LANS. Nu, heer, ik ga op niets los; ik bid u,--

PROTEUS. Stil, knaap, houd op!--Vriend Valentijn, een woord!

VALENTIJN. Mijn oor is vol; 't is doof voor goede tijding;

Zoo is 't van booze tijding reeds vervuld.

PROTEUS. 'k Begraaf in somber zwijgen dan de mijne,

Want ze is wanluidend, ruw en slecht; 'k zeg niets.

VALENTIJN. Is Silvia dood?

PROTEUS. Niets, Valentijn.

VALENTIJN. Niets-Valentijn, dit ben ik, is zij engel.--

Heeft Silvia mij verzaakt?

PROTEUS. Niets, Valentijn.

VALENTIJN. Niets-Valentijn, dat ware ik, als zij 't deed.

Spreek dan, uw nieuws?

LANS. Er is omgeroepen, heer, dat gij geballast zijt.

PROTEUS. Gebannen zijt,--ja, ja, dat is het nieuws,--

Van hier, van Silvia, en van mij, uw vriend.

VALENTIJN. O, deze smart heb ik alreeds geproefd,

En nu zal de overdaad mij overladen.

Weet Silvia reeds, dat ik verbannen ben?

PROTEUS. Ach ja; en haar ontstroomde bij het vonnis,--

Dat, blijft het onherroepen, scherp u dreigt,--

Een zee van vloeib're parels, held're tranen;

Die stortte ze aan haars vaders wreede voeten;

Zelf zeeg ze in deemoed knielend voor hem neer,

En wrong de handen, ach, zoo marmerwit,

Als waren zij door 't plotsling wee verbleekt,

Maar zuchten, steunen, zilv'ren tranenvloed,

Gebogen knieën, kuisch geheven armen,

Niets, niets verweekt des harden vaders hart;

Neen, grijpt men Valentijn, dan moet hij sterven.

En dan, haar voorspraak heeft hem zoo vergramd,

Toen ze om herroeping van het vonnis smeekte,

Dat hij beval, zeer nauw haar op te sluiten,

Met scherpe dreiging, zoo ze ontsnapping waagt.

VALENTIJN. Niets meer, tenzij het eerste, dat gij spreekt,

De macht bezitte 't leven mij te ontnemen;

Zoo ja, dan bid ik, blaas het mij in 't oor,

Als graflied, dat mijn eindloos wee doet einden.

PROTEUS. Klaag niet om wat gij niet verhelpen kunt; 241

Poog te verhelpen wat u klagen doet.

De tijd verwekt en voedstert al wat goed is.

Al blijft gij hier, uw liefste ziet gij niet;

En ook, uw blijven snijdt uw leven af.

Eens minnaars staf is Hopen; neem dien met u,

En zwaai hem, zoo de Wanhoop u besluipt.

Hoe ver ge ook zijt, door brieven kunt gij hier zijn;

Zend die aan mij, dan zorg ik, dat zij rusten

Bij uw geliefde en aan haar blanken boezem.

't Is nu geen tijd tot smalen op het lot;

Kom, ik geleid u door de poort der stad,

En spreek voor 't scheiden alles met u af,

Wat ik voor uwe liefde hier kan doen.

Denk, zoo niet om uzelf, om Silvia's wil,

Aan 't fel gevaar, dat dreigt, en laat ons gaan!

VALENTIJN. Ik bid u, Lans, ziet gij mijn dienaar, zeg hem,

Ten spoedigste aan de Noorderpoort te komen.

PROTEUS. Ga, knaap, en zoek hem op.--

Kom, Valentijn.

VALENTIJN. Ach, dierb're Silvia! arme Valentijn!

(Valentijn en Proteus af.)

LANS. Ik ben slechts een domme kerel, ziet gij, maar ik heb toch

het verstand om te merken, dat mijn meester een soort van schurk is;

maar dat doet er niet toe, als hij maar geen dubbele schurk is. Die

man moet nog geboren worden, die weet, dat ik verliefd ben; en toch,

ik ben verliefd; maar geen span paarden zal mij dit uit mijn gemoed

rukken, en ook niet, op wie ik verliefd ben; en toch, het is een vrouw;

maar wat voor een vrouw, wil ik mijzelf niet eens vertellen; en toch,

het is een melkmeisje; en toch, het is geen meisje, want ze heeft

al peten aan het werk gezet; en toch is het een meisje, want zij is

het melkmeisje van haar meester en zij dient om loon. Zij verstaat

meer kunststukjes dan een hond, die te water gaat, en dat is veel

voor een eenvoudig christenmensch. Hier is de invidiaris van haar

eigenschappen. (Hij haalt een papier voor den dag.) "Imprimis,

Zij kan halen en dragen." Wel, een paard kan niet meer doen; neen,

een paard gaat niet halen, het draagt alleen; daarom is zij beter

dan een knol. "Item, Zij kan melken," ziet eens, een beminnelijke

deugd in een meisje, dat schoone handen heeft.

(Flink komt op.)

FLINK. Zoo hoe gaat het, sinjeur Lans? Is er van uw heerschap ook

wat nieuws te hooren?

LANS. Wel, mijn heerschap is met uw heerschap aan het rondzwalken.

282

FLINK. Och, uw oude kwaal, woordverdraaiing! Zeg, is er geen nieuws

in dat papier daar van u?

LANS. Het zwartste nieuws, dat ge ooit gehoord hebt.

FLINK. Hoe zoo, kerel? zoo erg zwart?

LANS. Wel, zoo zwart als inkt.

FLINK. Laat het mij eens lezen.

LANS. Foei, schaam u, botterik, gij kunt niet eens lezen.

FLINK. Gelogen; of ik het kan!

LANS. Ik wil u toetsen. Vertel mij dus: wie heeft u bij uw moeder

verwekt?

FLINK. Wel, de zoon van mijn grootvader.

LANS. O ongeletterde dagdief! het was de zoon van uw grootmoeder. Dat

is een bewijs, dat gij niet lezen kunt.

FLINK. Kom, dwaas, komaan; toets mij met uw papier.

LANS. Daar, en toon door Sint-Nicolaas u flink!

Twee Edellieden van Verona · 第 33 / 77 题