Quinze jours [1] a Londres a la fin de 1815, verscheen, voor
eenige weinige maanden, te Parijs in het licht, en werd daar met
graagte ontvangen. De vrolijke schrijftrant van den auteur en
het, hier en daar ingevlochten, piquante, met opzigt tot eenige,
voor den Franschman zeker zonderlinge, gewoonten en gebruiken der
Engelschen, heeft, buiten kijf, tot die grage ontvangst niet weinig
bijgedragen. Onze natie, die in vele dezer gewoonten en gebruiken
(niet alle, het boksen vooral niet!) de hare, met eenige meerdere of
mindere afwijkingen en nuances, vindt en herkent, zal er juist zoo
vreemd niet van opzien, als een Parijzenaar, die in zijne Capitale
du monde het non plus ultra van alle menschelijke beschaafdheid en
gezellige genoegens meent te bezitten. Veel zou er dus, bij wijze van
aanteekeningen onder of achter den tekst, tegen vele, vrij gewaagde,
stellingen en verkeerde opvattingen van onzen Schrijver, te zeggen
en ook te bewijzen zijn geweest; doch de Vertaler heeft, daar hij
dit werkje voor niets meer, dan voor eene vrolijke lectuur in ledige
oogenblikken opdischt, en het ook met geen oogmerk schijnt geschreven
te zijn, om een zedekundig tafereel van Londens inwoners te leveren;
zich van iedere aanmerking onthouden; terwijl hij geenszins twijfelt,
of het zal, zoo als het daar is, zijnen landgenooten, bij de lezing,
een vrolijk uurtje verschaffen. De vertaling althans is voor hem eene
aangename bezigheid geweest.
Voor eenige, zijns ondanks, ingeslopene drukfeilen (zinstorende
zullen er, vertrouwt hij, niet in aangetroffen worden) verzoekt hij
nederig verschooning van hen, die het: wij zijn menschen, en ons
werk is menschenwerk! niet altijd gedenken: zij, die daaraan steeds
gedachtig zijn, vergeven ze hem en den letterzetter gereedelijk.