JAVERT IS TEVREDEN.

Ziehier wat gebeurd was.

't Was half één 's nachts, toen de heer Madeleine de gerechtszaal te

Arras had verlaten. Hij was tijdig genoeg in zijn herberg teruggekomen

om met de postkar te kunnen vertrekken, waarop hij, zooals men zich

herinnert, een plaats besproken had. Even voor zes uren in den morgen

was hij te M. sur M. aangekomen; en het eerst wat hij deed was zijn

brief aan den heer Laffitte naar de post te brengen, vervolgens in

de ziekenzaal Fantine te bezoeken.

Hij had echter nauwelijks de gerechtszaal verlaten, of de

advocaat-generaal herstelde zich van zijn eerste verbazing en nam

het woord, om de krankzinnige daad van den achtenswaardigen maire

van M. sur M. te betreuren; te verklaren, dat door dat zonderling

geval, 't welk zich later wel zou ophelderen, zijn overtuiging in

't minst niet veranderd was, en dat hij de veroordeeling eischte

van dezen Champmathieu, die blijkbaar de wezenlijke Jean Valjean

was. De halsstarrigheid van den advocaat-generaal was blijkbaar in

weerspraak met het gevoelen van allen, van het publiek, van het hof,

van de gezworenen. Het had den verdediger weinig moeite gekost deze

rede te bestrijden, en te betoogen, dat, tengevolge der verklaringen

van den heer Madeleine, dat is van den wezenlijken Jean Valjean, de

zaak geheel van gedaante was veranderd en de gezworenen een onschuldige

voor zich hadden. De advocaat haalde daarbij eenige voorbeelden aan,

die echter niet heel nieuw waren, van rechterlijke vergissingen

enz. enz.; de president had zich in zijn résumé bij den verdediger

gevoegd, en in weinige minuten hadden de gezworenen Champmathieu

buiten beschuldiging gesteld.

Maar de advocaat-generaal moest een Jean Valjean hebben, en nu hij

Champmathieu niet meer had, nam hij Madeleine.

Onmiddellijk na de invrijheidstelling van Champmathieu, sloot de

advocaat-generaal zich met den president op. Zij raadpleegden "over

de noodzakelijkheid om zich van den persoon van den maire van M. sur

M. te verzekeren." Deze zinsnede, met al de van's, was geschreven met

de eigen hand van den advocaat-generaal in het klad van zijn rapport

aan den prokureur-generaal. Toen de eerste aandoening voorbij was,

maakte de president slechts weinig tegenwerpingen. Het gericht moest

zijn loop hebben. En, om alles te zeggen, ofschoon de president een

goed en verstandig man was, was hij terzelfder tijd een zeer vurig

koningsgezinde, en hij had er zich over gebelgd gevoeld, dat de maire

van M. sur M., toen deze van de landing te Cannes sprak, de keizer

en niet Bonaparte had gezegd.

Het bevel tot gevangenneming werd dus uitgevaardigd. De

advocaat-generaal zond het met een bijzonderen ijlbode naar M. sur

M. en belastte er den inspecteur Javert mede.

Men weet dat Javert terstond na de aflegging zijner verklaring naar

M. sur M. was teruggekeerd.

Javert was juist opgestaan, toen de bode hem het bevel tot aanhouding

en overbrenging ter hand stelde. De bode zelf was een ervaren

politieagent, die Javert in een paar woorden met het gebeurde te Arras

in kennis stelde. Het bevel tot aanhouding, door den advocaat-generaal

onderteekend, luidde aldus: "De inspecteur Javert zal zich van den

persoon van den heer Madeleine, maire van M. sur M. verzekeren,

die in de terechtzitting van heden als de gewezen tuchteling Jean

Valjean herkend is geworden."

Wie Javert niet had gekend en hem op het oogenblik gezien had,

toen hij zich in de voorkamer der ziekenzaal begaf, zou niet hebben

kunnen gissen, wat in hem omging, en niets buitengewoons op zijn

gelaat gevonden hebben. Hij was koel, ernstig, rustig; zijn grijs

haar was heel glad langs de slapen gestreken, en hij was met zijn

gewone deftigheid de trap opgegaan. Wie hem nauwkeurig gekend en

hem aandachtig beschouwd had, zou gesidderd hebben. De gesp van zijn

lederen das zat, in plaats van in den nek, onder het linkeroor. Dit

verried een ongehoorde opgewondenheid.

Javert was een nauwgezet man, die noch een kreuk aan zijn plicht noch

aan zijn uniform duldde; stroef tegen de schurken, streng tegen de

knoopen van zijn rok.

Naardien hij zijn das verkeerd had omgegespt, moest een hevige

beroering in hem hebben plaats gehad, zulk eene, welke men een

inwendige aardbeving zou kunnen noemen.

Hij was eenvoudig naar den naasten wachtpost gegaan, had er een

korporaal en vier man gerequireerd, welke hij op de binnenplaats

achterliet, had zich de kamer van Fantine doen wijzen door de argelooze

portierster, die gewoon was, dat gewapende lieden naar mijnheer den

maire kwamen vragen.

Aan die kamer gekomen, draaide Javert den sleutel om, opende de deur

met de voorzichtigheid van een ziekenoppasser, of van een stillen

verklikker en trad binnen.

Eigenlijk trad hij niet binnen; hij bleef in de halfgeopende deur

staan, met den hoed op 't hoofd, de linkerhand in zijn jas, die tot

aan de kin dichtgeknoopt was. In de buiging van den elleboog kon men

den looden knop van zijn dikken stok zien, die achter hem verdween.

Zoo bleef hij bijna een minuut staan, zonder dat men zijn

tegenwoordigheid opmerkte. Eenklaps sloeg Fantine de oogen op, zag

hem en deed mijnheer Madeleine omzien.

Juist toen Madeleine's blik dien van Javert ontmoette, was Javert,

zonder zich te bewegen of te naderen, verschrikkelijk. Geen menschelijk

gevoel is in staat zoo vreeselijk te zijn als de vreugd.

Het was het gezicht eens duivels, die zijn doemeling heeft

teruggevonden.

De zekerheid, dat hij nu eindelijk Jean Valjean had, deed op zijn

gelaat al wat zijn ziel bevatte te voorschijn komen. De opgewelde grond

kwam boven 't water uit. De vernedering, dat hij een oogenblik het

spoor verloren en zich aangaande Champmathieu vergist had, verdween

onder den trots, terstond zoo goed geraden en zoo lang een juist

instinct gehad te hebben. De tevredenheid van Javert blonk uit zijn

oppermachtige houding. Het hatelijke zijner zegepraal teekende zich

af op zijn smal voorhoofd. 't Was het grootst mogelijk vertoon van

afkeer, dat een tevreden gezicht kan hebben.

Javert was op dit oogenblik in den hemel. Zonder er zich volkomen

rekenschap van te geven, doch evenwel met een donker gevoel van

zijn onmisbaarheid en zijn succes, vertegenwoordigde hij, Javert,

de gerechtigheid, het licht en de waarheid, in hun hemelsche roeping

om het kwaad uit te roeien. Hij had achter zich en om zich heen,

in een eindelooze diepte, het gezag, de rede, de veroordeeling,

het gevoel van wettigheid, de openbare straf, al de sterren; hij

beschermde de orde, hij deed uit de wet den bliksem schieten; hij

wreekte de maatschappij; hij leende de sterke hand aan de overheid;

hij stond in een stralenkrans; overigens was er in zijn overwinning

een goed deel uittarting en strijd; trotsch en opgericht vertoonde hij

in het helderst licht de onmenschelijke dierlijkheid van een wreeden

aartsengel; de vreeselijke schaduw der daad, welke hij vervulde, maakte

de flauwe flikkering van het maatschappelijke zwaard in zijn gebalde

vuist zichtbaar; gelukkig en vol verontwaardiging hield hij onder zijn

hiel de misdaad, de ondeugd, den wederstand, het verderf, de hel;

hij schitterde, verdelgde, glimlachte, en er was een onbetwistbare

grootheid in dezen monsterachtigen heiligen Michaël.

In zijn vreeselijkheid had Javert echter niets, dat op gemeenheid leek.

Eerlijkheid, oprechtheid, goede trouw, overtuiging, plichtsbesef,

zijn zaken, die, verkeerd begrepen, verschrikkelijk kunnen worden,

maar zelfs in haar verschrikkelijkheid grootsch blijven; haar

majesteit blijft het menschelijk gemoed gevoelen, ondanks haar

verschrikkelijkheid. 't Zijn deugden, die een ondeugd hebben,

de dwaling. De onmeedoogende oprechte vreugde van een geestdrijver

behoudt in haar volste wreedheid een heilloozen, maar ontzagwekkenden

glans. In zijn vreeselijk geluk was Javert, zonder dat hij het zelf

wist, te beklagen, evenals ieder, die onwetend zegeviert. Niets kon

vreeselijker en ontzettender zijn, dan dit gezicht, waarop zich,

om zoo te zeggen, al het slechte van het goede vertoonde.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 167 / 177 题