BIJ MOEDER LA FLEUR.

Het was een vieze en slordige woning, die moeder La Fleur in een

donker, afgelegen steegje in de nabijheid van de haven bewoonde.

Alleen matrozen en de laagste bedienden der hotels kwamen bij haar om

tot in den morgen allerlei ongeoorloofde dubbelspelen te doen.

Madame La Fleur, een oude, afgedankte, vroegere demi-mondaine, zat in

een versleten lila zijden japon, een laatste souvenir aan haar

Parijsche glansperiode, achter het met flesschen gevulde buffet en

maakte voor haar gasten de dranken gereed.

Zij was walgelijk vet en het kostte haar moeite om zich te bewegen.

Haar gerimpeld, verflenst gelaat vertoonde een beminnelijk lachje, toen

Betsy binnenkwam.

Zij kenden elkaar goed, nog uit de Parijsche dagen, toen Betsy geruimen

tijd bij Madame La Fleur had gewoond.

„Bonsoir, bonsoir, kleintje!” riep zij, toen Betsy naar het buffet

toekwam, „lief, dat je je weer eens laat zien. Hoe kom je zoo uit de

lucht gevallen?”

„Ik moet u dadelijk spreken, moeder”, antwoordde het jonge meisje, „er

is haast bij hetgeen ik u heb te vertellen.”

Met moeite stond Madame La Fleur op en ging naar een met rood fluweelen

gordijnen bekleede deur naast het buffet, die toegang gaf tot de

chambres séparées.

Betsy volgde haar en weldra bevonden zij zich in een boudoir, dat met

allerlei goedkoope luxe-artikelen was gevuld. Madame La Fleur nam

plaats op de rood-bekleede sofa en koelde haar verhit gelaat af.

„Dus kleintje, je hebt gewichtige mededeelingen?” begon zij en noodigde

Betsy met een handbeweging uit om plaats te nemen.

Betsy nam in een verguld stoeltje plaats en sprak:

„Een gekke geschiedenis, moeder. Ik ben op de jacht naar Raffles.”

Madame La Fleur hield haar hand voor de ooren alsof ze slecht verstond.

„Naar wien?”

„Naar Raffles!”

De grootste verbazing stond op het gelaat der oude koppelaarster te

lezen.

„Raffles? Maar wat heb je met dien man te maken. Je bent toch geen

speurhond van de politie?”

Betsy stampte met haar rechtervoet op den grond.

„Zie ik er zóó uit? Ik ben blij, als ik niets met de politie te maken

heb. De duivel moge haar en Raffles halen.”

Betsy’s oogen fonkelden van woede, toen zij er aan dacht, hoe zij

nauwelijks ontkomen was.

„Ik had iets met hem voor en hij leverde mij over aan de politie.”

„Waar?”

„Hier in Oostende, een uur geleden, in hotel Continental, waar ik met

mijn vriend Charly—ge kent hem, in Parijs heet hij: de val—.”

Madame La Fleur knikte.

„Ik herinner mij. Maar wat doet gij in hotel Continental?”

„Wij zijn daar in betrekking.”

„Aha”, lachte madame La Fleur, „gij behoort tot de bende der

diamant-liefhebbers en plundert de gasten in de internationale hotels.”

„Ik zie, dat ge op de hoogte zijt, moeder. Vanavond arriveerde in het

hotel een kamerheer van den koning van Servië.”

„Prachtig!” riep madame La Fleur uit, „sinds wanneer heeft de koning

van Servië zooveel geld om zich de weelde van een kamerheer te kunnen

veroorloven?”

„Nonsens”, antwoordde Betsy, „het is geen kamerheer, maar ik herkende

direct Raffles in hem.”

„Duivels! Hij is dus hier?”

„Ja!”

„En hij maakt het jelui moeilijk, nietwaar?”

„Hij hindert ons en wilde, zooals ik u vertelde, mij in hechtenis laten

nemen.

„En thans heb ik uw hulp noodig, moeder. Die man heeft geld. Meer geld

dan iemand anders. Gij kunt meedoen in deze zaak. Bezorg mij een paar

flinke jongens, die den duivel in het lijf hebben en voor niets

terugdeinzen, en dat nog hedennacht. Want morgen is de vogel gevlogen.”

„Wil je Raffles overvallen?”

„Dat wil ik, en hem voor eeuwig stom maken. Ik haat hem als de pest.”

Madame La Fleur dacht eenige seconden na. Toen sprak zij:

„Het treft best. Ik houd op het oogenblik in mijn huis verborgen twee

veroordeelden, die uit Fransch Guyana zijn gevlucht en die op eene

gelegenheid wachten, welke hun zóóveel geld opbrengt, dat zij naar

New-York kunnen overvaren. Die twee zullen voor deze zaak zeer geschikt

zijn. Ik zal hen roepen.”

Zij drukte op den knop van een geheime electrische geleiding en eenige

oogenblikken later trad een jong meisje, dat zeer opvallend was gekleed

en op brutale wijze geschminkt, de kamer binnen.

„Dat is Babette”, sprak madame La Fleur tot Betsy, en beiden gaven

elkaar een hand met het vertrouwelijke glimlachje der demi-mondaines.

„Wat moet ik doen, moeder?” vroeg het meisje.

„Roep Filou en Bouton hier.”

Het meisje ging heen.

„Het zijn jongens van goede Parijsche families”, vertelde Madame La

Fleur, „zij hadden te veel geld voor hun vriendinnen noodig en om dat

te krijgen, haalden zij de domheid uit, een gierigen woekeraar, een

zekeren Monsieur Piquard, een paar jaar te vroeg naar den duivel te

helpen. Daarvoor kregen zij twintig jaar dwangarbeid.”

De deur ging open en twee jonge, sterk gebouwde mannen kwamen met een

sigaret in den mond binnen.

Betsy bekeek met welgevallen de knappe, frissche gezichten met de

goedverzorgde knevels en schitterende oogen.

„Er is werk voor jelui!” riep Madame La Fleur. „Gij kunt vannacht rijk

worden. Hebt gij er lust in?”

Beiden lachten en Bouton, de oudste, antwoordde:

„Wij hebben een best leven bij u, moeder, maar als men wekenlang geen

frissche lucht inademt, verlangt men naar de kolonie terug.”

„Morgenochtend kunt gij op weg naar New-York zijn en zooveel frissche

lucht happen als gij maar wilt. Het komt er maar op aan, of gij u als

mannen weet te gedragen en dat doet, wat deze kleine u zal vertellen.”

„Ik wil alles doen om weg te komen”, sprak Bouton, „en mijn vriend

eveneens. Moet er iemand om zeep werden gebracht, of is dat niet

noodig?”

„Gij zult toch zeker niet terugdeinzen voor een flinken messteek?”

hoonde Betsy, „of zijt gij zulk werk niet gewend?”

Bouton lachte.

„Wij zijn daar nu niet meer bang voor. Wij zijn tot je dienst,

kleintje!”

„Bon. Maakt u dan gereed en volgt mij.”

„Mag ik vragen, waarheen?”

„Naar Hotel Continental”, antwoordde Betsy, „een vriend van mij wacht

ons daar. Alles is voorbereid. Over een uur kunnen wij terug zijn en de

winst hier deelen.”

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

John Raffles lag rustig te slapen.

De reis had hem vermoeid gemaakt en onbezorgd, alsof hij zich in zijn

„vossehol” bevond, had hij zich ter ruste begeven.

Hij geloofde niet aan overrompeling, nu zwarte Betsy was gevlucht.

Door een matblauwen balon viel een zacht licht op zijn legerstede en

vertoonde aan de blikken der onhoorbaar binnentredende Fransche boeven

den rustig sluimerenden Raffles.

Betsy had hun niet verteld, tot wien zij hen bracht.

Bouton was de eerste, die naar het bed sloop met het geopende mes in de

rechterhand.

Vlak achter hem kwam Filou.

„Maak het kort”, fluisterde de laatste, „stoot hem je mes in de borst.

Vooruit dan!”

Bouton hief zijn hand op en zocht met zijn oogen naar de plek, waar

zich het hart moest bevinden.

Maar plotseling keerde hij zich om.

Hij herinnerde zich het moordtooneel bij den Parijschen woekeraar, toen

had hij ook op bevel van Filou den doodelijken messteek toegebracht en

Filou had voor het gerecht alle schuld op hem geworpen.

Hij liet het mes zinken en fluisterde:

„Deze keer moet jij het werk doen, terwijl ik de koffers zal

openbreken.”

Filou beefde van woede. Hij had den moed niet met eigen hand een moord

te plegen.

„Duivel!” siste hij, „je bent een lafaard, Bouton.”

Daar greep de ander hem opeens stevig beet en sleurde hem de kamer uit.

„Ik zal met je afrekenen.”

Filou knarsetandde van woede.

Tevergeefs trachtten Betsy en Charly, die in den tuin voor de vensters

op den uitkijk stonden, Bouton te kalmeeren.

Het was vergeefsche moeite.

Zijn licht ontvlambaar bloed kookte naar aanleiding van de beleediging

en toen hij met Filou op een door dicht struikgewas omgeven plekje in

den tuin stond, sprak hij:

„Neem nu je mes en verdedig je. Als mensch van goede opvoeding kan je

beleediging slechts door bloed worden schoongewasschen. Jij of ik. Wien

het treft, die mag zich gelukkig achten, dit hondeleven vaarwel te

kunnen zeggen.”

Bleek als een doode stond Filou tegenover zijn vriend. Maar opeens

sprong deze met zijn dolkmes in de hand op hem toe, zoodat hij zich

moest verdedigen.

Het staal der messen flikkerde.

Plotseling weerklonk een doffe kreet.

Bouton wankelde, het mes ontglipte zijn hand, een bloedstroom vloeide

op den grond en hij zakte neer.

Vol ontzetting keken Betsy en Filou naar den stervende, wien door een

messteek, waartegen hij zich met opzet niet had verdedigd, het hart was

doorboord.

Filou boog zich over hem heen en sprak:

„Bouton, het was mijn schuld niet. Kan je mij vergeven?”

„Ja, Filou”, hijgde Bouton, „het is goed, zooals het nu is. Het leven,

dat wij leidden, deugde niet. Het was niets waard.

„Neem mijn geld uit mijn borstzak—het is voor één persoon voldoende om

naar Amerika te gaan. Begin daar een nieuw leven.—Schrijf mijn vader,

dat—dat—ik—diep berouw heb—God moge—mij—”

Een bloedstroom vloeide uit zijn mond, hij rekte zich uit en was dood.

Op eenigen afstand van hem zong een nachtegaal.

Misschien was het lied van den vogel het laatste wat hij in dit leven

had gehoord.

Betsy had het einde van het drama niet afgewacht, maar was naar madame

La Fleur gesneld.

Eenige minuten later verliet ook Filou het lijk van zijn vriend.

Stil en bleek bleef dit op het grasperk liggen.

De nachtegaal echter zong zijn lied in de nachtelijke stilte, de

stralen der maan verlichtten boomen en struiken, alsof de nachtelijke

stilte door geen menschelijke hartstochten ontwijd ware geworden.

Lord Lister No. 0034: De kamerheer van den Koning van Servië · 第 17 / 25 题