DE REDDER DER ONTERFDEN.

Charly Brand zat tegenover lord Lister in het Metropol Hotel.

„En waar ben je zooal geweest, Charly?” vroeg Raffles.

„O, overal! Ik heb eerst rondgeslenterd, toen gehoord, dat fabrikant

Hopp en baron von Reutz, een vriend van dezen, een heel slechten naam

en al heel wat op hun kerfstok hebben en kwam daarna thuis.”

„Zoo. Nu, beste jongen, ik trek er weer op uit—en wel onder den naam

van baron von Reutz.”

„Wees voorzichtig, Edward”.

„Dat ben ik altijd.”

Baron von Reutz reed naar Witchapel Road en trad daar een der groote

huurkazernes binnen.

Al heel spoedig had hij gevonden wat hij zocht: het huis van Frans

Werner.

Het was een nette, doch armelijke woning.

De werkman herkende terstond den eleganten heer.

Deze vroeg naar Magda en vertelde, dat hij wist, hoe zeer dokter

Marchner het meisje lief had.

Werner verschoot van kleur.

„Mijn dochter,” zei hij, „is niet hier.”

„Waar is ze dan?”

Aarzelend haalde de man een onaangenaam naar muskus riekend briefje te

voorschijn en liet het baron von Reutz lezen.

Er stond:

„Mijn lieve, lieve Magda!

„Ik moet je nog eens zien en spreken, liefste. Kom vanavond om acht

uur op de bekende plaats. Noem den kellner mijn naam, hij zal je

dan in een vertrek brengen, waar wij ongehinderd samen kunnen

praten.

„ALFRED”

De baron wierp den brief terzijde, vol afschuw.

„Is dat schrijven van den jongen Hopp?”

„Ja. Ik smeekte haar, er niet heen te gaan. Maar zij wilde geen

oogenblik aan eenige laagheid denken en ging toch.

„Ik geloof, baron, dat ge er bij waart, toen de oude heer Hopp over de

verhouding van mijn dochter en zijn zoon sprak. Ja, zij heeft zich

voortdurend door hem laten bepraten; zij meende, hem lief te hebben—het

was een kleine, vluchtige droom, zooals veel jonge meisjes dien

droomen, maar zij is rein gebleven, ik kan de hand voor haar in het

vuur steken, baron.

„Als zij verstandig was geweest, dan had zij niet de onvoorzichtigheid

begaan, dezen man een reeks brieven te schrijven, waarin zij haar

geheele hart voor hem uitstortte.

„Van die brieven maakt hij nu misbruik.

„Door middel van die brieven tracht hij haar voor zich te behouden,

hoewel zij niets meer van hem wil weten, want hij heeft een slecht

karakter, het liefst zou ik hem eenvoudig neerschieten.

„Hij heeft haar gedreigd, die brieven aan dr. Marchner te zullen geven.

„En mijn kind is totaal veranderd, sinds zij dr. Marchner heeft leeren

kennen.

„Zij is gelukkig. Zij heeft in hem den man gevonden, dien zij kan

vertrouwen.

„En nu dat zoo goed zal gaan, treedt deze ellendeling tusschenbeide. U

begrijpt, mijnheer de baron, welke gevolgen het zou hebben, als dr.

Marchner die brieven kreeg.

„Hoe verstandig en edelmoedig hij ook is—hij zou toch niet kunnen

begrijpen, dat zij, die hij lief heeft, zulke brieven aan een ander

heeft geschreven.

„Het was beter geweest, als mijn dochter vanaf het begin eerlijk tegen

hem was geweest, als zij hem alles had meegedeeld,—maar aanvankelijk

had zij daartoe den moed niet en nu—nu is het te laat!”

Baron von Reutz had met saamgeknepen lippen naar de woorden van Frans

Werner geluisterd.

„Zoo. En uw dochter hoopte blijkbaar, dat zij vanavond de brieven zou

terug krijgen, waarvan haar geluk afhangt?”

„Zoo is het! En ik vrees, dat hij haar een nieuwe hinderlaag heeft

gelegd!

„Zij beproeft het uiterste, compromiteert zichzelf en waagt het

onmogelijke.

„Hierdoor zal zij misschien in één oogenblik alles bederven, inplaats

van haar levensgeluk te redden!”

„Wij moeten het ergste niet denken, mijnheer Werner,” antwoordde baron

von Reutz.

„Ik zal over een paar dagen eens weer bij u komen!”

Frans Werner vervolgde op fluisterenden toon:

„Overmorgen zou het huwelijk tusschen mijn dochter en dr. Marchner

voltrokken worden. Overmorgen reeds! Mag ik het genoegen hebben, u voor

de bruiloft uit te noodigen?

„Ik beef bij de gedachte, dat er misschien iets vreeselijks zou kunnen

gebeuren, maar hopenlijk gaat alles goed— —”

„Ik zal komen,” antwoordde baron von Reutz glimlachend.

Daarop ging hij naar beneden, sprong in zijn rijtuig en riep den

koetsier toe:

„City!”

De beide paarden zetten zich in beweging en in vollen draf ging het

voorwaarts.

Eindelijk bleven de paarden staan.

Baron von Reutz stapte uit.

Diep buigend naderde de oberkellner en toen de baron den naam Alfred

Hopp noemde, antwoordde de „ober” geen woord, maar geleidde den jongen

edelman door een lange gang.

Voordat hij echter de zware gordijnen, die de kamer afsloten, op zij

kon schuiven, voelde hij de hand van den gast op zijn arm.

„Wacht even! Ik—ik wensch de kamer hiernaast te betrekken!”

De kellner bracht den gast volgens dien verlangen naar het aangrenzende

vertrek.

Baron von Reutz gaf zijn verdere bevelen, waarop de oberkellner

vertrok.

De jonge baron ging nu weer naar buiten naar de corridor, waar hij

zacht en voorzichtig de portière van het aangrenzende vertrek opende.

Opgewonden stemmen klonken in zijn oor.

Hij keek in het kleine vertrek, dat tooverachtig verlicht werd door de

roodzijden kap van een schemerlamp.

Op tafel stonden wijnglazen en flesschen, vruchten en gebak.

Alfred Hopp zat op den divan, terwijl een jong beeldschoon meisje met

smeekend uitgestrekte armen voor hem stond.

Zij kon den ingang der kamer niet zien, terwijl ook Alfred Hopp met

zijn rug naar de portière zat.

Met een enkele onhoorbare beweging was baron von Reutz de kamer

binnengegaan.

Zijn hooge, slanke gestalte was voldoende verborgen door den donkeren

achtergrond.

Zoo bleef hij roerloos staan.

„Is het mogelijk, dat gij zoo wreed kunt zijn?” vroeg Magda Werner,

terwijl haar groote, donkerblauwe oogen vol tranen stonden.

„Wat hebt gij aan de brieven? Waarom kwelt ge mij op zoo wreede wijze?

Is het een genot voor u om mij en den man, die mijn gansche hart bezit,

in het verderf te storten?”

Alfred Hopp haalde op brutale en ruwe wijze de schouders op, terwijl

hij zijn bleek, verlept gelaat oprichtte en het jonge meisje aankeek.

„Een genot? Ja, dat is het! Dacht je werkelijk, dat ik je hier heb

laten komen om je de brieven te overhandigen?

„Ik denk er niet aan! Met deze brieven heb ik je in mijn macht. En ik

laat je niet weer los—denk daaraan! Juist nu niet! Ik wil, dat je de

mijne wordt!

„Je hebt mij altijd naar je laten smachten!

„Juist omdat ik weet, dat je mij niet liefhebt, omdat een ander je zal

bezitten, daarom eisch ik dit offer!”

Het jonge meisje stond sprakeloos tegenover haar beul.

Haar boezem hijgde en het zware blonde haar was gedeeltelijk losgegaan,

zoodat een paar lange krullen over haar schouders hingen.

Haar oogen keken radeloos om zich heen en met bijna klanklooze stem

sprak zij:

„Ik begrijp u niet!”

Alfred Hopp rekte zich eens uit op den divan.

„Begrijp je mij niet? Je zult mij dadelijk begrijpen!

„Zie je, er schuilt een bijzondere kracht in mij! Ik vind zelf, dat ik

een soort Mefisto, een duivel, ben!

„Het is mij voldoende, als ik iemand ongelukkig kan maken!

„Waarom zal ik tegenover jou den edelmoedige spelen?

„Waarom zal ik mij berustend terugtrekken en plaats maken voor een

ander?

„Ik denk er niet aan!

„Als ik je later op straat tegenkom, als je wangen geverfd en gepoederd

zijn en een eeuwig glimlachje om je lippen speelt—zie je, dan zal ik

een duivelsche voldoening smaken!”

Hij keek haar met strakke, meedoogenlooze oogen aan.

Maar het jonge meisje scheen hem nog niet te begrijpen. Haar armen

hingen slap langs haar lichaam neer en een uitdrukking van trots

weerspiegelde zich in haar oogen.

Plotseling sprong Alfred Hopp op, hij stortte zich als een roofdier op

haar, omklemde haar in zijn armen en—terwijl zij een kreet van

ontzetting slaakte—riep hij lachend uit:

„Hier hoort niemand je, mijn duifje! Schreeuw zoo hard je kunt. Je bent

in mijn macht!”

„Nog niet!” sprak een diepe welluidende mannenstem.

En in hetzelfde oogenblik vloog Alfred Hopp, door een krachtige hand

weggeduwd, in een hoek der kamer.

Snikkend en sidderend snelde het jonge meisje naar den vreemdeling, die

met zijn rijzige gestalte midden in de kamer stond.

Alfred Hopp was den eersten schrik te boven.

Met vlammende oogen en gebalde vuisten stond hij voor den vreemdeling.

„Raffles!”

Hijgend riep hij dat woord uit.

De ander glimlachte.

„Ja, ik ben Raffles!”

„Ellendeling, schurk!”

„Waarom geeft gij mij de namen welke gij zelf zoo rijkelijk verdient?”

antwoordde de groote onbekende met onverstoorbare kalmte, terwijl het

jonge meisje hem angstig aankeek.

„Wij spreken elkaar nader, Alfred Hopp. Gij zijt inderdaad een duivel,

maar een, wien de noodige kracht ontbreekt. Gij zijt een van die

duivels, die men op een aambeeld moet leggen en met een helschen hamer

in stukken slaan.”

En zonder den uitgang een oogenblik uit het oog te verliezen, nam

Raffles den mantel van het jonge meisje van den muur.

Zij begreep hem en liet zich door Raffles in den mantel hullen.

Hij gaf haar een hand, die zij vol dankbaarheid aan haar lippen wilde

drukken. Hij trok echter snel zijn hand terug, zoodat alleen haar

brandende tranen zijn vingers bevochtigden.

„Spoed u naar huis terug juffrouw Werner,” sprak Raffles op ernstigen

toon.

„Wacht gerust en kalm uw huwelijksdag af en bedenk steeds, dat Raffles,

de groote onbekende, over u waakt.”

„Blijf goed—want reinheid is de eenige schat der armen!”

Magda Werner keek hem met haar groote, eerlijke oogen aan.

Zij knikte, zonder een woord te kunnen zeggen, daarop gleed zij door de

portière en snelde weg als een schuw vogeltje.

Gereed tot den strijd stonden de beide mannen tegenover elkaar.

„Hebt gij de brieven hier?” vroeg Raffles met over de borst gekruiste

armen.

„Neen! En al had ik ze hier, ik zou ze u niet geven, gij—”

Maar Alfred Hopp kon zijn zin niet voltooien. Een harde klap in zijn

gezicht deed hem neervallen.

„Noodzaak mij niet, u nogmaals te kastijden,” sprak Raffles met

dezelfde kalmte, die hem steeds kenmerkte.

„De oorvijg, die ik u daar juist gaf, was voor de beleediging van

zooeven.

„Maar nu ter zake. Laat mij den inhoud van uw zakken zien, ten bewijze,

dat de brieven van Magda Werner niet hier zijn!”

Alfred Hopp stond op en met heimelijken angst keek hij naar den man,

die hem met een enkele handbeweging in zijn macht had.

Hij gehoorzaamde aan het bevel van Raffles.

Het was waar, hij had de brieven thuis in een kast goed bewaard.

Slechts een enkelen had hij bij zich, dien Raffles hem afnam.

„De andere brieven zult gij mij ook geven, Alfred Hopp!”

„Nooit!”

„Jawel! Maar waarom schreeuwt gij zoo? De kellner hoort u niet. Gij

zult mij de brieven geven, ik, Raffles, voorspel u dat. Verder heb ik

voorloopig niets met u te bespreken!”

Raffles maakte zich gereed om heen te gaan.

Op spottenden toon vroeg Alfred Hopp:

„En wanneer denkt gij, dat ik u die brieven zou overhandigen?”

Raffles dacht een seconde na.

„Overmorgen. Op den dag van Magda Werners huwelijk.”

„Ah! Komt gij op de bruiloft?”

„Ongetwijfeld!”

Alfred Hopp drukte zijn lippen op elkaar, en een duivelsche trek

verscheen op zijn gelaat.

Raffles knoopte zijn pels dicht en verliet het vertrek.

Lord Lister No. 0014: De verwisselde detective · 第 10 / 17 题