EEN STORM ONDER EEN HERSENPAN.

De lezer heeft ongetwijfeld reeds geraden, dat de heer Madeleine

niemand anders dan Jean Valjean is.

Wij hebben reeds een blik in de diepte van dat gemoed geslagen;

wij willen er nogmaals een blik in werpen. Wij doen 't niet

zonder aandoening en beving. Er is niets treffender dan zulk een

beschouwing. Het oog der ziel kan nergens een verblindender licht en

grooter duisternis vinden dan in den mensch; het kan zich op niets

ontzettenders, niets ingewikkelders, niets raadselachtigers, niets

ondoorgrondelijkers vestigen. Er is een nog grootscher schouwspel

dan de zee;--namelijk de hemel; er is een nog grootscher schouwspel

dan de hemel;--namelijk het binnenste der ziel.

Wie in een gedicht het menschelijk gemoed, ware het slechts dat van een

enkel mensch, slechts van den geringsten mensch, juist kon voorstellen,

zou alle heldendichten in het verhevenst en volkomenst heldendicht

samenvatten. Het gemoed is de chaos der denkbeelden, der begeerten,

der neigingen; het is de oven der droomen, de spelonk der gedachten,

waarvoor men zich schaamt; het is het pandemonium der sophismen, het

slagveld der hartstochten. Men doordringe op zekere oogenblikken het

bleeke gezicht van een menschelijk wezen en schouwe in deze ziel, in

deze duisternis. Men zal er onder schijnbare rust reuzengevechten als

bij Homerus, een gewoel van draken en hydra's, wolken van spooksels

als bij Milton, wervelende visioenen als bij Dante vinden. Hoe somber

is dat ondoorgrondelijke, 't welk ieder mensch in zich omdraagt en

waarnaar hij met wanhoop den wil en de daden van zijn leven richt.

Alighieri kwam eens aan een sombere poort, voor welke hij weifelend

bleef staan. Wij hebben er hier eene voor ons, bij welker drempel

wij evenzeer aarzelen. Treden wij echter binnen.

Wij hebben slechts weinig te voegen bij 't geen de lezer reeds weet dat

met Jean Valjean was gebeurd, sedert zijn ontmoeting met den kleinen

Gervais. Men heeft gezien, dat hij van dat oogenblik af een ander

mensch was. Wat de bisschop van hem had willen maken, was verwezenlijkt

geworden. 't Was meer dan een verandering, 't was een herschepping.

Het gelukte hem te ontkomen; hij verkocht het zilverwerk van den

bisschop, uitgezonderd de kandelaars, welke hij als een gedachtenis

behield; zwierf van de eene stad naar de andere door Frankrijk; kwam

te M. sur M., vormde het denkbeeld, waarvan wij gesproken en voerde

uit wat wij verhaald hebben; hij bracht zich tegen alle vervolging

in veiligheid, en nu te M. sur M. gevestigd, leefde hij gelukkig in

't gevoel, dat zijn geweten wegens het treurig verleden ontwaakt was

en de eerste helft van zijn leven door het tweede verloochend werd;

hij leefde vreedzaam, gerust en in de blijde hoop; hij koesterde

slechts twee gedachten: zijn naam te verbergen, en zijn leven te

heiligen; den menschen te ontkomen en terug te keeren tot God.

Deze twee gedachten waren in zijn geest zoo innig met elkander

verbonden, dat zij er slechts ééne vormden; beide vervulden

en beheerschten hem evenzeer en bestuurden zijn geringste

handelingen. Gewoonlijk waren zij 't eens bij de regeling van

zijn levensgedrag, zij trokken hem in de schaduw, zij maakten hem

welwillend en eenvoudig; zij gaven hem beide denzelfden raad. Soms

waren zij echter in strijd met elkander. In dat geval aarzelde,

gelijk wij gezien hebben, de man, dien geheel de M. sur M. mijnheer

Madeleine noemde, niet, de eerste aan de tweede, zijn veiligheid aan

zijn deugd op te offeren. Zoo had hij, in spijt van alle behoedzaamheid

en voorzichtigheid, de kandelaars van den bisschop bewaard, had over

hem gerouwd en al de kleine savooiaards die in de stad kwamen, bij

zich laten roepen en ondervraagd, had naar de families van Faverolles

berichten ingewonnen, en den ouden Fauchelevent het leven gered,

in weerwil van Javert's verontrustende toespelingen. Het scheen,

wij hebben het reeds opgemerkt, dat hij, naar het voorbeeld van allen

die goed, heilig en rechtvaardig waren, dacht, dat zijn eerste plicht

niet hem zelven gold.

Wij moeten intusschen zeggen, dat iets zoo gewichtigs als thans hem

nog niet was voorgekomen.

Nooit hadden de beide gedachten, die den ongelukkigen man beheerschten,

wiens lijden wij verhalen, zulk een ernstigen strijd tegen elkander

gevoerd. Hij begreep dit onbestemd, maar diep, terstond bij de eerste

woorden welke Javert zeide, toen deze zijn schrijfkamer binnentrad. Op

het oogenblik, dat de naam werd genoemd, dien hij in zulk een diepe

duisternis begraven had, werd hij door ontzetting aangegrepen en

als bedwelmd door de heillooze zonderlingheid van zijn lot, en in

deze ontzetting voelde hij die huivering, welke groote schokken

voorafgaat; hij boog als de eik bij de nadering van den storm, als

de soldaat bij den aanvang eener bestorming. Hij voelde de van onweer

zwangere wolken zich boven zijn hoofd samenpakken. Terwijl hij Javert

aanhoorde, kwam aanvankelijk de gedachte bij hem op, heen te ijlen,

zich bekend te maken, Champmathieu uit de gevangenis te bevrijden en er

zich in te laten zetten; 't was een smartelijke, pijnlijke gedachte,

als een snede in het levend vleesch; maar zij trok over, en hij zeide

bij zich zelven: laat ons zien, laat ons zien!--Hij onderdrukte deze

eerste edelmoedige opwelling en deinsde terug voor deze heldendaad.

Voorwaar, het zou schoon zijn geweest, zoo deze man, na de

vrome woorden van den bisschop, na zoovele jaren van berouw en

zelfverloochening, te midden van een boete, zoo bewonderenswaardig

begonnen, zelfs bij al het schrikkelijke dat de omstandigheden mochten

hebben, niet een oogenblik hadde gewankeld, maar met denzelfden vasten

tred dien gapenden afgrond ware genaderd, op welks bodem de hemel lag;

't zou schoon zijn geweest, maar 't gebeurde niet alzoo. Wij moeten

getrouw verslag geven van 't geen er in dat hart omging, en wij mogen

niet anders dan de waarheid zeggen. In de eerste plaats had de zucht

tot zelfbehoud de overhand; hij vereenigde in de haast zijn gedachten,

bedwong zijn aandoeningen, nam de tegenwoordigheid van Javert, dat

groote gevaar, in overweging, weerde ieder besluit af met de vastheid

der ontzetting, onderdrukte elke overweging omtrent 't geen hem te

doen stond, en hernam zijn kalmte, gelijk een kampvechter die zijn

schild weder opneemt.

Hij bleef het overige van den dag in dien toestand; inwendig geroerd,

uitwendig volkomen kalm; alleen nam hij, wat men maatregelen van

zelfbehoud zou kunnen noemen. Alles was in zijn brein nog verward en

tegenstrijdig; er heerschte daar zulk een onbestemdheid, dat hij den

vorm van geen enkel denkbeeld duidelijk zag; hij zou zelf niet anders

hebben kunnen zeggen, dan dat 't hem was, of hij een geweldigen

schok had ontvangen. Als naar gewoonte ging hij naar Fantine's

ziekbed, en hij bleef er langer dan gewoonlijk, uit een instinct van

goedhartigheid; want hij zeide bij zich zelven, dat hij aldus moest

handelen en haar den liefdezusters goed aanbevelen moest, ingeval hij

genoodzaakt werd zich te verwijderen. Hij gevoelde onbestemd, dat hij

wellicht naar Arras zou moeten gaan; en, zonder in het allerminst

tot deze reis besloten te hebben, meende hij volkomen voor alle

verdenking beveiligd te zijn en dus zonder eenig bezwaar getuige te

kunnen wezen van 't geen zou plaats hebben. Hij huurde dus de tilbury

van Scaufflaire, om op alle omstandigheden voorbereid te zijn.

Hij at met tamelijken eetlust.

In zijn kamer wedergekeerd, gaf hij zich aan zijn overpeinzingen over.

Hij onderzocht den toestand en vond dien gevaarlijk; zoo gevaarlijk,

dat hij te midden zijner overdenkingen, ten gevolge van een schier

onverklaarbaren angst, van zijn stoel opstond en den grendel op zijn

deur schoof. Hij vreesde, dat er nog iets zou kunnen binnenkomen. Hij

verschanste zich tegen het mogelijke.

Kort daarna blies hij het licht uit. Het hinderde hem.

't Scheen hem, alsof men hem kon zien.

Wie, men?

Helaas! wat hij buiten de deur wilde houden, was reeds binnengekomen;

wat hij wilde verblinden, schouwde hem aan. Zijn geweten.

Zijn geweten, dat wil zeggen: God.

Evenwel misleidde hij zich zelven in den eersten oogenblik; hij

gevoelde zich veilig in zijn eenzaamheid; nu de deur gegrendeld was,

waande hij zich onaantastbaar; nu het licht was uitgedaan, achtte

hij zich onzichtbaar. Nu was hij weder meester van zich zelven; hij

zette zijn ellebogen op de tafel, liet zijn hoofd op de hand rusten

en gaf zich aan de duisternis zijner gedachten over.

Waar ben ik?--Droom ik niet?--Wat heeft men mij gezegd?--Is 't

wezenlijk waar, dat ik Javert heb gezien en dat hij mij zoo heeft

toegesproken?--Wie kan deze Champmathieu zijn? Hij gelijkt dus op

mij?--Is 't mogelijk?--Als ik denk, dat ik gisteren nog zoo gerust

was en ver van iets dergelijks te vermoeden!--Wat deed ik gisteren

op dezen tijd?--Welk gewicht heeft deze omstandigheid?--Hoe zal zij

zich oplossen? Wat moet ik doen?--

Ziedaar de onrust, waarin hij was. Zijn brein had de kracht verloren

om zijne gedachten vast te houden, zij stroomden weg als golven, en hij

omvatte het hoofd met beide handen, om den golfslag tegen te houden.

Deze verwarring, die zijn wil en rede in beroering bracht, en waaruit

hij een gevolgtrekking poogde af te leiden en een besluit, leverde

hem niets dan angst op.

Zijn hoofd gloeide. Hij trad aan het raam en zette het wijd open. Geen

ster flikkerde aan den hemel.

Hij ging weder aan de tafel zitten.

Alzoo verstreek het eerste uur.

Allengs begonnen zich echter in zijn gedachten flauwe omtrekken en

beelden te vormen, en hij zag met de juistheid der wezenlijkheid,

wel niet den geheelen omvang van zijn toestand, maar toch eenige

bijzonderheden.

Hij erkende in de eerste plaats, dat, hoe buitengewoon en gevaarlijk

deze toestand ook zijn mocht, hij er volkomen meester van was.

Zijn verlegenheid werd hierdoor echter slechts te grooter.

Afgescheiden van het ernstig, godsdienstig doel, waarnaar hij in al

zijn daden streefde, was alles wat hij tot hiertoe verricht had, niets

dan een kuil, dien hij groef, om er zijn naam in te verbergen. Wat

hij in de uren zijner eenzame overdenkingen en slapelooze nachten

het meest gevreesd had, was, eenmaal zijn naam te hooren noemen: dat,

meende hij, zou voor hem het einde van alles zijn; de dag, waarop die

naam weder zou te voorschijn komen, zou geheel zijn nieuwe leven,

en, wie weet? misschien de nieuwe ziel, in hem doen verdwijnen. De

gedachte alleen, dat dit mogelijk kon zijn, deed hem beven. Gewis,

zoo iemand hem in die oogenblikken had gezegd, dat eenmaal het

uur komen zou, waarin die naam in zijn ooren zou klinken, dat het

hatelijk woord, Jan Valjean, eensklaps uit de duisternis voor zijn

oogen zou oprijzen, en het krachtige licht eensklaps het geheim zou

verdrijven, waarin hij zich wikkelde,... maar dat deze naam hem niet

zou bedreigen; dat dit licht slechts een grootere duisternis zou

scheppen; dat deze gescheurde sluier het geheim slechts te meer zou

verbergen; dat deze aardbeving zijn gebouw zou bevestigen: dat deze

gewichtige gebeurtenis, zoo hij wilde, geen ander gevolg zou hebben,

dan zijn leven helderder en ondoordringbaarder tevens te maken; en

dat uit de vergelijking van zijn persoon met dit spooksel van Jean

Valjean, de goede, waardige mijnheer Madeleine meer geëerd, meer

veilig en meer geacht dan ooit zou te voorschijn komen--zoo iemand

hem dit gezegd had, zou hij het hoofd geschud en deze woorden voor

onzinnig hebben gehouden. Welnu, dat alles zou nu juist gebeuren, deze

opeenstapeling van onmogelijkheden was een feit, en God had gewild,

dat deze ongeloofelijke zaken, waarheid werden! Zijn gedachten werden

steeds helderder, zijn toestand werd hem hoe langer hoe duidelijker.

Het scheen hem, als was hij uit een zonderlingen slaap opgewekt,

en als gleed hij in 't midden van den nacht van een steile helling,

als stond hij huiverend op den uitersten rand van een afgrond en

vruchteloos poogde achteruit te gaan. Duidelijk ontdekte hij in de

duisternis een onbekende, een vreemdeling, dien het noodlot voor hem

aanzag en in zijn plaats in den afgrond stiet. Om dien afgrond te

dempen moest er iemand in storten, 't zij dan hij of die andere.

Hij behoefde niets te doen dan de zaken haar loop te laten.

Het werd volkomen helder en hij overwoog bij zich zelven:--Dat zijn

plaats op de galeien ledig was, dat, wat hij ook doen mocht, zij steeds

op hem bleef wachten; dat de diefstal op den kleinen Gervais gepleegd

er hem terugbracht; dat deze plaats hem zou wachten en trekken tot hij

er was, dat het noodlot dit onvermijdelijk wilde.--Vervolgens overlegde

hij bij zich zelven:--Dat hij er op dit oogenblik een plaatsvervanger

had; dat het scheen, dat een zekere Champmathieu zulk een ongeluk

had getroffen; dat hij, voortaan in het bagno in den persoon van

dien Champmathieu aanwezig, en in de maatschappij onder den naam van

Madeleine rond wandelende, niets meer te vreezen had, mits hij de

menschen er niet terughield, op het hoofd van dien Champmathieu den

steen der schande te blijven plaatsen, die, evenals de steen van het

graf, slechts éénmaal nedervalt, en nooit weder opgeheven wordt.

Dat alles was zóó geweldig en zóó wonderbaar, dat hij plotseling door

die onbeschrijfelijke aandoening bevangen werd, welke een mensch

slechts twee of drie keer in zijn leven ondervindt, een soort van

stuiptrekking van het geweten, die al wat het hart twijfelachtigs

voedt, met geweld omkeert, die uit spotzucht, vreugde en wanhoop

bestaat, en die men een inwendigen schaterlach zou kunnen noemen.

Hij stak haastig zijn kaars weder aan.

"Maar hoe, vroeg hij bij zich zelven, waarvoor vrees ik? Waartoe al

deze overdenkingen? ik ben gered, alles is voorbij. Er was nog slechts

één half geopende deur, door welke mijn verleden in mijn leven kon

dringen; deze deur is nu voor altijd dicht gemetseld. Deze Javert,

die mij sinds zoo lang kwelt, zijn vreeselijk instinct, dat mij op

't spoor scheen, dat mij inderdaad opgespoord had, en mij overal

volgde, deze afschuwelijke jachthond, die mij altijd op de hielen

zit, is nu misleid, van 't spoor gebracht, geheel tot iets anders

getrokken. Hij is nu voldaan, en zal mij voortaan gerust laten,

hij heeft zijn Jean Valjean! Wie weet, waarschijnlijk wil hij wel

de stad verlaten. En dat alles is buiten mij om gebeurd. Ik heb er

volstrekt geen deel aan gehad. Welnu! Wat is er dan voor ongelukkigs

in? Zoo mij de menschen zagen, zouden zij inderdaad gelooven, dat

mij een ramp heeft getroffen! Hoe het zij, indien er iets kwaads

voor iemand uit voortvloeit, ik heb er volstrekt geen schuld aan. De

Voorzienigheid heeft alles gedaan! Zij wil het blijkbaar zoo! Heb

ik het recht, datgene te verstoren wat Zij beschikt? Wat wil ik nu

eigenlijk? Waarmede zou ik mij bemoeien? 't Raakt mij niet. Hoe! ben

ik niet tevreden! Maar wat wil ik dan? Het doel, waarnaar ik zoovele

jaren streef, de droom mijner nachten, het voorwerp mijner gebeden

tot den hemel, mijn veiligheid, ik heb ze verkregen. God wil het

zoo. Ik mag mij niet tegen Gods wil verzetten. En waarom wil God

het? Opdat ik voortga met 't geen ik begonnen heb: opdat ik goed

doe, opdat ik eenmaal een groot, aanmoedigend voorbeeld zij, opdat

gezegd kunne worden, dat zich ten laatste een weinig geluk hecht aan

de boete, welke ik mij heb opgelegd, en aan de deugd waartoe ik ben

wedergekeerd! Waarlijk, ik begrijp niet waarom ik straks zoo bevreesd

was, bij den goeden pastoor binnen te gaan om hem, als biechtvader,

alles te verhalen en hem raad te vragen; hij zou mij ongetwijfeld

hetzelfde gezegd hebben. Het is dus beslist, wij willen de zaken haar

loop laten, en ons niet in de wegen der Voorzienigheid verzetten."

Zoo sprak hij in de diepste overtuiging van zijn gemoed, gebogen over

't geen men zijn eigen afgrond zou kunnen noemen. Hij stond op van

zijn stoel en wandelde door de kamer.--Kom, zeide hij, denken wij er

niet meer aan. Mijn besluit is genomen!--Maar hij voelde geen vreugde.

Integendeel.

Men kan evenmin den geest beletten, tot een denkbeeld terug te keeren,

als de zee om terug te keeren tot het strand. Van de zee noemt men

dit vloed; van den schuldige wroeging. God beweegt de ziel evenals

den oceaan.

Na weinige oogenblikken--wat hij er ook tegen doen mocht--ving hij

dit sombere zelfgesprek weder aan, waarin hij sprak en hoorde beide,

zeggende wat hij had willen verzwijgen, hoorende wat hij niet had

willen hooren, zwichtende voor die geheimzinnige macht, welke tot

hem zeide: "denk!" gelijk zij, twee duizend jaren geleden, tot een

anderen veroordeelde zeide: "wandel!"

Alvorens verder te gaan, en ten einde volkomen begrepen te worden,

moeten wij een noodzakelijke opmerking maken.

't Is zeker, dat men met zich zelven kan spreken; geen menschelijk

wezen, dat hiervan de ervaring niet heeft. Men kan zelfs zeggen,

dat het woord nooit een grootscher verborgenheid is, dan wanneer het

in den mensch van het verstand tot het geweten, en van het geweten

weder tot het verstand gaat. 't Is alleen in dezen zin, dat de in

dit hoofdstuk meermalen gebezigde woorden, hij zeide, hij riep,

moeten verstaan worden; men zegt iets tot zich zelven, men spreekt

met zich zelven, men roept in zich zelven, zonder dat de uitwendige

stilte verstoord wordt. Er heerscht soms in ons een groot rumoer,

alles spreekt in ons behalve de mond. De wezenlijkheden der ziel,

hoewel niet zicht- en tastbaar, zijn daarom niet minder werkelijkheden.

Madeleine vroeg zich dus af, hoe ver hij nu gekomen was. Hij onderhield

zich over zijn "genomen besluit." Hij bekende zich zelven, dat, al

wat hij in zijn geest had bepaald, onhoudbaar was, dat "de dingen hun

loop laten,--den goeden God laten handelen" op de keper beschouwd,

afschuwelijke huichelarij was. De vergissing van het lot en van de

menschen toe te laten, ze niet te beletten, er door zwijgen toe mede

te werken, kortom: niets te doen, was evenveel als alles te doen!'t

Was de laagste trap der schandelijkste geveinsdheid. 't Was een lage,

lafhartige, gemeene, afzichtelijke, verfoeielijke misdaad!

Voor het eerst sedert acht jaren voelde de ongelukkige man de

bitterheid eener slechte gedachte en eener slechte daad.

Hij wierp ze met afkeer en ontzetting van zich af.

Hij ging in zijn eigen-onderzoek voort. Hij vroeg zich ernstig af,

wat hij verstaan had onder de woorden: "Mijn doel is bereikt!" Hij

betuigde zich zelven, dat zijn leven inderdaad een doel had. Maar

welk doel? Zijn naam te verbergen? de politie te bedriegen? Was

't voor zulk een nietige zaak, dat hij al datgene gedaan had,

wat hij had verricht? had hij geen ander doel, dat het eigenlijke,

groote doel was? Niet zijn persoon, maar zijn ziel te redden. Weder

een goed, eerlijk man te worden. Een rechtvaardige te zijn! was het

dit niet bovenal, dit niet alleen, wat hij gewild, wat de bisschop

hem aanbevolen had?--De deur voor zijn verleden sluiten? Maar hij

sloot ze hierdoor niet; integendeel, hij opende ze opnieuw, door

een schandelijke daad te plegen! hij werd weder een dief, en wel de

afschuwelijkste dief! hij stal een ander zijn bestaan, zijn leven,

zijn rust, zijn licht en geluk! hij werd een moordenaar! hij doodde,

hij doodde zedelijk een ongelukkig mensch, hij bracht hem tot dien

vreeselijken, levenden dood, dien dood in de open lucht, dien men het

bagno noemt! Daarentegen--zich over te leveren, dezen man te redden,

die 't slachtoffer van zulk een rampzalige dwaling was, zijn eigen naam

weder aan te nemen, wederom uit plichtbesef Jean Valjean te worden; dit

ware werkelijk de voltooiing zijner herleving en opstanding geweest,

en het voor eeuwig sluiten der hel, waaruit hij kwam! Er schijnbaar

in weder te keeren, was in werkelijkheid dien te verlaten! Dat

moest hij doen; zoo hij dit niet deed, had hij niets gedaan; zijn

geheel leven was nutteloos, zijn geheele boete ijdel. Hij kon niet

anders zeggen dan: waartoe heeft het gediend? Hij gevoelde, dat de

bisschop tegenwoordig was, dat hij te meer tegenwoordig was, dewijl

hij dood was; dat de bisschop zijn blik strak op hem gericht hield,

dat voortaan de maire Madeleine met al zijn deugden hem een gruwel zou

zijn, en dat de tuchteling Jean Valjean bewonderenswaardig en rein

zou wezen in zijn oogen. Dat de menschen slechts zijn masker zagen,

maar dat de bisschop zijn aangezicht zag. Dat de menschen slechts zijn

leven zagen, maar dat de bisschop zijn geweten zag. Hij moest dus

naar Arras gaan, om den gewaanden Jean Valjean te bevrijden en den

wezenlijken aan te geven. Helaas! dit was een ontzettend offer, een

smartelijke overwinning, een laatste stap; maar hij moest. Rampzalig

lot! hij kon voor Gods oog niet heilig zijn, dan wanneer hij voor de

oogen der menschen wederom in de schande verzonk!

"Welnu," zeide hij, "laten wij hiertoe besluiten! doen wij onzen

plicht. Redden wij dien man!"

Hij sprak deze woorden met luide stem, zonder er op te letten, dat

hij luide sprak.

Hij nam zijn boeken, zag ze na en bracht ze in orde. Hij wierp

een lias met schuldbrieven van kleine kooplieden, die in bekrompen

omstandigheden waren, op 't vuur. Toen schreef hij een brief, dien

hij verzegelde en op welks adres men had kunnen lezen, zoo iemand

op dat oogenblik in de kamer ware geweest: "Aan Mijnheer Laffitte,

bankier, rue d'Artois te Parijs."

Hij nam uit een secretaire een portefeuille die eenige bankbriefjes

bevatte en het paspoort, waarvan hij zich dat jaar had bediend op

zijn reis naar de verkiezingen.

Wie hem gezien had, terwijl hij deze verschillende handelingen

verrichtte, die met zulk eene ernstige overweging gepaard gingen, zou

niet vermoed hebben wat in hem omging. Slechts nu en dan bewogen zich

zijn lippen; een andermaal richtte hij het hoofd op en vestigde zijn

blik op een of andere plek van den wand, als ware juist dáar iets,

dat hij wilde onderzoeken of uitvorschen.

Toen hij den brief aan Laffitte geschreven had, stak hij hem in zijn

zak, evenals de portefeuille, en ging weder op en neer.

Zijn gedachten hadden geen andere richting genomen. Duidelijk zag hij

zijn plicht, in vlammende letters geschreven, die zijn zwevenden blik

overal volgden: "Ga, noem uw naam, geef u aan!"

Eveneens zag hij, en als bewogen zij zich in tastbare vormen voor hem,

de twee gedachten, die tot hiertoe het dubbele richtsnoer zijns levens

waren geweest: Zijn naam te verbergen, zijn ziel te heiligen.

Voor het eerst verschenen zij hem geheel afzonderlijk. Hij erkende, dat

eene dezer gedachten noodwendig goed was, terwijl de andere slecht kon

worden; dat de eerste de godsdienstige wijding, de andere de zelfzucht

was; dat de eene den "medemensch" gold, de andere "zijn eigen ik,"

dat de eene uit het licht, de andere uit de duisternis voortkwam.

Zij streden met elkander. Hij zag ze strijden. Naarmate hij ze langer

overdacht, waren zij voor het oog van zijn geest grooter geworden; ze

hadden nu reusachtige gestalten; en het scheen hem alsof hij in zijn

binnenste, in dat oneindige, waarvan wij gesproken hebben, te midden

der duisternis en van het licht, een godin en een reuzin zag strijden.

Hij was met ontzetting vervuld, maar 't kwam hem voor, dat de goede

gedachte de overwinning behaalde.

Hij gevoelde, dat hij nu aan het tweede beslissende oogenblik

van zijn geweten en van zijn lot gekomen was, dat de bisschop de

aanleiding tot de eerste herschepping van zijn leven had gegeven,

en dat Champmathieu die tot de tweede geven zou. Na de groote crisis

kwam de groote beproeving.

Intusschen vernieuwde zich allengskens de voor een oogenblik

onderdrukte koorts. Duizenden gedachten rezen in hem op, maar zij

dienden slechts om hem in zijn besluit te versterken.

Voor een oogenblik had hij tot zich zelven gezegd:--dat hij

misschien de zaak te ernstig opvatte, dat deze Champmathieu zooveel

belangstelling niet verdiende, dat hij in alle geval gestolen had.

Hij gaf zich zelven ten antwoord:--Zoo deze man werkelijk eenige appels

heeft gestolen, wordt hij met een maand gevangenis gestraft. Dit is een

oneindig groot verschil met de galeien. En zelfs, wie weet het? heeft

hij wel gestolen? is 't bewezen? de naam van Jean Valjean bezwaart hem

en schijnt bewijzen noodeloos te maken. Is dit niet gewoonlijk zoo,

bij de procureurs des konings? Men gelooft, dat hij een dief is wijl

men weet, dat hij een tuchteling is geweest.

In een ander oogenblik kwam de gedachte bij hem op, dat, wanneer hij

zich zelf zou hebben aangegeven, men misschien den zeldzamen heldenmoed

dezer daad, zijn zevenjarig verdienstelijk leven en wat hij voor het

gewest had gedaan, in aanmerking zou nemen, en hem gratie schenken zou.

Maar deze veronderstelling verdween spoedig, en hij glimlachte bitter,

als hij aan den diefstal der twee francs van den kleinen Gervais

dacht, welke diefstal hem tot een "in herhaling van misdaad vervallen"

(recidivist) maakte, dat deze zaak zekerlijk weer aan 't licht komen

zou, en hem, volgens de uitdrukkelijke woorden der wet, tot de straf

van levenslangen dwangarbeid zou doen veroordeelen.

Hij trachtte zich aan alle zelfmisleiding te onttrekken, maakte

zich meer en meer van de aarde los en zocht elders troost en

kracht. Hij zeide tot zich zelven, dat hij zijn plicht moest doen;

dat hij misschien niet ongelukkiger zou zijn, wanneer hij zijn

plicht gedaan had, dan wanneer hij dien ontweken was; dat, zoo hij

de dingen hun loop liet en hij te M. sur M. bleef, zijn aanzien,

zijn goede naam, zijn goede werken, de achting, de vereering, welke

men hem toedroeg, zijn liefdadigheid, zijn rijkdom, de genegenheid

der bevolking, zijn deugd, met een misdaad bezoedeld zouden zijn;

en hoe zouden deze zegeningen hem kunnen smaken, wanneer ze met zoo

iets afschuwelijks gepaard gingen? terwijl, zoo hij zijn opoffering

bracht, in 't bagno, aan den schandpaal, aan de keten, met de groene

muts, in onophoudelijken arbeid, in schande zonder medelijden, zich

een hemelsche gedachte te midden van dit alles zou mengen.

Eindelijk zeide hij, dat het noodzakelijk was, dat zijn lot

aldus bepaald was, dat hij de beschikkingen des Hemels niet mocht

verhinderen, dat hij in allen geval een keus moest doen tusschen

uitwendige deugd en inwendige schande, of tusschen inwendige deugd

en uitwendige schande.

Bij de overweging van al deze sombere voorstellingen, wankelde zijn

moed niet, maar zijn hoofd werd moede. Onwillekeurig begon hij aan

andere, aan onverschillige dingen te denken. Zijn slapen klopten

geweldig; zijn hoofd bonsde. Hij ging altijd nog op en neer. Het sloeg

twaalf uren, eerst van den kerktoren, toen van 't stadhuis. Hij telde

de twaalf slagen van beide klokken, en vergeleek beider klank met

elkander. Hij herinnerde zich bij deze gelegenheid, dat hij voor

eenige dagen bij een oud-ijzerkoopman een oude klok had gezien,

waarop deze naam stond: Antoine Albin de Romainville.

Hij was koud. Hij stookte het vuur aan. Hij dacht er niet aan het

venster te sluiten.

Ondertusschen verzonk hij in een soort van wezenloosheid. Hij moest

zich geweldig inspannen, om zich te herinneren waaraan hij gedacht had,

vóór het twaalf uren sloeg. Eindelijk gelukte het hem.

"Ha! 't is waar, ik had me voorgenomen mij aan te geven."

En eensklaps dacht hij aan Fantine.

"O, en die ongelukkige vrouw!"

Een nieuwe crisis ontstond.

Fantine, die plotseling in zijn mijmering oprees, scheen hem een

onverwachte lichtstraal. Al wat hem omgaf, scheen van aanzien te

veranderen en hij riep bij zich zelven:

"Ja, tot hiertoe heb ik slechts alleen aan mij zelven gedacht:

alleen mijn eigen belangen overwogen! Voor mij gold de vraag, te

zwijgen of mij aan te geven,--mijn persoon te verbergen of mijn ziel

te redden,--een verachtelijk maar geacht overheidspersoon of een

versmaad maar deugdzaam galeiboef te zijn: 't is mij, altijd mij,

alleen mij, die dit aangaat. Maar mijn hemel, dit is alles slechts

zelfzucht. 't Zijn verschillende vormen der zelfzucht, maar toch

niets anders dan zelfzucht! Moet ik ook niet een weinig aan anderen

denken? De eerste trap der deugd is, aan anderen te denken? Laat ons

zien en onderzoeken! Wanneer ik weg, verdwenen, vergeten ben, wat zal

van dit alles worden?--Zoo ik mij aangeef? dan zet men mij gevangen,

men laat Champmathieu los, men voert mij weder naar de galeien:--goed,

en vervolgens? Wat gebeurt hier? Hier, hier hebben wij een stad,

fabrieken, een industrie, werklieden, mannen, vrouwen, grijsaards,

kinderen, arme lieden! Dit alles heb ik geschapen; dit alles leeft door

mij; overal waar een schoorsteen rookt, heb ik het hout op den haard

en het vleesch in den pot gedaan; ik heb welvaart, handel en krediet

aangebracht, vóór mij was van dit alles niets; ik heb het geheele

oord opgericht, verlevendigd, bezield, vruchtbaar gemaakt, versterkt

en verrijkt; ontbreek ik, dan ontbreekt de ziel. Ga ik, dan sterft

alles.--En deze vrouw, die zooveel geleden heeft, die, in weerwil

van haar val, zooveel goeds heeft, wier ongeluk ik onwillekeurig

veroorzaakt heb! En 't kind, dat ik wilde gaan halen, dat ik der

moeder beloofd heb! Ben ik ook niets aan deze vrouw verschuldigd,

ter vergoeding van het leed, dat ik haar veroorzaakt heb? Wat zal

gebeuren, zoo ik verdwijn? De moeder sterft. Het kind wordt aan zich

zelf overgelaten. Dat gebeurt, indien ik mij aangeef.--En zoo ik mij

niet aangeef? Laat eens zien, zoo ik mij niet aangeef, wat dan?"

Na zich deze vraag gesteld te hebben, zweeg hij; hij scheen een

oogenblik te aarzelen en te beven; maar 't was slechts een oogenblik,

en hij antwoordde bedaard:

"Welnu, deze man gaat naar de galeien; 't is waar; maar, wat drommel,

hij heeft gestolen! Ik moge zeggen wat ik wil, hij heeft gestolen! Ik

blijf hier, ik zet mijn zaken voort; in tien jaren zal ik tien

millioen hebben gewonnen; ik verspreid ze door 't land; ik zal niets

voor mij behouden; wat maakt mij dat uit? 't Is niet voor mij zelven,

wat ik doe. De algemeene welvaart neemt toe, de nijverheid ontwaakt

en ontwikkelt zich, de fabrieken en werkplaatsen vermeerderen; de

gezinnen, honderd, duizend gezinnen zijn gelukkig; het gewest wordt

volkrijker; er ontstaan dorpen, waar nu slechts hoeven zijn; er komen

hoeven waar nu niets is; de armoede verdwijnt, en met de armoede

verdwijnen zedeloosheid, de prostitutie, de diefstal, de moord,

alle ondeugden, alle misdaden! En deze arme moeder voedt haar kind

op! en een geheel gewest is welvarend en deugdzaam. O, ik was dwaas,

waanzinnig! hoe kon ik er aan denken mij te willen aangeven? Men

moet alles wel overwegen, en niets met overhaasting doen. Hoe! wijl

't mij in den zin komt den deugdzame, den edelmoedige te spelen,

't Zou waarlijk niets anders dan een melodrama zijn! Wijl ik alleen

aan mij, aan mijn eigen persoon gedacht heb! Om een dief, althans

blijkbaar iemand zonder beteekenis, aan een misschien al te strenge,

maar eigenlijk toch billijke straf te onttrekken, zou een geheel gewest

te gronde gaan! een arme vrouw in 't gasthuis sterven! een arm meisje

op de straat van gebrek omkomen! als een hond! O, 't zou afschuwelijk

zijn! En zelfs zonder dat de moeder haar kind heeft wedergezien! zonder

dat het kind schier de moeder gekend heeft! eeniglijk ter wille van

dien ouden schelm, dien appeldief, die zeker de galeien wel voor

iets anders heeft verdiend, zoo het niet voor deze zaak is. Fraaie

nauwgezetheid, welke een schuldige redt en onschuldigen opoffert, een

ouden landlooper redt, die bij slot van rekening toch slechts weinige

jaren te leven heeft en niet veel ongelukkiger in het bagno dan in zijn

hut zal zijn, en hiervoor een geheele bevolking, moeders, vrouwen,

kinderen zou opofferen! Die arme kleine Cosette, die niemand anders

dan mij op de wereld heeft, en op dit oogenblik, waarschijnlijk blauw

van koude, in 't ellendig verblijf der Thénardier's verwijlt. Dat zijn

ook kanaljes! En zou ik ten aanzien van deze allen aan mijn plichten

te kort doen! Ik zou mij gaan aangeven! Ik zou zulk eene dwaasheid

doen. Laat ons het ergste nemen. Laat ons aannemen, dat ik in deze

zaak slecht handel en mijn geweten 't mij eenmaal zal verwijten,--maar

zoo ik, tot welzijn van anderen, mij aan deze verwijten onderwerp,

die alleen op mij nederkomen, deze slechte daad verricht, die slechts

mijne eigene ziel schade kan doen, zoo geschiedt dit uit opoffering,

uit deugd.

Hij stond op en ging weder op en neer. Dezen keer scheen hij met zich

zelven tevreden te zijn.

Men vindt de diamanten slechts in den donkeren schoot der aarde; men

vindt de waarheden alleen in de diepte der gedachten. Het kwam hem

voor alsof hij, na in deze diepte te hebben verwijld, na lang in de

diepste duisternis te hebben rondgetast, eindelijk een dier diamanten,

een dier waarheden had gevonden, en dat hij ze in zijn hand hield,

terwijl hij zich door haar aanschouwing liet verblinden.

Ja, dacht hij, zoo is het. Ik heb de waarheid, de oplossing. Men

moet zich eindelijk aan iets houden. Mijn besluit is genomen. Laat

gebeuren wat wil! Niet gewankeld, niet achteruit gegaan. Zóó is

't in aller belang, niet in het mijne. Ik ben Madeleine, ik blijf

Madeleine. Ongelukkig, wie Jean Valjean is! Ik ben 't niet meer. Ik ken

dien man niet, ik weet niet meer wie hij is! zoo er thans nog iemand

gevonden wordt, die Jean Valjean heet, dat hij er zich uitredde. 't

Gaat mij niet aan. 't Is een noodlottige naam, die in de duisternis

zweeft; zoo hij op iemands hoofd nedervalt, des te erger voor dezen.

Hij bezag zich in den kleinen spiegel op den schoorsteen en zeide:

"Zie, 't heeft mij verlicht nu ik een besluit genomen heb! Ik ben nu

geheel anders."

Hij deed nog eenige schreden, toen bleef hij plotseling staan en zeide:

"Welaan! niet teruggedeinsd voor eenig noodzakelijk gevolg van mijn

genomen besluit. Er zijn nog draden, die mij aan dezen Jean Valjean

hechten. Ik moet ze verbreken. Zelfs in deze kamer zijn voorwerpen,

die mij zouden beschuldigen, stomme dingen, die tegen mij zouden

kunnen getuigen; ja,--dat alles moet verdwijnen.

Hij tastte in zijn zak, nam zijn beurs en daaruit een sleuteltje.

Hij stak dat sleuteltje in een slot, waarvan de opening nauwelijks

te ontdekken was, daar ze in de donkerste schakeeringen van het

behangselpapier, dat den muur bedekte, was verborgen. Een geheime

ruimte opende zich; een soort van kastje, dat tusschen den hoek van den

muur en den schoorsteenmantel was aangebracht. In dat kastje bevonden

zich slechts eenige prullen; een blauwlinnen kiel, een oude broek,

een oude ransel en een aan beide einden met ijzer beslagen dikke

doornen stok. Zij, die Jean Valjean gezien hadden, op het tijdstip,

toen hij in October 1815 door D. kwam, zouden gereedelijk al de

stukken zijner ellendige kleeding hebben herkend.

Hij had ze bewaard, evenals hij de zilveren kandelaars bewaard had,

om zich steeds het keerpunt in zijn leven te herinneren. Maar dit,

dat uit het bagno kwam, verborg hij, en de kandelaars, die van den

bisschop kwamen, liet hij zien.

Hij sloeg een schuwen blik op de deur, alsof hij vreesde, dat zij,

in weerwil van den voorgeschoven grendel, mocht geopend worden; toen

nam hij, zonder zelfs het oog te slaan op deze voorwerpen, welke hij

zoo zorgvuldig en met zooveel gevaar gedurende vele jaren had bewaard,

met een haastigen greep lompen, stok, ransel, en wierp alles te zamen

in het vuur.

Hij sloot het verborgen kastje, en met dubbele voorzichtigheid,

die voortaan echter niet meer behoefde; wijl het kastje ledig was,

schoof hij er een zwaar meubelstuk voor.

Na weinige seconden waren de kamer en de tegenoverstaande muur door

een sterk flikkerenden weerschijn verlicht. Alles brandde; de doornen

stok knetterde en wierp vonken tot in 't midden der kamer.

Uit den ransel, die met de daarin zijnde afzichtelijke vodden

verbrandde, was iets gevallen, dat in de asch glinsterde. Als

men zich gebukt had, zou men gemakkelijk een geldstuk hebben

ontdekt. Ongetwijfeld het tweefrancstuk, dat aan den kleinen savooiaard

ontstolen was.

Maar hij sloeg geen oog op het vuur en ging steeds met denzelfden

tred heen en weder. Eensklaps viel zijn blik op de beide zilveren

kandelaars, die door het schijnsel van het vuur op den schoorsteen

glinsterden.

Ha! dacht hij, daarin leeft Jean Valjean nog geheel en al. Ook zij

moeten vernietigd worden.

Hij nam de beide kandelaars.

Er was vuur genoeg, om ze spoedig tot een vormloozen klomp te

versmelten en onherkenbaar te maken.

Hij boog zich over den haard en warmde zich even. 't Deed hem goed,

en hij zeide: Een aangename warmte!

Met een der kandelaars stookte hij het vuur op.

Een minuut later, en beide lagen in het vuur.

Op dit oogenblik scheen hij een inwendige stem te hooren, die hem

toeriep: "Jean Valjean! Jean Valjean!"

Zijn haar rees te berge; het was hem als iemand, die iets vreeselijks

hoort.

"Ja, zoo is het goed, ga voort!" zei de stem. "Voltooi

wat ge doet! vernietig deze kandelaars! vernietig deze

herinnering! vergeet den bisschop! vergeet alles! stort Champmathieu in

't verderf! Goed! wensch u geluk! 't Is dus bepaald, besloten! deze

man, deze grijsaard, die niet weet wat men van hem wil, die wellicht

niets misdreven heeft, een onschuldige, wiens ongeluk alleen door uw

naam is veroorzaakt, op wien uw naam als een misdaad drukt, zal voor

u gehouden, zal veroordeeld worden; hij zal zijn leven in schande en

ellende doorbrengen! Goed! Wees gij een eerlijk man! Blijf mijnheer

de maire, blijf achtbaar en geëerd, verrijk de stad, voed de armen,

verpleeg de weezen, leef gelukkig, deugdzaam en bewonderd, en terwijl

gij hier in vreugde en glans zult leven, zal een ander uw roode buis,

uw eerloozen naam dragen en in het bagno uw keten sleepen. Ja, zoo

is het wijs overlegd! O, ellendeling!"

Het zweet droop van zijn voorhoofd. Strak staarde hij op de

kandelaars. Wat evenwel in hem sprak, had nog niet geëindigd. De stem

ging voort:

"Jean Valjean! vele stemmen zullen zich rondom u verheffen, luide

spreken en u zegenen; maar één stem, die niemand hoort, zal u in de

duisternis vloeken. Welnu, luister, eerlooze! al deze zegeningen

zullen neerslaan, vóór ze den hemel hebben bereikt, en slechts de

vloek zal tot God opstijgen."

Deze stem, aanvankelijk zwak, uit het duisterste van zijn geweten

opgerezen, was allengs geweldig en schrikbarend geworden, en hij

hoorde ze nu in zijn ooren, 't Was hem, alsof zij van hem uit was

gegaan en nu buiten hem sprak. Hij meende zoo duidelijk de laatste

woorden te hooren, dat hij angstig de kamer rondzag.

"Is hier iemand?" vroeg hij luid en ontroerd.

En hij hernam, met een lach, welke dien van een waanzinnige geleek:

"Wat ben ik dwaas! hier kan niemand zijn!''

Er was evenwel iemand; maar iemand, dien 't menschelijk oog niet

zien kan.

Hij zette de kandelaars weder op den schoorsteen.

Toen hervatte hij die eentonige, sombere wandeling, welke den man,

die onder hem sliep, in zijn droomen stoorde en deed ontwaken.

Deze wandeling verlichtte en bedwelmde hem tevens. Het schijnt, dat

men zich in gewichtige oogenblikken slechts heen en weer beweegt,

om raad te vragen aan alles wat men ontmoet. Na weinige oogenblikken

wist hij wederom niet meer hoe 't met hem geschapen was.

Thans deinsde hij met evenveel schrik terug voor de beide besluiten,

welke hij achtereenvolgens genomen had. De beide voornemens,

die hij gevormd had, kwamen hem al even verderfelijk voor.--Welk

een noodlottige vergissing, deze Champmathieu, die voor hem werd

gehouden! Ten val te worden gebracht, juist door het middel, 't welk

de Voorzienigheid eerst scheen bestemd te hebben om hem te behoeden.

Een oogenblik sloeg hij een oog in de toekomst. Groote God! zich zelven

aan te geven, over te leveren! Met innige wanhoop beschouwde hij alles;

wat hij moest verlaten; alles, waartoe hij moest wederkeeren. Hij

moest dan afstand doen van dit goede, reine, bekoorlijke leven, van

aller achting, van zooveel eer en van de vrijheid! Hij zou niet meer

wandelen in de velden, niet meer het gezang der vogelen hooren in de

maand Mei: hij zou de kleine kinderen geen geschenken meer geven. Hij

zou den zachten blik der dankbaarheid en der liefde niet meer op

zich gevestigd zien! Hij zou het huis verlaten, dat hij gebouwd

had; deze kleine kamer! Dit alles scheen hem in dit oogenblik zoo

dierbaar! Hij zou deze boeken niet meer lezen, niet meer aan dit nette

tafeltje schrijven! Zijn oude portierster, zijn eenige dienstbode,

zou hem zijn ontbijt niet meer brengen! Groote God! in plaats van

dat alles de gijzeling, de halsketen, het roode buis, de voetkogel,

de zware arbeid, het cachot, de brits, alle hem bekende gruwelen! En

dat op zijn leeftijd, na geweest te zijn wat hij thans was! Zoo

hij nog jong ware! Maar oud, door iedereen ruw behandeld, door den

opzichter onderzocht, door den bewaarder geslagen te worden! Barvoets

in gespijkerde schoenen te gaan. 's Ochtends en 's avonds den smid

zijn been te vertoonen. De nieuwsgierigheid der vreemdelingen te

dulden, tot wie men zou zeggen: "dit is de beruchte Jean Valjean, die

maire te M. sur M. is geweest." Des avonds, druipend van 't zweet,

uitgeput van vermoeidheid, met de groene muts op de oogen, twee aan

twee, onder de zweep van den bewaarder, die trapleer der drijvende

gevangenis te moeten opklimmen! Ach! welk een ellende! Kan dan het

lot boosaardig zijn als een verstandig wezen, en gedrochtelijk worden

als het menschelijk hart?

Wat hij ook deed, hij verviel altijd weder tot het noodlottige dilemma,

dat aan al zijn gedachten ten grondslag lag:--"In het paradijs te

blijven en er duivel worden! Naar de hel wederkeeren en er engel

worden!"

Wat te doen, groote God! wat te doen?

De storm, waaruit hij zich met zooveel moeite gewerkt had, brak opnieuw

in hem los. Zijn gedachten werden verward. Zij namen dat verstompte,

lijdelijke aan, 't welk der wanhoop eigen is. De naam Romainville

kwam hem telkens in den geest, met twee verzen van een liedje, dat

hij eertijds gehoord had.

Hij herinnerde zich dat Romainville een boschje bij Parijs was,

waar in de maand April jeugdige verliefden seringen gaan plukken.

Hij wankelde zoowel in- als uitwendig. Hij ging als een kind zonder

leiband.

In sommige oogenblikken verzette hij zich tegen zijne matheid en

trachtte zijn geest weder kracht te geven. Hij poogde ten laatsten

male en op beslissende wijze het raadsel op te lossen, waarbij

hij, om zoo te spreken, vermoeid was neergezonken. Moet ik mij

aangeven? moet ik zwijgen?--'t Gelukte hem niet, iets duidelijks

te zien. De flauwe schaduwbeelden van alle voorstellingen, die zijn

gepeins hadden opgewekt, flikkerden en verdwenen het een na het ander

als in rook. Dit alleen gevoelde hij, dat, waartoe hij ook besloot,

er iets in hem noodwendig en onvermijdelijk sterven moest; dat hij

zoowel links als rechts in een graf stapte; dat hij òf van zijn geluk

òf van zijn deugd afstand moest doen.

Helaas! zijn besluiteloosheid had weder geheel de overhand. Hij was

weder niets verder dan toen hij begon.

Alzoo worstelde deze ongelukkige ziel als in een

doodsstrijd. Achttienhonderd jaren vóór dezen rampzalige, had het

geheimzinnige wezen, in 't welk al het heilige en al het lijden der

menschheid vereenigd was,--had ook dit wezen, terwijl de olijfboomen

in den woesten wind van het oneindige sidderden, met de hand lang den

vriendelijken beker verwijderd, die, overvloeiende van duisternis en

schaduw, hem in de diepten van het gesternde uitspansel verscheen.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 141 / 177 题