SCHERPZINNIGHEID VAN SCAUFFLAIRE.

Uit de mairie ging hij naar het einde der stad, bij een Vlaming,

Scaufflair, of verfranscht, Scaufflaire genoemd, die paarden en

rijtuigen verhuurde.

De naaste weg om naar Scaufflaire te gaan, was door een weinig bezochte

straat, waar de geestelijke der kerk woonde, waartoe mijnheer Madeleine

behoorde. Zoo men zeide, was de pastoor een goed, achtenswaardig

mensch, die gaarne goeden raad gaf. Juist toen mijnheer Madeleine de

pastorie voorbijging, was er in de straat slechts één voorbijganger,

en deze merkte op, dat mijnheer de maire, de pastorie voorbij zijnde,

een oogenblik stilstond, toen terugkeerde tot aan de deur der pastorie,

haastig de hand aan den ijzeren klopper legde en hem ophief; zoo

eenige oogenblikken in gedachten bleef staan, waarna hij in plaats

van den klopper hard te laten vallen, hem zacht en zonder gerucht

nederliet, en nu met een soort van haast, die hij vroeger niet had,

zijn weg vervolgde.

Mijnheer Madeleine vond Scaufflaire te huis, bezig met het herstellen

van paardetuig.

"Scaufflaire, hebt ge een goed paard voor mij?" vroeg hij.

"Mijnheer de maire," zei de Vlaming, "al mijn paarden zijn goed. Wat

bedoelt u met een goed paard?"

"Een paard, dat twintig uren in een dag aflegt."

"Drommels!" hernam de Vlaming, "twintig uren."

"Ja."

"Voor een cabriolet?"

"Ja."

"En hoelang zal het na dien rit rusten?"

"Het moet desnoods den volgenden dag terugkeeren."

"Om denzelfden afstand af te leggen?"

"Ja."

"Drommels! drommels! nog eens twintig uren!"

De heer Madeleine nam uit zijn zak het papier, waarop hij cijfers had

geschreven. Hij liet ze den Vlaming zien. Het waren de getallen: 5,

6, 8-1/2.

"Ge ziet," zeide hij; "te zamen negentien en een half; alzoo bijna

twintig uren."

"Ik heb wat ge zoekt, mijnheer de maire," antwoordde de Vlaming. "Mijn

klein wit paard--gij hebt het zeker wel eens zien voorbijkomen--een

klein vurig dier uit het Boulonneesche. Men wilde er eerst een

rijpaard van maken, maar jawel, het sprong en steigerde en wierp

iedereen af. Men meende, dat het kwaadaardig was en wist niet wat er

mee te doen. Ik kocht het, spande het voor de cabriolet, en dat was,

wat het wilde; het werd zacht als een lam en loopt als de wind. Maar

men moet het niet op den rug komen. 't Wil met geweld geen rijpaard

wezen. Ieder zijn smaak! Trekken, goed; dragen, neen; 't is of het

dit bij zich zelven gezworen heeft."

"En zal het dien weg kunnen afleggen?"

"Twintig uren in vollen draf en in minder dan acht uren. Maar hoor,

op welke voorwaarden."

"Zeg ze."

"Vooreerst moet ge het paard te halverwege een half uur laten

uitrusten; het moet dan gevoerd worden, en bij het voeren moet men

zelf tegenwoordig zijn, om den stalknecht te verhinderen de haver te

stelen; want ik weet bij ondervinding, dat de haver in de herbergen

meer door de knechts gedronken dan door de paarden gegeten wordt."

"Men zal er bij zijn."

"Ten tweede ... is de cabriolet voor mijnheer den maire?"

"Ja."

"Kan mijnheer de maire rijden?"

"Ja."

"Nu, mijnheer de maire moet alleen en zonder bagage reizen, opdat

het paard geen te zware vracht hebbe."

"Aangenomen."

"Maar daar mijnheer de maire niemand bij zich heeft, zal hij verplicht

zijn, zelf het oog op het voeren te houden."

"'t Zal geschieden."

"Ik vraag dertig francs per dag, de rustdagen medegerekend. Geen

cent minder en het onderhoud van het paard ten koste van mijnheer

den maire."

Mijnheer Madeleine nam drie gouden Napoleons uit zijn beurs en legde

ze op de tafel.

"Ziehier twee dagen vooruit."

"Ten vierde: Voor zulk een rit zou een cabriolet te zwaar zijn en het

paard te veel vermoeien. Mijnheer de maire zal zich moeten vergenoegen

met een kleine tilbury, die ik heb."

"Ik neem er genoegen mede."

"Ze is licht, maar open."

"'t Is mij onverschillig."

"Denkt mijnheer de maire er wel aan, dat het winter is?..."

De heer Madeleine antwoordde niet en de Vlaming hernam:

"Dat het zeer koud is?"

De heer Madeleine bleef zwijgen.

Scaufflaire voer voort:

"Dat het kan regenen?"

De heer Madeleine richtte het hoofd op en zeide:

"Morgenvroeg om half vijf moet het paard met de tilbury voor mijn

deur zijn."

"Goed, mijnheer de maire," antwoordde Scaufflaire, en met den nagel

van zijn duim een vlek van de tafel krabbende, zeide hij op dien

onverschilligen toon, waarmede de Vlamingers zoo goed hun sluwheid

bewimpelen:

"Maar, daar valt mij in, mijnheer de maire heeft nog niet gezegd,

waarheen de reis gaat. Waar moet mijnheer de maire heen?"

Sinds het onderhoud begonnen was, had hij aan niets anders gedacht,

maar hij wist zelf niet, waarom hij 't niet durfde vragen.

"Is uw paard vast op de voorpooten?" vroeg de heer Madeleine.

"Ja, mijnheer de maire. Als de weg afloopt moet ge 't alleen een weinig

inhouden. Zijn er veel hoogten en laagten in den weg, dien ge gaat?"

"Vergeet niet morgenochtend juist om half vijf uur aan mijn deur te

zijn," antwoordde mijnheer Madeleine, heengaande. De Vlaming was nog

even "dom" als vroeger, zooals hij zich later uitdrukte.

Mijnheer de maire was een paar minuten weg geweest, toen de deur

weder geopend werd; 't was mijnheer de maire, die terugkwam.

Hij had nog 't zelfde peinzend en onverstoorbaar voorkomen van

daareven.

"Scaufflaire," zeide hij, "op hoeveel schat ge uw paard en tilbury,

die ge mij wilt verhuren, het een met 't ander?"

"Het een vóór het ander, mijnheer de maire," zei de Vlaming met een

plompen lach.

"Nu ja."

"Wil mijnheer de maire ze van mij koopen?"

"Neen, maar men weet niet wat gebeuren kan, ik wil er u waarborg voor

geven. Bij mijn terugkomst geeft ge mij het geld terug. Op hoeveel

schat ge het rijtuig en het paard?"

"Op vijfhonderd francs, mijnheer de maire."

"Ziehier het geld."

Mijnheer Madeleine legde een bankbriefje op de tafel, ging toen en

kwam ditmaal niet terug.

't Speet Scaufflaire geweldig, dat hij niet duizend francs had

gezegd. Overigens waren het paard en de tilbury te zamen nauwelijks

honderd kronen waard.

De Vlaming riep zijn vrouw en verhaalde haar de zaak. De drommel, waar

kan mijnheer de maire toch heen willen gaan? Zij raadpleegden.--Hij

gaat naar Parijs, zei de vrouw.--Ik geloof het niet, hernam de

man.--Mijnheer Madeleine had op den schoorsteen het papiertje laten

liggen, waarop hij cijfers had geschreven. De Vlaming nam het,

en bestudeerde het.--Vijf, zes, acht en een half? dat moeten zeker

poststations aanduiden. Toen wendde hij zich tot zijn vrouw:--Ik heb

't gevonden.--Wat?--Van hier tot Hesdin is vijf uren, van Hesdin tot

Saint-Pol zes, en van Saint-Pol tot Arras acht en een half. Hij gaat

naar Arras.

Inmiddels was de heer Madeleine weer te huis gekomen. Van Scaufflaire

terugkeerende had hij een langeren weg genomen, alsof de deur

der pastorie een verzoeking voor hem ware geweest, en hij die had

willen ontwijken. Hij was naar zijn kamer gegaan, waar hij zich

had opgesloten, 't geen trouwens niets ongewoons was, wijl hij zich

gaarne vroegtijdig ter rust begaf. Maar de portierster der fabriek,

die tevens de eenige dienstbode van den heer Madeleine was, merkte

op, dat zijn licht om half negen ure werd uitgedaan. Zij zeide dit

tot den boekhouder, die te huis kwam, er bijvoegende:

"Is mijnheer de maire ziek? Mij dunkt, dat hij eenigszins anders dan

gewoonlijk was."

De boekhouder bewoonde een kamer vlak onder die van den heer

Madeleine. Hij sloeg geen acht op de woorden der portierster,

ging te bed en sliep in. Tegen middernacht werd hij plotseling

wakker; in zijn slaap had hij boven zijn hoofd gerucht gehoord. Hij

luisterde. 't Was, alsof hij in de kamer boven zich heen en weder

hoorde gaan. Hij luisterde aandachtiger en herkende den tred van

mijnheer Madeleine. 't Kwam hem vreemd voor; gewoonlijk werd in de

kamer van den heer Madeleine niet het minste gerucht gehoord, vóór hij

opstond. Een oogenblik later hoorde de boekhouder iets, alsof een kast

werd geopend en dicht gedaan. Toen werd een meubelstuk verschoven,

er ontstond stilte, en er werd nogmaals heen en weder gegaan. De

boekhouder ging overeind zitten, werd geheel wakker, en zag door

zijn venster op den muur aan de overzijde, het roode schijnsel van

een verlicht raam. Naar de richting der lichtstralen te oordeelen,

kon het geen ander raam dan dat der kamer van mijnheer Madeleine zijn.

De lichtschijn bewoog zich, alsof die eerder van een flikkerend vuur

dan van kaarslicht kwam. De schaduw van het glasraam was er niet

op afgeteekend, 't geen bewees, dat het raam geheel open was. 't

Was zonderling, dat dit raam bij de heerschende strenge koude open

was. De boekhouder sliep weder in. Een paar uren later werd hij

nogmaals wakker. Dezelfde langzame geregelde tred ging steeds heen

en weder boven zijn hoofd.

De lichtschijn teekende zich nog altijd op den muur af, maar nu

flauwer en stil als het schijnsel eener kaars of van een lamp. Het

raam was ook nog open.

Ziehier wat in de kamer van mijnheer Madeleine plaats had.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 139 / 177 题