Ik bevond mij dan eindelijk op weg naar Londen, en bijna zeker van
er spoedig te zullen zijn. Terwijl men te Canterburij van paarden
verwisselde, had ik den tijd, om, met behulp van drie Engelsche
schellingen, (want in Engeland is het algemeene motto--niets voor
niets!) had ik den tijd, zeg ik, om de hoofdkerk van deze stad te
bezigtigen, een trotsch en prachtig gebouw, waarvan ik niets zal
zeggen; wijl iedereen er reeds van gesproken heeft.
Wij hielden het middagmaal te Rochester, eene kleine stad, wier naam
dien van den beruchten hertog van Rochester altijd zal doen herinneren;
en des avonds ten acht ure deden wij onzen intogt in de hoofdstad
der drie rijken.
De postwagen moest ons afzetten in de herberg de Witte Beer, in
Piccadilly, waar ook tevens het verhuurkantoor werd gehouden van
de vaartuigen naar Calais. Ik was dus zeer verwonderd, toen ik den
voerman op het eerste plein, waar eene menigte huurkoetsen stond,
zag stil houden, terwijl hij ons tevens verzocht, uit te klimmen. Een
Engelschman had de vriendelijkheid, mij te onderrigten, dat er in den
Witten Beer noch wagenhuis noch stalling zijnde, de postwagen in eene
andere wijk stalde, en het postwezen, op zijne kosten, de reizigers
met huurkoetsen naar de bestemde plaats deed brengen. Ik liet mij
dan met mijnen koffer en reiszak in eene dezer koetsen pakken, waar
ik nog twee Engelschen aantrof, die ook in dezelfde wijk en digt bij
den Witten Beer moesten wezen. Aldaar gekomen en gevraagd hebbende,
of men mij konde huisvesten, kreeg ik ten antwoord, dat alle kamers,
geene uitgezonderd, bezet waren. De koetsier vroeg mij dus, naar welk
ander logement hij mij zoude brengen; dan daar ik geenszins de eer
had, van er een eenig in de geheele stad te kennen, zeide ik hem,
dat hij slechts voor het eerste het beste stil moest houden. Wij
deden nog twee vergeefsche pogingen, en reeds begon ik te vreezen,
den eersten nacht van mijne aankomst te Londen in eene huurkoets te
zullen moeten doorbrengen, toen men mij eindelijk in het Keizerlijk Hof
van St. Petersburg, in de Douversche straat, of (om met het Engelsche
gebruik, waaraan ik mij in het vervolg zal houden, in te stemmen)
in Dover-street eene ledige kamer wilde laten betrekken.
Middelerwijl de bedienden mijnen koffer en reiszak in huis bragten,
vroeg mij de koetsier om geld. Niettegenstaande ik hem met alle
mogelijke welsprekendheid trachtte te beduiden, dat de voerman van
den postwagen hem deze koetsvracht moest betaald hebben, hield hij
hardnekkig het tegendeel staande; en buiten staat, om te bewijzen,
welke van de gaauwdieven hier den schelm speelde, moest ik hem vier
goede Engelsche schellingen geven, welke hij, op de allerbeschaafdste
en beleefdste wijze der wereld, van mij eischte, voor omtrent drie
kwartier uurs rijdens.
De vrouw van den huize, eene dikke, vette mokkel, die er wel genoeg
uitzag, kwam al waggelende, als eene gans, naar mij toe, om te vragen,
wat er van mijnen dienst was? Met het voornemen, om mij naar de
Engelsche gewoonten en gebruiken te schikken, vroeg ik om thee. Terwijl
zij vertrokken was, om die thee voor mij te doen gereed maken, hield
ik mij bezig met de bezigtiging van het verblijf, hetwelk men mij
had toegedacht, en waarin ik mij thans geheel alleen bevond. Maar,
hemel! welk een onderscheid met het uwe, mijn waarde Pot-de-Vin!
Het is waar, bij u had ik zoo ten naastenbij slechts zeven schellingen
daags verteerd, en in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg.... Dan,
laat ik mijn verhaal niet vooruit loopen. Het voor mij bestemde
verblijf bestond uit eene voorkamer, eene zaal, het slaapvertrek
en twee kabinetjes, al de kamers, de kabinetjes niet uitgezonderd,
waren met fraaije tapijten belegd, stoelen, tafels en al de meubelen
waren van echt mahonijhout, de schoorsteenen alle met sierlijk
bewerkte metalen armblakers voorzien, verscheidene schoone spiegels,
het behangsel in het eene vertrek nog vrolijker en smaakvoller
dan in het andere, overheerlijke kunstplaten in kostbare lijsten,
en rondom gordijnen, wit als sneeuw en van het fijnste batist, een
zacht donsen bed, hetwelk bij voorraad reeds eene aangename rust
scheen te beloven, in één woord, er ontbrak niets aan dit bevallige
geheel. Nog naauwelijks had ik al deze heerlijkheden met een vlugtig
oog beschouwd, of men bragt mij de thee. Twee welgekleede bedienden
zetten dezelve op een groot en kostbaar theeblad op tafel, en het
geheele servies bestond uit het fijnste porselein, met vergulde
randen. De zaal werd verlicht door eenige waskaarsen, op twee fraaije
koperen vergulde kroonkandelaren, en tevens werd er nog een zilveren
blaker bij het theegoed gezet, om er mij, bij het naar bed gaan,
van te kunnen bedienen.
Eene lieve, aardige meid, die er smakelijk genoeg uitzag, en netjes
en zindelijk gekleed was, kwam het bed opmaken.
Ik bemerkte, dat er twee hoofdkussens waren, en vroeg haar schertsende,
voor wien het tweede bestemd was: zij antwoordde mij.... niets,
nam het mede en wenschte mij schalkachtig eene aangename nachtrust.
Niettegenstaande al deze heerlijkheid en luister, kon ik echter
niet nalaten, met eenige ongerustheid op het einde te denken. Ik
stelde mij levend voor, dat mijn vertrek uit het Keizerlijk Hof van
St. Petersburg voorzeker met veel minder aangename omstandigheden,
dan mijne aankomst, zou gepaard gaan, en daar ik wist, dat men zich
te Londen zeer gemakkelijk van gemeubeleerde kamers bij de week
of maand kan voorzien, nam ik bij mij zelven het ernstige besluit,
om mij reeds den volgenden morgen met zoeken bezig te houden.
Des vrijdags morgens nogmaals mijn kopje thee genuttigd en mij
vervolgens gekleed hebbende, besloot ik, bij mylord A... een bezoek af
te leggen, om hem te bedanken voor de aangewende moeite en den spoed,
waarmede hij mij mijn paspoort had doen toekomen. Ik begaf mij dan
ten zijnent en klopte eenmaal en zachtjes aan. Na eenen geruimen tijd
wachtens, opende een bediende de deur: ik vroeg hem zeer bescheiden,
of zijn heer zich te huis bevond, doch ik begreep zijn antwoord,
dat vrij beknopt en kort af was, niet wel, en tegelijk sloot hij mij,
tamelijk onbeleefd, de deur voor den neus.
Ik had nog eenen anderen brief bij mij voor eenen Franschman, die
reeds sinds vijf en twintig jaren te Londen gezeten was: het opschrift
luidde in de Mary-le-bone-street.
Ook had ik mij voorzien met eene kaart van de stad Londen; maar
haar ontbrak eene alphabetische tafel met aanwijzingen, hetwelk de
Parijsche kaart zoo gemakkelijk maakt, en een ieder oogenblikkelijk
de straat, welke hij zoekt, kan doen vinden. Na lang zoekens, vond
ik eindelijk deze straat; zelfs was zij niet ver van mijn logement,
en digt bij het goude plein, (of liever, om mij van de Engelsche
benaming te bedienen) Golden-Square. Ik klopte aan het huis, welks
nommer mij mijn brief opgaf.
De heer C..... was daar echter in het geheel niet bekend; ik kwam
dus op het denkbeeld, dat er in Londen misschien twee straten van
denzelfden naam konden wezen; en een hernieuwd zoeken deed mij in de
daad eene tweede straat van denzelfden naam, bij de Manchester-Square,
ontdekken.
Dan ook deze gang was nogmaals vergeefsch, even als een volgende,
welke mij in eene derde straat voerde, insgelijks van denzelfden
naam, digt bij de Portland-place, en niet, dan in eene vierde, even
zoo genoemde straat, bij de Fitz-Roy-Square, had ik het geluk, het
bedoelde nommer te vinden, en mijn avontuurlijk dolen te eindigen.
Het is zeer dienstig voor de vreemdelingen, die Londen willen
bezoeken, te weten, dat tien, twaalf, ja meer straten somtijds
denzelfden naam voeren, en dat men haar alleen onderscheid door den
naam van het naastbij gelegen plein. Indien ik gevraagd hadde naar
de Mary-le-bone-street, bij Fitz-Roy-Square, zoude ik terstond te
regt zijn geweest.
Nooit had ik den heer C.... gezien, ook mijn naam was hem onbekend,
en echter ontving hij mij met eene hartelijkheid, als of ik een
zijner oudste en beste vrienden was. Hij bood mij terstond aan,
mij bij mijne wandelingen te verzellen, en al het merkwaardige van
de stad Londen te doen zien.
"Dit zal spoedig gedaan zijn!" voegde hij er lagchende bij, ten
gelijken tijde met mij vertrekkende, om mij behulpzaam te zijn in
het zoeken naar een gemeubeleerd verblijf; en, dank zijner moeite en
vriendelijkheid! eindelijk vonden wij ook in Portland-street eene
lieve, kleine en zeer zindelijk gemeubeleerde woning, voor eene
guinie in de week, bestaande uit eene slaapkamer en een zaaltje,
welke ik reeds den volgenden morgen zou betrekken.
Ik had mijnen nieuwen vriend de onheusche bejegening en slechte
ontvangst aan de deur van mylord A... medegedeeld. "Dat is
onbegrijpelijk!" zeide hij, "ik ken hem niet; maar men houdt hem in
het algemeen voor een zeer beleefd man, en gevolgelijk moesten zijne
bedienden ook geene lomperds zijn: komaan, laat ons zamen het bezoek
eens hervatten."
Bij mylord A... gekomen, klopte hij met herhaalde slagen met zulk
een geweld op de deur, als of hij dezelve wilde doen springen.
"Waar denkt gij aan, mijn vriend?" zeide ik. "Waarom zoo vreesselijk
hard te kloppen?"
--"En hoe hebt gij dan geklopt?"
--"Slechts eenmaal, en wel zeer zachtjes."
--"Ha, ha! nu begrijp ik het!" zeide hij, en op hetzelfde oogenblik
opende de knecht, dien ik te voren reeds gezien had, met de grootste
haast de deur, en bragt ons zeer vriendelijk in eene kleine kamer in
den gang, welke bij de Engelschen het spreekvertrek wordt genoemd,
en waar hij ons, op de beleefdste wijze der wereld, te kennen gaf,
dat zijn meester zich sinds twee maanden buiten bevond, en niet
voor het einde van Januarij in de stad zou komen. Het bleek dus
duidelijk, dat hij geen den minsten stap tot eenen pas, ten mijnen
behoeve, had kunnen aanwenden. Zijn naam-alleen heeft zonder twijfel
denzelfden invloed op de kommiezen van het alien-office gehad, als
het il Bondocani, in den Calif van Bagdad: de reden daarvan was mij
onbekend, ook zocht ik geenszins dezelve uit te vorschen.
Bij het uitgaan betuigde ik mijnen vriend C... mijne verwondering
over het verschillend onthaal van den knecht, met dat, hetwelk mij,
een weinig vroeger, te beurt was gevallen.
"Uwe onkunde van de Engelsche manieren," zeide hij, "is er de
oorzaak van. Hadt gij, even als ik, aangeklopt, dan zou men u ook op
dezelfde wijze ontvangen hebben. De trap van achting, den aankomenden
verschuldigd, meet zich hier af naar de wijze, op welke hij de deur
behandelt. Een bediende, een boodschapper, een werkman, in één woord,
ieder ondergeschikt wezen klopt slechts eenmaal aan. Wordt er tweemaal
geklopt, dan beteekent het, dat er de brievenbestelder is. Eindelijk,
hoe harder en vaker men klopt, voor des te gewigtiger en aanzienlijker
wordt het bezoek gehouden.
--"Inderdaad, dit is grappig genoeg! doch ik zal deze les wel in het
geheugen prenten, en ongelukkig de deuren, die onder mijne handen
vallen, zoo zij niet hecht en sterk zijn!--Maar welk een zonderling
begrip van mylord A...., het ongunstigste jaargetijde buiten door
te brengen!"
--"Ook al de mode van dit land! Zelden gaat men vroeger naar buiten,
dan in het begin van September, en men komt niet voor het laatste van
Januarij terug. Niemand der grooten is thans in de stad. Lieden van
smaak zouden er zich, zonder blozen, niet durven vertoonen, en zij,
die zelve geen buitengoed bezitten, noch vrienden, waar zij kunnen
logeeren, hebben, houden zich met de grootste omzigtigheid schuil, om
niet gezien te worden, of te doen vermoeden, dat zij in de stad zijn."
--"Ziedaar waarlijk nog eene zeldzaamheid! Maar waarom toch maakt
men van het schoone saizoen geen gebruik, om op het land te wonen?"
--"Waarom, waarom? Gij zijt een Franschman, en vraagt mij de reden,
daar ik u reeds gezegd heb, dat het de mode is! Zouden in Parijs uwe
saletjonkers en de zoo genaamde elegante vrouwen niet de koddigste
en belagchelijkste kapsels dragen; indien de mode het slechts
voorschreef? Bovendien is dit gebruik geenszins zonder eenigen grond
aangenomen. Vooreerst zijn de Engelschen algemeen hartstogtelijke
liefhebbers van de jagt, die in September eerst geopend wordt. Ten
tweede duren de zittingen van het Parlement dikwijls tot in de
maand Augustus; lieden van eenige beteekenis kunnen de hoofdstad
niet wel voor derzelver sluiting verlaten, en dezen geven, zoo hier
als elders, den toon aan het algemeen. Ten derde eindelijk wordt
het verjaringsfeest der koningin, den achttienden Januarij gevierd:
op dit tijdstip moet men ten hove verschijnen, en hierdoor wordt
voornamelijk de terugkomst bepaald."
--"Jammer, dat gij geen advokaat zijt! Het is onmogelijk, eene kwade
zaak beter te bepleiten."
--"Dat daar gelaten! welke plannen hebt gij voor heden? Wilt gij
mijn gast zijn en kennis maken met den kok, bij wien ik gewoonlijk
ga eten? Ik ben ongetrouwd en eet nooit ten mijnent."
--"Hartelijk dank! Ik heb in het Keizerlijk Hof van St. Petersburg mijn
middagmaal besteld, en wil dus, bij mijnen eersten intogt in Londen,
den heeren Engelschen geene stof geven, om de Fransche ligtzinnigheid
te gispen; maar morgen, zoo gij tevreden zijt, ben ik tot uwen dienst,
en dan zijn wij onscheidbaar."
--"Van harte!--Morgen is het voor u verhuisdag, en dat vordert eenigen
tijd. Ik ben dus te elf ure bij u, en dan zullen wij onze wandeling
hervatten."
--"Derhalve tot morgen!"
--"Zonder vaarwel!"