NOG AL TE DOUVRES.

"Mijnheer Pot-de-Vin," zeide ik, den anderen morgen, zoo haast als

ik beneden kwam.--

Gij moet weten, geëerde lezer! dat mijnheer Pot-de-Vin meester

van den huize in het logement is, waar de postwagen van Douvres op

Londen afrijdt. Hij is een Franschman van geboorte, doch reeds sinds

vele jaren in deze stad gevestigd, en overigens in doen en laten een

volmaakte Engelschman, zoo dat men in houding en manieren, ja zelfs

in het stroeve, ernstige voorkomen tusschen hem en eenen inboorling

bijna geen onderscheid kan ontdekken.

"Mijnheer Pot-de-Vin," zeide ik dan tegen hem, "ik verzoek u,

mij een vrije kamer te geven, en vooral eene tafel; ik wenschte

naar welgevallen te kunnen lezen en schrijven, en bovenal niet van

zelfverveling te sterven gedurende den tijd, dat het alien-office mij

veroordeelt te Douvres zijne nadere bevelen af te wachten. Indien u

dit dus niet mogelijk is, zal ik verpligt zijn, elders mijnen intrek

te nemen."

--"Ik heb slechts één vertrek te missen," zeide hij; "heb de goedheid,

eens te zien, of het u bevalt."

Een kleine, ongemakkelijke trap, veel gelijkheid hebbende met eenen

molenladder, en in de keuken opgaande, bragt ons op den zolder en

vervolgens in de zoo genaamde kamer, welke geen ander licht ontving,

dan door eene enkele ruit, uitgehouwen in den muur. Ook hier was geen

ander dan het reeds bekende huisraad, te weten een bed, een stoel en

een nachtspiegel, welk laatste meubel ik den vorigen avond gevreesd had

vergeten te zijn. Toen men mij eindelijk, op mijn dringend verzoek,

eene tafel had doen bezorgen, kon ik niet dan uiterst voorzigtig en

met alle behoedzaamheid op mijne kamer komen, dewijl men er door de

volte zich naauwelijks kon omkeeren. Ik bevond er mij echter beter

naar mijnen zin, dan op de slaapzaal van den vorigen avond, en de

heer Pot-de-Vin beloofde mij, dat ik er, gedurende mijn verblijf,

alleen bezitter van zou blijven.

In afwachting van het ontbijt schreef ik aan mylord A...., en zond

hem den aanbevelingsbrief, mij voor zijne lordschap ter hand gesteld,

hem verzoekende, zich voor mij bij het alien-office te vervoegen, ten

einde mij eenen pas, om mijne reize voort te zetten, te doen bezorgen.

Beneden komende werd ik op eene zeer aangename wijze aan de

ontbijttafel verrast. Ik vond hier drie mijner landslieden en eene

dame, welke insgelijks hunne paspoorten, ter vervolging hunner reize

naar Londen, afwachten; en ik vernam tevens van hen, niet zonder

bezorgdheid voor mij zelven, dat zij zich reeds sinds acht dagen te

Douvres bevonden, en tot dusverre nog geene de minste tijding van

wege het alien-office bekomen hadden.

Indien ik mij te midden der onbeschaafdste en woestste horden van

Hottentotten, in de brandendste zandwoestijnen van Lybië, of op de

Groenlandsche ijsvelden verdwaald had gevonden, zouden mijne ooren

nimmer met grooter vermaak de Fransche uitspraak hebben opgevangen,

dan in dit oogenblik, toen ik deze mijne landgenooten in het prachtige

logement van mijnheer Pot-de-Vin mogt aantreffen. Welhaast hadden

wij kennis gemaakt; want het Fransche karakter heeft hiertoe juist

niet veel tijd noodig, vooral in een vreemd land. Ook scheidden wij

niet van elkander, zoo lang ik te Douvres bleef, en hun gezelschap

verminderde merkelijk mijne verveling, welke mijn gedwongen oponthoud

aldaar mij veroorzaakte.

"Mogt ik eenmaal Minister van buitenlandsche zaken in Frankrijk

worden," zeide een van hen; "ik verzeker u, ik zou de wet der

wedervergelding uitoefenen en de Engelschen met gelijke munt

betalen. Geen hunner zou eenen voet verder dan Parijs mogen zetten,

zonder eenen behoorlijken borgtogt van een gegoed en geloofwaardig

Franschman, aldaar woonachtig."

"Dat zou toch een weinigje hard zijn! hernam ik; want tegen eenen

Franschman, die in Engeland komt, komen wel twintig Engelschen in

Frankrijk: naar deze berekening zoudt gij dus twintig slagtoffers

voor één maken."

--"Zoudt gij dan niet gelooven, dat het meer dan tijd is, dit

stroeve, ongastvrije volk te doen gevoelen, dat de Franschen hunne

eigene waarde weten te schatten, dat zij de pligten van beleefd- en

welvoegelijkheid, aan vreemde natien verschuldigd, weten te berekenen

naar die, welke hun aldaar wederkeerig bewezen worden? Ik voor mij

wenschte, dat ieder Engelschman, die in eene onzer havens aanlandde,

aldaar quarantaine moest houden, even gelijk de koopmansgoederen,

welke uit de Levant komen."

--"Het is wel te zien, dat gij u te Douvres verveelt. Pas maar op,

dat de spleen u niet te na kome."

--"Maar meent gij dan, dat men zich koelbloedig acht dagen lang in

deze satansche stad kan zien ophouden, als men bij zich zelven nagaat,

dat de Engelschen, die in Frankrijk komen, geen het minste beletsel

ondervinden, dat zij meer voorregt genieten dan de inboorlingen

zelve, en eindelijk, dat ieder zich beijvert, dit zwartgallige

menschengeslacht van dienst te zijn. En zou men dit alles zoo maar

stilzwijgende moeten verduwen? Wat hebben zij bij ons te maken? De

een komt er uit eene razende modezucht; wijl het tot de vereischten

van eenen welopgevoeden Engelschman schijnt te behooren, dat hij een

reisje naar het vaste land gedaan heeft. Een ander komt er uit hoofde

van bezuiniging; want zich eene maitres uit eene der actrices van de

Opera of van de Boulevards naar welgevallen verkiezende, en overal,

zoo in koffijhuizen als in logementen, in een woord, op alle plaatsen,

waar slechts vermaak en pleizier te scheppen is, den gebraden haan

spelende, verteren zij nog niet de helft der sommen, welke zij in

hun waard en dierbaar vaderland, als het ware, te grabbel smijten,

om onder de zelfverveling en den spleen te verkwijnen. Sommigen

hunner geven, zoodra zij in hun voortreffelijk land zijn teruggekeerd,

allerlei ellendige blaauwboekjes in het licht, onder den naam van: Een

Toertje naar Parijs.--Eene Reize door Frankrijk, of iets dergelijks,

en trachten, dusdoende, ten koste der waarheid, een volk belagchelijk

te maken, welks eenigste misdaad is, deze Engelsche snoeshanen al te

beleefd en te vriendelijk behandeld te hebben. Zie dit werkje slechts

eens in, hetwelk ik hier gekocht heb, met oogmerk, om mij den tijd

te verdrijven. Sla slechts op, welk blad gij wilt, het eerste, dat

u maar voorkomt; en ik ben zeker, gij zult er logen, lastertaal of

zoutelooze spotternij vinden."

Hier gaf mijn landsman mij het boekje in handen; de titel was: Bezoek

aan Parijs in 1814, of onderzoek naar den zedelijken, staatkundigen,

geleerden en gezelligen toestand van de hoofdstad der Franschen, door

John Scott, uitgever van den Kampvechter, een staat- en letterkundig

dagblad.

"Quid dignum tanto feret hic promissor hiatu?"

"De titel belooft wonderen!"

zeide ik bij mij zelven, het boekje gedachtenloos openende, toen mijn

oog op de volgende regels viel, welke ik ook letterlijk vertaalde.

"De huwelijksche staat geeft in Frankrijk der vrouw eenen zekeren

kunstmatigen invloed en vermogen. Dezelve verheft haar ver boven al

hetgene haar geslacht immer zou kunnen wenschen of verwachten; maar

het is ook ten koste dezer hartelijke overeenstemming, dezer teedere

en belanglooze liefde, welke het uitsluitend en onderscheidend bewijs

eener verbindtenis opleveren, op vastere en meer verstandige gronden

gesloten, dan de zoo even bedoelde.

"Wel is waar, de Fransche vrouw schijnt een aantal voorregten te

genieten, welke, in den eersten opslag, aanlokkende en behagelijk

voorkomen, maar die eindelijk uitloopen met haar eene levenswijze

te doen houden, welke haar door het gevoel van hetgene, wat zij

zelve aan hare sekse verschuldigd is, hatelijk zou moeten worden,

indien de mannen slechts de kunst bezaten, haar deze gewaarwordingen

in te boezemen, en haar voor vermaken en genoegens vatbaar te maken,

welke haar geenszins onverschillig zouden zijn, zoo zij hare eigene

waarde gevoelde.

"Het zoo genaamde boudoir, bidkamertje der Fransche vrouwen, is

uitsluitend de zetel en hoofdplaats van haar gebied, en als het ware

een eigendom, dat haar-alleen behoort, in één woord, een tempel gewijd

aan de weelde en de stilzwijgendheid. Tot dit verblijf durft zelfs

de echtgenoot niet doordringen: ja, al wist hij ook, dat zijne vrouw

zich in dit heiligdom met haren minnaar had opgesloten, zou hij het

geenszins durven wagen, deze vrijplaats door zijne verschijning te

ontheiligen. Wel te verstaan, dat ik hier de lieden van den goeden

smaak bedoel. Een getrouwd man, die zich anders gedroeg, zou overal

voor eenen lomperd uitgekreten, en het algemeene doel der verachting en

bijtendste spotternij van beide de seksen worden. Het boudoir is dan,

zoo als ik reeds heb opgemerkt, het prachtigste en sierlijkste vertrek

in het geheele huis. De kinderkamer is bij aanzienlijke lieden in den

afgelegensten hoek van de woning aan te treffen; daar het boudoir

der moeder integendeel prijkt met de heerlijkste standbeelden,

de voortreffelijkste schilderijen, de welriekendste bloemen, en de

zachtste, tot wellust noodigende sopha's. In één woord, het boudoir

der Fransche vrouwen is een verblijf, waar Venus zelve met genoegen

zou kunnen verblijven, en dat bijzonder schijnt ingerigt, om de ziel te

openen voor gewaarwordingen, welke deze Godin inblaast en begunstigt."

"Zie daar reeds meer dan te veel," zeide ik, en smeet het paskwil op

de tafel. Ik geloof zeker, dat de oordeelkundige mijnheer Scott niet

veel verder, dan in de Parijsche antichambres is geweest, en in zijne

verbeelding onze zalen en boudoirs versierd en gebouwd heeft, even als

een Spanjaard kasteelen in de lucht bouwt, of zoo als de Abbé Vertot

ons het verhaal van het beleg van Rhodes heeft opgedischt. Intusschen

zal mijnheer Scott met al zijne sprookjes mij niet doen vergeten,

dat het tijd wordt, om mijne goederen van het tolkantoor te halen.

Mijn koffer en reiszak werden geheel en al uitgehaald, en alles

werd, stukje voor stukje, ten uiterste naauwkeurig gevisiteerd en

nagezien. Ik had eenige paren, nog weinig gedragene, zijden koussen en

eenige bijna nieuwe: de komiezen waren op het punt, deze voor goeden

prijs te verklaren; doch, daar ik hun aantoonde, dat zij reeds ten

gebruik gediend hadden, ging er dit nog, hoewel niet zonder moeite,

door: maar nu kwamen er vier ponden versterkende chocolade aan de

beurt, welke ik uit Parijs had medegenomen. Hierover maakten de heeren

tolbedienden een geweldig geschreeuw, en alles, wat ik ook mogt zeggen,

om dezelve te lossen, was vergeefs. Ik bood hun aan, den impost en

zelfs de volle waarde van de chocolade te betalen; ik voegde er zelfs,

op eenen eenigzins steekeligen toon bij, dat deze chocolade tot mijn

bijzonder gebruik vervaardigd, en uit sommige ingredienten zamengesteld

was, welke voor ieder ander schadelijk zouden kunnen zijn; maar ook

deze kleine noodlogen baatte mij niets; men behield de chocolade,

doch beloofde, mij dezelve, bij mijne terugreize naar Frankrijk,

weder ter hand te zullen stellen. Nu vroeg ik een klein schriftelijk

bewijs, en het antwoord was: wij zijn niet gewoon, dit te geven.

Om op dit onderwerp niet weer terug te komen, zal ik hier, in het

voorbijgaan, aanstippen, dat ik meer uit nieuwsgierigheid, dan

om eenige andere reden, mijne chocolade, bij mijne doorreize naar

Frankrijk, te Douvres aan het tolkantoor terug vroeg: doch men kon ze

onmogelijk vinden. Zeker had dezelve geene onsmakelijke afwisseling met

de thee gemaakt, welke de heeren kommiezen, even als andere Engelschen,

meestal des morgens in eene ruime mate gebruiken, en de vrees, welke ik

hun had trachten in te boezemen, wegens de voorgewende zamenstelling

dezer versterkende chocolade, had dezelve niet kunnen beschermen: ik

vond mij dus, ten profijte der magen van de Engelsche tolbedienden,

verstoken van eenen lekkeren en aangenamen drank, dien ik mij zelven

had toegedacht. Deze trek is zeer geschikt tot een bijvoegsel van de

geschiedenis der Engelsche tolkantoren.

Den maandag en dingsdag bragt ik door in het bezigtigen van Douvres

en den omtrek buiten de stad. Ik zou hier voegelijk eene beschrijving

kunnen geven van de haven, van de straten, van de met allerlei kleuren

beschilderde huizen, welke veel overeenkomst met een Arlequinspak

hebben, van de vlakten, heuvels, weilanden en velden, welke de stad

omgeven, als ook van eenen beek, die zich op eenen kleinen afstand

rondom de muren kronkelt; maar het schilderen is nimmer mijne zaak

geweest, en bijaldien de een of ander mijner geachte lezers in dit

werkje eene schets van schilderachtige gehuchten, wegslepende gezigten,

of romantische beschrijvingen denkt aan te treffen, kan hij gerust,

zonder verdere moeite aan te wenden, het boekske ter zijde leggen.

Woensdag morgen kwam de heer Pot-de-Vin mij, met eene zegepralende

houding, berigten, dat de pas uit Londen was aangekomen. Ik zeg hier

uitdrukkelijk met eene zegenpralende houding; want met welk een

genoegen hij ook de reizigers tot zijnent ziet inkeeren, met geen

minder vermaak, ziet hij dezelve weder vertrekken. Dit zal menigeen

eenigzins vreemd toeschijnen; dan het zal voldoende zijn, te doen

opmerken, dat mijnheer Pot-de-vin bij uitstek juist zijne berekening

weet te maken. Zijn huis is zeer klein, en heeft hij werkelijk het

plan, van woning te veranderen, om zich voortaan de onaangename

gewaarwording te besparen, van aan arme reizigers de herbergzaamheid

te moeten ontzeggen. Ook weet hij door eene langdurige ondervinding,

dat men voor éénen dag minder acht slaat op de vertering in eene

herberg, dan wanneer men er, tegen wil en dank, eene geheele week,

en soms nog langer, moet vertoeven.

Ik kon reeds dienzelfden avond vertrekken, maar, bij verkiezing,

geen liefhebber van het nachtreizen zijnde, besloot ik, tot donderdag

morgen te wachten.

Eindelijk verscheen die lang gewenschte morgen, en zie daar al weder

nieuwe zwarigheid! De postwagen was geheel vol, derhalve deed men mij

het vriendelijke voorstelletje, in den pakkorf boven op den postwagen,

bij het aldaar reeds plaats genomen hebbende gezelschap, dat zelden het

aanzienlijkste gedeelte der reizigers uitmaakt, mijn verblijf te nemen,

hetgeen mij tevens het voordeel zou verschaffen, van de frissche opene

lucht en een ruim, vrij gezigt te genieten. Daar de plaatsen op deze

hoogste en ongedekte verdieping, slechts half geld zijn, wilde men mij

ook edelmoedig de helft van de reeds vooruit betaalde penningen terug

geven. Dan ik weigerde volstandig, in eenige onderhandeling te treden,

en drong er op aan, om mijne bestelde en reeds voluit betaalde plaats

te bezitten; en hier moet ik, tot lof van de naauwgezetheid, waarmede

de Engelschen hunne aangegane verbindtenissen vervullen, ronduit

bekennen, dat er voor mij-alleen terstond een tweede postwagen werd

aangelegd. Wel is waar, dat dezelve onder weegs aldra voltallig werd;

doch of de postmeester dit al of niet vooruit hebbe kunnen gissen,

hierover wil ik mij liefst niet inlaten.

Ik nam dus een hartelijk afscheid van mijne drie landslieden en van

de dame, welke ik te Douvres had aangetroffen, in de hoop van hen

spoedig te Londen te zullen ontmoeten; doch drie dagen later ontving

ik eenen brief, waarin zij mij berigtten, dat zij ongetroost naar

Frankrijk terug moesten keeren; wijl zij op geenerlei wijze eenen

pas van het alien-office hadden kunnen bekomen.

Het is waar, zij hadden te Londen geene andere kennissen dan

Franschen, die zich zeker reeds meer dan twintig of dertig jaren

aldaar met der woon gevestigd hadden en grooten handel dreven, maar

welker getuigenissen niet konden opwegen tegen den borgtogt van één'

eenigen koopman in aardappelen of zwavelstokken, in Engeland geboren,

en eigenaar van het een of ander vervallen hutje in eene der voorsteden

van Londen, hetwelk te Parijs, bij verkoop, geen vijftig Louis d'or

zou opgebragt hebben.

Vijftien dagen te Londen, op het einde van 1815. · 第 9 / 70 题