Een der detective nam de boodschap aan.
Hij berichtte het terstond aan Baxter.
Deze beval, dat een twaalftal politie-agenten, onder leiding van
detective Marholm zich dadelijk naar de woning van Raffles moest
begeven om deze bij zijn thuiskomst te arresteeren.
Marholm echter had zijn eigen plan.
„De Groote Onbekende,” zei hij, „is een vervloekte kerel. Honderd keer
kan je zijn woning omsingelen en honderd keer ontsnapt hij weer. Ik heb
een plan, waardoor ik mijn college Sherlock Holmes beschaamd en Baxter
geel van afgunst zal maken.”
Hij zocht twaalf agenten uit, die in burgerkleeding zich om het huis
van graaf Selfar zouden opstellen.
„Als ik fluit, komt ge! Dreigt gevaar dan schiet ik! Overigens moet ge
mijn bevelen afwachten,” zei hij.
De troep zette zich in beweging.
Marholm sprong op een fiets en trapte naar de woning van den Grooten
Onbekende.
Het was één uur na middernacht. Alles sliep. Marholm schelde en een
poos later opende de dienaar van graaf Selfar de deur.
„Zijt gij de dienaar van graaf Selfar?”
„Om u te dienen!”
„Luister dan! De graaf zal heel spoedig thuis komen. Ik zal mij in zijn
slaapkamer verbergen, daar ik hem persoonlijk wil arresteeren. Zeg dus
den graaf geen woord. Verstaan?”
„Verstaan wel, maar—”
„Geen maren! Als je het waagt, je heer te waarschuwen, ben je er bij!”
De dienaar haalde de schouders op.
„Als dat zoo gevaarlijk is, zal ik het wel laten!”
Marholm keek eens rond.
„Vorstelijk ingericht”, mompelde hij, „als gewoonlijk! Maar waar
verberg ik mij nu het best?”
Hij keek eens onder het ledikant.
„Dat is de beste gelegenheid. Ik zal wachten, tot hij gaat slapen!
Jammer, dat ik zijn gezicht niet kan zien, als ik zoo plotseling den
hand op zijn schouder leg en zeg: „Raffles, je bent mijn gevangene!””
De dienaar knikte.
„Noemt ge daar Raffles niet?” vroeg hij, „dat is die groote held, de
man, die nog niet gevonden is en waarvoor ik een grenzenlooze vereering
koester!”
En terwijl hij deze woorden sprak, zette hij een grooten staanden
spiegel zóó voor het ledikant, dat daarin nog juist de zolen van den
daaronder liggende zichtbaar werden.
„Zoo zal men mij niet kunnen zien, zeg?” vroeg Marholm.
„Geen draad!”
„Prachtig! En denk eraan, dat je je mond houdt!”
„Natuurlijk!”
Daar werd gescheld.
Jean vloog weg.
Het was graaf Selfar, die binnenkwam in gezelschap van een vreemden
jongeman.
Deze, met een rooden baard en bleek gelaat, was niemand anders dan
dokter Marchner. Hij was graaf Selfar genaderd, toen deze bij zijn
woning kwam.
„Pardon, graaf—een enkel woord. Zijt gij Raffles?”
De graaf dacht een oogenblik na.
„Als ge er dan zooveel belang in stelt”, sprak hij toen, „ja, ik ben
Raffles.”
„Vlucht dan! Ik was nog in de club, toen gij vertrokken waart! Men
heeft u herkend. De politie is gewaarschuwd! Twaalf agenten hebben het
huis omsingeld!”
Raffles haalde zijn gouden sigarettenkoker te voorschijn, bood den
dokter een, stak zelf een op en keek met een lachje rond.
„Ha! Ik zie verscheiden schaduwen!”
„Doe toch geen stap verder, graaf—ge wordt gearresteerd!”
„Och, dokter, maak u toch niet bezorgd! Kom toch mee! ’t Is hier te
koud! Kom een glaasje cognac drinken in het huis van graaf Selfar! En
laat ons wat babbelen en een paar sigaretten rooken.”
Marchner werd doodsbleek.
„Om Godswil—” fluisterde hij, „ge hebt mij het leven gered—ik ben u
dankbaarheid verschuldigd, maar— —”
„Ge zult verkouden worden, dokter, als ge voortdurend staat te praten”,
lachte graaf Selfar en hij sloot de deur open.
Niemand bewoog zich.
De schaduwen bleven onbeweeglijk in de nissen.
Daar kwam Jean, de huisdienaar.
Graaf Selfar keek hem eens scherp aan.
„Niets gebeurd, Jean?”
„Niets, graaf!”
„Geen brief gekomen?”
„Neen, graaf. Ik heb den spiegel al klaar gezet, opdat ge u terstond
kunt ontkleeden.”
Graaf Selfar keek zijn dienaar nog eens scherp aan en liet toen zijn
gast den salon binnentreden.
Voordat ook de graaf binnentrad, ging deze eerst naar zijn slaapkamer.
Zooals hij altijd deed, keek hij eerst eens aandachtig rond van onder
zijn half dichtgeknepen wimpers.
Daar zag hij, in den spiegel, twee vuile schoenzolen.
Hij glimlachte eens en ging naar het salon terug, zonder de
tusschendeur te sluiten, zoodat hij een ruimen blik over de slaapkamer
had.
„Maak het u gemakkelijk, dokter,” sprak de graaf en hij vulde twee
glazen uit kristallen karaffen.
Dokter Marchner viel van den eenen angst in den andere.
Hij liep naar het venster en keek eens naar buiten.
Graaf Selfar voegde zich bij hem.
„Een mooie, heldere winternacht, nietwaar, dokter? Ik sta hier soms
uren lang te kijken naar het firmament en beproef dan de geheimen te
doorgronden, die zweven tusschen hemel en aarde, als langzaam en
eentonig de sneeuwvlokken tegen het venster dwarrelen en heel Londen
hult in een sluier van kristallijnen raadselen.
„Maar gij zijt mij nog eenige opheldering schuldig, dokter. Neem het
mij niet kwalijk als ik u een vraag doe. Ik ben zoo’n soort philosoof.
Hoe hebt gij zoo kunnen toegeven aan den belachelijken hartstocht van
het spel?”
„Ik had mij al voorgenomen, graaf, u daarover eenige opheldering te
geven.
„Nog komt het mij voor, alsof ik een boozen droom heb doorleefd.
„Maar luister naar de ware oorzaak.
„Ik heb een arm meisje lief. Ja, lieve God, ze is arm, meer dan arm.
„Magda Werner heeft ook mij lief en mij daardoor gemaakt tot een der
gelukkigste stervelingen.
„Ik zou gaarne bereid zijn, alle ontberingen met haar te deelen en
vooral thans, nu de armoede zoo nijpend is in haar familie.
„Zij is een kind uit het volk, graaf, maar voor mij is zij een prinses,
want ze is edel en goed.
„En om haar een onbezorgd bestaan te kunnen verschaffen, haar, die ik
lief heb boven alles, daarom kwam ik op het rampzalige denkbeeld—nu
ja—ge kent de rest.”
Zwijgend had graaf Selfar zijn sigaret gerookt.
Hij lag nu in een Amerikaanschen schommelstoel, de groote, heldere,
donkere oogen omhoog gericht.
Toen, plotseling, sprong hij op.
„Magda Werner zegt ge, dokter?”
„Ja. Kent ge haar? Haar vader werd twee dagen geleden ontslagen uit de
fabriek van Arthur Hopp.”
„Zoo—zoo—ja! Enfin, we spreken daar morgen nog wel eens over, dokter.”
Dokter Marchner ging. Hij was moedeloos gestemd, want hij dacht, dat
hij nu wel niets meer van den graaf zou hooren.
Hij liep voort.
Maar plotseling bleef hij staan.
Hij hoorde een fluitje door de lucht snerpen en snel liep hij weg, met
kloppend hart, om niet te zien, hoe zijn weldoener geboeid werd
weggebracht.
Intusschen had graaf Selfar gescheld.
Jean trad binnen.
„Je kunt gaan slapen, Jean, ik heb je niet meer noodig.”
„Heel goed, graaf.”
Jean boog en ging.
Graaf Selfar ging naar zijn slaapkamer, draaide het electrische licht
half af en nam plaats in een leunstoel, tegenover zijn bed.
„Zeg eens, vriend,” begon hij toen, „heb je niet gezien dat beneden
duidelijk staat: voeten vegen? Je hebt mijn tapijt leelijk
vuilgemaakt.”
Geen antwoord.
„Zeg eens, hoor je niet, Marholm?”
„Meent ge mij?”
Op doffen toon kwam het van onder het bed vandaan.
„Ja, wien zou ik anders meenen? Maar kom toch hier, dan kunnen we
gezellig wat babbelen!”
Marholm kroop te voorschijn.
„Ge zijt mijn gevangene,” sprak hij toen tot graaf Selfar.
Deze lachte eens.
„Niet zoo gauw, Marholm. Ga eerst eens zitten! Je zult wel moe zijn!
Een glaasje cognac?”
„Niets!”
„Hoe dat zoo?”
„Ik ben geheelonthouder. En wees nu eens ernstig! Ge zijt mijn
gevangene!”
„Kom, kom, ik geef niet veel om de praatjes der politie!”
„Ge zijt mijn gevangene!”
En Marholm wilde naar het venster gaan om het afgesproken fluitsignaal
te geven.
Maar toen ook stond eensklaps, dreigend, graaf Selfars hooge gestalte
voor hem.
Schuimbekkend van woede haalde Marholm zijn gummistok te voorschijn.
In ’t zelfde oogenblik gaf Raffles hem een stomp tegen de keel, dat hij
ter aarde smakte.
Hij sprong echter elastisch weer op de been en vloog op graaf Selfar
af.
Maar wat was dat?
Als twee groote, lichtende sterren keken Selfars oogen den detective
aan en deze kon zich niet losmaken uit die ban.
Slap viel zijn hand met den gummistok langs zijn lichaam.
En als van uit de verte klonken hem de woorden in het oor:
„Slaap!”
Alles werd zwart om hem heen.
Alles werd nacht.
„Ge slaapt. Weet ge, wie ge zijt? Neen, ge weet het niet!”
„Ja——ik—weet—het!—Ik—ben—Mar—Mar,” maar verder kwam hij niet.
„Neen. Ge zijt Raffles.”
„Raffles?”
„Ja. Ge zijt Raffles. Wie zijt ge?”
„Mar——ik ben Raffles!”
„Wie?”
„Raffles!”
„Zeg het nog eens!”
„Raffles!”
„Goed. Ge zijt Raffles! En ge zijt naar huisgegaan om te slapen, omdat
ge vermoeid zijt. Nietwaar?”
„Ja!”
Graaf Selfar bekeek den slapende een oogenblik en haalde toen een etui
te voorschijn.
In dit oogenblik stak Jean die voortdurend door het sleutelgat geloerd
had, zijn hoofd binnen de deur.
„Wil ik, graaf?”
„Durf je?”
„Maar natuurlijk!”
„Kom dan hier!”
„Tot uw dienst!”
En Jean begon in te zeepen.
„Snor en baard, allebei afscheren, Jean. Trek hem dan de uniform uit,
leg ze voor mij klaar en stop hem in bed. Trek hem eerst een van mijn
zijden nachthemden aan.”
„Uitstekend, graaf.”
En Jean toog aan het werk.
Met de handigheid van een tooneelspeler plakte nu Raffles zich een
baard aan het gezicht, die sprekend geleek op dien, welken Marholm had
gedragen.
„Het staat me niet, maar het beantwoordt aan zijn doel,” mompelde
Raffles.
Hij zette den helm op en opende het venster.
Een fluitsignaal weerklonk.
Hevig spektakel volgde.
Van alle kanten stormden de agenten de halfdonkere slaapkamer binnen,
nadat zij zich toegang tot het huis hadden verschaft.
„Chef?”
Raffles hield den vinger op den mond.
„Sst! Hij slaapt! Heb je de boeien?”
„Ja, chef!”
„Vooruit dan!”
Raffles tikte den slapende op den neus.
„Hé, word eens wakker!”
„Wa—wat is er?”
„Dat zult ge wel zien”
„Hèèè— —
„Zijt ge Raffles?”
„Ik?? Ja—ik ben Raffles.”
„Allo, jongens!”
En Marholm werd door twaalf paar handen uit bed gesleurd, in een deken
gewikkeld en in het rijtuig gedragen, dat al klaar stond.
Raffles was intusschen naar zijn badkamer gegaan.
Daar had hij zich vliegensvlug verkleed, een pelsjas aangeschoten, een
hoogen hoed opgezet en het huis verlaten.
„Waar is de chef?” vroegen de agenten.
Zij zochten Marholm, maar toen ze hem niet vonden, dachten ze, dat hij
al vooruit was gegaan.
Raffles intusschen had in een telefoonbureau Scotland Yard opgescheld.
„Daar Scotland Yard? Hier Raffles!—Wat?—Ja, hier Raffles!—Ik wilde u
even meedeelen, dat ik detective Marholm naar u toe heb gestuurd.—Hij
lag bij mij te slapen!—Wat?—Waar ik nu ben?—Telefoon-automaat nummer
17.—Wat? Ik heb geen tijd meer!—Tot later!”
Toen reed Raffles naar het Metropol hotel, waar hij Charly Brand den
volgenden dag zou ontmoeten.