HET ENGELSCHE MIDDAGMAAL.

Het onderhoud, mijn waarde lezer! hetwelk ik u in het vorige

hoofdstuk heb medegedeeld, bragt ons aan het huis van sir Robert

D... Onze hoeden, rottingen en overrokken in de voorkamer afgelegd

hebbende, geleidde men ons in eene zaal, waar zich reeds een aantal

gasten bevond. Sir Robert bood ons zijner vrouw en dochter aan,

een jong meisje van achttien jaren, ongemeen lief en bevallig; en

vervolgens, op dezelfde wijze, aan ieder ander lid van het gezelschap,

ons tevens van hunne namen en hunnen rang, en hen wederkeerig van

de onze onderrigtende. Dezelfde plegtigheid werd, bij de aankomst

van iederen nieuwen gast, herhaald. Dit is een algemeen aangenomen

gebruik te Londen. De heer van den huize neemt u (onverschillig,

in welk eenen kring gij komt) bij de hand, en biedt u, met staatsie,

aan ieder lid van het gezelschap aan.

Behalve zijne dochter, had sir Robert nog eenen zoon van zeventien

jaren, die echter thans met zijnen gouverneur in Italie was; om, zoo

als ieder welopgevoed Engelschman verpligt is, de reis op het vaste

land te doen; hetgeen trouwens, naar mijn oordeel, niet wel is over een

te brengen met die algemeene minachting, welke dit volk zich aanmatigt

tegen ieder, die niet van hunnen landaard is. Doch de wispelturigheid,

of het niet gelijk blijven met zich zelven, (l'inconséquence) kan

hun-alleen juist niet te laste gelegd worden; en misschien zou het

van ons zeer onbillijk zijn, hun dezelve te verwijten.

Het was ongemeen guur en koud weer, iets, hetwelk wij, al hadden wij

er ook minder gevoel van gehad, toch niet ligtelijk zouden hebben

kunnen vergeten; want ieder binnenkomende gast had de oplettendheid,

om ons dit koude nieuws te herinneren. Men moge eenen Engelschman

ontmoeten, wanneer men wille, het eerste woord, dat van zijne lippen

rolt, is altijd: Hoe vaart gij? het tweede: Een fraaije morgen! Een

sombere middag!--Een kouden avond! Een duistere nacht! Zoodat een

Engelschman, met regt, een wandelend weerglas kan genoemd worden.

Dan ter zaak! Ons gezelschap bestond uit veertien personen, vijf

vrouwen en negen mannen, toen men ons kwam zeggen, dat het eten

opgedischt was.

De meeste voorname en rijke Engelschen houden er tegenwoordig

Fransche koks op na; want bijna allen, die in Frankrijk geweest

zijn, stemmen daarin overeen, dat onze keuken de hare verre te boven

streeft. Maar sir Robert D... is een Engelschman van den ouden trant,

die zich aan de voorvaderlijke zeden en gebruiken houdt, en volstrekt

er niet van zou afwijken. Het verstaat zich derhalve van zelf, dat

het geheele middagmaal volkomen, en zonder de geringste afwijking,

op zijn Engelsch was ingerigt. Om den eetlievenden lezer te voldoen,

zal ik er hem eene kleine schets van trachten te geven.

Op het midden der tafel prijkte, als hoofdschotel, een vervaarlijk

groot stuk gekookt pekelvleesch. Aan de eene zijde stond een kalfs-

en aan de andere zijde een schapengebraad, terwijl twee schotels met

visch de flank formeerden, en de vier hoeken met aardappelen, kool,

wortelen en ingelegde snijboonen, alles in zuiver water gekookt, bezet

waren. In het tweede bedrijf was de hoofdpersonaadje eene gebrade

gans, tusschen eenen insgelijks gebraden haas en twee hoenders,

en nu werd de flank gemaakt door twee schotels sla, den een' met

selderij en den ander' met cichorei, terwijl op de hoeken eene appel-

en kersentaart, een plumbpudding en een rijstpudding den lekkertand

uitnoodigden. Vervolgens werd er nog eene kaas opgezet, en eindelijk

werd het tafellaken afgenomen en eenige schoteltjes met appelen en

andere versnaperingen opgebragt; ook schonk men thans een goed glas

wijn; want, het drinken van eenige gezondheden uitgezonderd, had men

tot dusverre zeer weinig wijns gebruikt, maar zich meestal bij het

bier gehouden.

De wijn wordt hier niet, als in Frankrijk, in flesschen opgebragt, maar

in kristallen carafes, die voor den gastheer worden nedergezet. Zich

zelven schenkt hij het eerst in, geeft vervolgens de carafe aan hem,

die naast hem zit, en in deze volgorde doet zij de ronde om de tafel,

tot zij ledig is, welk gebrek men echter zorgt door eene nieuwe

spoedige vulling terstond weder te herstellen.

Het onderhoud, gedurende den maaltijd, welke gelukkig zeer bespoedigd

werd, was uitermate doodsch en vervelend. De voornaamste stof

verschaften een lekker malsch gebraad en een stuk goed gekookt

vleesch. Ook bespeurde ik geene de minste oplettendheid voor de

aanwezige vrouwen. Ja, ik kon mij schier niet verbeelden, dat er vijf

vrouwen tegenwoordig waren, van welke er ten minste drie in ieder

land voor schoon zouden gehouden zijn, en de oudste, de vrouw van

den huize, slechts zeven en dertig jaren telde.

Na het afnemen der tafel en het gebruik van het eerste glas wijn, stond

zij op, en verzocht der andere dames haar te volgen; doch wij mannen

bleven met de carafe portwijn voor ons zitten, die, bij herhaling,

de ronde om de tafel deed, en eindelijk, na verloop van eenige uren,

door eene met madera afgelost werd.

Ja, lezer! na eenige uren. Wij waren te vijf ure gaan aanzitten,

de vrouwen waren reeds voor zes ure opgestaan, en wij verlieten

echter de tafel niet voor half negen, om in eene andere zaal thee

te drinken. Doch zoo ver zijn wij nog niet.--Na het vertrek der

vrouwen werd het gesprek eenigzins levendiger. Ik, wiens tong in

de tegenwoordigheid van eene lieve, bevallige vrouw steeds vlugger

en losser wordt, vond het zeer vreemd, dat dezelfde reden eene

tegengestelde uitwerking op het spraaklid der heeren Engelschen te

weeg bragt. Maar welhaast ontdekte ik, dat aan de wandelende carafe de

levendigheid van het onderhoud voornamelijk was toe te schrijven. Door

het al te sterk liefkozen dier carafe, scheen echter ook de grootste

aandrift langzamerhand te verkoelen: het was, als of de oogen toe

wilden vallen, en de tongen dik werden, tot het voortdurend gebruik

der madera ons in den vorigen staat van stilzwijgendheid terugvoerde.

Reeds lang had ik bemerkt, dat, van tijd tot tijd, de eene of andere

gast van tafel opstond, zich achter eene gordijn begaf, daar twee of

drie minuten vertoefde, dan weder terugkwam, en bij het gezelschap

zijne plaats hernam. Ik begreep niets van deze handelwijze; doch

toen eindelijk mijn vriend C..., naast wien men mij geplaatst had,

insgelijks als de anderen, dit toertje gemaakt had, vroeg ik hem,

zoodra hij weder zat, zachtjes, wat dit toch beteekende? "Ga er slechts

heen," zeide hij, "dan kunt gij het zelf zien, en mogelijk zult gij er

niet boos om zijn"--Om mijnen nieuwsgierigheid te voldoen, ondernam ik

het korte reisje, ging achter de gordijn en vond....! maar hoe nu aan

mijne bescheidene en kiesche lezers, zoo als de Franschen altijd met

opzigt tot de bewoordingen zijn, het voorwerp uit te drukken, dat zich

aan mijne oogen opdeed? ja, welk eene benaming er aan te geven?--Er is

echter geene bevallige dame, die dit meubel niet dagelijks gebruikt,

of die hare kamenier niet zou beknorren, zoo zij het, bij het naar bed

gaan, niet in hare slaapkamer vond, en die het, des noods, niet met

den regten naam zou durven noemen. Ik hoop dus, niets te wagen, met te

zeggen, dat ik daar vond staan eenen grooten waterpot. En inderdaad,

de kruik gaat zoo lang te water, tot zij eindelijk vol wordt! zegt

Figaro; en derhalve kan men geen vier of vijf uren aanhoudend drinken,

zonder dat de natuur hare schatting eischt. En waarom toch, lezer! zou

men eener even zoo natuurlijke behoefte, als eten en drinken, niet

trachten te voldoen, zonder tijd te verliezen, zonder zich aan koude

bloot te stellen, en zonder het vertrek te verlaten? Evenwel geloof

ik, dat dit gebruik tot eene meerdere volkomenheid zou kunnen gebragt

worden. Na eene lange zitting schijnt de gang van tafel naar de gordijn

aan sommige gasten nog te ver. Onder anderen merkte ik eenen op, die al

struikelende zijne plaats zocht te hervinden, doch die zijn doel juist

niet langs een regte lijn en zonder eenige zijpassen kon bereiken. Ik

hoop dus, dat door den tijd, die alle dingen verbetert! (dank zij den

aanleg tot volmaaktheid van het menschelijke geslacht!) de Engelschen

een dezer nuttige, of, om beter te zeggen, noodzakelijke meubels onder

den stoel van ieder hunner gasten zullen doen plaatsen, even als men

een wijnglas voor hen op tafel zet; want deze twee artikels zijn in

hunne bijeenkomsten zoo onontbeerlijk voor elkander, als de klepel voor

de klok. Deze mode in trein te brengen, zou een overheerlijk plan en

eene voortreffelijke speculatie zijn voor eenen koopman in waterpotten.

Eindelijk zochten wij de dames weder op, uitgenomen een der

gasten, die aan tafel ingeslapen was, en welken men het raadzaamst

oordeelde in zijne rust niet te storen. De koffij en thee waren

op het oogenblik gereed. De koffij was volkomen gelijk aan die,

welke ik reeds eenmaal in Londen geproefd had; doch de sterkte en

smaak der thee vergoedden rijkelijk het gebrekkige van de koffij. De

thee dan was bitter van sterkte, zoo dat ik mij genoodzaakt zag,

er eene driedubbele hoeveelheid suiker in te doen, om haar te kunnen

drinken. Bij de thee gebruikte men brood en boter, koekjes en eenige

andere versnaperingen. Ook schonk men mij een tweede kopje in, zonder

te vragen, of ik nog meer begeerde? Ik haastte mij dus, deze medicijn

spoedig door te slikken, en naauwelijks was mijn kopje ledig, of het

werd ten derde male gevuld.

Hier kwam mij een oude manier van regtspleging te binnen, te weten,

om den beschuldigden, wien men eene bekentenis wilde ontwringen,

eene zekere hoeveelheid water te doen drinken. Daar ik vreesde,

tot dezelfde proef veroordeeld te zijn, vroeg ik zachtjes aan mijnen

vriend C..., of hij mij geen middel aan de hand kon doen, om mij van

dezen zondvloed te redden.

"Zoo lang gij uw lepeltje in het schoteltje laat liggen," zeide hij,

"zal men u niet overslaan, doch leg het in uw kopje, en men zal u niet

meer inschenken." Ik haastte mij derhalve, de eenige plank te grijpen,

welke mij van verdrinken kon redden, en waarlijk, zij bragt mij in

eene veilige haven: mijn kopje werd, tot hartelijke blijdschap van

mijn verhemelte, den geheelen avond niet meer gevuld.

Veel sprak men over de jagt en de staatsbelangen, inderdaad gewigtige

en belangrijke onderwerpen voor de vrouwen, welke men geene meerdere

opmerking aan de thee-, dan aan de eettafel verwaardigde. Eindelijk

werd te elf ure het avondmaal aangekondigd.

Dit was een mengelmoes van oesters, koud vleesch en gebak; en tot

mijne groote verwondering, zou ik uit het spoedig verdwijnen van het

opgedischte, zoo ik niet van het tegendeel ware overtuigd geweest,

besloten hebben, dat men noch het middagmaal gehouden, noch, onder

het theedrinken, zoo tamelijk gepeuzeld had.

Nu werd er brandewijn, gin, rum, warm water en suiker rondgediend,

waarvan ieder, naar welgevallen, eene grootere of kleinere hoeveelheid

nam, en die zelf, naar zijnen zin, gereed maakte. Eindelijk scheidden

wij des nachts te een ure, allen een weinigje aangezet, en den slaap

ten hoogste benoodigd.

Wacht u echter wel, lezers! het woordje allen ook op de vrouwen toe

te passen. Dezen zijn in Engeland, in het algemeen, ja bijna geene

uitgezonderd, van eene bewonderenswaardige matigheid met opzigt tot den

wijn en de sterke dranken, hetgeen des te vreemder moet voorkomen,

wijl het vochtlievend voorbeeld der mannen haar ligtelijk smaak

in deze voorwerpen zou kunnen doen krijgen. De Fransche schrijver,

die in het jaar achttien honderd en vijftien door de drukpers het

publiek heeft verteld, dat de Engelsche dames zich, even als hare

mannen, dagelijks in den drank te buiten gaan, heeft haar opzettelijk

en met voordacht gelasterd, of wel, heeft, gedurende zijn verblijf,

geene andere verkeering gehad, dan met zulke dames, die bij avond en

des nachts in den omtrek der kerk van Sint-Gilles haar fortuin zoeken.

Men verhaalt, dat eene, geenszins aan dit gebrek verslaafde, dame op

zekeren avond bij toeval meer gedronken had, dan zij verdragen kon,

en zoodanig beschonken was, dat men haar in bed moest dragen. Den

anderen morgen maakte haar echtgenoot, geheel in het zwart gekleed,

haar zijne opwachting.--Goede hemel! riep zij uit, mijn vriend! geen

onzer bloedverwanten was immers ziek, zoo ver ik weet; over wien

rouwt gij?--"Over uwe eer, mevrouw! die gij gisteren avond bevlekt,

en mogelijk voor altijd verloren hebt!" antwoordde hij. Nu zwoer deze

dame plegtig, nimmer weder wijn of sterken drank te zullen gebruiken;

en men verzekert, dat zij haar woord nooit verbroken heeft.

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 38 / 70 题