"Brand! Brand! Brand!" was de verschrikkelijke noodkreet, die mij
des zondags nachts, omstreeks twaalf ure, uit het bed dreef, waar
ik mij kort te voren had in gevleid. In de grootste haast trok ik
mijnen nachtrok aan, en vloog naar mijne voorkamer, die op straat
uitzag. Terstond opende ik een venster, en zag de vlammen uit
de schuiframen slaan van het naast belendende huis. Reeds was de
eigenaar van het huis aan onze andere zijde, alhoewel minder van den
brand hebbende te vreezen, dan wij, druk bezig met zijn huisraad en
goederen te bergen: ik kon dus geenszins de gerustheid begrijpen,
welke in dat huis heerschte, waarvan ik een gedeelte bewoonde. Die
goede menschen slapen, dacht ik, of zij kennen het versje niet:
Tunc tua res agitur, paries cum proximus ardet.
Wanneer het huis uws buurmans brandt,
Dan is uw' schade voor de hand.
Dezer spreuk getrouw, begon ik alarm te blazen, en deed de twee
schellen, welke mijne kamers versierden, de een na de ander, hare
ware bestemming gevoelen.
Welhaast kwam mijne gastvrouw (eene goede sloof, die alle dagen mijn
bed maakte, zonder er immer, mijnenwege, de waarde voor te ontvangen)
op het hevige geschel aangevlogen, en vroeg zeer bedaard, "wat belieft
u, mijnheer?"
--"Wat mij belieft? u waarschouwen voor het gevaar, dat wij
loopen. Ziet gij dan niet, dat het huis hier naast in brand staat?"
--"o Ja! wij weten het: mijn man en ik waren nog niet te bed, ik kwam
er u juist van verwittigen en u tevens raden, uw goed in uwen koffer te
pakken; want ligtelijk zou de brand tot dit huis kunnen overslaan. Ja,
somtijds kunnen er wel twee, drie, vier huizen verbranden, eer men
de vlam kan blusschen."
--"Maar hoe kunt gij zoo bedaard en gerust zijn?" zeide ik tegen haar,
terwijl ik mijn goedje bij elkander zocht; "en waarom maakt gij zelve
geen gebruik van den raad, dien gij mij gegeven hebt?"
--"O! wij hebben niets te vreezen; ons huis is geassureerd: onder
uw venster kunt het teeken zien, dat zulks aanduidt. Ik kan er dus
niets bij verliezen, ook is het reeds zeer oud; en brandt het al af,
welnu, het zal mij, tot eenen penning toe, vergoed worden."
--"Zeer wel, wat het huis betreft; maar uwe meubelen?"
--"Zijn ook geassureerd; ik heb dus in het minste niet te
vreezen. Slechts heb ik een klein pakje linnengoed klaar gemaakt,
waarmede wij ons, in den uitersten nood, kunnen redden."
--"Assureert men hier te Londen dan alles?"
--"O ja, zelfs het leven. Gij kunt u voor zestig, zeventig of tachtig
jaren doen assureren: komt gij voor den bij de assurantie bepaalden
tijd te sterven, dan betaalt men het verschuldigde, volgens akkoord,
aan uwe erfgenamen."
--"Allerliefst! Dan zullen de vrouwen ook zonder twijfel assurantie
kunnen nemen op dezelfde gezondheid, dezelfde liefde en dezelfde
toegevendheid van hare mannen, welke de eerste huwelijksmaand, bij
u de honigmaand genoemd, in het algemeen kenschetsen?"
--"De assuradeurs hebben deze onderneming nog niet durven wagen:
zij zouden al te veel gevaar loopen."
--"Alles hangt af van den prijs, waarvoor men overeenkomt. Betaalt
men de assuranties hier nog al hoog?"
--"O neen! Men geeft nog niet eens ten volle een half ten honderd."
Gedurende dit onderhoud had ik, met deze goede vrouw, mijnen koffer
en reiszak gepakt: met de grootste bedaard- en koelbloedigheid had
zij mij in deze bezigheid geholpen. Daar ik nu tamelijk gerust kon
zijn, begaf ik mij aan het raam, en zag nog maar eene brandspuit;
doch op hetzelfde oogenblik kwam er eene tweede.
"De twee eersten," zeide zij, "komen altijd spoedig; want de voorste
krijgt eene premie van dertig en de volgende eene van twintig
schellingen."
Intusschen kwamen kort daarna nog verscheidene andere spuiten. Zij
konden overvloedig en zeer gemakkelijk water pompen; want door al de
straten der stad loopen buizen of pijpen, ter aanvoering van hetzelve;
en voor eene guinie jaarlijks, heeft de eigenaar in zijn huis eene
kraan, welke hem ten vollen van water voorziet. De gansche stad
langs ziet men steenen, waarin een gat geboord is, in hetwelk men,
met den daartoe geschikten sleutel eene kraan omdraaijende, het water
ten naastenbij zes duim hoog kan doen springen. Des zomers bedient
men er zich van, om de straten te bevochtigen, en des winters, om ze
schoon te maken, en, ingeval van brand, voor de spuiten.
"Het komt mij intusschen voor," zeide ik, "dat de spuitgasten meer
pogingen aanwenden, om de belendende huizen te beveiligen, dan om
het vuur van het in brand staande te blusschen."
--"Natuurlijk!" antwoordde mijne waardin; "het is ook schier
onmogelijk, een huis te redden, dat eenmaal heeft vuur gevat; dewijl
de brand meestal te ver gevorderd is, eer men hulp kan toebrengen. Ook
zijn onze meeste muren slechts twee steenen dik, en de voornaamste
bouwstof der huizen bestaat uit houtwerk."
--"Zoo! En is er dikwijls brand te Londen?"
--"Door elkander geslagen rekent men, dat er iederen dag een huis
afbrandt."
--"Maar op dezer wijze moeten de brandassuradeurs zich in den grond
boren."
--"In het geheel niet. Zij worden rijk, en in plaats, dat de brand
hun nadeel doet, vermeerdert hij hun fortuin."
--"Dit is eene wonderspreuk, die ik niet versta, en die mij moeijelijk
te bewijzen schijnt."
--"Ik zal het u begrijpelijk maken. De vrees en de menigvuldige
voorbeelden vermeerderen dagelijks het getal dergenen, welke hunne
huizen doen verzekeren. Ik wed, dat gij morgen vroeg al de eigenaars
van huizen in deze straat, die deze voorzorg nog niet genomen hebben,
met drift naar het assurantiekantoor zult zien loopen, en ik verzeker
u, dat onze buurman, dien gij daar zoo druk ziet dragen en slepen,
in dat geval de laatste niet zal zijn."
Op dit oogenblik stortte het dak van het brandende huis in, en de
vlam scheen hare woede te verdubbelen.
"Hemel, als er slechts niemand van het huisgezin is omgekomen!" riep
ik uit.
"Neen!" zeide zij. "Ziet gij daar in die straat, vlak tegenover den
brand, dien man niet in den bruinen overrok, met de armen over elkander
tegen den muur leunen? Deze is de eigenaar: zijne vrouw, meid en drie
kinderen zijn bij hem; en zij waren de eenige bewoners van het huis."
--"Ik kan dus de moeite wel sparen van u te vragen, of het huis
geassureerd was: hunne geruste houding en bedaardheid zijn er mij borg
voor. Deze man brengt mij intusschen eenen ouden wijsgeer te binnen,
die, zijn huis ziende branden, zich koelbloedig met de grootste
tegenwoordigheid van geest aan den brandenden afval warmde; dewijl,
zoo als hij zich uitdrukte, dit het laatste nut was, dat hij er van
kon trekken."
Toen eindelijk de spuitgasten verklaarden, dat zij het vuur meester
waren, dat het gevaar voorbij was, en zij tevens voor de naburige
huizen instonden, keerde mijne goede vrouw naar hare slaapkamer
terug. Wat mij betrof, daar ik in hare zorgeloosheid niet konde
deelen, bleef ik nog tot drie uren op, en ging niet te bed, voor
dat ik mij door het vertrek der spuiten ten volle verzekerd hield,
dat er volstrekt geen gevaar meer te duchten was.
--"Het is, ja, eene schoone zaak, zulke brand-assurantien; dacht
ik bij mij zelve, toen ik mij weder te bed begaf; doch zij kunnen
tevens veel aanleiding tot ongelukken geven, door de eigenaars der
aldus verzekerde huizen al te zorgeloos te maken, en hen de noodige
behoedzaamheid tegen de gevolgen van het vuur te doen verzuimen. Ja,
zou zelfs de een of andere deugeniet zijn huis, zijne koopwaren en
zijnen inboedel niet ver boven de waarde kunnen doen assureren, en
vervolgens zelf den brand er in steken, om dus, op de schandelijkste
wijze, een onregtvaardig voordeel te bejagen?"
Deze aanmerking deelde ik, den anderen morgen, mijner gastvrouw mede,
en zij gaf mij ten antwoord, dat eensdeels op deze misdaad de dood
stond, ja, dat er voor achtien maanden nog een zeker persoon, die
zich hieraan schuldig had gemaakt, was opgehangen; en ten andere,
dat de brand-societeit, alvorens assurantie te geven, huis, goederen
en inboedel deed waarderen, en het regt had, om telkens, wanneer het
haar goed dacht, deze schatting te doen herhalen.
Dit antwoord voldeed mij slechts ten halve; want daags na de schatting,
dacht ik, kan men immers het beste en voornaamste gedeelte der goederen
en meubelen aan kant maken; in een woord, geene waardering, hoe hoog
ook aangeslagen, zou mij die verregaande onverschilligheid kunnen
inboezemen, welke ik bij de Engelsche, wier bezittingen geassureerd
waren, opmerkte.
Het moet dus wel waar zijn, dat het goede op dit ondermaansche altijd
door het kwade vergezeld wordt.