HET BRITSCHE MUSEUM.

Op zekeren morgen kwam mijn vriend C... mij afhalen, om mij het

Britsche Museum te laten zien, hetwelk alleen des maandags, woensdags

en vrijdags open staat.

"Ha! Ha!" riep ik uit, toen ik het ontwaar werd, "zie daar iets

nieuws! zie daar dan eindelijk eens groote deuren, een fraaij

voorplein, aan beiden zijden vleugels, trotsche kolommen, snij- en

beeldwerk, en een prachtig gebouw met eenen schoonen tuin! Inderdaad,

zoo dit alles niet bewalmd en beslagen ware, zou ik mij kunnen

verbeelden, te Parijs verplaatst te zijn."

"Dit huis--"zeide hij"--is door de erfgenamen van den hertog van

Montaigu aan de bestuurderen van het Museum verkocht geworden voor

de aanmerkelijke som van tien duizend pond, dat is 240,000 livres

Fransch. Deze hertog, die omtrent het jaar 1680 gezant in Frankrijk

was, nam het besluit, om in Londen een paleis te doen bouwen in eenen

beteren stijl, dan tot dusverre daar gebruikelijk was. Te dien einde

liet hij van Parijs eenige bouwkundigen en werklieden komen, welke dit,

hetwelk gij daar voor u ziet, gesticht hebben."

"Ha! nu verwonder ik mij niet langer!" zeide ik, terwijl wij ons nog

in het voorportaal tusschen de kolommen bevonden. Doch toen wij dit

doorgegaan waren, hield men ons tegen, en bragt ons in eene groote

zaal gelijkvloers, waar wij in een zeer groot boek onze namen en

woonplaatsen moesten opschrijven. Deze voorzorg had, zeide men ons,

het doel, om te verhoeden, dat er niets kon weggenomen of gestolen

worden; hetgeen buitendien zeer moeijelijk zou geweest zijn; want

uitgezonderd de standbeelden, welke men zeker niet gemakkelijk in

den zak zou hebben kunnen steken, is alles wel degelijk achter slot

en grendel.

Tien zalen, meerendeels gelijkvloers, bevatteden Grieksche, Romeinsche

en Egijptische oudheden, stand- en borstbeelden, vazen, kandelaren,

mumiën en verdere zeldzaamheden, waaronder men waarlijk kostbare

voorwerpen vindt. Onder anderen trok een klein marmeren vrouwenhoofd

mijne aandacht bijzonder tot zich, dewijl het hoofdhaar uit een los

stuk was gehouwen, hetwelk men, even als eene pruik, kon afnemen en

weder opzetten; eene zeldzaamheid, welke ik nergens heb aangetroffen.

Wat der Egijptische oudheden betreft, deze waren meerendeels door de

Franschen bijeenverzameld ten tijde van hunne landing en hun verblijf

in Egijpte. Ten gevolge der kapitulatie van Alexandrie, in September

1801 gesloten, is deze verzameling in het bezit der Engelschen gekomen.

In twee dezer zalen vond ik verscheidene werktuigen en gereedschappen,

die weleer den Romeinen tot huisraad zouden verstrekt hebben: bij

voorbeeld armbanden, oor- en vingerringen, halssieraden, vazen,

kandelaren, lampen, spiegels en verdere toestel.

Bovenal verdient hier genoemd te worden eene groote menigte Etrurische

vazen van verschillende gedaanten en onderscheidene grootte; doch het

kostbaarste stuk is, buiten tegenspraak, de prachtige vaas, welke,

gedurende twee eeuwen, het paleis der Barberini's te Rome versierd

heeft, en thans in Engeland algemeen den naam van den Portlandsche Vaas

voert, dewijl zij, door verloop van tijd, in het bezit van den hertog

van Portland is gekomen. De grond van deze vaas, die juist geenen

grooten omtrek heeft, is een schoon donkerblaauw, en de beelden,

waarmede dezelve versierd is, zijn van de fraaiste zilverkleur;

derzelver fijnheid en kunstbewerking kan men zich naauwelijks

verbeelden. Dit gedeelte bezigtigd hebbende, kwamen wij in den gang

terug, en bereikten, langs eenen breeden en gemakkelijken trap, de

eerste verdieping, die de voornaamste partij van het geheele gebouw

is. De plafond van deze zaal was niet minder prachtig geschilderd,

dan die van eene tweede, welke wij vervolgens bezigtigden. De eerste

stelde Phaëton voor, verzoekende zijnen vader, ten bewijs van zijne

goddelijke afkomst, de zonnepaarden te mogen mennen, en de tweede

den val van dezen vermetelen jongeling.

"Ziedaar een overheerlijk schilderwerk!" zeide ik tegen mijnen

vriend C..., "en hetwelk, niettegenstaande deszelfs oudheid, zeer

goed bewaard is gebleven."

"Neem er uwen hoed voor af!" hernam hij; "het is een kunstgewrocht

van onzen landgenoot Lafosse, wiens meesterachtige penseel het

Invalidenhuis te Parijs zoo uitmuntend versierd heeft."

Ik beken, dat ik een heimelijk genoegen ontwaarde, toen ik zag, dat

men het schoonste, hetwelk ik tot dusverre in Londen had aangetroffen,

aan eenen Franschen kunstenaar verpligt was.

Ook waren de vloeren dezer zalen heerlijk ingelegd. Twee

Engelschen, die zich hier tegelijk met ons bevonden, beschouwden

dit werk zeer naauwkeurig, en schenen er ongemeen door getroffen;

hoogstwaarschijnlijk, wijl zij nooit iets dergelijks gezien hadden;

want al de vloeren in Londen bestaan slechts uit regte en in de lengte

aan een gevoegde planken.

Er zijn slechts vijf kamers met voorwerpen uit de natuurlijke historie,

en nog zijn dezelve niet zeer groot. De kamer, waar de zeldzaamheden

tot het rijk der delfstoffen bewaard worden, verdient opmerking, wijl

zij, boven de andere, in volledigheid uitmunt; hoewel zij volstrekt

niets betekent, in vergelijking met het overheerlijke kunstkabinet,

hetwelk de kenner met zoo veel verrukking in de munt te Parijs

beschouwt. Toen ik de verzamelingen uit het dieren- en vogelenrijk,

met die in den kruidtuin te Parijs vergeleek, dacht ik onwillekeurig

aan kleine kinderen, welke men afzonderlijk aan een tafeltje plaatst,

terwijl het overige gezelschap eenen wel voorzienen disch bezet.

In eene zesde zaal werden de wapenen, werktuigen, gereedschappen

en kleedingen der Zuidzee-eilanders, der Amerikaansche Wilden,

Hottentotten, Kaffers en andere volken bewaard.

Nu was de bezigtiging der boekverzameling, die bovenal mijne

nieuwsgierigheid opwekte, aan de beurt. Maar hoe zeer verwonderde ik

mij, dat ik slechts vijf vertrekjes aantrof, welke de geheele boekerij

bevatteden. Ook ontging mijne verwondering een' der boekbewaarders

niet, die mij deed opmerken, dat in deze vijf vertrekken slechts de

handschriften bewaard werden, doch dat de gedrukte werken in zestien

andere kamers geplaatst waren, maar dat men ze aan het publiek niet

liet zien; omdat het gezigt van een aantal boeken, in kassen en op

planken geschaard, noch leering, noch vermaak aan den beschouwer

kan opleveren.

Om dezelfde reden zouden de Engelschen, naar het mij voorkomt,

insgelijks de moeite wel kunnen sparen, om hunne vijf kamers

met handschriften te laten zien. Met het gezigt toch van deze

zamengebondene papieren kan men even min den bezigtiger, leering of

vermaak verschaffen.

Ook verhaalde hij mij, dat er nog een kabinet van gedenkpenningen

was, alsmede eene teeken- en graveerzaal; maar dat men een bijzonder

verlof moest hebben, om er toegelaten te worden, uit vreeze, dat men

iets zou wegkapen.

Voorts verzocht ik hem, mij te zeggen, of er onder die handschriften

ook iets van de Grieksche Anthologie, en van de werken van Aristophanes

gevonden werd? waarop hij de vriendelijkheid had, de lijst der boeken

na te slaan, en mij te berigten, dat er verscheiden op stonden.

Ik verzocht, om ze te mogen zien.

"Hartelijk gaarne wenschte ik aan uw verzoek te kunnen voldoen," hernam

hij; "doch om een gedrukt werk of handschrift te mogen inzien, moet men

zich, bij geschrift, tot den opperboekbewaarder vervoegen, en aan hem

door een' der bestuurderen van het Museum worden voorgedragen: en zoo

er dan geene redenen van weigering bestaan, kan een der boekbewaarders

u het gevraagde boek of handschrift ter lezing overgeven."

Het Britsche Museum, dacht ik bij mij zelven, heeft veel overeenkomt

met den schat van eenen gierigaard, of met de verzen van Lefranc de

Pompignan, waarover Voltaire zich dus uitdrukt:

"Sacrés ils sont, car personne n'y touche."

In een woord, al deze omstandigheden benemen iemand den lust, om

naar deze zoo hoog hangende druiven te trachten. Daar ik nogtans

eens wilde zien, hoe ver dit verbod, om de schatten der wijsheid

en geleerdheid in Engeland te naderen, zich zou uitstrekken, deed

ik eene schriftelijke vraag aan den heer opperboekbewaarder, doch

verzelde dezelve niet met eene aanbeveling van een der bestuurderen,

en zulks om de eenvoudige reden, dat ik de eer niet had van een' dezer

heeren te kennen. Evenwel ontwikkelde ik hem de oorzaak, waarom ik de

door mij opgegevene handschriften wenschte in te zien. Deze bestonden

hier in, dat ik eenige duistere plaatsen, welke mij in al de gedrukte

uitgaven van eenen zekeren auctor niet wel gesteld schenen, met het

handschrift wilde vergelijken.

Ik ontving echter geen antwoord, iets, hetwelk ik, om de eer en

wellevendheid der Engelsche natie op te houden, liefst wil toeschrijven

aan den korten tijd, dien ik mij nog in Londen ophield. Mogelijk vind

ik, bij een volgend overtogtje, daartoe eene betere gelegenheid.

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 32 / 70 题