HET KOFFIJHUIS.

"Willen wij een kop koffij gaan drinken?" vroeg mijn vriend C...,

toen wij getafeld hadden en de deur uitgingen.

--"Ik houd dit juist voor geene vaste gewoonte, maar het zal mij

pleizier doen, de Engelsche koffijhuizen eens op te nemen."

--"Wij behoeven niet lang te zoeken; want men kan naauwelijks eenen

voet verzetten, zonder er een aan te treffen, en ik geloof, dat de

koffijhuizen, herbergen, logementen, gaarkeukens en kroegen hier wel

een vierde van den platten grond beslaan. Maar wij zullen ons thans

eens naar het voornaamste, meest bezochtste koffijhuis begeven. Wat

gij er u ook van moogt verbeelden, uwe verwachting zult gij nog altijd

overtroffen zien."

--"Daar gij reeds sinds vijf en twintig jaren uit Parijs zijt,

kunt gij u geen denkbeeld vormen van den tegenwoordigen luister,

levendigheid en pracht van onze koffijhuizen. Ik zal mij dus, zonder

twijfel, ten hoogste verwonderen, indien gij er mij een kunt laten

zien, dat fraaijer, sierlijker en woeliger is, dan de onzen."

--"Op mijn woord! gij zult verwonderd staan."

En ik was het waarlijk, en wel in den hoogsten graad, toen mijn vriend

mij in eene groote kamer gelijkvloers bragt, waar mijn neus terstond

vergast werd op den reuk van eene aanzienelijke menigte brandende

bladen van de Herba Nicotiana, alias tabak, welke mij juist niet de

alleraangenaamste gewaarwording veroorzaakte. Ook konden mijne oogen

geenszins op het vrolijke gezigt roemen; want, voor zoo verre ik door

de wolken van damp en rook kon gluren, zag ik in het lange, tegen

den muur, achttien of twintig tafels geplaatst, waarop eenige koppen,

glazen en bierpinten stonden, allen even vuil en bewalmd: trouwens,

het was zaturdag. Maar mijne ooren hadden daarentegen gene reden,

om zich te beklagen; want het was zoo stil, dat men eene vlieg met de

vleugels zou hebben kunnen hooren klappen. Ieder hield zich namelijk

zeer ernstig bezig met het oogmerk, hetwelk hem herwaarts had gevoerd;

en het woord--jongen! dat, van tijd tot tijd, door den een' of ander',

die iets wilde hebben, geroepen werd, was bijna het eenigste geluid,

dat zich in dit verblijf der stilzwijgendheid deed hooren. Wat der

tong betreft, hierover zullen wij nader spreken.

Intusschen moet gij u geenszins verbeelden, waarde lezer! hier een

aardig bekje van een meisje in een fraai en welgeschikt kantoortje

te zien zitten, een meisje, dat zich gedurig bezig houdt met u met

hare poezelige en malsche handjes een kop koffij in te schenken,

een glas limonade of iets dergelijks gereed te maken. O neen, niets

van dit alles! Beurtelings komt een morsige jongen of knecht, of eene

slordige meid in dit aardsche paradijs te voorschijn, om de klanten te

bedienen en het geld te ontvangen. Ook hadden beiden de handen vol. Al

de tafels waren bezet, eene eenige uitgezonderd, waarvan wij ons

terstond meester maakten. Middelerwijl de jongen onze koffij zettede,

liet ik mijne oogen de monstering doen over het gezelschap, waarvan

wij thans de eer hadden leden te zijn. Aan mijne linker hand zat een

man van middelbare jaren, wettig houder en eigenaar van enen buik,

wiens omvang..... Basta! in een der vorige hoofdstukken heb ik mijnen

lezers reeds gezegd, dat ik geen liefhebber van beschrijven ben--wiens

omvang--ik dus in statu quo zal laten. Het mondje van mijnen buurman

raakte, bij de opening, ter wederzijde met de hoeken van de beide

lippen, bijna tot aan zijne oorlapjes, en door deze opening wierp hij,

slag op slag, in den afgrond van zijne keel groote brokken vleesch en

aardappelen, zoo ten naastenbij als in de pakhuizen der Hollandsche

kooplieden de Edammer roodkorstjes geschoten worden. Mijn buurtje ter

regterzijde was nog een jong man, deftig in het zwart gekleed, doch

wiens rok, zeker luchtigheidshalve, geheel van de wol was ontbloot,

zoo dat men op denzelven gemakkelijk de draden kon tellen: ook kon men

geenszins zeggen, dat zijn gezigt in het kruis was; want, bij mijne

vlugtige beschouwing, rekende ik twee lengten op eene breedte: hij

was namelijk vrij lang, maar zoo dun en mager, dat men hem gemakkelijk

achter eene kagchelpijp zou hebben kunnen verbergen; in één woord, men

zou hem, bij verzinning, voor een aangekleed cadaver hebben gehouden,

zoo de beenderen van zijn gezigt en handen niet waren bedekt geweest

met eene soort van vale loodkleurige huid. Ook had hij geen ander

onderhoud, dan met zijn pint bier van twee pences, uit hetwelk hij,

van tijd tot tijd, zeer spaarzaam een teugje nuttigde. Ja, lezer! hij

dronk uit zijn pintje; verwonder u daarover niet! De meeste Engelschen,

en niet alleen de geringe volksklasse, maar zelfs de aanzienlijken

drinken op deze wijze. En hebben zij wel ongelijk? Men behoeft

dan immers niet te vreezen, de glazen te breken, en heeft niemand

noodig, om ze te spoelen. Vlak over mij zaten drie jonge lieden met

eene groote kom punch in hun midden. Ik kon nogtans geene de minste

levendigheid of vrolijkheid, deze getrouwe gespelen der jeugd, bij

hen bespeuren. Zij bleven integendeel ernstig, koel en afgetrokken,

zonder een enkel woord te spreken, en hadden het voorkomen van te

zeggen of ten minste te denken: "laat ons drinken! wat kunnen wij

beter doen?"--Naast hen aan de eene zijde zat een groot man met een

gevlamd en gekarbonkeld gelaat, wiens oogen zich, van tijd tot tijd,

schenen te willen sluiten, en die zich beurtelings bezig hield met

herhaalde ladingen snuif in zijne wijde neusgaten te stoppen, en

zijne keel met een glaasje port-wijn te bevochtigen, terwijl hij

telkens, als hij inschonk, de flesch tegen de kaars hield, om te

zien, op welke hoogte zij zich bevond, vol angst en vrees van den

ledigen bodem al te spoedig te zullen ontdekken. Aan den anderen

kant zat een man, in eenen overrok, met een pakje voor zich op tafel,

die ik zeker vooronderstelde dat hier eene bijeenkomst bepaald had;

wijl hij zoo zorgvuldig ieder oogenblik op zijn horologie zag, en die

in zijn thee, waarin hij juist zoo veel melk schonk, als noodig was,

om ze even van kleur te doen veranderen, gedurig een stuk brood met

eene hand dik boter besmeerd sopte, welke door de aantrekkingskracht

der warmte van de thee, daarin opgelost, derzelver geheele oppervlakte

met eene zoo vette korst bedekte, dat het een lust was, om te zien.

Drie anderen, met blaauwe buisjes en lange broeken van dezelfde

kleur, naar het uiterlijke voorkomen, matrozen, zaten achter in

de koffijkamer: het waren voornamelijk zij, die met de pijp in den

mond zich belastten, met het vertrek te parfumeren. Ieder had een

glas gin (jenever) voor zich op tafel; en zoodra dat glas ledig was,

werd de knecht gefloten, ten teeken, dat hij eenen nieuwen voorraad

moest bezorgen.

Naast dezen zat een ander man, wiens overschot van een brood en

een half geledigd pintje aankondigde, dat hij ten halven maaltijd

was. Inderdaad, naauwelijks hadden wij plaats genomen, of de

knecht zettede eene plumb-pudding voor hem neder, die nog warm

scheen; de goede vriend was zoodanig verdiept in het lezen van de

Morning-Chronicle, dat hij de aankomst van het geliefde geregt nog

niet gemerkt had, toen wij het koffijhuis weder verlieten.

Een man, met een niet gunstig voorkomen, zat alleen aan eene andere

tafel: hij gebruikte niets, maar zijne oogen vestigden zich afwisselend

op al de tafels, en twee lange ooren, welke Midas zelven niet zouden

ontluisterd hebben, schenen zich te spitsen, om des te beter ieder

woord, dat gesproken werd, te hooren. Ik hield hem voor een' dier

eerlijke lieden, welke men in alle landen aantreft, en wier beroep

is, aan de deuren te luisteren, door de vensters en ramen te zien, en

hunne ooren tegen de sleutelgaten te plaatsen, en die, den ganschen dag

niets gehoord noch gezien hebbende, zich des avonds nogtans door een

fraaij verhaal verdienstelijk zoeken te maken, wanneer zij, bij gebrek

van te kunnen kwaadspreken, uit al hun vermogen beginnen te liegen.

Juist wilde ik de monstering over de andere tafels vervolgen, toen

ons de bestelde koffij werd gebragt. Men is, helaas! al te genegen,

zijne naasten te vergeten, wanneer het er op aankomt, aan zich zelven

te denken. Een rijkelijk gevulde suikerpot, twee kopjes, een zeer

klein melkkannetje, slechts half vol, en eene vervaarlijke koffijkan,

die in Frankrijk voor acht liefhebbers voldoende zou geweest zijn, was

de stoffering van het blaadje, dat men voor ons nederzettede. Hier valt

mij de spreuk van eenen zekeren lekkertand te binnen, dat de koffij,

om goed te zijn, drie bijzondere eigenschappen moet bezitten, te weten,

klaar, sterk en heet. Terstond ontwaarde ik, bij het inschenken, dat

deze troebel en laauw was, en mijne neusgaten zochten vergeefs den

lekkeren geur op te snuiven, welken de wasem der echte mokka-bonen

hun aanbiedt, en waarvan ten minste eenig spoor ook in de slechtste

koffij gevonden wordt. Ik zettede dus bevende het kopje aan den mond,

om deszelfs inhoud te proeven; maar lieve hemel! het geleek wel een

apothekersdrankje, een smaak als rhabarber, waaraan men met moeite

eenige koffijlucht zou ontdekt hebben, zoo men er te voren niet van

onderrigt ware geweest.

--"Hier heeft zeker een misverstand plaats?" zeide ik tegen mijnen

vriend C...

--"In het geheel niet: de koffij, die hier gedronken wordt, is nooit

anders; zelfs in geheel Engeland zult gij geene andere vinden: alleen,

bij toeval, mogelijk wel een weinigje heeter.--Zult gij niet nog een

kopje drinken?"

--"Ik zal het waarachtig wel laten! ik pas zelfs voor dit.--Maar kan

men hier ook een glas likeur krijgen, om dezen leelijken smaak af

te spoelen?"

--"Zonder twijfel. Wilt gij rum, gin, brandij of whiskeij?"

--"Een oogenblikje, als het u belieft: de twee eerste ken ik, maar

wat zijn de twee laatste?"

--"Brandij is Fransche brandewijn; Whiskeij wordt hier voor eene

soort van brandewijn gehouden uit haver gestookt, en voornamelijk in

Schotland gefabriceerd."

--"Maar is er niets anders, dat wat lekkerder is, te krijgen?"

--"Ha, ha! Ik zie al, wat gij hebben moet: iets zoets, niet waar? Hei

daar, jongen, twee glazen grog!"

--"Grog! zie daar eene benaming, welke mij niet veel goeds doet

verwachten.--Maar wat is dan nu eigenlijk grog?"

--"Ik zal het u zeggen, zoodra gij het geproefd hebt."

Nu bragt men de twee glazen grog: eerst proefde ik er zeer behoedzaam

van, en dronk vervolgens mijn glas met smaak ledig; want deze drank

kwam mij zeer aangenaam voor. Mijn vriend zeide mij nu, dat het een

mengsel was van rum, water en suiker, en ten gevalle van dezen grog

vergat ik de slechte koffij, welke men mij had doen drinken.

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 19 / 70 题