ZEVENDE HOOFDSTUK.

Waarin politiehond Spits opnieuw het spoor ruikt en de gestolen

aeroplaan met twee passagiers achteraan komt.

Toen m'nheer Brandsma met Dolf en Jan de leeskamer binnentraden

vonden ze inspecteur Punt verdiept in 'n sportblad, dat hij gekocht

had aan 't automatische boekenstalletje in 'n hoek van de zaal. Hij

was zoo verzonken in de lektuur, dat hij niet eens opgekeken had,

toen de drie bezoekers de deur geopend hadden, waarbij ze natuurlijk

geen hand hadden uitgestoken, want de deur ging vanzelf open zoodra

iemand naderbij kwam. Deze soort deuren waren nu juist geen nieuwe

uitvinding. In 1910 bestond er reeds iets dergelijks, maar toen werd

't nog niet zoo algemeen in toepassing gebracht, omdat er zooveel

bezwaren aan verbonden waren. Toen gebeurde 't namelijk heel dikwijls,

dat bij 't binnenkomen van iemand 'n ander die er vlak bij stond

de deur tegen z'n neus kreeg en bovendien haperde er telkens wat

aan die deuren. Doch zooals 't met alle uitvindingen gegaan was,

ging 't ook hiermee. Langzaam kwamen de verbeteringen en eindelijk

hadden ze 'n schuifdeur geconstrueerd, die bijna volmaakt was en

volkomen geruischloos open en dicht gleed. De menschen letten in die

tijd vooral daar op, dat zooveel mogelijk leelijke harde geluiden

vermeden werden. 'n Eeuw geleden was 't rumoer in de groote steden

vooral bij dag zóó erg geworden, dat de menschen 't bijna niet konden

uithouden. Ze waren al begonnen met houten bestrating om tenminste

't gerammel van karren en wagens eenigszins te dempen en ze klaagden

over 't geschreeuw en de herrie om zich heen. 'n Uitvinder had de

menschen trachten te helpen door 't vervaardigen van de paraphoon of

geluiddemper, die in beide ooren gedragen werd. Dit hielp wel iets,

de geluiden klonken doffer, doch als je 'n gesprek wou beginnen moest

je die dingen uit de ooren nemen, omdat de paraphoon je kunstmatig

doof maakte. Dat was dus maar 'n lapmiddel. In Jan Drie's tijd was

't bijna onmogelijk leven te maken. De menschen hadden zachte zolen

onder hun schoenen en 't plaveisel op de straten en wegen en de

vloerbedekking in de huizen was zoodanig, dat zelfs 'n vallend geldstuk

geen gerinkel gaf. 't Spreekt vanzelf dat machines, spoortreinen,

voertuigen en andere rumoer veroorzakende dingen al lang veranderd

waren in geluidloos draaiende, en rollende werktuigen.

Maar, wanneer je met geen deur kunt rumoeren en geen lawaai kunt

veroorzaken met je hakken op de vloer en toch iemands aandacht wilt

gaande maken, zit er niets anders op dan maar zeer hard te praten. Dat

deed Dolf dan ook, toen ze bij de tafel waar inspecteur Punt zat te

lezen met hun drieën gingen zitten in die gemakkelijke leeren stoelen,

gemaakt om er in te genieten van 'n mooi boek. 't Leven dat Dolf

maakte hielp dan ook.

"Ah," riep inspecteur Punt, "daar is m'n vriendelijke gids en helper

weer."

"Met z'n vader," zei Dolf... "m'nheer Brandsma."

"Aangenaam," zei inspecteur Punt, opstaande.

M'nheer Brandsma zei ook, dat ie 't aangenaam vond en toen gingen ze

weer zitten.

"Wat hoor ik m'nheer de inspecteur, u is zoo op jacht achter de

aeroplaan van m'n zwager Vliegenthert?"

"Ja, m'nheer Brandsma.... maar tot nog toe met weinig resultaat.... Uw

zoon zal u wel 't een en ander verteld hebben, denk ik...."

"Dat spreekt vanzelf m'nheer de inspecteur. Z'n mond stond er niet

over stil. Ik geloof zelfs, dat hij en z'n vriend Jan 't heele geval

erg leuk vinden."

"Leuk?" riep de inspecteur.... "Maar jongelui, jullie moest je

schamen.... 't Is diefstal.... en ik kan je verzekeren, dat de dief,

als ie gesnapt wordt er minstens voor 'n paar jaar achter gaat... En

gesnapt wordt hij of liever zij. Want ik ben half en half overtuigd,

dat de aeroplaan door 'n vrouw gestolen is,.... 'n vrouw met blond

haar."

"Dat is verbazend knap," zei m'nheer Brandsma. "Waaruit besluit u dat,

als ik vragen mag, m'nheer de inspecteur?"

"Dat wil ik u wel zeggen, m'nheer Brandsma. Kijk u eens hier." Nu

haalde de inspecteur 't lange blonde haar uit z'n portefeuille. "Dat

vond ik aan de deurknop van m'nheer Vliegentherts hangar. M'nheer

Vliegenthert heeft zelf geen vrouw en geen dochters.... dus...."

"U lijkt Sherlock Holmes wel," lachte Dolf en Jan Drie proestte van

de pret.

"Sherlock Holmes?.... Wie is dat?" vroeg inspecteur Punt.

"Och," zei m'nheer Brandsma, "Sherlock Holmes was 'n slimme detective,

Die kon net zulke gevolgtrekkingen maken als u...."

"Zoo.... ik heb nooit van dien m'nheer Sherlock gehoord."

"Geen wonder..." antwoordde m'nheer Brandsma "Dolf heeft er van gelezen

in 'n boek dat meer dan honderd jaar oud is.... Ik geloof zelfs niet,

dat die Sherlock Holmes ooit bestaan heeft...."

"Hm," deed inspecteur Punt. "Maar om nu weer op die aeroplaan terug

te komen.... ik vind 't alleen onbegrijpelijk dat Spits 't spoor

bijster geraakt is hier op 't dak van 't hôtel."

"Ei," zei m'nheer Brandsma, "dat zou bewijzen, dat de dief met de

monoplaan hier geweest was..."

"Zeker is de vlieger hier geweest.... doch onverklaarbaar blijft hoe 't

ding hier vandaan gekomen is... zonder dat Spits weet waarheen.... Nu

zit ik hier en kan niemendal beginnen en de kostbare tijd gaat

voorbij.... En die aeroplaan kan op die wijze 'n enorme voorsprong

op ons krijgen.... Dat was vroeger 'n ander geval... in de tijd van

dien Sherlock en hoe heet ie nog meer.... Toen zaten de dieven aan de

aarde vast.... Hun hoogste snelheid bereikten ze in 'n spoortrein of

'n auto.... en dat was hoogstens 'n honderd kilometertjes...."

"Dat is waar," riep Jan Drie.... "met 'n aeroplaan als die van m'nheer

Vliegenthert.... kan je gemakkelijk 'n snelheid van tweehonderd

kilometers bereiken."

"Precies," zei inspecteur Punt... "Zoo'n vlieger beweegt zich bijna

zoo snel als 'n boerenzwaluw."

"Bijna?..." vroeg Dolf. "Ik dacht die ie veel sneller ging..."

"Neen hoor... De zwaluw wint 't nog... Die legt 250 K.M. per uur af

en torenzwaluw zelfs 318."

"Maar we winnen 't toch van alle andere vogels," zei Jan. "'n Postduif

vliegt maar 100 en 'n arend of 'n ooievaar maar 120 K.M. en dat zijn

toch snelle vogels."

"'t Zal 'n toer voor u wezen, die aeroplaan nog in te halen," zei

Dolf... "u moet 't nog eens probeeren met Spits...."

"O, ik geef 't ook niet op... en ik was van plan nog eens met Spits op

te stijgen vóór brigadier Kwadraat hier is. Die komt vanavond... en

ik zou er wat voor geven, als Spits 't spoor weer terugvond, vòòr de

brigadier hier is. Die man houdt namelijk zooveel van Spits... Hij

is z'n leermeester, ziet u... en ik weet zeker dat 't hem verdriet

zou doen, als de hond 't spoor niet meer vinden kan. Dat is nog nooit

gebeurd... Kom... ik ga dadelijk."

Jan Drie was blij, dat de politieman met z'n hond heenging. Hij was

'n oogenblik doodsbang geweest, toen m'nheer Brandsma de meening

uitsprak dat de vlieger op 't dak geweest moest zijn... Verbeeld je,

dat de inspecteur op de gedachte was gekomen in de hangars aan 't

zoeken te gaan. Hè, hij moest er niet aan denken...

Ze gingen allemaal mee naar 't dak. Inspecteur Punt begon zorgvuldig

z'n motor na te zien. Hij gaf 'm wat olie en keek in 't reservoir of er

nog voldoende brandstof voorhanden was voor de motor. Die brandstof was

vroeger een van de grootste bezwaren voor de eerste vliegmenschen, die

nooit genoeg benzine konden meenemen voor 'n lange tocht. In 2010 had

de benzine echter al lang afgedaan als motorvoedsel en was vervangen

door de vliegolie, waarvan men met één liter net zooveel kon doen

als voorheen met 'n heel vat benzine. 'n Reservoirtje met twintig,

vijfentwintig liter vliegolie maakte van iedere vlieger 'n voertuig,

waar je de heele dag geen omkijken meer naar had en waar je onmogelijke

afstanden mee kon afleggen. Wat waren die eerste vliegeniers toch 'n

stakkers met die benzine. Telkens moesten ze dalen, want je kon toch

moeielijk 'n heel vat benzine mee de lucht in sjouwen. De knapste

scheikundigen waren toen aan 't denken gegaan, aan 't peinzen,

aan 't proeven nemen. Uren en dagen en nachten zaten ze in hunne

laboratoria tot op 'n goede dag of nacht zoo'n chemicus op de proppen

kwam met de vliegolie. Alle gezamenlijke vliegmenschen van de heele

wereld hadden dien genialen uitvinder wel om de hals willen vallen,

maar daar begon hij niet aan. Hij wist er wat beters op. Hij maakte

'n halfjaar lang ruzie met 'n stuk of vier andere scheikundigen die

ook beweerden, dat ze de vliegolie uitgevonden hadden... Dat is met

alle belangrijke uitvindingen en ontdekkingen zoo. De Noordpool werd

door Peary en Cook tegelijk ontdekt. 't Schietkatoen is uitgevonden

door Christiaan Friedrich Schönbein en in 't zelfde jaar (1846) nog

eens door Böttger, die ook de veiligheidslucifers uitvond... Maar

van deze uitvinding werd geen gebruik gemaakt vóór de Zweed Lundström

vijf jaar later dezelfde lucifers nog eens uitvond. Zoo is 't gegaan

met de stearinekaarsen, 't kobaldblauw en de aniline, welke laatste

stof zelfs vijf uitvinders had, die niets van elkaar afwisten.

De uitvinder van de vliegolie, deed echter nog iets anders dan ruzie

maken met z'n concurrenten. Met 'n paar slimme kooplui stichtte hij de

vliegoliemaatschappij, die niet alleen de vliegolie fabriceerde volgens

zijn recept, maar tevens over de heele wereld vliegoliemagazijnen

oprichtte, kenbaar aan 'n wit bord met 'n roode vliegschroef er op

geschilderd en 's nachts van verre zichtbaar aan 'n rood en 'n groen

licht boven elkaar. Op de hoogste bergen en in de barste woestijnen,

overal stonden die vliegoliedepôts, wat heel gemakkelijk kon, want 't

waren vliegolie automaten, kleine dingen in weinig bezochte streken,

maar geweldige inrichtingen langs druk bezochte luchtwegen. Wie om

vliegolie verlegen was, had slechts 'n geldstuk in de gleuf te laten

glijden en op 't zelfde oogenblik kwam uit 'n loketje zoo'n rond

vliegolieblik aanrollen, dat maar aan de motor bevestigd behoefde te

worden, wat 'n niet al te onhandig mensch in 'n wip klaar speelde. En

de uitvinder der vliegolie was natuurlijk binnen 'n jaar millioenair,

wat haast wel niet anders kon, aangezien de heele vliegwereld om zoo

te zeggen had zitten wachten op die vliegolie.

Inspecteur Punt bleef nog al lang bezig met z'n vlieger... en m'nheer

Brandsma vond 't 'n beetje vervelend om daar bij te blijven. Hij

wenschte den politieman dus veel succes en ging weer naar beneden. Dolf

en Jan gingen mee. In de lift zei Dolf:

"Dus vader u vindt 't goed, dat ik met Jan mee ga hé?"

"Och jawel," was 't antwoord... "Maar waar wil je dan blijven... jullie

ben zóó thuis. Ik ben van plan met moeder en de zussen nog 'n paar

dagen rond te vliegen... Je kan toch niet alleen in 't leege huis

gaan zitten."

"O, da's niemendal, dan blijf ik maar 'n paar dagen bij Jan... Dat

kan wel hè Jan?"

"Nou, heel goed hoor... Ik zit alleen... met de meiden..."

"'t Is mij best," zei m'nheer Brandsma, "als moeder 't ook goed

vindt... En geen gekke streken onder weg... Jij bent zoo'n wildeman

Dolf. Ik waarschuw je hoor."

"Nee m'nheer, we zullen wel kalmpjes aan doen," zei Jan.

"Ik vertrouw 't jou ook beter toe dan Dolf... Alleen liet ik 'm

niet gaan."

Ze waren nu beneden in de tuin, waar mevrouw en de zussen zaten.

"Moeder," riep Dolf, "ik mag met Jan mee... en we gaan dadelijk."

"Moet dat allemaal zoo op stel en sprong?" zei mevrouw... "Heb jij

zoo'n haast Jan?"

"Ik niet mevrouw, we kunnen best wachten tot vanavond."

"Dat vind ik ook," zei mevrouw weer, "of gaan jullie morgen... Hoe

lang doe je d'r over om naar huis te vliegen?"

"'n Uur of vijf mevrouw, met 'n matig gangetje..."

"Zoo... gaat dat ding zoo snel... Is 't niet gevaarlijk?"

"Wel nee, moeder," zei Dolf.--"En ik ga veel liever dadelijk... 't

Is zulk mooi weer..."

"Laat die jongens opschieten," riep vader... "Ze hebben toch geen

rust..." Maar de zussen vonden 't ook al niet aardig... en moeder

heelemaal niet, maar Dolf trok zoo'n leelijk gezicht, dat ze er

allemaal om lachten en mevrouw Brandsma, die d'r lieve Dolf toch ook

wel zoo'n heerlijk vluchtje met z'n vriend Jan gunde zei eindelijk:

"Ga dan maar gauw."

Dolf riep: "Bonjour allemaal" en was al weg; maar Jan nam beleefd

afscheid. Aan de lift vond ie Dolf met z'n vliegmuts al op, en 'n

andere in de hand.

"Hier, zet op."

"Waarom heb je zoo'n haast?" vroeg Jan... "Denk je dat ik van plan

ben op klaar lichte dag op 't dak bij m'nheer Vliegenthert neer te

komen. Ik zou je danken hoor."

"Ben je mal," riep Dolf... "Zoo gek ben ik ook niet... 't Zou wel

stom zijn... Dan zat je zeker van avond achter de tralies, want de

heele politie ligt natuurlijk op de loer."

"Nou wat wil je dan?"

"Ik wil inspecteur Punt achterna..."

"Hè???"

Jan zei niets meer, toen ze in de lift naar boven gingen. Hij was

te verbaasd over 't plan van Dolf. Maar toen Dolf de deur van 't dak

open deed, deed Jan z'n mond open.

"Zeg..."

"St... we zijn er... Hij hoeft er niets van te hooren... Kijk hij is

net klaar..."

De jongens kwamen nog juist vroeg genoeg. Inspecteur Punt stond z'n

vliegjas aan te trekken.--Spits zat al op 't achterbankje en snuffelde

alsof hij iets bekends rook.

"Inspecteur", zei Dolf "'t is toch niet zoo koud."

"Neen jongen, hier niet... Maar ik moet denkelijk de hoogte in en

dààr had ik 't vanmiddag wel koud... En apropos, wil je dit briefje

aan brigadier Kwadraat geven, als hij komt? Nou adieu jongens."

Inspecteur Punt stapte in.

"Zoek de monoplaan."

"Rrrrrrt," gonsden de schroefvleugels en nauwelijks was inspecteur Punt

van 't dak of Spits blafte reeds luid: "Waf." Hij rook 't spoor weer.

"Waar ga je naar toe?" riep Jan Dolf na, die als een razende naar de

lift holde.

"Maak je vlieger klaar," schreeuwde deze terug... "Ik ga jassen

halen..." Jan Drie was 'n beetje overbluft door de drukte van Dolf. Hij

wist niet recht wat hij doen zou. Inspecteur Punt achterna vliegen

was makkelijk genoeg, maar waartoe diende dat nou? Ze hadden nu zoo

mooi de gelegenheid naar huis te vliegen en tegen de avond de vlieger

stilletjes terug te brengen. Dat zou nu eens een verstandige streek

zijn... Maar van de andere kant lachte hem 't avontuurtje ook wel toe.

Daar was Dolf alweer terug, opgewonden en niet zoo'n klein beetje!

"Heb je nou nog de vlieger niet voor de dag gehaald? Wat sta je

toch te treuzelen. Als we lang wachten zij we den inspecteur met z'n

hondje kwijt."

"Jij hebt goed praten" bromde Jan Drie. "Op wie z'n kop komt 't neer?"

"Och klets niet. Als je niet wil, zeg je 't maar hoor."

"Niet willen... ik heb er wel zin in maar--e..."

"Ik zal je eens wat zeggen Jan Drie. Jij ben er met de aeroplaan

van m'nheer Vliegenthert van door gegaan hè? Nou ik sta je half. Al

wat er verder van komt is voor mijn rekening. Oom Dokie zal ons niet

opeten... 't Is 'n veel te goeie kerel."

Jan Drie moest er om lachen en stemde toe.

Ze trokken vlug de vliegjassen aan en stapten in.

"Vliegolie genoeg?" vroeg Dolf.

"Plenty," zei Jan.

"Vooruit dan."

Rrrrrrrt... De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert beurde z'n staart

op en sprong van 't dak. Als 'n vogel steeg de vlieger omhoog schuin

de lucht in. De zussen in de tuin beneden wuifden met hun zakdoeken

en de jongens wenkten met de hand 'n groet terug.

"Hè hè," zei Dolf... "we zijn er tusschen uit hoor... De inspecteur

is zuidwaarts gevlogen, is 't niet."

"Niet precies... Iets Westelijk meen ik, in de richting van

Mühlhausen."

"Lieve hemel, wat weet jij dat allemaal precies. Hoever is dat hier

vandaan?"

"Ik denk zoowat 'n veertig kilometer. We zullen maar een beetje in

zien te loopen."

"Ga je gang, ik zal wel uitkijken."

Als 'n zwaluw schoot de monoplaan vooruit, hoog boven de heuvelen

en in 'n groot kwartier hadden ze de torens van Mühlhausen voor

zich. Onder hen zweefden aeroplaans naar alle kanten. Doch Dolf keek

alleen maar scherp recht voor zich uit of hij de politiemonoplaan

met den inspecteur en Spits niet ontdekken kon. Hij zag niets van

al die aviateurs beneden en nog minder lette hij op de kerken en de

menschenwoningen nog verder in de diepte. Wegen, wateren en bosschen

gleden onder hen weg, alsof de heele aarde 'n gekleurd tapijt was,

dat weggetrokken werd. Ze hadden er geen van beiden oogen voor. De

propeller snorde. Ze vlogen over de Werra, waar die 'n bocht maakt en

volgde 'n eind deze rivier Zuidwaardsch. Links van hen lag Eisenach en

daar achter verhieven zich de groene bergen van 't Thüringerwoud. Zoo

vlogen ze wel 'n uur lang,

"Daar vliegt ie," riep Dolf op eens.

"Waar?" vroeg Jan.

"Daar, 'n beetje links boven 't water."

"Ah... 'k heb hem ook in de gaten... Die slimmerd. Hij blijft ook

liever boven 't lage land. Hij ontwijkt 't Rhöngebergte."

"Da's toch zoo hoog niet?"

"'n Kleine duizend meter."

"Niet meer inloopen," riep Dolf. "Hoe ver schat je, dat ie ons

voor is?"

"Nou, 'n kilometer of vijf hoogstens."

"Is dàt vijf kilometer? 't Lijkt zoo'n klein eindje... Waar zou ie

heen gaan."

"'k Weet er niks van hoor."

"Waar gaan we op aan?"

"'k Weet 't niet precies... Jongens we verliezen op hem... Hij zet

er de sokken in."

"Hou keep!" riep Dolf. "Houdt 'm vast!"

"Die ontkomt me niet," lachte Jan Drie.

Ze zwegen weer 'n poos. Alleen de motor gaf geluid. Verder was 't

stil. Maar toen ze de Main voor zich hadden met de stad Schweinfurt,

riep Dolf alweer:

"'n Stad! Kijk hij vliegt er vlak boven."

Met dezelfde snelheid vlogen de twee monoplaans achter elkaar voort,

uren lang. 't Ging over de Tauber, de Jagst, de Neckar. Bij Heilbron

week de voorste monoplaan hoe langer hoe meer van de Zuidelijke

richting af en om zes uur waren ze boven Karlsruhe. Ze hadden

drie honderd vijftig kilometers afgelegd en waren drie uur in de

lucht. Jan Drie had al lang 'n greep gedaan in de vliegtabletten van

m'nheer Vliegenthert en hij en Dolf knabbelden als n paar hongerige

konijnen. Weer maakte inspecteur Punt 'n nieuwe wending naar 't Zuiden

en volgde de Rijn. 'n Half uur later waren ze boven Straatsburg en

om acht uur hadden ze Bazel in Zwitserland bereikt.

"Ik begrijp niet waar die man heen wil," zei Jan Drie. "Hij schijnt

er niet over te denken om neer te dalen. Maar ik zal toch 'n beetje

opletten, als ie soms nog naar beneden gaat, dat ie ons niet in de

gaten krijgt."

"Geen nood Jan, hij vliegt door, zoolang z'n hond aanslaat, al was

't tot aan 't eindje van de wereld."

"Wat drommel, wat voert ie nou in z'n schild... 'k Heb niet veel trek

hem dáár te volgen hoor."

"Ben je gek, waar hij heen kan, kan jij zeker heen. Ik vind 't

eenig leuk."

"Ja maar Dolf weet je wel waar hij heen vliegt op 't oogenblik? Als we

zoo nog 'n uur door vliegen, zitten we midden in 't Berner Oberland."

"Nou wat zou dat... Ik vind 't prachtig."

"Ja maar ik heb het niet op die bergen... Ginds zie je de

kleintjes... maar dan komen de kokkerds. Noem jij 't maar prettig,

'k heb 't nou al koel."

"O ben je kouwelijk... Ik dacht dat je bang was voor die bonken steen."

"In dat mooie monoplaantje van m'nheer Vliegenthert,

Dolf?! Belachelijk!" smaalde Jan Drie. "Tenminste als 't er om te

doen is óver de Alpen te komen. Als 'n zwaluw schieten we over de

hoogste heen."

"Dat was vroeger anders hè" zei Dolf. "Die leuke leeraar in de

aviatiek, vertelde hoe in 1910 de aviateur Weyman met 'n passagier

's morgens uit St. Cloud vertrok om de top van de Puy de Dôme te

bereiken. 'k Weet niet meer hoe hoog dat ding is, maar in ieder geval

is 't 'n snertberg."

"1465 meter geloof ik," zei Jan.

"Nou kijk es aan. Tien kilometer voor de top bleef hij steken. In

datzelfde jaar werd ook de eerste wedstrijd voor 'n bergvlucht

uitgeschreven, over de Simplonpas nog wel. Gemakkelijker kon 't al

niet en ze mochten nog neerdalen onder weg ook."

"En hoe liep dat af?"

"'k Weet al niet meer. Je kan niet alles onthouden, wat ze je van die

geschiedenis der aviatiek vertellen. Maar de voornaamste aviateurs

uit die tijd hadden mee ingeschreven, Tyck, Latham, De Lesseps,

Chavez, Aubrun, Legangneux, Cattaneo, Morisant, Parisot en nog meer

van die vliegpioniers... Chavez kwam er over, dat weet ik nog wel,

en toen hij er over was braken z'n vleugels en hij zelf stierf een

paar dagen later."

"Als hij maar niet ergens op zoo'n bergtop dalen wil... Dat doe ik

'm in geen geval na."

"Over wie heb je 't nou," vroeg Dolf.

"Wel over inspecteur Punt... Die vliegt regelrecht de bergen in... en

dat nou 't donker begint te worden."

"We hebben maan van avond..."

"Dat is tenminste iets..." zei Jan... "Maar 'n neveltje kan alles

bederven... D'r hangen om die hooge bergtoppen soms van die dikke

wolkbrokken... Daar moet ik niks van hebben... Daar ga ik boven uit

hoor, al raak ik de heele inspecteur kwijt... Inspecteur Punt stijgt

al... Die is ook niet van plan met z'n neus tegen de keien te vliegen."

De aeroplaan van m'nheer Vliegenthert · 第 11 / 20 题