EEN INTIEM SOUPER.

John Raffles, de Groote Onbekende, zat in zijn vossenhol, zooals hij de

kleine villa noemde, welke hij op eenigen afstand van Londen bezat en

las de couranten.

Op eenigen afstand van hem had Charly Brand plaats genomen; hij rookte

een sigarette en staarde droomerig naar de blauwe wolkjes.

De vensters van de kamer waren wijd geopend en lieten de heerlijke

zomerlucht binnenstroomen, welke de bloemengeuren uit het park

meedroeg.

Plotseling legde Raffles de courant neer en sprak:

„Ik ben van plan, naar Oostende te gaan. Genieten van de zeelucht, ons

door de zon laten verbranden en urenlang in het water te liggen, zou

ons allebei goed doen. Hoeveel geld hebben wij nog op de Bank?”

„Veertien pond en zes shilling”, klonk het kalme antwoord.

„Is dat alles?”

„Ja”, sprak zijn secretaris.

„Enorm”, sprak Raffles. „Maar Charly, kerel, ben je dan gek geworden,

om mij dat nu pas te vertellen?

„Dat bedrag is nauwelijks voldoende om de fooi voor den kellner te

betalen. Ik heb mijn kleermaker morgen hier ontboden met minstens een

half dozijn nieuwe costuums en ik ben gewend, zooals je weet, om mijn

leveranciers contant te betalen.

„Waarom heb je mij niet eerder op de hoogte gebracht van ons

geldgebrek?”

Charly Brand haalde de schouders op.

„Aha”, sprak Raffles, „je wilt me natuurlijk zoo lang mogelijk ervan

terughouden om weer aan het werk te gaan, voornamelijk om zelf rust te

hebben.

„Dus ik moet erover nadenken, op welke wijze ik mijn financiën tusschen

vandaag en morgen weer in orde breng.”

Hij haalde een klein notitieboekje uit zijn zak en schreef daarin iets

op.

„Ik heb het!” riep hij opspringend uit.

Daarop ging hij naar zijn schrijftafel, nam een vel papier, dat van een

kroontje was voorzien, en schreef:

„Zeer geachte heer!

Gevolg gevend aan een uitnoodiging van den hertog van Norfolk,

bevind ik mij op mijn doorreis in Londen. Ik zou u zeer gaarne

willen spreken en verzoek u daarom, u hedenavond te begeven naar

„Hotel Lissabon”, Windsorstreet, en daar den portier naar mijn

kamer te vragen.

Het zou mij een genoegen zijn, u hedenavond als mijn gast te mogen

beschouwen. Ik heb een zeer aangename verrassing voor u.

Lord Lister No. 0034: De kamerheer van den Koning van Servië · 第 4 / 25 题