Hij was 't inderdaad. De lamp van den griffier bescheen zijn
gelaat. Hij had den hoed in de hand, zijn kleeding was in volkomen
orde, zijn jas zorgvuldig dichtgeknoopt; maar hij was zeer bleek en
beefde eenigszins. Zijn haar, bij zijn aankomst te Arras nog grijs,
was thans heel wit. 't Was sinds een uur, dat hij zich daar bevond,
wit geworden.
Aller hoofden richtten zich op. De opschudding was onbeschrijfelijk. De
toeschouwers verkeerden voor een oogenblik in geweldige spanning. De
stem was zoo heftig geweest, de man, die daar stond, scheen zoo
bedaard, dat men aanvankelijk niets begreep. Men vroeg elkander,
wie gesproken had. Men kon niet gelooven, dat het deze kalme man was,
die zoo luid had geroepen.
Deze onzekerheid duurde slechts eenige seconden. Zelfs vóór de
president en de advocaat-generaal een woord hadden kunnen zeggen,
vóór de gendarmen en deurwaarders iets hadden kunnen doen, was de
man, dien allen nog mijnheer Madeleine noemden, naar de getuigen
Cochepaille, Brevet en Chenildieu gegaan.
"Herkent ge mij niet?" zeide hij.
Alle drie waren verwonderd en gaven door een hoofdbeweging te verstaan,
dat zij hem niet kenden. Cochepaille groette in zijn verwarring door
op militaire wijze aan te slaan. De heer Madeleine wendde zich tot
de gezworenen en het hof, en zeide met zachte stem:
"Mijne heeren gezworenen! stelt den beschuldigde in vrijheid. Mijnheer
de president! laat mij in hechtenis nemen. De man, dien gij zoekt,
is niet hij, maar ben ik. Ik ben Jean Valjean."
Allen hielden den adem in. Op de eerste aandoening van verbazing
was een doodsche stilte gevolgd. Men voelde in de zaal die soort
van eerbiedige huivering, welke de menigte bevangt, wanneer iets
ontzettends geschiedt.
Het gezicht van den president drukte genegenheid en droefheid uit; hij
had een snellen blik met den advocaat-generaal en eenige fluisterende
woorden met de raadsheeren gewisseld. Toen wendde hij zich tot het
publiek, en op een toon, die door allen begrepen werd, vroeg hij:
"Is hier een geneesheer tegenwoordig?"
Daarop nam de advocaat-generaal het woord en zeide:
"Mijne heeren gezworenen, het even zonderling als onverwacht voorval
dat de zitting stoort boezemt ons, evenzeer als u, een gevoel in,
dat wij niet behoeven uit te drukken. Gij kent allen, ten minste bij
naam, den achtenswaardigen heer Madeleine, maire van M. sur M. Zoo
een geneesheer in de zaal tegenwoordig is, vereenigen wij ons met
mijnheer den president, om hem te verzoeken den heer Madeleine bij
te staan en hem naar zijn woning te geleiden."
Mijnheer Madeleine liet den advocaat-generaal niet uitspreken. Hij viel
hem op een kalmen doch tevens nadrukkelijken toon in de rede. Ziehier
de woorden, die hij sprak, letterlijk, zooals ze terstond na de
zitting door een der getuigen van dit tooneel werden opgeschreven,
en zooals ze thans nog in de ooren weerklinken van hen, die ze nu
bijna veertig jaren geleden gehoord hebben.
"Ik dank u, mijnheer de advocaat-generaal, maar ik ben niet
krankzinnig. Ge zult er u van overtuigen. Gij waart op het punt, een
groote dwaling te begaan; laat dezen man vrij, ik vervul een plicht:
ik ben die ongelukkige veroordeelde. Ik ben de eenige, die de zaak
duidelijk ken en ik zeg u de waarheid. God, die hier boven is, ziet wat
ik op dit oogenblik doe, en dat is voldoende. Ge kunt mij laten vatten,
want hier ben ik. Ik had echter gedaan wat ik kon. Ik heb mij onder
een anderen naam verborgen; ik ben rijk geworden, ben maire geworden;
ik wilde onder de eerlijke menschen terugkeeren. 't Schijnt, dat dit
niet mogelijk is. Vele dingen kan ik u niet zeggen, ik zal u mijn
levensloop niet verhalen, eenmaal zal men dien te weten komen. 't Is
waar, dat ik Monseigneur den bisschop bestolen heb; 't is ook waar,
dat ik den kleinen Gervais heb afgezet. Men heeft terecht gezegd, dat
Jean Valjean een zeer erge misdadiger was. Misschien heeft hij echter
niet geheel en al schuld. Mijne heeren de rechters, een man, zoo diep
gezonken als ik, heeft de Voorzienigheid niet te berispen noch der
maatschappij raad te geven; maar laat ik u zeggen, dat de onteering,
waaruit ik gepoogd heb mij op te heffen, een zeer noodlottige zaak
is. De galeien maken den galeislaaf. Bedenkt dit wel. Vóór ik in het
bagno kwam, was ik een arme boer, zeer weinig ontwikkeld, een soort
van onnoozele; het bagno heeft mij veranderd. Ik was dom, ik ben slecht
geworden; ik was een blok hout, ik ben een klomp vuur geworden. Later
hebben zachtmoedigheid en goedheid mij gered, evenals strengheid
mij verdorven had. Maar vergeving, gij kunt niet begrijpen wat ik
zeg. In mijn huis zult ge in de asch van den haard het tweefrancstuk
vinden, dat ik vóór zeven jaar den kleinen Gervais ontnam. Ik heb
hier niets meer bij te voegen. Neemt mij gevangen. Mijn God! mijnheer
de advocaat-generaal schudt het hoofd; gij zegt: De heer Madeleine is
krankzinnig geworden; gij gelooft mij niet. Dit is treurig. Veroordeelt
ten minste dezen man niet. Hoe! deze lieden herkennen mij niet! Indien
Javert hier slechts ware! Hij zou mij herkennen!"
De diepe, zachtmoedige treurigheid, welke in den toon dezer woorden
lag, is niet te beschrijven.
Hij wendde zich tot de drie galeiboeven:
"Nu, ik herken u, Brevet! Herinnert ge u...?"
Hij hield op, aarzelde een oogenblik en zeide toen:
"Herinnert ge u den gebreiden draagband met ruiten, dien ge in het
bagno droegt?"
Brevet werd van verbazing aangegrepen en zag hem van het hoofd tot
de voeten met een ontstelden blik aan. Hij vervolgde:
"Chenildieu, gij, die u zelven Je-nie-Dieu (Godloochenaar) noemdet;
op uw rechterschouder hebt ge het diep litteeken eener brandwonde,
doordien ge u op zekeren dag op een komfoor met gloeiende kolen
legdet, om de letters T. F. P. te doen verdwijnen, die iedereen er
echter nog zien kan. Antwoord, is 't waar?''
"'t Is waar," zei Chenildieu.
Daarop zeide hij tot Cochepaille :
"Cochepaille, ge hebt op den linkervoorarm een datum in blauwe letters
met buskruit ingebrand. 't Is de dagteekening der landing van den
keizer te Cannes, 1 Maart 1815. Stroop uw mouw op!"
Cochepaille stroopte de mouw op, de blikken van alle omstanders
richtten zich op zijn blooten arm. Een gendarm naderde met een lamp,
de dagteekening stond er.
Toen wendde de ongelukkige man zich tot het publiek en tot de rechters
met een glimlach, welke allen, die er bij tegenwoordig waren, nog
door het hart snijdt als zij er aan denken. 't Was de glimlach der
zegepraal, vermengd met dien der wanhoop.
"Gij ziet nu," zeide hij, "dat ik Jean Valjean ben."
Er waren nu in de zaal noch rechters, noch beschuldigers,
noch gendarmen; er waren slechts strakke blikken en bewogen
harten. Niemand dacht meer aan de rol, die hij te vervullen had;
de advocaat-generaal vergat, dat hij er was om een eisch te doen;
de president, dat hij er om te presideeren, de verdediger, dat hij
er om te verdedigen was. Zonderling, geen vraag werd gedaan, geen
gezag deed zich gelden. Het eigenaardige van verheven tooneelen is,
dat zij alle harten bevangen en van alle aanwezigen belangstellenden
maken. Niemand misschien gaf zich rekenschap van 't geen hij gevoelde;
niemand, waarschijnlijk, dacht er aan, dat hij hier een schitterend
licht zag schijnen; allen gevoelden zich inwendig verblind.
't Was nu duidelijk, dat men Jean Valjean voor zich had. De
verschijning van dezen man was voldoende geweest, om de even te voren
nog zoo duistere zaak in het helderste licht te stellen. Zonder dat
er nog eenige verklaring noodig was, begreep het gansche publiek,
als door een soort van electrische verlichting, in een enkel oogenblik
de eenvoudige en grootsche geschiedenis van een man, die zich zelven
overleverde, opdat geen ander in zijn plaats veroordeeld zou worden. De
bijzonderheden, de weifelingen, de mogelijk geringe wederstrevingen
verdwenen in deze grootsche, schitterende daad.
De indruk ging spoedig voorbij, maar was op het oogenblik
onwederstaanbaar.
"Ik wil de zitting niet langer storen," hernam Jean Valjean. "Ik
ga, wijl men mij niet in hechtenis neemt. Ik heb nog veel te
verrichten. Mijnheer de advocaat-generaal weet wie ik ben; hij weet
waarheen ik ga; hij kan mij doen gevangen nemen, wanneer hij wil."
Hij ging naar de deur. Geen stem verhief zich, geen arm werd
uitgestoken om hem te verhinderen. Allen gingen ter zijde. Hij had
op dit oogenblik iets goddelijks, 't welk de menigte voor een mensch
doet wijken en ter zijde gaan. Met langzamen tred ging hij door de
zaal. Men heeft nimmer geweten, wie de deur opende; maar 't is zeker,
dat de deur geopend was, toen hij er kwam.
Daar wendde hij zich om en zeide:
"Mijnheer de advocaat-generaal, ik blijf te uwer beschikking."
Vervolgens sprak hij tot het publiek:
"Gij allen die hier zijt, gij vindt mij beklagenswaard, niet waar? Mijn
God! wanneer ik denk wat ik voornemens was te doen, vind ik mij
benijdenswaardig. 't Zou mij echter liever zijn, zoo dit alles niet
gebeurd ware."
Hij ging de deur uit, die zich sloot gelijk zij geopend was; want zij
die iets verhevens verrichten, kunnen altijd zeker zijn, dat iemand
onder de menigte hen helpen zal.
Binnen een uur tijds onthief de uitspraak der gezworenen Champmathieu
van alle schuld; en Champmathieu, die dadelijk op vrije voeten werd
gesteld, ging verbaasd heen, in de vaste overtuiging, dat al die
menschen gek waren, en zonder iets van het gebeurde te begrijpen.