In een keurig restaurant in een der voorsteden vierde dr. Marchner zijn
bruiloft.
Alle zorgen en leed schenen gebannen te zijn van het blanke voorhoofd
van den man, die zich innig gelukkig gevoelde te midden van zijn
vrienden, die gekomen waren om dezen vreugdedag mee te vieren.
Daar dr. Marchner in de uitgelezenste kringen van Londen verkeerde, had
zich een voornaam gezelschap om hem heen verzameld.
Niemand zou vermoed hebben, dat Magda, de gelukkige jonge vrouw van dr.
Marchner, uit een arbeidersfamilie voortsproot.
Haar natuurlijke bevalligheid en gratie vergoedden ten volle wat haar
aan ontwikkeling misschien ontbrak.
Als zij glimlachte, was iedereen verrukt over haar en Marchner zelf
niet het minst van allen.
Slechts af en toe trok er een wolkje over zijn voorhoofd, dan dwaalden
zijn blikken vol verwachting door het venster naar het station.
Blijkbaar verwachtte hij nog een gast.
Hoewel hij zijn jonge echtgenoote niets van het avontuur met den
grooten onbekende had verteld, scheen ook zij niet geheel rustig.
Plotseling sprong dr. Marchner op.
Een rijzige, slanke, elegante jonge man naderde van de zijde van het
station. De sneeuw kraakte onder zijn veerkrachtige schreden.
Een prachtige pelsjas omhulde zijn slanke gestalte.
De onberispelijke cylinder deed den jongen man nog grooter schijnen dan
hij was en paste volkomen bij het eenigszins bleeke, voorname,
fijnbesneden gelaat met de dunne lippen en groote, heldere oogen.
De nieuw aangekomene trok dadelijk de algemeene belangstelling.
Dr. Marchner was hem reeds tegemoet gesneld.
„Het verheugt mij, dat gij komt,” riep hij uit. „Ik had op u
gewacht—ach, gij kunt niet begrijpen, wat ik gevoeld heb, sinds ik den
laatsten keer uw huis verliet mijnheer—”
„Baron von Reutz,” antwoordde de nieuwe gast lachend.
Dr. Marchner haastte zich, den jongen man onder dien naam aan de
aanwezigen voor te stellen.
Binnen eenige minuten vormde de jonge edelman het middelpunt van het
gesprek.
Het feest verliep op de vroolijkste wijze.
De avond was genaderd en reeds maakte men zich gereed om naar Londen
terug te keeren.
Plotseling werd de deur geopend en een jonge man trad binnen, bij
verschillende der aanwezigen welbekend.
Het was Alfred Hopp.
In zijn oogen straalde een duivelsche gloed.
Zijn rechterhand omvatte een bundeltje papieren. Hiermede naderde hij
den gelukkigen bruidegom en terwijl hij hem de papieren aanbood, sprak
hij:
„Dr. Marchner, ik geef u deze brieven als huwelijksgeschenk.”
Een ademlooze stilte ontstond.
Iedereen begreep, dat hier iets bijzonders gebeurde.
De jonge vrouw was opgesprongen. Haar wangen waren doodsbleek geworden,
met angstige blikken keek zij naar haar echtgenoot, die langzaam
opstond en zijn hand naar de brieven uitstrekte.
In hetzelfde oogenblik echter kwam een andere vuist tusschenbeide, zoo
snel en vastberaden, dat Alfred Hopp de brieven niet had kunnen
terugtrekken.
Baron von Reutz stond met opgeheven hoofd tusschen de beide mannen; de
brieven verdwenen in een der zakken van zijn jas.
„Dat is een ongehoorde brutaliteit”, riep de zoon van den rijken
fabrikant schuimbekkend van woede uit. „Hoe hebt gij den moed, mij die
papieren afhandig te maken? Zij zijn bestemd voor dr. Marchner!”
„Ik denk, dat gij u vergist!” antwoordde baron von Reutz, terwijl hij
de armen over de borst kruiste en den jongen zwierbol met een
vernietigenden blik aankeek.
„Neen, ik vergis mij niet!” brulde Alfred Hopp. „Heeren, ik roep u aan
als getuigen! Deze ellendeling heeft mij mijn papieren ontstolen!”
„Voor deze leugen komt u een kleine kastijding toe”, antwoordde de
edelman en hij gaf den woesteling een slag in het gezicht, zoodat deze
achteruit tuimelde.
„Dat zult gij boeten!” schreeuwde deze. „Heeren, deze ellendeling, die
zich vermeet, op zulk een wijze op te treden, is—”
Iedereen luisterde in gespannen verwachting.
Baron von Reutz vertrok geen spier van zijn gelaat.
Maar Alfred Hopp sprak het woord niet uit, dat hem op de lippen lag.
Zijn gelaat verwrong zich nog meer en hij beet den baron toe:
„Neen, het is nog te vroeg! Maar als gij denkt, mij te kunnen beletten,
mijn plan uit te voeren, dan vergist gij u.
„Dr. Marchner, ik beweer, dat ik oudere rechten heb op mevrouw Magda,
dan gij. Gij zijt met mijn beminde getrouwd—in de papieren, die baron
von Reutz mij afhandig heeft gemaakt, ligt het bewijs.”
De uitwerking dezer woorden was verschrikkelijk.
Dr. Marchner was doodsbleek geworden, zijn handen sidderden en bevend
wendde hij zich tot zijn jonge echtgenoote, zijn oogen dreigend en
tegelijkertijd vragend op haar vestigend.
De jonge vrouw zweeg.
Zij wilde antwoorden, maar haar tong was als verlamd.
Snikkend viel zij in haar stoel neer, zoodat het niet duidelijk was of
schuldbewustzijn dan wel verdriet over de zware beleediging haar
aangedaan, de ongelukkige verpletterde.
Nu echter geschiedde iets onverwachts.
Baron von Reutz trad naar voren en sprak, terwijl hij zich tot dr.
Marchner wendde:
„Ik beweer, dat deze kwajongen nu voor de tweede maal gelogen heeft.
Het is er hem alleen om te doen, u uw jonge geluk te ontrooven.
„Zijn vergiftigde, verdorven ziel weet zich met geen beter dingen bezig
te houden dan zich te wreken op deugd en reinheid.
„Om u te bewijzen, beste dokter, dat hij gelogen heeft, overhandig ik u
hier de papieren, die ik hem heb afgenomen.”
Baron von Reutz haalde het pakje brieven uit zijn zak te voorschijn en
gaf het den jongen dokter.
De jonge vrouw, die bij de eerste woorden van den baron vol hoop had
opgekeken, verbleekte opnieuw.
Alfred Hopp genoot!
Frans Werner, die nog bij de tafel zat, boog zijn hoofd over zijn bord.
Dr. Marchner echter nam de brieven en opende het pakje.
Hij doorvloog den eersten, den tweeden, den derden—zijn gelaat helderde
op en eindelijk wendde hij zich tot zijn jonge vrouw, greep haar beide
handen en sprak op zachten toon:
„Vergeef mij, Magda, vergeef mij, dat ik ook slechts een oogenblik aan
je heb durven twijfelen. Gij echter, ellendige kwajongen”, sprak hij
tot Hopp, die verschrikt achteruitging, „gij zult mij rekenschap geven
van een beleediging, die meer dan brutaal is.
„Wanneer gij niet krankzinnig zijt, staat gij gelijk met een
moordenaar, want gij doet uw best om anderen menschen hun geluk en eer
te ontnemen.”
Eenige oogenblikken was Alfred Hopp niet in staat om te antwoorden. De
andere bruiloftsgasten echter, verontwaardigd over het voorgevallene,
zetten den rustverstoorder met vereende krachten op straat.
Baron von Reutz nam afscheid.
Hij boog zich diep over de hand der jonge vrouw en bracht die aan zijn
lippen.
Zij keek hem aan met vochtige oogen en fluisterde:
„Hoe kan ik u ooit genoeg danken?”
Hij glimlachte.
„Door steeds goed te blijven, mevrouw! Er zijn zoo weinig menschen, van
wie men dat kan zeggen.”
Zwijgend drukte hij den jongen dokter de hand.
Daarop nam hij zijn hoed, opende de deur en sloeg den weg in naar het
station.
Plotseling stond Frans Werner voor hem.
„Vergeef mij, dat ik u een oogenblik staande houd. Het komt niet te
pas, dat weet ik wel. Ik ben ook maar een werkman, en weet niet in
welke woorden ik u mijn grooten dank zal uitspreken. Maar gij begrijpt
mij wel, nietwaar?”
Baron von Reutz drukte Werners hand.
„Ik begrijp u! Vaarwel!”
„Nog iets, heer baron! Hoe hebt gij dat aangelegd? Het waren immers de
brieven van mijn dochter, die de ellendeling aan mijn schoonzoon wilde
geven.”
De jonge edelman glimlachte.
„Zeker! Maar er zijn omstandigheden in het leven, waarin men een
goocheltoer moet aanwenden om het goede te bereiken, mijnheer Werner.
„Dat is een droevige waarheid, die echter mijn lijfspreuk is geworden.
Ik heb den jongen man eergisteren een van die brieven afgenomen.
„Hij meende slimmer te zijn dan ik en ik begreep, dat hij dit oogenblik
zou uitzoeken om het geluk van de jonge mevrouw Magda voor altijd te
vernietigen.
„Daarom maakte ik vannacht een dozijn van dergelijke brieven gereed,
die er zoo uitzagen als die, welke in zijn bezit waren.
„Op die brieven schreef ik, terwijl ik Magda’s hand vervalschte, een
paar nietszeggende gedichten. Ik bracht hierin eenige malen den naam
van dr. Marchner, zoodat deze ze hoogstens op zichzelf kon toepassen.
„Dit was het eenige middel om de brutale beschuldiging van dien schurk
belachelijk te maken.”
Met beide handen greep Frans Werner de rechterhand van den spreker.
„Gij zijt een weldoener der menschheid!”
Baron von Reutz glimlachte.
Het was een weemoedig lachje.
„Misschien wel—misschien ook niet, mijnheer Werner!”
Hij haalde een pakje uit een zijner zakken te voorschijn en
overhandigde dit aan den ouden man. Het bevatte de echte brieven van
Magda.
„Bewaar ze, mijnheer Werner. En als Magda ooit de beproevingen mocht
vergeten, die zij heeft doorgemaakt,—mocht zij ooit in het leven
struikelen, toon haar dan deze brieven, dan zal zij weer in het rechte
spoor geraken.”
Bij deze woorden draaide de jonge edelman zich om en met snelle
schreden begaf hij zich naar het station.
Frans Werner keek hem zwijgend na, totdat de hooge, slanke gestalte in
het nachtelijk donker was verdwenen.
Toen hij het station had bereikt, keek baron von Reutz vorschend om
zich heen.
„Het verbaast mij, dat er nog geen politie aanwezig is,” mompelde hij.
„Mijn vriend Hopp schijnt een heel bijzonder plan te hebben opgemaakt.”
Hij bleef eenige oogenblikken nadenkend staan, daarop wendde hij zich
naar een coupé eerste klasse. Terzelfdertijd stonden onder de hooge
boomen, die het stationsgebouw omgaven, twee mannen bij elkaar.
Een van hen was Alfred Hopp, de andere was een jonge man, die er uitzag
als een gemeen sujet en die ongetwijfeld niet paste in de mooie
kleeren, welke hij droeg.
Hoewel hij een slanke gestalte had, had hij niet de houding van een
man, die gewend is, zich in goede kringen te bewegen.
Nieuwe glacé’s bedekten zijn groote handen, op het vierkante hoofd met
scherpe, hoekige lijnen en waarin een paar doordringende, loerende
oogen schitterden, droeg hij een grijzen, eleganten vilten hoed.
„Dus je weet, wat ik je beloofd heb, Frits, doe je zaken goed!” sprak
Hopp.
De andere lachte brutaal.
„Gij kunt mij gerust vertrouwen! In dit gedeelte van Londen is niemand,
die het mij verbetert!”
Alfred Hopp knikte.
„Je wacht mij op de afgesproken plek morgenavond, dan breng ik je het
geld. En vergeet één ding niet. Ergens vóór Hydepark spring jij er af!
Baxter rijdt met vijf politiebeambten in denzelfden trein. Zij zijn
Raffles te slim af. Doe je werk goed!”
De persoon, dien Hopp met den naam Frits had aangesproken, lachte met
breeden grijns en verdween.
Hij was een berucht inbreker, misschien nog erger, een kerel, dien de
jonge Hopp reeds meermalen had gebruikt om lieden, die hem lastig
waren, voor eenigen tijd onschadelijk te maken.
Dezen keer echter stonden er veel ernstiger dingen op het spel.
Frits had zijn hoed ver over het voorhoofd gedrukt en sloop met
eenigszins voorovergebogen hoofd en met loerende oogen langs de
spoorwegwaggons, terwijl hij in elke coupé keek.
Raffles zag plotseling een paar bloeddorstige, hatelijke oogen naar
binnen kijken. Daarop werd de deur geopend en een man met zeer
twijfelachtig uiterlijk stapte binnen.
Een halve minuut later zette de trein zich in beweging.
Hijgend stoomde hij door het besneeuwde bosch, dat als in een mantel
van sneeuw vóór hen lag.
Raffles leunde achterover in de kussens.
Een fijn glimlachje speelde om zijn lippen. Langzaam sloot hij de
oogen—zoo verliepen ongeveer tien minuten.
Toen scheen hij te slapen.
Maar hij sliep niet.
Door de bijna gesloten oogleden bespiedde hij elke beweging van zijn
geheimzinnigen reisgenoot.
Deze had eerst schijnbaar niet op hem gelet. Nu echter, toen hij
bemerkte, dat de ander sliep, naderde hij het raampje.
Eenige oogenblikken bleef hij daar staan om naar het besneeuwde bosch
te kijken.
Met een haastige beweging drukte hij zijn hoed nog dieper over het
voorhoofd, waarop hij zich naar Raffles omwendde.
Regelmatig ging de borst van den slapenden reiziger op en neer.
Met een snelle beweging draaide Frits nu het licht bovenin de coupé uit
en eenige minuten later sprong hij zoo haastig uit den wagen, dat hij
met eenige wonden aan het hoofd van den spoordijk afrolde, totdat hij
eindelijk nog slechts met moeite kon opstaan.
„En weet gij volkomen zeker, dat het werkelijk Raffles is, die zich in
den trein bevindt?” vroeg Baxter reeds voor den derden keer aan den
jongen Hopp, die met hem in dezelfde coupé zat. Hij had telefonisch
bericht ontvangen, dat Raffles, de groote onbekende, des avonds om zes
uur dertig van N. naar. B. zou reizen.
De kapitein was juist aangekomen om met zijn beambten in den
vertrekkenden trein te kunnen meerijden.
Hopp antwoordde:
„Gij moogt mij gerust den grootsten ezel van geheel Londen noemen,
mijnheer, als ik u dezen keer Raffles niet met huid en haar uitlever.”
De ander knikte.
„Ik heb in mijn leven nog nooit iemand zoo gehaat als dezen Raffles,”
sprak hij, terwijl hij met zijn hand over het voorhoofd streek.
„Die kerel brengt mij tot wanhoop. Ik zal op deze manier nog gek
worden! Overal waar men komt hoort men over Raffles spreken! Het is om
stapelgek te worden!
„Maar nu, de duivel moge mij halen, als er nu niet een einde komt aan
de zaak!”
„Ik hoop het van ganscher harte!” antwoordde Alfred Hopp op eerlijken
toon.
Bij elk station, waar de trein stopte, verlieten de beambten den
waggon. Baxter had besloten om af te wachten tot de trein het station
B. bereikt zou hebben, waar hij Raffles kortweg zou arresteeren en naar
de gevangenis brengen.
Raffles stapte werkelijk nergens uit.
Eindelijk had de trein het eindstation B. bereikt.
Op een drafje snelde Baxter hijgend van inspanning, langs de wagens,
gevolgd door den mageren Hopp.
Baxter opende de deur van de coupé, waarin Raffles zat, en keek naar
binnen.
Een oogenblik bleef hij als vastgenageld op de treeplank staan.
Daarop klom hij naar binnen, waar de anderen hem volgden en,
verbleekend, riep hij uit:
„Wat is hier gebeurd? Staat de geheele wereld op haar kop?”
„Maar help mij toch!”, smeekte een oude heer in de coupé. „Ziet gij dan
niet, dat ik aan handen en voeten gebonden ben?”
Hij, die deze woorden sprak, was een grijsaard van ongeveer
vijf-en-zestig jaar.
Hij was inderdaad aan handen en voeten gekneveld en sprak met van
ontroering heesche stem. Met doffe oogen keek hij naar de beambten op.
„Snel, snel!” riep hij op klagenden toon. „Mijn portefeuille! Blijf
hier toch niet werkloos staan! Drieduizend pond zijn mij ontstolen!”
„Maar wie deed dat?” vroeg inspecteur Baxter op verbaasden toon.
„Wie?” kermde de oude heer. „Vraagt gij ook nog wie? Raffles! Raffles
heeft mij overvallen en mij bestolen!”
Ook de jonge Hopp was sprakeloos. Hij vreesde, door den inspecteur ter
verantwoording te zullen worden geroepen en daar hij niet van
onaangenaamheden hield, maakte hij zich ijlings uit de voeten.
Intusschen luisterde Baxter naar de mededeelingen van den ouden heer,
die nauwkeurig aangaf, in welke richting Raffles was gevlucht.
Onmiddellijk werd jacht gemaakt op den gauwdief.
De politiebureaux in de omgeving van Londen kregen telefonisch bericht
en Baxter maakte zich met zijn lieden gereed om den vluchteling in te
halen, terwijl de oude heer zijn adres opgaf en naar zijn hotel reed.
Des avonds om tien uur werd Raffles gevangen genomen.
Wel had hij wanhopige pogingen gedaan om te ontsnappen, maar hij was
aan alle kanten omsingeld en wist zich niet meer te redden.
Een korte, wanhopige strijd ontstond, maar het einde hiervan was, dat
Raffles, die nog had getracht zich door vermomming onkenbaar te maken,
naar de Londensche gevangenis werd gebracht.
Den volgenden dag weerklonk de naam van Raffles weer door de Londensche
straten.
„Raffles gevangen genomen”, zoo luidden de berichten, „Raffles in de
gevangenis”, „Raffles ontkent”, „Raffles beweert, iemand anders te
zijn, maar hij wil niet zeggen, wie!”, „Raffles beweert, dat hij een
Franschman is en dat hij papieren bij zich heeft gedragen op naam van
Lord Lister!”, „Lord Lister is Raffles!”
Zoo klonk het luid geschreeuw op alle hoeken van straten, waar
courantenventers stonden.
Men vocht om de nieuwsbladen.
Men verslond den inhoud, de bijzonderheden omtrent de aanhouding van
Raffles en zijn laatste streek, de berooving van een reiziger.
Het was werkelijk noodeloze moeite, dat Raffles alles ontkende.
Men had het bedrag, dat hij den reiziger had ontstolen, in, in zijn
bezit gevonden.
Inspecteur Baxter zelf overhandigde den bestolene het geld.
Raffles, die eindelijk inzag, dat hij verloren was, bekende, dat hij
werkelijk de groote onbekende was.
De behandeling der zaak zou over twee maanden plaats vinden.
Maar op den tweeden dag na de inhechtenisneming van Raffles geschiedde
iets, wat men niet had verwacht.
De rechter van instructie, die de zaak leidde, werd op dien dag
telefonisch opgebeld.
„Zijt gij het, mijnheer de rechter van instructie? Ja? Ik heb vernomen,
dat gij voortdurend op Raffles schimpt. Kent gij dien Raffles
persoonlijk? Ja?”
De rechter van instructie, verbaasd en woedend tegelijk, omdat iemand
het waagde, hem in zijn werkuren te komen storen, antwoordde door de
telefoon:
„Zeker ken ik Raffles. Hij verschaft mij werk genoeg met al zijn
streken en ik vind, dat hij lang niet zoo knap en elegant is als men
hem altijd heeft beschreven.”
„Zoo?” klonk het op spottenden toon. „Nu, ik heb er wel eens anders
over hooren spreken. Wanneer heeft de behandeling der zaak plaats?”
„Over twee maanden. Adieu.”
„Nog een oogenblikje, heer rechter. Raffles zal niet tegenwoordig zijn
bij die behandeling.”
„Zoo? Ik zal er wel voor zorgen, dat hij aanwezig is, waarde heer!”
„En ik verzeker u, dat hij er niet bij tegenwoordig zal zijn!”
„Hoe kunt gij dat zoo nauwkeurig weten? Wilt gij mij voor den gek
houden?”
„Volstrekt niet. Ik heb te veel respect voor u. Maar ik herhaal, dat
Raffles niet zal verschijnen.”
Nu begon het gesprek den rechter van instructie te vervelen.
Hij belde af.
Twee minuten later trad de directeur van de gevangenis, waarin Raffles
was opgesloten, bij hem binnen.
„Een oogenblik, heer rechter van instructie. Ik ontvang daar juist een
brief, waarin Raffles mij meedeelt, dat hij in geen geval bij de
behandeling van zijn zaak zal tegenwoordig zijn.”
„Wat?” riep de ander uit. „Och kom!” vervolgde hij na een oogenblik
nadenken, „de een of andere onbeschaamde vlegel houdt ons voor den
gek!”
De gevangenisdirecteur haalde zijn schouders op.
„Dat dacht ik ook. Maar het ongelukkige is, dat wij hebben uitgemaakt,
dat deze brief onbetwist door Raffles zelf moet zijn geschreven.”
„Maar beste directeur, dat is immers onmogelijk. Raffles is bij u
gedetineerd. Gij zult zeker zelf het beste weten, of hij in zijn cel
een brief kan schrijven en dezen op de post bezorgen. Kan dat?”
„Datzelfde heb ik al honderd keer tegen mijzelf gezegd. Maar ik kan die
gedachte niet van mij afzetten. Reeds driemaal heeft men mij opgebeld
en telkens beweerde men, dat het Raffles was, met wien hij sprak.
„Ik ben er zenuwachtig van en kan mijn gedachten niet meer bij elkaar
houden. Die Raffles—”
De directeur werd gestoord door het luide geschreeuw van een
courantenjongen, die onder het raam schreeuwde:
„Een nieuwe streek van Raffles! Raffles als inbreker, terwijl hij in de
gevangenis zit! Raffles, de toovenaar! Een diefstal van twee millioen
ten huize van Isaac Robinstein.”
De beide heeren keken elkaar met doodsbleeke gezichten aan.
In hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en de landsadvocaat trad
binnen.
„De couranten weten het natuurlijk alweer! Ik kom zojuist van de villa
Robinstein, heeren! Twee millioen is daar gestolen.
„De dief is binnengedrongen op de meesterlijkste wijze. Hij heeft de
brandkast vernield en twee millioen gestolen.
„Als ik Robinstein niet kende als een gewetenlooze woekeraar, zou ik
medelijden met hem hebben.
„Mijnheer de rechter van instructie, wat zegt gij van dezen brief?”
De advocaat wierp, een stuk papier op tafel. Hierop stond:
„Ik ben zoo vrij, u mede te deelen, dat ik het baantje van
strafrechter op mij heb genomen, omdat tot dusverre geen enkele
bevoegde autoriteit zich de moeite heeft gegeven, maatregelen te
nemen tegen de schandelijke praktijken van den te dezer stede
welgestelden Isaac Robinstein.
„Ik zal het geld aanwenden voor de armen, wier schuldeischer hij
is.
„Ik zou gaarne nog veel interessante bijzonderheden openbaar maken,
die ik te weten, ben gekomen uit de particuliere correspondentie
van Robinstein, maar de tijd ontbreekt mij, want over een kwartier
moet ik alweer in mijn cel zitten.
„JOHN C. RAFFLES.”
De rechter van instructie sloeg met de hand op tafel, zoodat het papier
in de hoogte sprong.
„Ongelooflijk! Ik word gek! O, die Raffles! Ik wou, dat hij veranderde
in een zoutpilaar. Het is om dol te worden!”
De directeur der gevangenis balde de vuisten.
„Ik kan u verzekeren, dat Raffles in de gevangenis zit,” sprak hij
tandeknarsend, „dat de wacht elke twee uur de ronde doet en dat het tot
de allergrootste onmogelijkheden behoort, dat hij ook maar een enkel
oogenblik zijn cel zou hebben verlaten!”
„Ik zou aan bedrog denken,” sprak de landsadvocaat op diepzinnigen
toon, „als de inbraak bij Robinstein niet op zoo geniale wijze op touw
was gezet! Dat was het werk van Raffles! En ook deze brief kan van
niemand anders komen!”
„Ik word krankzinnig!” riep de rechter van instructie uit.
Hierop belde hij en beval den binnentredenden bediende om Raffles
binnen te brengen.
Tien minuten later werd Raffles binnengebracht.
De drie heeren keken hem aan met blikken vol woede, maar tegelijkertijd
met verholen bewondering.
„Staat gij in eenige relatie met de buitenwereld, Raffles?” vroeg de
rechter van instructie.
Raffles schudde het hoofd.
„Neen, Edelachtbare.”
„Zult gij er eindelijk eens mee ophouden ons nog langer voor den gek te
houden?”
„Ik denk er niet aan, Edelachtbare, om u voor den gek te houden!”
De rechter van instructie opende een sigarenkistje en keek den
beschuldigde met half toegeknepen oogen aan.
„Ga zitten, Raffles. Wilt gij een sigaar opsteken? Echte havanna’s! Gij
zijt een goede sigaar gewend, Raffles! Luister eens! Wilt gij eenige
gunsten?
„Er zal waarschijnlijk niets op tegen zijn, dat gij af en toe een glas
wijn drinkt. Gij zijt tot nu toe immers nog slechts in voorarrest.
„Maar zeg mij in ’s hemels naam, wat gebeurt er in Londen?”
Raffles stak langzaam een sigaar op, blies de rookwolken naar het
plafond en sprak:
„Ik heb al betere sigaren gerookt, Edelachtbare. Tegen den wijn heb ik
geen bezwaar.
„Voor de rest ben ik niet van plan, op een uwer vragen te antwoorden.”
„Kerel! Zijt gij dol? Ik wil weten, wat die inbraak bij Robinstein te
beduiden heeft!”
„Bij Robinstein? Dat ben ik geweest, Edelachtbare.”
„En gij zit in uw cel?”
„Ik werd uit mijn cel afgehaald, Edelachtbare.”
De rechter sprong op en riep den cipier toe:
„Breng Raffles weg! De sigaren en den wijn mag hij niet hebben!”
Nadat Raffles weggeleid was, sprak de rechter van instructie:
„Wat nu, heeren?”
„Ja, wat nu?”
Op dit oogenblik belde de telefoon.
„Hier rechter van instructie. Wie daar? Wie? Raffles? Groote Hemel!”
Intusschen klonk hef door de telefoon:
„Waarom moet ik weer terug in mijn cel, Edelachtbare? Een dergelijk
verhoor heeft immers niet de minste waarde! Laat mij eindelijk met
rust! Op de openbare zitting verschijn ik toch niet!”
„Van waar uit telefoneert gij eigenlijk?”
„Op het bijpostkantoor no. 29, Edelachtbare. Maar ik ben allang weer
weg, als de politie komt!”
„En zijt gij Raffles?”
„Ik ben Raffles, op mijn woord van eer! Adieu!”
De rechter van instructie hing de telefoon aan den haak en deelde den
beiden heeren den inhoud van het gesprek mee.
„Ik word krankzinnig!” zoo eindigde hij als gewoonlijk.
De directeur der gevangenis echter sprak:
„Er blijft ons nog één ding over: Ik zal Raffles in zijn cel laten
bewaken. Een tweeden wacht zal ik dag en nacht voor de cel laten
patrouilleeren.
„Gij, heer rechter van instructie, wilt er zeker wel voor zorgen, dat
de gevangenis door voldoende politiemacht wordt omsingeld.
„Al gelukt het ons ook niet, het geheimzinnige in deze zaak uit te
visschen, in elk geval moeten wij Raffles beletten, uit te breken.”
Dit plan vond instemming.
De drie heeren overlegden alles nog eens breedvoerig, daarop keerde de
advocaat naar zijn bureau, de directeur naar de gevangenis terug.
Op straat werd hij opgehouden door een grooten volksoploop. Hij boog
zich uit het raampje van zijn rijtuig en vroeg:
„Wat is hier gebeurd?”
„Men heeft Raffles hier zooeven gezien!” riep een man, „maar hij is
alweer weg!”
„De duivel moge u allen te zamen halen,” bromde de directeur, terwijl
hij zich weer in het rijtuig terugtrok.
„Als het zoo doorgaat, wordt geheel Londen krankzinnig!”