Hij deed een schrede, sloot werktuiglijk de deur achter zich dicht
en bleef toen staan, het tooneel vóór zich beschouwende.
't Was een tamelijk groote, flauw verlichte ruimte, nu druk en
levendig, dan weder doodstil, met de geheele inrichting van een
crimineel proces, met zijn kleingeestige en sombere deftigheid voor
't oog der menigte.
Aan het einde der zaal, waar hij zich bevond, rechters met verstrooide
gezichten, in versleten tabbaarden, zich met hun nagels onledig
houdende of met de oogen gesloten; aan het andere einde een havelooze
hoop volk; advocaten in allerlei houding; soldaten met eerlijke maar
ruwe gezichten; oud, beschadigd houtwerk, vuile zoldering, tafels
met kleeden, die eer geel dan groen konden heeten, deuren die door
de handen smerig waren geworden; langs den wand aan spijkers, lampen
uit een herberg, die meer walm dan licht verspreidden; op de tafels
vetkaarsen in koperen kandelaars; duisternis, leelijkheid, treurigheid;
en uit dat alles ontwikkelde zich een strenge, verheven indruk; want
men gevoelde er die gewichtige menschelijke zaak, welke men wet noemt,
en die gewichtige hemelsche zaak, welke men rechtvaardigheid heet.
Niemand in deze menigte lette op Madeleine. Aller blikken waren op
één punt gericht, een bank bij een kleine deur, tegen den muur ter
linkerzijde van den president. Op deze bank, die door verscheidene
kaarsen werd verlicht, zat een man tusschen twee gendarmen.
Deze man--was de man.
Hij zocht hem niet, hij zag hem. Zijn oogen wendden zich van zelven
in die richting, als hadden zij vooraf geweten waar deze gestalte
zich bevond.
Hij meende zich zelven te zien, verouderd, wel niet juist zijn gezicht,
maar volkomen gelijkend in houding en voorkomen, met dat borstelig
haar, dien schuwen, onrustigen blik, met die kiel, juist zooals hij er
uitzag op den dag, toen hij D. binnentrad, vol haat, en in zijn ziel
dien afschuwelijken rijkdom van schrikkelijke gedachten verbergende,
welke hij gedurende negentien jaren in het tuchthuis had opgezameld.
Sidderend zeide hij bij zich zelven: "Mijn God! zal ik weder zóó
worden?"
Deze man scheen ten minste zestig jaar te zijn. Hij had een ruw,
dom en woest voorkomen.
Toen Madeleine de deur opende, was men op zijde gegaan om hem plaats
te maken, de president had het hoofd gewend en den binnenkomende, in
wien hij den maire van M. sur M. zag, gegroet. De advocaat-generaal,
die den heer Madeleine herhaaldelijk te M. sur M. had gezien, bij
gelegenheid dat zijn ambtsverrichtingen hem daar riepen, herkende
en groette hem insgelijks. Deze bemerkte dit nauwelijks. Hij was ter
prooi aan een soort van gezichtsverwarring: hij staarde slechts.
Rechters, een griffier, gendarmen, een menigte vreeselijk nieuwsgierige
hoofden, dat alles had hij reeds eerder, eertijds, zeven-en twintig
jaren geleden, gezien. Deze heillooze zaken vond hij hier terug; zij
waren hier, zij bewogen zich, bestonden werkelijk; 't was niet een
herinnering van zijn geest, een zinsbegoocheling, 't waren wezenlijke
gendarmen, wezenlijke rechters, wezenlijke nieuwsgierigen en wezenlijke
menschen van vleesch en been. 't Was zoo! hij zag de schrikbarendste
beelden uit zijn verleden, met al het vreeselijke der wezenlijkheid,
om zich heen verschijnen en herleven.
Dat alles lag open voor hem. Vol afgrijzen sloot hij de oogen en riep
in 't binnenste zijner ziel: nooit!
En door een treurig spel van het lot, dat al zijn denkbeelden verwarde
en hem schier waanzinnig maakte, was degeen, dien hij voor zich zag,
zijn tweede ik! Allen noemden den man, die hier gevonnist werd,
Jean Valjean!
't Was een ongehoord visioen: voor zijn oogen had hij een soort van
voorstelling van het vreeselijkst oogenblik zijns levens, die door
zijn eigen schim gespeeld werd.
Alles was er, dezelfde inrichting, hetzelfde uur des nachts, schier
dezelfde gezichten der rechters, soldaten en toeschouwers. Alleen
bevond zich boven het hoofd van den president een kruisbeeld, hetwelk
ten tijde zijner veroordeeling, in de rechtszalen ontbrak. Toen hij
gevonnist werd, was God afwezig.
Een stoel stond achter hem; hij liet er zich op nederzakken, ontsteld
bij de gedachte, dat men hem zien kon. Toen hij zat, trachtte hij
achter een hoop portefeuilles met akten, die op de tafel der rechters
lagen, zijn gezicht voor de geheele zaal te verbergen. Nu kon hij zien,
zonder gezien te worden. Hij kwam eindelijk tot het volle besef der
werkelijkheid; allengs herstelde hij zich. Hij herkreeg die kalmte,
waarin men in staat, is te luisteren.
Mijnheer Bamatabois behoorde tot de gezworene.
Hij zocht Javert, maar hij zag hem niet. De bank der getuigen was
achter de tafel van den griffier voor hem verborgen. Bovendien was
de zaal, gelijk gezegd is, zeer flauw verlicht.
Juist toen hij binnentrad was de advocaat aan het slot zijner
pleitrede. Aller aandacht was in de hoogste mate gespannen, de zaak
had reeds drie uren geduurd. Sedert drie uren zagen de aanwezenden
een man, een onbekende, een wezen van de ellendigste soort, in den
hoogsten graad dom of sluw, allengs onder den last eener vreeselijke
waarschijnlijkheid zwichten. Deze man, zooals men weet, was een
landlooper, die was aangehouden, terwijl hij een tak met rijpe
appelen, in een naburigen boomgaard afgebroken, in de hand had. Wie
was deze man? Een onderzoek was ingesteld, getuigen waren gehoord; zij
waren allen eenstemmig geweest, uit de debatten was genoegzaam licht
opgegaan. De beschuldiging luidde:--Wij hebben hier niet alleen een
fruitdief, een strooper; wij hebben een roover voor ons, een gewezen
tuchteling. die zijn ban heeft verbroken, een allergevaarlijkste
schurk, Jean Valjean geheeten, dien de justitie sinds lang zocht,
en die, acht jaren geleden, toen hij het bagno van Toulon verliet,
gewelddadigerwijze een diefstal heeft gepleegd op den persoon van
een jongen savooiaard, kleine Gervais genaamd, een misdaad, waartegen
voorzien is bij art. 383 van het strafwetboek en voor welke wij ons
een nadere vervolging voorbehouden, zoodra de identiteit wettelijk
zal bewezen zijn. Hij heeft een nieuwen diefstal gepleegd. Alzoo
herhaling van misdaad. Veroordeelt hem voor de jongste misdaad;
later zal hij voor de vroegere terechtgesteld worden.
De beschuldigde scheen ten hoogste verwonderd over deze aanklacht en
over de eenparigheid der getuigen. Hij maakte bewegingen en gebaren van
heftige ontkenning, of hij beschouwde de zoldering. Hij kon nauwelijks
spreken en antwoordde met moeite; maar van 't hoofd tot de voeten
loochende zijn geheele persoon. Hij geleek een wezenlooze tegenover
al deze om hem geschaarde verstandige lieden, en een vreemdeling
te midden der maatschappij, die hem vasthield. Intusschen stond
de dreigende toekomst voor hem, de waarschijnlijkheid vermeerderde
met elke minuut, en de aanwezenden huiverden met meer angst dan hij
zelf, voor het vreeselijk vonnis, dat, naar het meer en meer scheen,
hem zou treffen. Er bestond zelfs kans, dat, behalve het bagno, de
doodstraf over hem zou uitgesproken worden, ingeval de identiteit
erkend werd en de zaak van den kleinen Gervais later met een
veroordeelend vonnis eindigde. Wie was nu deze man? Van welken aard
was zijn ongevoeligheid? Was het stompzinnigheid of list? Begreep
hij volkomen, of begreep hij niets? Nopens deze vragen dachten de
aanwezigen verschillend, en ook de gezworenen schenen hieromtrent
verdeeld. Er was in dit rechtsgeding iets verontrustends en iets
vreemds, het drama was niet alleen treurig, maar ook duister.
De verdediger had vrij goed gepleit, in die provinciale taal, welke
in Frankrijk lang de welsprekendheid der balie heeft uitgemaakt,
en waarvan eertijds al de advocaten, zoowel te Parijs als in de
kleinste provinciesteden, gebruik maakten, doch die tegenwoordig,
klassiek geworden, schier enkel nog maar door de officieele redenaars
van het parket wordt gebezigd, waarvoor zij, uithoofde harer deftige
welluidendheid en statigen periodenbouw zoo bijzonder geschikt is:
de taal waarin een gehuwd man, echtgenoot wordt genoemd, de gehuwde
vrouw, gade, Parijs, het middelpunt der kunsten en beschaving, de
koning, de monarch, monseigneur de bisschop, een heilig kerkvoogd,
de advocaat-generaal, de welsprekende tolk der wet, de pleidooien,
de woorden welke men gehoord heeft, de eeuw van Lodewijk XIV, de
groote eeuw, een schouwburg, de tempel van Melpomene, de regeerende
familie, het doorluchtig bloed onzer koningen, een concert, een
muzikale plechtigheid, de kommandant-generaal van het departement,
de doorluchtige krijgsheld, die enz., de seminaristen, deze jeugdige
levieten, de vergissingen aan de dagbladen verweten, de logen die haar
vergift in de kolommen dier organen uitstort enz. enz;--de advocaat
was dus begonnen met den diefstal der appelen te verklaren--een
zaak die in fraaien stijl moeielijk te behandelen is; maar Benigne
Bossuet was wel verplicht, in een plechtige lijkrede van een kip te
gewagen, en hij heeft zich met glans uit deze moeielijkheid gered. De
advocaat had aangetoond, dat de diefstal der appelen niet voldoende
bewezen was.--Niemand had zijn cliënt, dien hij in zijn verdediging
Champmathieu bleef noemen, over een muur zien klimmen of een tak
zien breken.--Men had hem met den tak in de hand aangehouden;--maar
hij zeide, dat hij dien op den grond gevonden en opgeraapt had. Waar
was het bewijs van het tegendeel?--Zonder twijfel was deze tak na
een overklimming afgebroken en medegenomen, en vervolgens door
den gestoorden dief weggeworpen; zonder twijfel was er diefstal
gepleegd.--Maar waaruit bleek, dat Champmathieu deze dief was? Alleen
uit de omstandigheid dat hij een gewezen galeiboef was! De advocaat
ontkende niet, dat deze omstandigheid ongelukkiglijk genoegzaam
bewezen scheen; de beschuldigde had te Faverolles gewoond; hij was er
boomsnoeier geweest; de naam van Champmathieu kon wel van Jean Mathieu
zijn oorsprong hebben; dat alles was waar; vier getuigen hadden ook
zonder aarzelen en bepaaldelijk dezen Champmathieu als den galeislaaf
Jean Valjean herkend; tegen deze bedenkingen en getuigenissen kon de
advocaat niets anders aanvoeren dan de ontkenning van zijn cliënt,
die, 't was waar, niet onpartijdig was; maar aangenomen zelfs, dat
hij de tuchteling Jean Valjean was, bewees dit, dat hij de dief van de
appelen was? 't Was een bloot vermoeden, niets meer; geen bewijs. De
beschuldigde, 't was waar, en de verdediger moest dit erkennen,
had een slecht stelsel van verdediging aangenomen. Hij volhardde
er in, alles te loochenen: den diefstal en zijn hoedanigheid van
gewezen galeiboef. Een bekentenis van dit laatste punt zou stellig
beter zijn geweest en hem de toegevendheid der rechters verworven
hebben; de advocaat had 't hem aangeraden, maar de beschuldigde had
hardnekkig geweigerd, waarschijnlijk in de meening, dat hij door
alles te loochenen zich redden kon. 't Was verkeerd; maar moest de
bekrompenheid van zijn verstand niet in aanmerking worden genomen? Deze
man was blijkbaar zwak van geest. Een langdurig verblijf in het bagno,
een langdurige armoede daarna hadden hem verdierlijkt enz. enz., hij
verdedigde zich slecht, was dit een reden om hem te veroordeelen? Wat
de zaak van den kleinen Gervais betrof, de advocaat had daarover niets
te zeggen, zij behoorde niet tot het rechtsgeding. De advocaat eindigde
met de gezworenen en het hof te verzoeken, indien de identiteit met
Jean Valjean hun bewezen voorkwam, hem correctioneel te straffen
wegens verbreking van ban, doch niet met de vreeselijke straf, welke
den gewezen galeislaaf bij herhaling van misdaad bedreigt.
De advocaat-generaal antwoordde den verdediger. Hij was overweldigend
en bloemrijk, zooals advocaten-generaal gewoonlijk zijn.
Hij wenschte den verdediger geluk wegens zijn "royaliteit," en
maakte behendig van die "royaliteit" gebruik. Al wat de verdediger
had toegegeven, wendde hij aan om den beschuldigde te bezwaren. De
advocaat scheen toe te geven, dat de beschuldigde Jean Valjean
was. Hiervan nam hij acte. Deze man was dus Jean Valjean. Dit
was voor de beschuldiging verkregen, en kon niet meer betwist
worden. Hier ging de advocaat-generaal door een behendige wending
terug tot de bron en de oorzaken der misdaden, en voer uit tegen
de onzedelijkheid der romantische school, destijds in haar opkomst,
onder den naam van "school van den Satan" waarmede de schrijvers der
Quotidienne in Oriflamme haar vereerd hadden; aan den invloed van deze
verderfelijke litteratuur schreef hij--niet onwaarschijnlijk--het
misdrijf van Champmathieu, of liever van Jean Valjean toe. Na deze
beschouwingen ging hij tot Jean Valjean zelven over. Wie was Jean
Valjean? Beschrijving van Jean Valjean: een monster uitgebraakt
door enz. Het model van dergelijke beschrijvingen vindt men in het
verhaal van Theramenes, dat zonder nut is voor 't treurspel, doch aan
de rechterlijke welsprekendheid dagelijks groote diensten bewijst. De
aanwezenden en de gezworenen huiverden. Na deze schildering vervolgde
de advocaat-generaal in een oratorische vlucht, die geschikt was, om
den anderen dag de verrukking van het dagblad der prefectuur tot den
hoogsten graad op te wekken:--En zulk een man enz. enz. landlooper,
bedelaar, zonder middel van bestaan enz. enz.--door zijn vorig
leven aan misdaden gewoon en door zijn verblijf in 't bagno weinig
verbeterd, zooals de misdaad, op den kleinen Gervais gepleegd,
bewijst enz. enz.--zulk een man is 't, die, op den openbaren
weg op heeter daad van diefstal betrapt, weinige schreden van een
tuinmuur en met het gestolen voorwerp nog in de hand, het feit, den
diefstal, de overklimming, alles, ja zelfs zijn naam, zijn identiteit
loochent! Behalve honderd andere bewijzen, waarop wij niet terug
willen komen, zijn er vier getuigen, die hem herkennen: Javert, de
streng eerlijke inspecteur van politie, en drie zijner voormalige
lotgenooten, de galeiboeven: Brevet, Chenildieu en Cochepaille. Wat
brengt hij tegen deze verpletterende getuigenis in? Hij ontkent. Welk
een verstoktheid! Mijne heeren de gezworenen, gij zult recht
doen enz. enz.--Terwijl de advocaat-generaal sprak, luisterde de
beschuldigde met open mond en met eene soort van verbazing, met
bewondering vermengd. Hij was blijkbaar verwonderd, dat iemand zoo
spreken kon. Nu en dan, bij de "krachtigste" plaatsen van requisitoir,
in die oogenblikken dat de onbedwingbare welsprekendheid zich in een
stroom van onteerende scheldnamen ontlastte en den beschuldigde als in
een donderwolk hulde, bewoog deze langzaam het hoofd rechts en links,
als een soort van somber en zwijgend protest, waarbij hij zich sinds
den aanvang der debatten bepaald had. Twee- of driemalen hoorden de
toeschouwers die het dichtst bij hem waren, hem halfluid zeggen:--Dat
komt er van, dat men mijnheer Baloup niet ondervraagd heeft!--De
advocaat-generaal maakte de gezworenen op zijn onnoozele houding
opmerkzaam, die blijkbaar geveinsd was en geen domheid aanduidde, maar
sluwheid, list, en die de gewoonte verried van de justitie om den tuin
te leiden, en de diepe verdorvenheid van dien mensch in 't helderste
licht stelde. Hij besloot, met zich voor te behouden op de zaak van
den kleinen Gervais terug te komen, en drong op een streng vonnis aan.
Dit was voor 't oogenblik, gelijk men zich zal herinneren, levenslange
dwangarbeid.
De verdediger stond op, begon met mijnheer den advocaat generaal wegens
diens uitmuntende rede een compliment te maken, vervolgens repliceerde
hij zoo goed hij kon, doch zwak, wijl toch de grond blijkbaar onder
zijn voeten was weggenomen.