't Had drie uren in den morgen geslagen, en gedurende vijf uren had
hij aldus schier onafgebroken heen en weder gegaan, toen hij eindelijk
op een stoel nederzeeg.
Hij viel in slaap en droomde.
Deze droom was, gelijk meest alle droomen, slechts door iets
smartelijks en treurigs, met den huiselijken toestand in verband,
maar deze benauwde droom maakte zulk een diepen indruk op hem, dat hij
dien later opschreef. Dit geschrift bevond zich onder zijn nagelaten
papieren. Wij meenen de woorden letterlijk te moeten mededeelen.
Hoe deze droom ook zijn mocht, de geschiedenis van dezen nacht zou
onvolledig zijn, zoo wij hem verlieten. 't Is een treurig verhaal
van een zieke ziel.
Ziehier. Op den omslag vinden wij dezen regel geschreven: de droom,
welken ik dien nacht had.
"Ik bevond mij buiten op een uitgestrekte vlakte, waar geen gras
groeide. 't Scheen mij, alsof 't geen dag en geen nacht was. Ik
wandelde met mijn broeder, den broeder uit mijne kindsheid, den
broeder, aan wien, ik beken het, ik nimmer denk, en dien ik mij
nauwelijks herinner.
"Wij praatten met elkander en ontmoetten voorbijgangers. Wij
spraken van een buurvrouw, welke wij vroeger hadden, en die,
sedert zij aan de straat woonde, steeds voor het open venster
arbeidde. Terwijl wij dus spraken, werden wij koud door den tocht
van dat open venster.
"Er waren geen boomen op die vlakte.
"Wij zagen een man, die ons voorbijging. Hij was geheel naakt
en aschkleurig, en zat op een paard, dat aardkleurig was. Deze
man had geen haar; men zag zijn kalen schedel en de aderen op
den schedel. Hij had een stokje in de hand, dat buigzaam was als
een wijngaardrank en zwaar als ijzer. Deze ruiter ging voorbij
en zeide niets tot ons.
"Mijn broeder zeide: laten wij den hollen weg nemen.
"Er was een holle weg, waar men noch struiken, noch gras zag. Alles
was aardkleurig, zelfs de hemel. Na eenige schreden voortgegaan te
zijn, ontving ik geen antwoord meer, wanneer ik sprak. Ik merkte,
dat mijn broeder niet meer bij mij was.
"Ik ging een dorp in, dat ik zag. Ik dacht dat het Romainville
moest zijn (waarom Romainville?)
"De eerste straat, welke ik doorging, was doodsch en eenzaam. Ik
sloeg een tweede straat in. Op den hoek van beide straten stond
een man tegen den muur. Ik vroeg dien man: Waar ben ik? Welk oord
is dit? De man antwoordde niet. Ik zag de deur van een huis open
staan, en ging binnen.
"De eerste kamer was ledig. Ik trad de tweede binnen. Achter
deze deur stond een man tegen den muur. Ik vroeg dien man: wien
behoort dit huis? Waar ben ik? De man antwoordde niet. Er was
een tuin bij het huis.
"Ik verliet het huis en ging in den tuin. De tuin was woest
en ledig. Achter den eersten boom vond ik een man staan. Ik
zeide tot den man: wien behoort deze tuin? Waar ben ik? De man
antwoordde niet.
"Ik ging 't dorp door en zag dat 't een stad was. Al de straten
waren eenzaam, al de deuren stonden open. Geen levend schepsel ging
over straat, in de kamers, of in de tuinen. Maar op den hoek van
elke straat, achter elke deur, achter elken boom stond zwijgend
een man. Men zag er altijd maar één te gelijk. Deze mannen zagen
mij voorbijgaan.
"Ik verliet de stad en ging naar buiten.
"Na eenigen tijd keerde ik mij om, en ik zag een groote menigte
achter mij. Ik herkende al de menschen, welke ik in de stad had
gezien. Zij hadden wonderlijke hoofden. Zij schenen zich niet te
haasten, en evenwel gingen zij sneller dan ik. Hun voetstappen
maakten geen geluid. In een oogenblik had deze menigte mij bereikt
en omringde mij. De gezichten dezer mannen waren aardkleurig.
"Toen zeide mij de eerste, dien ik gezien en ondervraagd had,
toen ik de stad binnenging:--Waar gaat ge heen? Weet ge niet,
dat ge sinds lang dood zijt?
"Ik opende den mond om te antwoorden, maar zag dat niemand meer
bij mij was."
Madeleine werd wakker. Hij was ijskoud. De koude ochtendwind deed de
opengebleven ramen op hun hengels draaien. Het vuur was uitgegaan. De
kaars brandde in de pijp. Het was nog donkere nacht.
Hij stond op en ging naar 't raam. Geen ster was nog aan den hemel.
Uit het venster zag men op de plaats van het huis en op de straat. Een
ratelend, krakend geluid van de straat deed hem de oogen naar beneden
slaan.
Hij zag twee roode sterren, wier stralen op zonderlinge wijze in de
duisternis nu eens korter dan weer langer werden.
Daar zijn gedachten nog ten halve door den droom beneveld waren, dacht
hij:--Zie, aan den hemel zijn geen sterren; zij zijn thans op de aarde.
Zijn geestverwarring verdween echter, en een tweede gerucht, gelijk
aan het eerste, maakte hem volkomen wakker; hij zag nauwkeuriger toe
en bespeurde, dat deze twee sterren de lantaarns van een rijtuig waren.
Bij het schijnsel van het licht, dat zij wierpen, kon hij den vorm
van een rijtuig onderscheiden. 't Was een tilbury, met een klein,
wit paard bespannen. Het gerucht, dat hij gehoord had, was de hoefslag
van het paard op de straatsteenen.
"Wat beteekent dit rijtuig?" vroeg hij bij zich zelf. "Wie komt hier
zoo vroeg?"
Juist werd er zacht aan de deur zijner kamer geklopt.
Hij rilde van het hoofd tot de voeten, en riep verschrikt:
"Wie is daar?"
"Ik, mijnheer de maire," antwoordde iemand.
Hij herkende de stem zijner oude portierster.
"Welnu, wat is er?" vroeg hij.
"Mijnheer de maire, 't is zoo vijf uur."
"Wat gaat mij dat aan?"
"De cabriolet is er, mijnheer de maire."
"Welke cabriolet?"
"De tilbury."
"Welke tilbury?"
"Heeft mijnheer de maire geen tilbury besteld?"
"Neen," antwoordde hij.
"De koetsier zegt, dat hij 't mijnheer komt brengen."
"Welke koetsier?"
"De koetsier van Scaufflaire."
"Scaufflaire!"
Deze naam deed hem schrikken, alsof een bliksemstraal langs zijn
oogen schoot.
"O ja," hernam hij; "Scaufflaire."
Zoo de oude vrouw hem op dat oogenblik had kunnen zien, zou zij
geschrokken zijn.
Er ontstond eene pauze. Hij staarde met wezenloozen blik in de vlam
der kaars en nam van het heete, smeltend vet van de pit, en wreef dat
tusschen zijn vingers. De oude vrouw wachtte. Zij waagde het nogmaals
haar stem te verheffen:
"Mijnheer de maire, wat moet ik zeggen?"
"Zeg dat het goed is, ik kom."