De dag begon aan te breken. Fantine had een koortsigen, slapeloozen
nacht gehad, voor 't overige vol aangename voorstellingen; tegen
den ochtend viel zij in slaap. Zuster Simplicia, die des nachts
bij haar gewaakt had, maakte van deze gelegenheid gebruik, om een
nieuwen kinadrank te bereiden. Sedert eenige oogenblikken was de
goede zuster in de apotheek met haar artsenijen en fleschjes bezig,
alles dicht onder 't gezicht houdende, uit hoofde der nog heerschende
ochtendschemering. Eensklaps wendde zij het hoofd om en slaakte een
lichten kreet. Mijnheer Madeleine stond voor haar. Hij was ongemerkt
binnengekomen.
"Zijt gij 't, mijnheer de maire?" riep zij.
Hij antwoordde met zachte stem:
"Hoe gaat het met de arme vrouw?"
"Niet erger op dit oogenblik. Maar wij zijn allen zeer ongerust
geweest."
Zij verhaalde hem, wat had plaats gehad; dat Fantine den vorigen avond
zeer erg was geweest, doch nu veel beter was, wijl zij geloofde,
dat mijnheer de maire naar Montfermeil was gegaan, om haar kind te
halen. De zuster durfde den maire hiernaar niet vragen, maar zij zag
wel aan zijn gezicht, dat hij daar niet vandaan kwam.
"Dit is alles goed," zeide hij, "ge hebt wel gedaan, haar in dien
waan te laten."
"Ja," hernam de zuster, "maar wat zullen wij haar zeggen, nu zij u
zonder haar kind zal wederzien?"
Hij bedacht zich een oogenblik.
"God zal 't ons ingeven," zeide hij.
"Men mag evenwel geen onwaarheid zeggen," mompelde de zuster
binnensmonds.
't Was nu volkomen dag geworden. Het licht viel den heer Madeleine
juist in 't gezicht. Toevallig sloeg de zuster haar oogen op.
"Mijn Hemel, mijnheer!" riep zij, "wat is uw overkomen? uw haar is
geheel en al wit!"
"Wit?" zeide hij.
Zuster Simplicia had geen spiegel; zij schommelde in een instrumentlade
en nam er een spiegeltje uit, waarvan de dokter zich in de ziekenzaal
bediende, om te onderzoeken of een zieke werkelijk dood was en niet
meer ademde. Mijnheer Madeleine nam het spiegeltje, zag er zijn haar
in en zeide: "ziedaar!"
Hij sprak dit onverschillig uit en alsof hij aan iets anders dacht.
De zuster ontstelde over het geheimzinnige, dat zij in dit alles
vermoedde.
Hij vroeg:
"Kan ik haar zien?"
"Zal mijnheer de maire heur kind niet tot haar brengen?" sprak de
zuster, die nauwelijks een vraag durfde doen.
"Zekerlijk, maar daar zijn ten minste twee of drie dagen voor noodig."
"Zoo zij mijnheer den maire vóór dien tijd niet ziet," hernam de
zuster bedeesd, "zal zij niet weten dat gij terug zijt; zij zal
dan gemakkelijk tot geduld te brengen zijn, en wanneer het kind
komt, zal zij natuurlijk denken, dat mijnheer de maire het heeft
medegebracht. Niemand zou dan een onwaarheid behoeven te zeggen."
Mijnheer Madeleine scheen zich eenige oogenblikken te bedenken,
toen zeide hij met kalmen ernst:
"Neen, zuster, ik moet haar zien. Er is misschien haast."
De geestelijke zuster scheen het woord "misschien" niet op te merken,
dat een vreemden, duisteren zin aan de woorden van mijnheer den maire
gaf. Met nedergeslagen oogen en op eerbiedigen toon antwoordde zij:
"Zij slaapt; maar mijnheer de maire kan binnengaan."
Hij maakte eenige aanmerkingen wegens een deur, die niet goed sloot,
en welker gerucht de zieke kon wekken; toen trad hij in de kamer
van Fantine, naderde het bed en sloeg de gordijnen half open. Zij
sliep. Haar adem kwam uit de borst op met het akelig geluid, aan die
soort van ziekten eigen, en 't welk het hart der moeder verscheurt, die
's nachts bij haar kind waakt. Deze moeielijke ademhaling verstoorde
evenwel de onbeschrijfbare kalmte niet, die op haar gelaat lag en haar
in haar slaap als herschiep. Haar bleekheid was blankheid geworden;
haar wangen waren blozend. Haar lange blonde oogharen, het eenige
schoon, dat haar van haar jeugd was overgebleven, trilden, hoewel de
oogleden neergeslagen en gesloten bleven. Haar geheele lichaam rilde
als door het kleppen van vleugelen, die zich uitbreidden om haar weg
te voeren, en welke men voelde bewegen, maar niet zag. Als men haar
aldus zag, kon men niet gelooven dat haar toestand hopeloos was. Zij
scheen eerder te willen wegvliegen, dan te sterven.
De tak beeft, zoo een hand nadert om de bloem te plukken, en schijnt
zich tevens terug te trekken en zich aan te bieden. Het menschelijk
lichaam heeft iets van deze beving, wanneer 't oogenblik nadert,
dat de geheimzinnige vingers van den dood de ziel komen plukken.
Madeleine bleef eenigen tijd bewegingloos voor het bed staan en
aanschouwde beurtelings de zieke en het kruisbeeld, evenals hij
twee maanden geleden deed, op den dag, toen hij haar voor het eerst
in deze wijkplaats bezocht. Beiden bevonden zich daar nu weder in
dezelfde houding; zij sliep, hij bad; maar thans, na verloop dezer
twee maanden, was Fantine's haar grijs, het zijne wit.
De zuster was niet met hem binnengegaan. Hij stond bij het bed met
den vinger op de lippen, als ware er iemand in de kamer, wien hij
het zwijgen gebood.
Zij opende de oogen, zag hem en zeide kalm en glimlachend:
"En Cosette?"