DE ENGELSCHE WELLEVENDHEID.

"Uwe Londensche kooplieden," zeide ik, op eenen zekeren dag, tegen

mijnen vriend, "zijn juist niet zeer wellevend. Kom ik ergens in eenen

winkel, dan schijnt men mij naauwelijks op te merken; men geeft mij

tamelijk onverschillig hetgeen ik gevraagd heb; wel te verstaan,

wanneer men niets beters te doen heeft; en het is waarlijk bijna,

of mij eene gunst wordt bewezen, als men mijn geld in ruiling voor

de waren aanneemt."

--"Gij doet mij verwonderd staan! Niets evenaart de beleefdheid onzer

kooplieden, dan misschien de zucht, om hunne winkels en magazijnen

te ledigen, en wederom met nieuwe goederen aan te vullen. Hier heeft

gewis een misverstand, of eene bijzonderheid plaats. Kunt gij mij

geene daadzaak opnoemen?"

--"O ja! dezen morgen nog was ik bij eenen boekverkooper, bij wien

ik reeds verscheidene werken gekocht heb, met oogmerk, om nog het een

en ander uit te zoeken. Juist hield hij zich met eene dame bezig; en

ik was niet onbeleefd genoeg, om hem te vergen, haar te laten staan,

en mij te helpen. Doch achtervolgens kwamen er nog vijf of zes andere

personen in den winkel, die allen voor mij geholpen werden. Eindelijk

gunde hij mij het woord, nadat ik ruim een half uur met het lezen

der titels van zijne netjes gerangschikte boeken had doorgebragt,

en hij volstrekt niets anders te doen scheen te hebben. Echter had

hij mij wel zien inkomen; dewijl ik hem zeer beleefd gegroet en zelfs

mijnen hoed op de toonbank nedergelegd had.

"Ha, ha! Daar zijn wij er! Altijd en eeuwig Fransch! Onze kooplieden

zijn gewoon, de achting en oplettendheid, welke zij aan hen, die in

hunne winkels komen, verschuldigd zijn, af te meten naar het voorkomen

van gewigt, dat de koopers zich zelven weten te geven. Ga slechts

in een' der voornaamste winkels van geheel Londen, om het een of

ander, ter waarde van slechts eenen halven schelling te koopen; doch

houd uwen hoed op, spreek op eenen hoogen toon, veins, de grootste

haast van de wereld te hebben, en gij zult u niet alleen geholpen

zien, maar zelfs zal men u met de meeste beleefdheid en een aantal

buigingen tot aan de deur geleiden. Nimmer zult gij eenen Engelschman,

in eenen winkel komende, zijnen hoed zien afnemen, al stond ook de

schoonste en welgekleedste vrouw achter de toonbank; iets, hetwelk,

buitendien zeer zeldzaam in Londen is, waar de vrouwen zich niet

veel met de winkelnering bemoeijen. Ook zal hij zulks evenmin doen,

wanneer hij op deze of gene publieke plaats komt. Reeds meermaals heb

ik opgemerkt, dat bij uwe verschijning in een koffijhuis of op ander

publieke plaatsen aller oogen op u gevestigd waren; want naauwelijks

hadt gij de deur bereikt, of, wip! was de hoed naar beneden. Zie

daarentegen eens eenen Engelschman binnenkomen: deftig als een paauw

stapt hij daar henen, ziet, met den hoed op het hoofd, driest naar

alle zijden om, groet zijne vrienden en bekenden, welke hem onder het

oog vallen, met eenen ligten hoofdknik, gaat vervolgens zitten, of

hij er te huis hoorde, en zet alsdan den hoed af, zoo dezelve hem mogt

hinderen. Gisteren morgen, mijn beste! hebt gij nog eenen ergen mispas

(vergeef mij deze uitdrukking!) gemaakt, welke uwe hoedanigheid van

Franschman alleen kan verontschuldigen. Ongetwijfeld herinnert gij u,

dat wij in Picadillij sir Robert D... ontmoet hebben, bij wien wij

morgen zullen eten. Hem aansprekende, hebt gij uwen hoed afgenomen,

en hem derhalve in de onaangename noodzakelijkheid gebragt, om deze

lastige beleefdheid op dezelfde wijze te beantwoorden, hetgeen hem

ligtelijk eene verkoudheid op den hals kan halen."

--"Het is goed, dat ik dit weet, en ik verzeker u, dat mijn hoed

voortaan op mijn hoofd als gespijkerd zal zijn.--Maar indien mij

nu eens, bij geval, eene dame van mijne kennis ontmoet; is het dan

insgelijks onwellevend, den hoed af te nemen?"

--"Dit maakt een groot onderscheid, mijn vriend! Immers kan zij

uwe beleefdheid met eene kleine buiging beantwoorden, welke haar

geene verkoudheid zal veroorzaken. Indien zij zich echter met u wil

onderhouden, zal zij u zelve aanspreken; zoo niet, dan eischt de

wellevendheid, haar niet te zien, ten minste u te houden, als of gij

haar niet bemerktet."

--"Zeer wel! slechts nog eenige lesjes; en gij zult eenen echten

Engelschman van mij maken."

--"Dewijl gij toch begeert, in de Engelsche manieren onderrigt te

worden, moet ik u nog waarschouwen, dat gij u nimmer moet veroorloven,

om, ten minste, zoo gij u niet bij zeer goede vrienden of bekenden

bevindt, aan het vuur te raken of de kaars te snuiten. Doch om op het

artikel van den hoed terug te komen; geenszins is het gebruikelijk,

bij het afleggen van bezoeken, met den hoed in de hand of onder den

arm in het vertrek te komen, waar het gezelschap bij een is; men moet

denzelven in het voorvertrek nederleggen."

--"Ik versta u! Men komt binnen, als om een buurpraatje te houden.--Het

zal nu wel gaan! ziedaar mij, ten minste wat der behandeling van den

hoed betreft, grondig onderwezen! Ik zie wel, dat de heeren Engelschen

het kapittel van den hoed volgens Aristoteles door en door bestudeerd

hebben, waarvan Sganarelle bij Molière gewag maakt."

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 34 / 70 题