HIER HOUDT MEN OPENE TAFEL!

Wij stapten uit de koets ter plaatse, waar mijn vriend C... gewoonlijk

zijne graage maag onthaalde, en deze maagversterkende woning werd

in de Engelsche taal Chop-house genoemd. Maar, hoe nu dit woord in

onze taal over te brengen?--Zal ik zeggen, wij stapten af bij den

kok?--Neen; deze uitdrukking is te grootsch, en voldoet geenszins

aan het bedoelde.--Zal ik dan het woord herberg bezigen? Neen; deze

beduiding is wederom te gering: ook is het in den eigenlijken zin

geene herberg; dewijl men er wel kan eten, maar geen nachtverblijf

houden. Willen wij het gaarkeuken noemen?--ja, dit heeft er wel zoo

iets van, maar het is zoo gaarkeukenachtig, en bevalt mij ook niet

ten volle.--Hier dunkt mij, den driftig gebakerden lezer te hooren

uitroepen: noem het, zoo als gij wilt, en vervolg slechts! Geduld,

lieve vrienden; geduld! ik zal trachten, u genoegen te geven, en mij

door eene kleine omschrijving uit deze verlegenheid te redden. Ik

neem dus de vrijheid, om een uithangbord voor het, ter voeding en

verkwikking geschikte, huis op te hangen, met de volgende, voor ieder

eerlijk christenmensch verstaanbare, woorden:--Hier houdt men opene

tafel!--Ha! Nu geloof ik, zijn wij er zoo ten naasten bij, en indien

dit opschrift den geëerden lezer al geen volledig denkbeeld kunne

geven, dan kan ik hem echter, op mijn geweten, verzekeren, dat het

ten minste het best geschikte middel is, hetwelk onze taal oplevert,

om de ware bedoeling van Chop-house te bevatten.

In verscheidene kamers staan gedekte tafels met de noodige stoelen,

van des middags te drie tot des avonds te zeven ure voor den gaanden

en komenden man gereed. Zoodra men gezeten is, komt de knecht u

de keukenceel van dien dag aanbieden. De hoofdschotels zijn altijd

gebraden ossen-, schapen-, kalfs- en varkensvleesch, somwijlen ook

hetzelfde vleesch op eene andere wijze gereed gemaakt, bij voorbeeld,

een, stuk gekookt ossen- of schapenvleesch, eene warme kalfs- of

schildpadpastei (maar waarom toch bestempelt men in Engeland, zoo

wel als in Frankrijk, een geregt met den naam van Schildpadpastei,

waar mogelijk nimmer een greintje vleesch van dit tweeslachtige dier

in gevonden wordt?) Somtijds werd mij ook een stuk van een gebraden

hart, coeur roti, voorgediend, doch nooit heb ik harts genoeg gehad,

om er van te proeven. In het algemeen is al het gebradene, dat in

Engeland wordt opgedischt, zeer goed, vrij malsch en sappig, en het

is dus bezijden de waarheid, dat het vleesch half gaar wordt gegeten:

in tegendeel heb ik het dikwijls eerder te veel dan te weinig gebrade

bevonden. Maar zoo gij immer in Engeland mogt komen, mijne waarde

landgenooten, waagt uwe tong en u verhemelte dan vooral niet aan

de ragouts; ik herhaal het ernstig, wacht u voor de ragouts! De

bekende vergiftiger Mignot, van wien Boileau spreekt, zou hier,

als een uitstekend kunstenaar, den grootsten opgang hebben kunnen

maken, en zijnen naam tot aan de wolken verheffen. De eenige smaak,

welken men in deze Engelsche ragouts kan ontdekken, is de peper,

waarmede zoo ruimschoots wordt omgesprongen, dat, niettegenstaande

dezelve altijd met eene tamelijke portie water vergezeld is, nogtans

en tong en mond in lichtelaaije vlam schijnen te staan. Daar men in

Engeland altijd groenten bij het vleesch gebruikt, kan men zich, naar

verkiezing, van aardappelen, wortelen, rapen, kool, erwten of spinazie

bedienen, namelijk zoodanig, als moeder natuur ze heeft voortgebragt,

(dat is te zeggen) ongestoofd en enkel in water gekookt.

Vervolgens worden, overeenkomstig het saizoen, pruimen-, appelen-,

peren- en rozijnentaarten, als ook verschillende soorten van puddings

opgedist. Deze laatste benaming geeft men aan alle tusschengeregten,

welke uit gebak bestaan, bij voorbeeld, onze rijsttaarten noemt

men hier rijstpuddings. Hunne plumb-pudding, onder anderen, is een

welgesuikerd gebak, vol met rozijnen, waarvan de Engelschen veel werk

maken, schoon het een zeer middelmatig geregt is. Deze plumb-pudding

wordt warm gegeten, sommigen doen er boter bij, anderen brandewijn,

en anderen wederom nuttigen dezelve met peper en mosterd.

Men heeft hier tweederlei brood, het eene heet Engelsch en het

andere Fransch, het laatste is ook inderdaad een weinigje minder

hard en bruin, dan het eerste. Meer dan eens heb ik opgemerkt,

dat de Engelschen, niettegenstaande hunne nationale trotschheid en

vooringenomenheid, altijd de voorkeur aan het vreemde brood gaven,

en dat hun oog even zoo geoefend in het onderscheiden, als hunne

hand vaardig in het grijpen was, wanneer er nog slechts twee of drie

stukken in den broodkorf lagen.

In deze Chop-houses mogen geene wijnen noch sterke dranken verkocht

worden: men kan er derhalve niets anders dan klaar water bekomen,

en daar den tafelhouders verboden is, het water op prijs te stellen,

hebben zij de edelmoedigheid, het voor niet te geven. Maar daarentegen

houdt de eene of andere tappersjongen uit de buurt, vlak bij de deur

van de eetzaal post, en van dezen kan men bier krijgen zoo veel,

en van welke soort men verlangt, mids boter bij den visch, hetgeen

ook zeer goed is; want door het gewoel en de drukte zou de verkooper

er zeer ligt eenige pences bij kunnen inschieten, welke hij voor het

aan hem uitgereikte bier zijnen meester zou moeten vergoeden.

Ja, heeren Franschen! bier, van welke soort gij verlangt! Gij zijt

trotsch op uwe wijnen van Bourdeaux, Bourgogne en Champagne; maar

de Engelschen kunnen drie voorname bieren opnoemen. 1o. Klein bier,

hetgeen zij, bij verkiezing, tafelbier noemen, omdat het woordje

klein juist niet welluidend genoeg klinkt in de ooren van lieden,

die voor het groote geboren zijn. Ook is dit bier de gewone drank

van het gemeen, en kost niet meer dan vier Fransche stuivers het

pintje. 2o. De ale, die voor negentien stuivers verkocht wordt, en

inderdaad zeer goed en smakelijk en oneindig beter, dan onze beste

Fransche bieren, is. 3o. De porter, die tusschen beiden staat, en

waarvoor men zes stuivers bij het pint betaalt. Deze-alleen kan op

den duur bewaard worden, en op flesschen of kruikjes getapt, wordt

hij hoe langer hoe beter, en, naar mate van zijnen ouderdom, des

te duurder verkocht. Eindelijk worden deze onderscheidene soorten

van bieren nogmaals in bijzondere klassen en onder verschillende

benamingen gerangschikt, even als wij Bourgogne-wijn van Pomard,

Beaune en van Clos-Vougeot hebben.

Voor het overige doen de Engelschen zelden voorraad van bier op: zelfs

in de voornaamste huizen wordt dagelijks uit de eene of andere herberg

zoo veel gebragt, als men rekent, dien dag te zullen gebruiken. Den

geheelen dag door ziet men de tappersjongens de stad op en neer draven,

om kannen bier aan de huizen rond te brengen. Zij geven aldus het volle

pint over en nemen het ledige van den vorigen dag mede. Ook hebben zij

gewoonlijk eenen lederen riem als eenen bandelier over den schouder

en de borst hangen, en zijn derhalve van voren en van achteren, zoo

wel op den buik als op den rug, rondom met ledige pintjes, als met

eenen krans, behangen, zoo dat men hen, dus uitgedost, veilig voor

den Engelschen Bacchus kan houden.

Zoodanig is het onthaal, dat men in Engeland, ten huize der

opentafelhouders, geniet. Ook vindt men er somwijlen gebraden

of gekookten visch, maar altijd zeer zeker lamscarbonnaden en

beef-steaks. Dit laatste artikel vindt men echter merkelijk tot zijn

voordeel veranderd, zoodra men de zee weder overgestoken is en voet aan

land heeft gezet; want de beaf-steaks in Frankrijk smaakt mij oneindig

beter, dan al, die ik ooit in Engeland heb gebruikt. Het is dus een van

die waarlijk zeldzame gevallen, waar de kopij het origineel overtreft.

Maar ik vergeet den gewigtigsten schotel, het oogelijn en den hartelust

der Fransche maag, de zoo onontbeerlijke soep. Hiermede dan zullen

wij dit vreetzame en eetlustwekkende hoofdstuk, in plaats van dat

wij er mede hadden moeten beginnen, eindigen. Echter raad ik mijnen

Franschen soepminnenden medebroeders, die immer te Londen mogten komen,

dezelve, wat het proeven betreft, maar blaauw blaauw te laten blijven,

even als ik met de beschrijving ben te werk gegaan.

De soep is geenszins in dit land, even als in Frankrijk, het eerste

en voornaamste vereischte van het middagmaal; meestal wordt zij

niet eenmaal voorgezet. Nogtans heeft men soepen van onderscheidene

soorten, van welke alle ik geproefd heb. Hunne soupe au jus heeft de

meeste overeenkomst met de onze. Het is eene soort van vleeschnat,

waarin men, naar goedvinden, eenige stukken geroosterd brood doet;

doch het smaakt niet half zoo lekker en aangenaam, als onze Fransche

bouillon; ja, het is veeleer eene wrange saus, waarin men niets anders

dan peper kan proeven, en (de goedhartige lezer vergeve mij dezen

kunstterm!) welke eenen muffen en Limburgschen kaasachtigen smaak

oplevert. Nog hebben zij eene magere soep (in de volle beteekenis

van dat woord,) welke zij de eer aandoen van erwtensoep te noemen:

deze heeft ten minste den walgelijken smaak van de vorige niet, doch

is overigens, op den man af afgesproken, niets anders dan erwten met

lang nat. Hunne hoendersoep is uit twee bestanddeelen zamengesteld,

te weten, uit eenige, meestal niet regt gaar gekookte brokken van

eenen ouden haan of hen, en het water, waarin deze gekookt zijn. Men

moet dus al eenen zeer bijzonderen smaak hebben, om ze goed te kunnen

vinden. Eindelijk heeft men nog eene warmoessoep, welke uit eenige

groenten en gekapt vleesch wordt toebereid, dat in eenen oceaan van

gepeperd water met mosterd en zout zwemt.

In Londen zijn ook eenige Fransche tafelhouders, maar hunne keuken

verschilt vrij wat van die onzer Veri's en Beauvilliers. Het eenige

onderscheid tusschen hen en de Engelsche koks is, dat de eerstgemelden,

op eene waarlijk zeer beleefde wijze, uwen zak van eenige schellingen

meer weten te ontlasten.

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 17 / 70 题