Ons onderhoud over de schellen bragt ons bij den schouwburg van
Covent-Garden, waar wij dezen avond een vertooning van Beverleij,
in het Engelsch den Speler genaamd, zouden bijwonen.
"Waar zullen wij onze plaats nemen?" vroeg mijn vriend C.
"--Mijne plaats is bij verkiezing altijd in het orchest: men kan daar
volmaakt goed hooren, en heeft tevens een uitmuntend gezigt op het
tooneel en op de aanschouwers."
"--Er is geen orchest in de Engelsche schouwburgen. Slechts
een parterre of bak. Hetgeen men hier het orchest noemt, is, bij
uitsluiting, geheel alleen voor de muzijkanten geschikt; en hoe vol
het ook zijn moge, nimmer doet men deze heeren, zoo als te Parijs
meermaals geschiedt, hunne plaats verlaten: het publiek zou zulks
volstrekt niet dulden."
"--Laat ons dan in den bak gaan zitten, mids wij er geen al te slecht
gezelschap aantreffen."
"--Slecht gezelschap in den bak? Wees daarvoor niet bang. Tegen drie
en een' halven schelling de plaats, behoeft men niet te vreezen,
Jan Rap en zijnen maat te zullen ontmoeten; dat volkje bezet de
galerijen. Derhalve in den bak, mijn vriend, ten minste," voegde
hij er schertsende bij, "zoo gij, na eenige oogenblikken, niet van
besluit veranderd zijt?"
Tot aan het tooneel genaderd, zagen wij eene menigte van wel omtrent
drie honderd personen, zoo mannen als vrouwen, allen zeer wel gekleed,
die zich onderling duwden en stootten, en bij afwisseling verdrongen,
even als de baren van eene verbolgene zee. Uit het midden van deze zoo
zaamgepakte menigte hoorde men somwijlen een half gesmoord geluid;
want die zich eenmaal in dezen drom bevindt, kan er zich met geene
mogelijkheid weder uitredden.
"--Wat beteekent deze oploop?" vroeg ik mijnen vriend.
"--Het zijn de vaste klanten van den bak. Dezen drom moeten wij met
handen en voeten, zoo goed wij kunnen, trachten door te boren: komaan,
dat gaat u voor! pas slechts op uw horologie en op uwe goudbeurs:
de Londensche zakkenrolders geven den Parijschen niets toe. Laat ons
ten minste ons best doen, om dit vermaak niet duurder, dan met eenen
gescheurden rok, te betalen."
"--Een oogenblik, als het u belieft. Moet men ook zoo dringen, om in
de loges te komen?"
"--Geenszins, want men betaalt daar zeven schellingen, en buitendien
zijn de meeste plaatsen daar reeds besproken."
"--Laat ons dan liever in eene loge gaan.--Maar waarom houdt de
politie geen beter toevoorzigt? een dozijn soldaten zou voldoende zijn,
om de orde te bewaren, en men kon....."
"--Politie! Soldaten!--Altijd en eeuwig Fransche denkbeelden en
begrippen!--Vergeet gij dan, dat gij in een vrij land zijt? Twintig
personen mogen in dit gedrang versmoord worden; doch zoo zich slechts
een soldaat liet zien, zou men hem zeker steenigen."
"--Dus bestaat de Engelsche vrijheid gedeeltelijk in het voorregt,
om zich plat te laten drukken?"
"--Maar men heeft immers de vrijheid, om er zich niet aan bloot te
stellen, en niet in den schouwburg te gaan, of, zoo als wij zullen
doen, in de loge plaats te nemen."
Nu kwamen wij door eene andere deur aan den ingang der loges. Bij
het inkomen der zaal werden, in eene soort van een voorportaal, de
kaartjes uitgegeven.--De kaartjes! ziedaar al wederom eene Fransche
benaming!--Het waren geene kaartjes, maar ronde koperen stukjes,
ter grootte van eenen stuiver, waarmede men bewijst, dat men het regt
gekocht heeft, om de vertooning bij te wonen. Zoodra men derhalve voor
zeven schellingen wettige bezitter van dit stukje koper is geworden,
geeft men het aan een' der suppoosten, en alsdan kan men gaan zitten,
waar men wil; want al de loges zijn van denzelfden prijs, en eene
verdieping hooger of lager maakt hier geen onderscheid.
Alle loges op den eersten omgang waren reeds bezet; wij moesten
dus ons fortuin eene verdieping hooger beproeven, waar de voorste
banken insgelijks alle verhuurd waren; want dit voorregt heeft men
in de Londensche schouwburgen, dat men geenszins verpligt is, om eene
geheele loge af te huren: men kan er zoo vele en weinige plaatsen in
bespreken, als men verkiest; doch men kan zich tevens van de besprokene
plaatsen niet langer verzekerd houden, dan tot het einde van het
eerste bedrijf: alsdan geldt de spreuk: die het eerst komt, die het
eerst maalt! en zij, die ze besproken hebben en te laat komen, moeten,
in dat geval, gaan zitten, waar zij het best kunnen. Het uitwendige
van den schouwburg had mij juist geen zeer gunstig denkbeeld van
denzelven gegeven. Het is een groot en eenvoudig van tigchelsteen
opgehaald gebouw, waaraan men geen den minsten luister of pracht
kan bespeuren, in een woord, ten naastenbij gelijk aan al de overige
huizen van Londen: het eenige verschil bestaat in deszelfs hoogte en
meerdere grootte. Ik werd dus niet onaangenaam verrast, toen ik het
inwendige even zoo bevallig vond, als mij het uitwendige onbehagelijk
was voorgekomen. De loges zijn alle rood geschilderd en fraai afgezet
met vergulde randen en lijsten. Het schilderwerk is altijd levendig en
frisch, omdat het zeer dikwijls wordt opgehaald. Ook hangen er geene
kroonen in het midden van de zaal; maar tusschen iedere loge eene
sierlijk bewerkte kristallen branche met vier waskaarsen, hetwelk
aan de Engelsche vrouwen een voorregt verschaft, dat de Fransche in
onze schouwburgen, helaas! moeten ontberen, het voorregt namelijk
van zeer duidelijk gezien en opgemerkt te kunnen worden. Beneden
is alles bak. De hoogte der zaal is verdeeld in vijf galerijen of
rangen, men heeft er geene loges in de kolommen zelve, noch op zijde
van het orchest aan het tooneel, ook niet in het midden tegenover de
vertooners, even min als getraliede loges, die echter zoo gemakkelijk
en aangenaam voor eene zekere soort van liefhebbers zijn.
Ik zocht de galerijen, waarvan mijn vriend C... gesproken had, maar
ik ontdekte ze niet.
"Men geeft dezen naam," zeide hij, "aan dat gedeelte van de vierde en
vijfde rij loges, dat vlak tegenover het tooneel is, en aan hetgeen
wij in Frankrijk het amphitheatre of paradijs noemen. De prijs
der plaatsen is op den vierden rang, de eerste galerij genaamd,
twee schellingen, en op den vijfden, of de tweede galerij, slechts
een. Deze galerijen, bijzonder de tweede, zijn altijd met het
gemeenste volk bezet; fatsoenlijke lieden zouden zich schamen er
gezien te worden: ook wordt dit gedeelte van het publiek met veel
minder omstandigheid behandeld. Op deze twee bovenste galerijen ziet
men noch branches noch waskaarsen: het zijn planeten, die slechts
verlicht worden door de stralen der zon, die onder hen haren luister
verspreidt. Het zal toch niet noodig zijn, te zeggen, dat hier nooit
eene wacht van soldaten, maar altijd eenige politiebedienden gevonden
worden."--Voorts worden uit deze hoogte somwijlen de tooneelspelers,
die hunne rol niet naar genoegen vervullen, met gebraden appelen
of notedoppen begroet. Dezen zelfden avond nog werd er eene ledige
flesch van de bovenste verdieping naar beneden in den bak gesmeten,
doch kwetste gelukkig niemand; en een bezopen kerel tuimelde van de
tweede op de eerste galerij. Het is den geëerden lezer zonder twijfel
bekend, dat de dronkaards hunnen eigen God er op na houden: degene,
die viel, bezeerde zich dus zelf niet, maar hij, die de eer had, van
hem op zich te ontvangen, moet waarschijnlijk geen aanbidder van dien
God geweest zijn; want door de zwaartekracht van zijnen bovenbuur,
kwam hij er met niet minder af, dan met eenen gebroken arm.
Eenige jaren geleden is de schouwburg van Covent-Garden tot den
grond toe afgebrand. Bij den nieuwen opbouw hadden de ondernemers
eenen rang met getraliede loges doen maken, om ze tot eenen hoogeren
prijs te kunnen verhuren: ook hadden zij de plaatsen in den bak
op vier schellingen gezet. Doch deze nieuwigheden mishaagden John
Bull. Men liet, gedurende vijftien dagen, den schouwburg stil staan,
en toen er toch eindelijk moest gespeeld worden, werd de ingang van
den bak alle avonden overrompeld: sommigen smeten hunne drie en een'
halven schelling, onder het doordringen, in het kantoor, anderen,
en wel de meesten, baanden zich met geweld eenen weg, zonder iets te
betalen; de tooneelspelers werden, zoodra zij te voorschijn kwamen,
met modder en slijk begroet, en ten laatste zagen zich de ondernemers
genoodzaakt, den gewonen prijs van den bak tegen drie en een' halven
schelling weder in te voeren, en de getraliede loges te onttralien.
De zaal heeft ten naastenbij dezelfde grootte en gedaante als die der
Opera te Parijs. Zij was dezen avond zoo ongemeen vol en opgepropt,
dat men verscheidene personen aan de deur moest afwijzen. De oorzaak
van dezen grooten toevloed was de terugkomst van miss O'Neil, eene
jonge en bevallige actrice, aan welke de Engelschen de vereenigde
bekwaamheden toeschrijven van onze twee voornaamste treurspelspeelsters
te Parijs, welke ik niet noodig acht te noemen, dewijl zij bij
iederen kunstlievenden lezer, zonder twijfel, bekend zijn. Zij had
een pleizierreisje door de provintien gedaan, en gedurende dien tijd,
volgens het algemeene praatje, het geringe sommetje bijeen gebragt van
acht duizend pond sterling (192,000 Fransche livres.) De dagbladen,
waaruit ik deze bijzonderheid geput heb, zwijgen echter, of miss O'Neil
tot de bijeenzameling van deze aanmerkelijke som ook nog van iets
anders, dan van hare tooneelbekwaamheden gebruik heeft moeten maken.
Zij zou dezen avond voor de eerste maal na hare terugkomst de rol van
mistress Beverleij vervullen: Kemble, een zeer goed treurspelspeler,
was Beverleij: de overige rollen werden allen uitgevoerd door de
eerste en voornaamste personaadjes van den troep.--Troep? dit woord
zal mogelijk sommigen fijnen ooren min of meer kwetsen; ik bezig het
echter met voordacht, omdat het mij het meest gepaste voorkomt.
Na het voorstuk werd Jean Bart gegeven, een uit het Fransch vertaald
stukje; want zeer vele van onze melodrames worden te Londen gespeeld,
en maken daar, niettegenstaande den nationalen hoogmoed en eigenliefde
der Engelschen, den grootsten opgang.
De Ekster, onder anderen, is op de drie voornaamste tooneelen dezer
stad gegeven, en heeft drie maanden lang den grootsten toeloop
gehad. Een jong tooneelspeler, die de rol van eenen onnoozelen
vervulde, trok mijne aandacht bijzonder tot zich: hij had een
ongedwongen, boertig en natuurlijk spel, en heette, zoo als men mij
zeide, Liston. Tusschen het voor- en nastuk wandelden wij, eenige
oogenblikken, in eene soort van gang of galerij, die tamelijk naauw
was en veel geleek naar onze zoogenaamde kagchelkamers, maar die
verre na niet aan het fraaije van de zaal beantwoordde. Ligtelijk
zal de lezer raden, dat men, bij het uitgaan van den schouwburg,
niet meerder orde en geregeldheid en even min betere voorzorgen van
de politie aantreft, dan bij het inkomen. De koetsen redden zich uit
het gedrang, dank der breede straten! en de voetgangers, dank den
zijpaden en der vlugheid hunner onderdanen!
"Welnu," zeide mijn vriend, bij het uitgaan, "wat dunkt u van ons
tooneel? Hoe is het u bevallen?"
--"Hm! wel!"
--"Dit wel komt niet regt uit de borst!"
--"Wat zal ik u zeggen? Aristoteles en Euripides, Boileau en Racine
hebben mijnen smaak en mijne wijze van beschouwen veranderd en
misschien bedorven. Ik kan mij niet vermaken met mij in hetzelfde
bedrijf bij Stukely en Beverleij gebragt te zien, dan eens in een
dobbelhuis, en dan weder bij Beverleij. Tot dertienmaal is het
tooneel in dit stuk veranderd. Onze gedrochtelijke melodrames zijn
meesterstukken bij de Engelsche treurspelen, uitgezonderd de Cato
van Addison, welk stuk den Engelschen echter niet bevalt, omdat er te
veel orde en regelmatigheid in heerscht. De kleeding, de decoratien en
al de overige toestel zijn even zoo keurig en voldoende, als men in
Frankrijk zoude kunnen verlangen. Wat uwen acteurs en uwer actrices
betreft, neem het mij niet kwalijk, mijn vriend! dezen verwijderen
zich te zeer van de natuur door dezelve al te nabij te volgen, of
liever, zij stellen haar zoodanig voor, dat de nabootsing onaangenaam
en wanstaltig wordt. Kan het u, bij voorbeeld, treffen, Beverleij als
eenen razenden Roeland over het tooneel te zien vliegen, en zich op
den grond te wentelen, om de hevigheid der smarten uit te drukken,
welke hem het ingenomen vergift veroorzaakt? Geeft het vreesselijke
gegil zijner vrouw, wanneer zij het lijk van haren man ontwaart,
en het stuiptrekkend hikken en snikken, waarop zij den aanschouwer
vergast, geenen allerslechtsten smaak te kennen? Geenszins wil ik
aan sir Kemble en miss O'Neil de bekwaamheden ontzeggen, noch den
lof ontnemen, welken geheel Engeland hun beiden toezwaait, maar,
mijns bedunkens, zijn zij zeer verre verwijderd van hetgeen Larive
en mejufvrouw Raucourt voorheen waren, en hetgeen Lafont en mejuffer
Georges nog heden bij ons zijn.
Eenige dagen later ging ik insgelijks den schouwburg van Drury-Lane
bezoeken; doch ik wil er liefst niets van zeggen, omdat ik ten
naastenbij dezelfde aanmerkingen zou moeten herhalen, welke ik over
dien van Covent-Garden gemaakt heb.
Betreffende de Opera, deze was nog niet geopend; doch daar ik het plan
heb, om nogmaals, gedurende dezen winter, eenige weken in Londen door
te brengen, zal ik er alsdan mijnen geachten lezers rekenschap van
kunnen geven, indien het verhaal van mijn eerste verblijf gelukkig
genoeg geweest is, om hen eenige oogenblikken te hebben bezig gehouden.
Intusschen zijn deze drie tooneelen de voornaamste in Londen. Er
zijn nog wel eenige andere schouwburgen van minder belang; maar al
hadde ik den tijd gehad, om dezelve te bezoeken, zou ik er echter
hier niet van gesproken hebben. Wanneer men met Achilles begint,
mag en moet men niet met Thersites eindigen.