DE BEGRAFENIS.

Mijn nieuwe vriend, de heer C..., hield getrouw woord: met den klokslag

van elven was hij reeds bij mij.

"Wat beschouwt gij daar zoo ernstig?" zeide hij, ziende, dat ik mijne

oogen stijf op het schuifraam gevestigd hield.

--"Ziet gij dan niet vlak over mijne vensters," hernam ik, "die

twee mannen met hunne zwarte tabbaarden, even als onze Fransche

dorpkosters, die ieder eenen grooten, met zwart laken bekleeden

stok in de hand hebben, waarvan de knop veel overeenkomst met de

kolf van een geweer heeft, die de armen gekruist, de oogen stijf op

den grond gevestigd houden, en die geene de minste beweging maken,

in één woord, die veel op onze standbeelden in de tuinen gelijken,

en gevoegelijk tot vogelverschrikkers zouden kunnen gebezigd worden,

om de vruchtboomen tegen den snoeplust van het gevleugelde volkje te

beveiligen? Zij staan daar reeds zoo lang, als ik mij hier bevind,

en schijnen wel aan den grond genageld."

"--Er is een lijk in dat huis, en men gaat het begraven: die twee

mannen zijn aansprekers of doodbidders."

"--Zullen wij dan deze plegtigheid nog voor ons vertrek kunnen zien?"

"--De staatsie zal juist niet prachtig zijn. Ik heb de overledene

eenigzins gekend: zij was eene oude vrijster van eene goede familie,

die slechts zijdelingsche erfgenamen en verre bloedverwanten

achterlaat, en dezen zullen denkelijk geene groote kosten voor hare

begrafenis willen maken. De proef op de som, dat zij weinig achting

voor hare nagedachtenis hebben, blijkt duidelijk daaruit, dat men

haar nu reeds laat begraven, niettegenstaande het slechts,--ja,

laat eens zien! slechts acht dagen zijn, dat zij overleden is."

"--En gij zegt slechts? Mijn Hemel! voor zes dagen had men haar al

onder de aarde moeten bezorgen."

"--Geenszins, lieve vriend! in Engeland begraaft men de dooden niet

eerder, dan tien, twaalf, ja somtijds vijftien dagen na hun overlijden,

ten minste nooit vroeger, dan na verloop van eene volle week."

"--Lieve hemel! op zulk eene wijze doet men den dooden eene eer aan

ten koste van de levenden! De goede God verleene al den inwoners

van dit huis eenen blakenden welstand, ten minste zoo lang als ik er

zal blijven wonen!--Buiten twijfel zult gij mij, op mijne aanmerking

tegen dit barbaarsche gebruik, nogmaals toevoegen: het is de mode?"

"--Juist, en wanneer men dit gezegd heeft, houdt alles op: hiertegen

is immers niets in te brengen! Echter zoude ik nog kunnen aanmerken,

dat deze gewoonte haren oorsprong verschuldigd is aan de vrees, om

niet levend begraven te worden, en dat de overblijvenden meenen, op

geene betere wijze hunne liefde en verkleefdheid aan den overledene

te kunnen betoonen, dan door, zoo lang mogelijk, de eeuwige scheiding

te vertragen."

"--Bravo! Ik zie klaar, dat de Engelsche gebruiken in uwen persoon

steeds eenen ijverigen verdediger vinden."

"--Neen, geen' verdediger; maar sinds vijf en twintig jaren, dat ik

dit land bewoon... Doch zie, zie eens! de optogt begint!"

Ten spoedigste hernam ik mijne plaats aan het venster. De twee zwarte

standbeelden hadden zich eindelijk in beweging gesteld en stonden nu

naast elkander, om den optogt te openen. Een derde, even eens gekleed

en uitgedost, had op zijn hoofd eene soort van beschuitmandje,

eenigzins langwerpig, ten naastenbij drie voet lang en achttien

duim breed, geheel met zwart laken bekleed, en met twaalf witte

rozen versierd, ter eere van den maagdelijken staat der overledene,

welken zij, sinds vijf en zeventig jaren, ongeschonden (incredibile

dictu!) bewaard had.--Bij deze gelegenheid kwamen mij de witte

pluimen, waarmede men de muilezels in Spanje optooit, onwillekeurig

voor den geest.--In dit zonderlinge kostuum plaatste de manddrager

zich achter de twee standbeelden, en bleef, even als zij, beweegloos,

tot dat het geheele geleide in behoorlijke orde was gerangschikt.

Nu droeg men de doodkist naar buiten: zij was met geen doodkleed

behangen, zonder twijfel, dewijl men derzelver fraaiheid door de

geheele buurt wilde doen bewonderen. Ook scheen zij mij zeer hecht en

sterk, en veel langer en breeder, dan onze doodkisten, hetgeen ook

ligtelijk te begrijpen is, wanneer men weet, zoo als ik naderhand

vernomen heb, dat de lijken in Engeland geenszins, als bij ons,

stijf in een laken, het doodlaken genaamd, gewikkeld, maar los en

vrij in de kist gelegd worden, waar men hun eene soort van kussen

onder het hoofd plaatst, ten einde gemakkelijk en ongehinderd te

rusten. De kist was geheel zwart, sterk gevernist en rondom met kleine

spijkertjes met vergulde knopjes beslagen, zoo ten naastenbij als onze

nieuwerwetsche stoelen: ook waren de wapens van de oude vrijster,

die van eene adelijke familie was, keurig geschilderd en verguld,

er niet op vergeten. Nu bedekte men de kist met een zwart fluweelen

doodkleed, met witte franjes, en zij werd opgenomen door vier dragers,

die eenigzins anders gemanteld waren, dan de drie vorigen; ook scheen

de kleur dier mantels in vorige tijden tot de zwarte behoord te hebben,

doch thans was het, zonder twijfel door het tijdverloop van eenige

jaren, moeijelijk te bepalen, of zij onder de roode of grijze moest

gerangschikt worden. Om dus, vrij van alle dwaling, met zekerheid

te werk te gaan, daar ik met opzet niemand, zelfs niet eens eenen

Engelschen rouwmantel, wil beleedigen, bestempelde ik ze bij mij

zelven met den naam van--vaal.

Vervolgens de bloedverwanten of vrienden der overledene de monstering

doende passeren; telde ik achtien stuks, in diepen rouw en met groote

neerhangende hoeden, of zoogenaamde huilebalken, twee en twee de

doodbaar volgende, en allen, zoo mannen als vrouwen, in een zwart

hulsel gewikkeld van het zelfde maaksel, als de domino's, waarmede

men in Frankrijk op de gemaskerde bals verschijnt. Ook hadden allen

wit leeren handschoenen aan, en waren van groote zakdoeken voorzien,

waarmede zij, van tijd tot tijd, aan hunne oogen wreven, om de tranen

af te droogen, die voornemens mogten zijn, huns ondanks, los te breken.

"Ik wenschte, dit schouwspel wel ten einde te zien;" zeide ik tegen

mijnen vriend. "Kunnen wij den trein niet volgen?"

"O ja, waarom niet!" gaf hij mij ten antwoord; "kom aan, laat ons

dan vertrekken!"

Met deze woorden begaven wij ons op weg en volgden den optogt tot

aan de kerk. De predikant deed een zielroerend gebed, vervolgens nam

men het lijk weder op en droeg het, door den geheelen trein gevolgd,

grafwaarts, waar nogmaals veel treffender en langer voor de zalig

ontslapene moest gebeden worden. Ook dezen gang wilde ik mede doen;

doch wij werden door eene vreesselijke regenbui overvallen, welke

echter den trein geenszins verhinderde, zijnen marsch te vervolgen,

en dat wel met ongedekten hoofde, hetgeen hier eene conditio sine qua

non is. Wat ons betrof, die niet gehouden waren, deze plegtigheid ten

einde toe bij te wonen, wij troffen, bij geluk, eene huurkoets aan,

waarin wij onze schuilplaats namen.

Onder weg verhaalde mij mijn vriend, dat men, na het begraven van het

lijk, in dezelfde orde naar het huis van de overledene terugkeert,

alwaar het testament, zoo er namelijk een bestaat, dadelijk moet

voorgelezen worden, en dat eindelijk de geheele historie met eenen

smakelijken maaltijd wordt besloten, waarvan somwijlen eenigen der

bloedverwanten, door wijn en bier bedwelmd, voor dood naar huis

worden gebragt, doch gemeenlijk den anderen morgen zeer welvarende

(eene geringe hoofdpijn uitgezonderd) ontwaken.

Verder zeide mij de heer C..., dat, wanneer er eene prachtige

uitvaart plaats heeft, de kist in eene, met zes paarden bespannen,

koets grafwaarts wordt gevoerd, en dat alle tot de plegtigheid

genoodigde personen in dat geval hunne koetsen zenden, zoo dat men,

bij de begrafenis van eene voorname personaadje, dikwijls eenen trein

van twintig of dertig ledige koetsen kan aantreffen.

Den volgenden morgen zag ik aan het huis van mijne overledene

buurvrijster onder de vensters dat gedeelte, hetwelk zij bewoond

had, het wapenschild op eenen zwarten grond gespijkerd, met het

opschrift: Resurgam!--Ik zal weder opstaan!--Zulk een schild wordt

niet weggenomen, voor dat de volle rouw geeindigd is.

Dit gebruik neemt men hier zeer zorgvuldig in acht met betrekking tot

al degenen, die wapens voeren; en daar het opschrift naar welgevallen

kan verkozen worden, vindt men bij de lijkbezorgers steeds eenen

ruimen voorraad van deze spreuken, waaruit men zijne gading kan zoeken,

even als uit de staalkaart van eenen lakenkooper, welke de kleermaker

medebrengt, als hij de maat van een nieuw kleed komt nemen.

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 15 / 70 题