nogtans een der meest geliefkoosde

vermaken van het volk, dat zich, bij uitzondering, het denkende noemt.

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 42 / 70 题