„Ik zou toch wel eens willen weten, hoe die „Overal en Nergens” weet,
wat ik onze club gezegd heb,” zei mr. Hopp tot verscheiden heeren, die
in zijn studeerkamer stonden en als een levende muur geschaard waren om
de reusachtige ijzeren brandkast.
„Raffles hoort alles,” antwoordde inspecteur Baxter, „maar ik wil toch
wel wedden, mr. Hopp, dat we dat heerschap, dat geheel Londen onveilig
maakt, binnen drie dagen te pakken hebben. Ik heb al wel andere stukjes
geleverd.”
Hij zweeg eenige oogenblikken en de anderen knikten toestemmend, als om
kracht bij te zetten aan zijn woorden.
„Het is al heel brutaal,” zei nu de fabrikant Hopp, „om mij een
boodschap te sturen, zooals Raffles heeft gewaagd, terwijl hij nog eens
halfluid den brief las, die voor hem op de groene tafel lag:
„Aan James Hopp & Co., Londen.
„Waarde Heer!
„Ik heb, twaalf uur geleden, gehoord, dat ge in uw club u op zeer
gewaagde manier hebt uitgelaten. Ge hebt beweerd, dat Raffles u
nooit een bezoek zou kunnen brengen, zonder dat ge hem dadelijk
herkendet en dat het beslist onmogelijk was, u te bestelen.
„En, mr. Hopp, ge hebt aan deze bewering nog enkele woorden
toegevoegd, die nu juist geen vleierijen aan mijn adres inhielden.
Daar ik juist van plan was, weer eenige armen te ondersteunen,
komen de gelden, waarover gij hebt te beschikken, mij juist van
pas. Ge zult toch zeker niet zoo laf zijn, uw ijzeren brandkast,
die naar het nieuwste systeem vervaardigd is, te ledigen en uw
papieren van waarde een Bank toevertrouwen. Ik neem uw uitdaging
aan, die mij buitengewoon veel genoegen heeft verschaft en deel u
mede, dat ik morgen, tusschen drie en vijf uur, het genoegen zal
hebben u te bezoeken. Ik ben van plan om vijfhonderd pond uit uw
brandkast te nemen.
„Dat ik mij door niets en door niemand van mijn voornemen zal laten
weerhouden, zult ge zeker wel begrijpen, mijn persoon in aanmerking
genomen.
„Tot weerziens dus!
„Uw toegenegen
JOHN C. RAFFLES.”
Fabrikant Hopp keek om met een lichte rilling, toen hij den naam van
Raffles herhaalde en hij had een gevoel alsof de Groote Onbekende al in
het bureau rondspookte.
Maar niemand was aanwezig dan de vier detectives, die onder leiding van
Baxter de brandkast bewaakten.
De inspecteur lachte, toen Hopp den brief had uitgelezen.
„Dat is immers dwaasheid! Groote dwaasheid! De Groote Onbekende denkt
overal mee te kunnen spotten, maar dezen keer heeft hij zich toch eens
leelijk in de vingers gesneden! Ik, inspecteur Baxter, zal hem op
heeterdaad betrappen, hem de hand op den schouder leggen en zeggen:
„Waarde Raffles, het is ons een groot genoegen, dat ge ons hebt
opgezocht! Wij zullen ons best doen, u zoolang mogelijk bij ons te
houden!”
Allen lachten.
In hetzelfde oogenblik ging de deur open.
Het werd doodstil.
Een livreiknecht trad binnen en bracht op een zilveren blad een
visitekaartje.
„Frits Reinhard, ingenieur,” las hij, „laat binnenkomen!”
Even later trad een slankgebouwde jongeman binnen, keurig gekleed, het
haar in het midden gescheiden.
„Ingenieur Reinhard,” stelde hij zich voor. „Ik kom namens de firma
Kohlenhorst en Rifling, om met u te onderhandelen over een af te
sluiten contract betreffende ijzerwerken.
„Ge weet, mijnheer Hopp, dat de kansen voor u zeer gunstig zijn en dat
ge goede zaken kunt maken.”
De ingenieur sprak nog over verscheiden andere dingen.
Intusschen naderde hij schijnbaar geheel toevallig de brandkast, keek
eens naar de constructie, terwijl hij onophoudelijk verder redeneerde
en liet de rechterhand langs het zeer ingewikkelde slot glijden, alsof
hij naar een geheime veer zocht.
„Halt!” schreeuwde nu Hopp plotseling uit en in het volgende oogenblik
reeds had hij de revolver gegrepen, die op zijn schrijftafel lag en
hield deze den ingenieur onder den neus.
Deze maakte een sprong zijwaarts en sloeg den uitgestrekten arm van den
fabrikant naar boven, zoodat het schot krakende tegen den zolder vloog.
„Zijt ge gek geworden?” riep de ingenieur uit. „Help! Help!”
„Wij komen al!” deed nu inspecteur Baxter zich hooren, die zich met de
detectives in het aangrenzend vertrek had verstopt en thans voor den
dag kwam.
In een oogenblik was de geheimzinnige ingenieur door hen omringd en
vastgehouden, zoodat hij geen beweging kon maken.
„Gij zijt Raffles,” sprak Baxter kortaf.
De ingenieur keek den inspecteur met groote oogen aan.
„Raffles? Ik Raffles? Ge zijt krankzinnig! Ik ben ingenieur Reinhard,
begrepen? Staat heel Londen dan op z’n hoofd?”
„Geen uitvluchten!” antwoordde Baxter op strengen toon, „ge zijt op
maar al te opmerkelijke wijze de brandkast genaderd.”
„Natuurlijk! Ze trok mijn opmerkzaamheid!”
„Aha! Zoozoo! Ge wildet de constructie van het slot leeren kennen!”
„Juist. Is dat hier verboden?”
„Neen. Maar waarom stelt ge er zooveel belang in?”
„Omdat wij brandkasten fabriceeren en ik mijn firma vertegenwoordig!”
Maar de inspecteur noch Hopp geloofden dit praatje en de rechercheurs
brachten den gevangene in een aangrenzende kamer om hem, als het donker
zou zijn geworden, zonder dat het opzien baarde aan de politie over te
leveren.
Intusschen kwam de livreiknecht voor den tweeden keer binnen.
In militaire houding bleef hij voor Hopp staan en zei:
„Frans Werner vraagt den heer Hopp te spreken.”
De wenkbrauwen van den fabrikant fronsten zich.
„Frans Werner, de meesterknecht, dien ik ontslagen heb? Enfin! Laat hem
maar hier!”
De gearresteerde werd in de aangrenzende kamer door een der
rechercheurs bewaakt, de anderen hadden zich voor de brandkast op post
gesteld.
De oude man, die gebukt de kamer binnentrad, keek geheel verbluft naar
de uniformen voor de brandkast.
Frans Werner was van denzelfden leeftijd als Hopp.
Maar wat een verschil!
Daar achter de schrijftafel stond de zestigjarige man hoogopgericht met
volle wangen, en blonden, een weinig grijzenden baard—en tegenover hem
de door ouderdom en zorgen gebogen man met het ongeschoren gelaat en
diepliggende oogen.
„Ik wil u alleronderdanigst verzoeken, meneer Hopp,” begon de oude man
met gebroken stem.
„Ik wil niets weten! Wie heeft jouw dochter gezegd, dat ze het met mijn
zoon moest aanleggen? De duivel mag haar halen! Als ik de macht er toe
had, zou ik haar door de honden laten doodbijten!”
„Waarom spreekt ge zoo hard over mijn kind? Uw zoon heeft toch de
grootste schuld. Hij had moeten weten, dat— —”
„Spreek alsjeblieft op een anderen toon over mijn zoon!” sprak Arthur
Hopp op dreigenden toon, terwijl de aderen op zijn voorhoofd opzwollen.
Dat was te veel voor den ouden man, die sinds vier-en-twintig jaren
Hopp trouw gediend had.
Zijn adem joeg; hij richtte zich half op en zei, terwijl zijn stem een
harden klank kreeg:
„Wat zegt ge? De arme meisjes uit het volk hebben evenveel behoefte aan
een beetje glans en schoonheid als ieder ander. Is het dan een wonder,
dat het den rijken jongelieden heel gemakkelijk gelukt haar het hoofd
op hol te brengen?
„Ja, mijn dochter heeft uw zoon liefgehad—innig liefgehad, totdat zij
inzag, dat zij bedrogen werd en zij het ware karakter van uw zoon
leerde kennen.
„Hij is de verleider en in plaats dat ik hier als smeekende moest
staan, moest ik de aanklager zijn. Alleen dan ook omdat mijn kind rein
gebleven is en omdat zij begrepen heeft, dat zij niet het slachtoffer
mocht worden van een verdorven zoon van rijke lieden, daarom—”
Arthur Hopp liet den ouden man niet uitspreken. Zoo iets had nog geen
sterveling hem ooit toegevoegd.
„Er uit!” gilde hij, „er uit, of ik neem de hondenzweep.”
Frans Werner knikte.
„Ik had gedacht, dat het anders zou loopen,” prevelde hij voor zich
heen, „nu is alle hoop verdwenen. Midden in den winter en geen werk—”
Hij liep met gebukten hoofde door de aangrenzende vertrekken, terwijl
hem een traan in den grauwen baard rolde.
In de wachtkamer ontmoette bij een elegant gekleeden jongen man.
„Wel oude, de zaak is niet naar wensch gegaan?” zei deze heer met een
lachje.
Frans Werner maakte een stom gebaar.
„Ik zal je eens wat zeggen, Werner,” vervolgde de heer, „kom over—wacht
eens—over drie dagen terug en ga dan kalm aan het werk. Ge zijt weer
aangenomen, Werner!”
De arbeider keek verbluft, zonder te weten wat hij moest antwoorden,
den vreemdeling aan.
De elegante jonge man scheen de gedachten van den oude te raden.
„Ge twijfelt er aan, of ik wel gerechtigd ben om je weer aan te nemen?
Heb geen zorg, alles komt terecht.”
De dienaar kwam binnen.
„Mr. Hopp wacht u, sir!”
De jonge man trok zijn handschoenen uit en volgde.
Vijf paar oogen richtten zich doorborend op hem. Hij gaf den fabrikant
de hand:
„Ge hebt op mijn kaartje reeds gezien, mr. Hopp,” begon hij, „dat ik
detective ben. De Fransche politie stuurt mij. Ik wil en moet Raffles
vangen tot elken prijs. Ha”—detective Mouris keek eens naar de
rechercheurs—„ik zie, dat je er voor gezorgd hebt, dat Raffles op
waardige wijze kan worden ontvangen! Dat is goed! Heel goed! Maar
vertel mij eens, inspecteur”— —Mouris wendde zich tot den betreffende,
die, met half overtuigden, half wantrouwenden blik toekeek—„ik hoorde,
dat ge hier met vier rechercheurs waart gekomen. Waar is de vierde?”
Mouris sprak op zoo beslisten toon, dat Baxter geen antwoord kon
weigeren.
„Wij hebben Raffles al gesnapt, mijnheer Mouris, ten minste, we zijn
zoo goed als zeker van de zaak. We hebben in ieder geval iemand, die
sprekend op hem lijkt en verdachte allures er op na houdt.”
Detective Mouris keek op.
„Hebt ge hem al? Maar chef, dat zou een schitterend succes zijn! Laat
mij dien knaap eens zien!”
„Met alle genoegen, monsieur Mouris!” antwoordde Baxter en hij bracht
den detective naar het aangrenzend vertrek.
Nauwelijks had Mouris den gevangene aangezien of hij riep in de
grootste opwinding:
„Dat is hij, mr. Hopp, dat is hij! Mijn hand er op, dat is Raffles!”
Detective Mouris leunde daarbij met beide handen op de schrijftafel,
juist voor Hopp en terwijl de rechercheurs, die om de kast heen
stonden, den detective in het gelaat keken en ook de fabrikant hem in
de oogen zag, gleed de hand van den Franschman tastend over het groene
laken van de schrijftafel en liet het chèque-boek der firma Hopp en
Co., waarin nog een vijftal blanco-chèques zaten, die de fabrikant voor
zijn procuratiehouders reeds onderteekend had, in zijn mouw glijden.
„Zijt ge er zeker van, dat het Raffles is? Hebt ge hem herkend?” vroeg
Hopp. „Dat zou een groote geruststelling zijn, want ik beef voor mijn
vermogen! Waar ik heenkijk, meen ik Raffles te zien!”
Detective Mouris maakte een afwerende handbeweging.
„Maak u niet bezorgd, mr. Hopp! Het is Raffles! Ik zal dadelijk naar
het telegraafbureau gaan om den Parijschen bladen deze reuzenvangst te
berichten! Inspecteur, ge zult de held van den dag zijn, ik voorspel
het u!”
„Heel vleiend voor mij, mijnheer Mouris!” antwoordde Baxter, terwijl
hij dankbaar boog.
Detective Mouris stak zijn linkerhand in den zak, hield ze er eenige
oogenblikken in, haalde zijn horloge te voorschijn en zei:
„Drommels! Half vijf! Ik moet mij naar het telegraafkantoor haasten!
Excuseer mij, mr. Hopp! Ik kom zeker terug. Ik moet nog eens het
genoegen hebben, u te bezoeken! Tot weerziens, inspecteur! Wij zullen
elkaar nog wel eens spreken!”
„Te veel eer,” antwoordde Baxter, die in de wolken was over den lof,
hem door zijn Franschen collega toegezwaaid.
Geruischloos opende de lakei de vleugeldeur voor monsieur Mouris.
Baxter keek uit het raam.
„’t Is nog niet donker genoeg”, sprak hij, „we zullen nog een half uur
wachten.”
Mouris kwam nog even terug.
„Is ’t veroorloofd, mr. Hopp”, vroeg hij, „dat ik even van uw telefoon
gebruik make?”
„Met genoegen!”
Mouris ging naar de schrijftafel, nam de telefoon en riep het Palace
Hotel op.
„Is daar de portier? Hier detective Mouris! Wilt ge mijn koffer van
mijn kamer laten halen? Om zes uur ga ik naar Parijs terug!”
Mouris dankte glimlachend en hing toen den microfoon aan den verkeerden
kant van het apparaat, zoodat dit uitgeschakeld was.
Toen ging hij.
„Een nette kerel,” meende Hopp, „die Franschen zijn toch kwieke lui!”
Baxter antwoordde:
„Maar Raffles hebben ze toch niet gesnapt, mr. Hopp!”
Toen keek hij eens met grimmigen blik naar de deur, waarachter
ingenieur Reinhard zat, bewaakt door een rechercheur, die hem geen
seconde uit het oog verloor.
Mouris intusschen was op straat aangeland.
Daar vond hij een jongeman, die hem opwachtte.
„O, ben je daar al, Charly! Dat is mooi op tijd!
„Hier heb je vier chèques. Vlieg naar de Bank van Engeland, boy en laat
je het geld uitbetalen. Wacht, ik zal de chèques eerst invullen.
Tweeduizend en tweeduizend is vierduizend en vijfhonderd, is
vijf-en-veertig honderd pond.
„Wacht nog even, Charly!”
„’t Is beter, als je niet naar het hotel terug gaat. Wij zien elkaar
vanavond in mijn huis wel terug. Tot straks dan!”
Charly Brand, de secretaris van lord Lister—want deze en niemand anders
was de detective Mouris, nam den hoed af en ging heen om de chèques te
innen.
Lord Lister echter ging naar het naastbijgelegen telefoonbureau en liet
zich verbinden met de Bank van Engeland.
„U spreekt met de machinefabriek van Hopp en Co. Hier Hopp. Ik wilde u
even zeggen, dat u over een kwartier eenige chèques ter inning zullen
worden aangeboden! Goeden dag!”
De elegante jonge man ging nu weer de straat op. Hij ging een café
binnen, liet zich papier en inkt brengen en schreef het volgende:
„Inspecteur Baxter, p/a fabrikant Hopp.
„Ik raad u aan, beste vriend, den jongeman dien ge gearresteerd
hebt, dadelijk vrij te laten, als ge niet in groote
onaangenaamheden wenscht te komen. Voorts groet ik u vriendelijk,
chef, en ik geef u de verzekering, dat ge morgen de held van Londen
zult zijn! Voor uw gewaardeerde hulp bij het nakomen van mijn
belofte, dank ik u hartelijk.
„JOHN C. RAFFLES.”
Toen schreef hij een tweeden brief aan mr. Hopp:
„Wilt ge u bij de Bank van Engeland ervan overtuigen, dat ik mijn
belofte reeds grootendeels ben nagekomen? Ik dank u voor uw
tegemoetkoming en hoop, dat wij elkaar spoedig zullen weerzien. Het
geld, waarvan gij veel te veel bezit en dat ik, naar aanleiding van
mijn belofte gehaald heb, zal ik matig gebruiken en daardoor een
klein deel der schuld afdoen, die gij tegenover de armen op u hebt
geladen.
„JOHN C. RAFFLES.”
Lord Lister liet een kruier komen, gaf hem beide brieven en keek op
zijn horloge.
„Tien minuten vóór vijf! De man heeft vijf minuten noodig om de brieven
te bezorgen. Twee minuten later zit Baxter mij al achterna—ik heb dus
nog drie minuten om mijn belofte heelemaal na te komen.”
En lord Lister stak een sigaret aan, betaalde zijn koffie en slenterde
langzaam naar het huis van Hopp. Drie minuten later overhandigde de
bediende de beide brieven, die door den kruier gebracht waren.
Baxter en Hopp openden en lazen het schrijven terzelfder tijd.
En ook gelijktijdig lieten zij het papier vallen en keken elkander aan
met onbeschrijflijke gezichten.
Toen strekte Hopp beide armen in de lucht als een drenkeling, terwijl
zijn gelaat donkerrood getint werd.
„Dat is uw schuld, inspecteur”, brulde hij, en hij nam de telefoon. Als
razend draaide hij de kruk.
„De Bank van Engeland!—Spreek ik met de Bank? Hier Hopp en Co. Hebt ge
de chèques?—Wat?—Hebt ge al uitbetaald? In naam van alle levende
duivels—heb ik u soms opdracht gegeven?—Hoe komt ge er bij!—Wat?—Hebt
ge zeven keer getelefoneerd?—Geen antwoord gekregen? Ach — —”
Hopp gooide de microfoon op tafel, zoodat hij middendoor brak. En
terzelfdertijd ging den fabrikant een licht op, zoo groot als een
electrische booglamp.
„Hij heeft de telefoon verkeerd opgehangen! De chèques heeft hij me
ontstolen! En dat alles voor mijn oogen! Maar voor den duivel, waarvoor
staat gij dan hier met vier detectives om mijn brandkast te bewaken! O,
die Raffles! Heel Londen maakt hij gek!” schreeuwde Hopp uit.
Nu gooide Baxter het hoofd in den nek.
„Wie de schuld heeft? Gij zelf, mr. Hopp! Hebt ge dien Raffles niet
dadelijk de hand gegeven? Gij hebt ons al die ellende berokkend! Maar
nu ook is het met hem gedaan—heeft zijn laatste uur geslagen. Hij heeft
zich zelven in onze handen overgeleverd!”
Baxter vloog naar de deur, stiet ze open en riep uit:
„Laat dien heer vrij!—Neem mij niet kwalijk, mijnheer de ingenieur! Een
klein misverstand! Ge kunt Raffles danken! Overal, waar schurkerij
gepleegd wordt, heeft Raffles de hand in het spel.”
Toen wendde de inspecteur zich tot de detectives:
„Volgt mij! Wij moeten het Palace-Hotel aan vier zijden omsingelen. En
telefoneer ondertusschen naar Scotland-Yard, dat alle stations bezet
worden. Hij zal en mag ons dit keer niet ontsnappen!”
„Ik sluit mij bij u aan”, zei Hopp, terwijl hij zich hoed, jas en stok
liet brengen. „ik wil er bij zijn, als Raffles wordt ingerekend. En
mijn zuurverdiend geld wil ik terug hebben!”
Onder groot lawaai trokken de politiemannen er op uit.
Na verloop van een minuut was geen sterveling meer te bekennen in het
bureau van den fabrikant.
Het was twee minuten vóór vijven, toen dezelfde jongeman, die zich
eerst als detective Mouris had voorgesteld en die Baxter in zoo groote
ongelegenheid had gebracht, met een looper de hoofddeur van het huis
opende en binnentrad.
Hij floot een wijsje uit „Het vroolijke weeuwtje” en naderde de groote
brandkast. Voorzichtig liet hij de gordijnen voor de vensters vallen en
begon nu het ijzeren gevaarte te openen.
„Ha! Nieuwe constructie”, fluisterde hij, „óók al goed!”
De groote fabrieksklok sloeg vijf uur.
Krakend vloog de deur der brandkast open. Meer dan vierduizend pond
lagen, deels in goud, deels in papier, voor de oogen van Raffles.
„Jammer!” mompelde hij, „ik had ook het dubbele kunnen gebruiken.”
Hij telde het geld op tafel uit, sloot de kast en ging naar de andere
kamer, waar hij de telefoon afhaakte.
„Palace Hotel, alstublieft!—Spreek ik met Palace Hotel?—Is inspecteur
Baxter daar?—Ja?—Och, mag ik hem even aan de telefoon?—Hallo,
Baxter!—Hier, Raffles!—Doe verder geen moeite, beste kerel!—Ik ben
verhinderd in het hotel terug te komen!—’t Spijt me wel!—Wat?—Waar ik
nu ben?—Bij Hopp en Co.!—Zeg mr. Hopp, dat ik mijn belofte gehouden
heb!—’t Is juist vijf uur!—Tot weerziens!”
Hij hing het apparaat, dat gebroken was, weer op en ging naar de
werkkamer van den secretaris.
Tusschen een hoop paperassen, die in een aktentasch geborgen waren,
vond hij daar al heel spoedig het schriftelijk ontslag van Frans
Werner.
Hij ging voor de schrijftafel zitten en schreef den bejaarden werkman
een brief, waarin werd meegedeeld, dat het ontslag was ingetrokken.
„Voor uw langdurigen, trouwen diensttijd in mijn fabriek”, stond
er, „stuur ik u hierbij een som van honderd pond, die ge naar eigen
goedvinden moogt aanwenden. Over vier dagen kunt ge weer in dienst
komen.
„HOPP & Co.”
Raffles nam het stempel, drukte het af onder de onderteekening,
verzegelde den brief en verliet het bureau om dit schrijven op de bus
te gooien.
Toen begaf hij zich naar zijn woning.