Op zekeren morgen was mijnheer Madeleine in zijn kantoor bezig met
het in orde brengen van eenige spoedeischende zaken der mairie,
voor 't geval hij tot de reis naar Montfermeil mocht besluiten,
toen men hem kwam verwittigen dat de inspecteur van politie Javert
hem wenschte te spreken. Op 't hooren van dien naam kon de heer
Madeleine een onaangenaam gevoel niet bedwingen. Sedert het gebeurde
in het politiebureau had Javert hem meer dan ooit vermeden en de heer
Madeleine had hem niet weder gezien.
"Laat hem binnenkomen," zeide hij.
Javert trad binnen.
De heer Madeleine was bij den haard blijven zitten met een pen in
de hand, papieren doorbladerende, waarop hij aanteekeningen maakte,
en die processen-verbaal wegens politie-overtredingen bevatten. Hij
liet zich door Javert niet storen. Onwillekeurig dacht hij aan de
arme Fantine, en hij wilde daarom koel zijn.
Javert groette eerbiedig mijnheer den maire, die hem den rug keerde. De
maire zag hem niet aan, maar ging met zijn aanteekeningen voort.
Javert deed drie of vier schreden in de kamer en bleef staan zonder
te spreken.
Een gelaatkundige, die Javerts karakter gekend en sinds langen tijd
dezen wilde in dienst der beschaving, dit zonderling mengsel van
den Romein, den Spartaan, den monnik en den korporaal, dezen tot een
logen onbekwamen spion, dezen vlekkeloozen politieagent bestudeerd
had; een gelaatkundige, die met zijn heimelijken en ouden afkeer van
mijnheer Madeleine en zijn twist met den maire nopens Fantine bekend
was geweest, en Javert op dit oogenblik had gadegeslagen, zou zich
afgevraagd hebben: wat is er gebeurd? 't Was duidelijk voor ieder die
zijn scherp, helder, oprecht, eerlijk, streng en wreed gemoed kende,
dat in Javert iets gewichtigs gebeurd was. Al wat in zijn ziel omging,
vertoonde zich op zijn gelaat. Gelijk alle driftige lieden was hij aan
plotselinge afwisselingen onderworpen. Nooit had zijn gelaat zulk een
zonderlinge en onverwachte uitdrukking vertoond. Toen hij binnenkwam,
had hij zich voor mijnheer Madeleine gebogen met een blik, waarin
noch wraak, noch toorn, noch wantrouwen lag, en was eenige schreden
achter den stoel van den maire blijven staan; hij stond daar in schier
onderdanige houding, met de naïeve en ruwe kalmte van iemand die nooit
zacht, maar altijd geduldig is geweest; zonder een woord te spreken,
bewegingloos, met ware deemoedigheid en rustige onderwerping wachtte
hij tot het mijnheer den maire behaagde zich om te keeren, bedaard,
ernstig, met den hoed in de hand en met neergeslagen oogen, welker
uitdrukking het midden hield tusschen die van den soldaat tegenover
zijn officier en van den misdadiger tegenover zijn rechter. Alle
gewaarwordingen zoowel als herinneringen, die men in hem had kunnen
vermoeden, waren verdwenen. Op dit ondoordringbaar en strak gezicht
als van graniet lag niets dan een sombere treurigheid. Zijn geheele
persoon ademde gedruktheid en standvastigheid, en een soort van
moedige neerslachtigheid.
Eindelijk legde de maire zijn pen neder en keerde zich ten halve om.
"Nu, wat is er? wat hebt ge, Javert?"
Javert bleef een oogenblik, als overdenkend, zwijgen; toen verhief
hij zijn stem met een soort van sombere plechtigheid, die echter
zonder gezwollenheid was.
"Er is een schuldige daad gepleegd, mijnheer de maire."
"Welke daad?"
"Een ondergeschikt dienaar van 't gezag heeft op erge wijze den eerbied
aan een overheidspersoon gekrenkt. Ik kom, zoo als mijn plicht is,
dit te uwer kennis brengen."
"Wie is die dienaar?" vroeg mijnheer Madeleine.
"Ik," zei Javert.
"Gij?"
"Ik."
"En wie is de overheidspersoon, die zich over u te beklagen heeft?"
"Gij, mijnheer de maire."
De heer Madeleine stond van zijn stoel op. Javert voer met ernstige
stem en steeds de oogen nedergeslagen voort:
"Mijnheer de maire, ik kom u verzoeken, mijn ontslag bij de regeering
aan te vragen."
De heer Madeleine was ten hoogste verbaasd, en opende den mond om te
spreken. Maar Javert kwam hem voor, zeggende:
"Ge zult zeggen, dat ik mijn ontslag had kunnen indienen, maar dat
is niet genoeg. Zijn ontslag indienen, is eervol. Maar ik heb misdaan
en moet gestraft worden. Ik moet worden afgezet."
En na eenig zwijgen voegde hij er bij:
"Mijnheer de maire, ge waart voor eenige dagen streng jegens mij--toen
onrechtvaardig. Wees dus heden rechtvaardig."
"Hoe! Waarom?" riep Madeleine. "Wat beteekenen deze woorden? Wat
bedoelt ge? Welke schuldige daad hebt ge jegens mij bedreven? Wat
hebt ge mij misdaan? Welke grieven hebt ge tegen mij? Gij beschuldigt
u zelven; gij wilt ontslagen worden..."
"Afgezet," zei Javert.
"Afgezet, 't zij zoo. 't Is goed; maar ik begrijp de reden niet."
"Ge zult ze begrijpen, mijnheer de maire."
Javert loosde een diepen zucht en hernam, altijd koel en treurig:
"Mijnheer de maire, zes weken geleden was ik woedend, ten gevolge
van het gebeurde met dat meisje, en ik heb u toen aangeklaagd."
"Aangeklaagd?"
"Aan de prefectuur van politie te Parijs."
Madeleine, die even zelden lachte als Javert, lachte nu en zeide:
"Dat ik als maire inbreuk op de politie heb gemaakt?"
"Neen, dat ge een gewezen tuchteling waart."
De maire werd doodsbleek.
Javert, die zijn oogen niet had opgeslagen, vervolgde:
"Ik meende dit. Sinds lang had ik hiervoor redenen. Een gelijkenis, de
navorschingen welke gij te Faverolles had laten doen, uw spierkracht,
het gebeurde met den ouden Fauchelevent, uw behendigheid in
't schieten, uw eenigszins slepende voet, en ik weet niet wat
meer... Domheden! Maar in één woord, ik hield u voor zekeren Jean
Valjean."
"Zekeren?... hoe zegt gij?"
"Jean Valjean. Een tuchteling dien ik twintig jaar geleden heb gezien,
toen ik onderopzichter te Toulon was. Zoo het schijnt, heeft deze
Valjean, na het bagno verlaten te hebben een bisschop bestolen,
vervolgens heeft hij een anderen diefstal, gewapenderhand, op den
openbaren weg, op een kleinen Savoyaard gepleegd. Sinds acht jaren
heeft hij zich uit de voeten gemaakt, men weet niet hoe, en men zocht
hem. Ik... ik had mij verbeeld...--Kortom, ik heb 't gedaan. De toorn
vervoerde mij, en ik klaagde u bij de prefectuur aan."
Madeleine, die sinds eenige oogenblikken de papieren weder ter hand
had genomen, hernam op geheel onverschilligen toon:
"En wat heeft men u geantwoord?"
"Dat ik gek was."
"En nu?"
"Men had gelijk."
"'t Is gelukkig, dat ge 't zelf erkent."
"Ik moet wel, want de ware Jean Valjean is gevonden."
Het blad, 't welk Madeleine in de hand hield, ontglipte zijn vingers;
hij richtte het hoofd op, staarde Javert strak aan en zeide op een
onbeschrijfelijken toon:
"Ha!"
Javert hernam:
"De zaak is deze, mijnheer de maire. 't Schijnt, dat in de omstreken
van Ailly-le-Haut-Clocher iemand woonde, dien men vader Champmathieu
heette. Hij was zeer arm. Men lette niet op hem. Men weet niet waarvan
dit soort van lieden leeft. Verleden herfst werd vader Champmathieu
wegens diefstal van appelen bij... de naam is mij ontschoten, in
hechtenis genomen. Er was gestolen, over een muur geklommen, er waren
takken afgebroken. Toen heeft men Champmathieu aangehouden. Hij had
den tak van een appelboom nog in de hand. De vent werd vastgezet. Tot
zoover is 't niet veel meer dan een correctioneele zaak. Maar zie hier
de wegen der Voorzienigheid! De gevangenis was in slechten toestand
en mijnheer de rechter van instructie vindt het goed, Champmathieu
naar Arras, in de departementale gevangenis, te doen overbrengen. In
deze gevangenis nu is een oude galeiboef, Brevet genoemd, die, ik
weet niet voor welke misdaad, moet zitten en wien men, wijl hij zich
goed gedroeg, tot eenige huiselijke diensten gebruikte. Champmathieu,
mijnheer de maire, was nauwelijks aangekomen, of Brevet riep: Ha, ik
ken dezen man. 't Is een oude galeiboef. Zie mij eens aan, mijn goede
man! Ge zijt Jean Valjean!--Jean Valjean! Wie is Jean Valjean? zegt
Champmathieu die zich heel verwonderd houdt.--Kom, houd u maar zoo
dom niet, zegt Brevet. Gij zijt Jean Valjean. Gij zijt in 't bagno van
Toulon geweest; twintig jaar geleden. Wij waren er samen.--Champmathieu
ontkent! Drommels! Gij begrijpt. Men deed onderzoek, en vorschte
de zaak na. Toen kwam het volgende aan 't licht: deze Champmathieu
was vóór omstreeks dertig jaren boomsnoeier in verschillende streken,
onder anderen te Faverolles geweest. Daar verliest men zijn spoor. Veel
later vindt men hem in Auvergne, vervolgens te Parijs terug, waar hij
wagenmaker was, naar hij zegt, en met eene waschvrouw leefde, doch dit
is niet bewezen; eindelijk vindt men hem hier. Wat was nu Jean Valjean,
vóór hij wegens diefstal met verzwarende omstandigheden in 't bagno
kwam? Boomsnoeier. Waar? Te Faverolles. Een ander bewijs. Deze Valjean
heette van doopnaam Jean, terwijl de geslachtnaam zijner moeder Mathieu
was. Wat is nu natuurlijker dan te gelooven, dat toen hij het bagno
verliet, hij den naam zijner moeder aannam, om zich onbekend te houden,
en zich Jean Mathieu heeft genoemd. Hij gaat naar Auvergne. Daar
spreekt men Jean als chan uit en noemde men hem Chan Mathieu. Onze
man laat het zich welgevallen en allengs werd hij in Champmathieu
herschapen. Gij begrijpt, niet waar? De familie van Jean Valjean is er
niet meer. Men weet niet waar zij gebleven is. Ge weet, in die klasse
van menschen ziet men vaak een familie spoorloos verdwijnen. Men zoekt,
maar vindt niets. Als zulk volk geen slijk is, is 't stof. En dewijl
de aanvang dezer geschiedenis nu al dertig jaar geleden is, is er
te Faverolles niemand meer, die Jean Valjean gekend heeft. Men doet
onderzoek te Toulon. Met Brevet zijn er nog slechts twee tuchtelingen,
die Jean Valjean gezien hebben. 't Zijn de levenslang veroordeelden
Cochepaille en Chenildieu. Men laat hen uit het bagno komen en
brengt hen in tegenwoordigheid van den gewaanden Champmathieu. Zij
weifelen geen oogenblik. Zij verklaren, evenals Brevet, dat het Jean
Valjean is. Dezelfde ouderdom, vier-en-vijftig jaar, dezelfde lengte,
hetzelfde voorkomen, kortom dezelfde persoon, hij is 't. 't Was op
dezen tijd dat ik mijn aanklacht aan de prefectuur te Parijs zond. Men
antwoordt mij, dat ik mijn verstand heb verloren, en dat Jean Valjean
zich te Arras in handen der justitie bevindt. Ge kunt u voorstellen,
hoe mij dit verwonderde, daar ik meende denzelfden Jean Valjean hier
te hebben! Ik schrijf aan den rechter van instructie. Hij doet mij
komen en brengt mij in Champmathieu's tegenwoordigheid...
"En?" viel Madeleine hem in de rede.
Javert antwoordde met zijn onveranderlijk en treurig gelaat:
"Wat waar is, is waar, mijnheer de maire. Ik heb mij vergist; de man
ginds is Jean Valjean. Ik heb hem ook herkend."
Madeleine hernam met zeer zachte stem:
"Zijt ge er zeker van?"
Javert glimlachte, op die smartelijke wijze, welk een diepe overtuiging
te kennen geeft:
"O zeer zeker!"
Hij bleef een oogenblik nadenken, en nam werktuiglijk bij herhaling
een weinig zand uit het zandbakje, dat op de schrijftafel stond en
zeide toen:
"Thans, nu ik den waren Jean Valjean heb gezien, begrijp ik niet,
hoe ik iets anders heb kunnen gelooven. Ik bid u om vergeving,
mijnheer de maire."
Terwijl hij deze ernstige, smeekende woorden tot dengene richtte,
die hem zes weken vroeger in 't politiebureau openlijk vernederd en
tot hem gezegd had: "Vertrek, Javert!" was deze trotsche man, zonder
't zelf te weten, vol eenvoud en waardigheid. De heer Madeleine
antwoordde op zijn verzoek niet, maar vroeg driftig:
"En wat zegt deze man?"
"Drommels, mijnheer de maire, 't is een splinterige zaak. Zoo 't Jean
Valjean is, is 't een herhaling van misdaad. Over een muur te klimmen,
een tak af te breken, appelen te stelen,--is een jongensstreek,
als 't een kind doet, een wanbedrijf voor een man; maar een zware
misdaad voor een vroegeren galeislaaf. Overklimming en diefstal, al het
strafbare bij elkander. 't Behoort niet bij de correctioneele politie,
't behoort bij 't hof van assises te huis. 't Zijn geen enkele dagen
gevangenis, maar levenslange galeistraf. En daarbij de zaak van den
kleinen Savoyaard, die, naar ik hoop, terug zal komen. Drommels, er is
wel reden om zoo lang mogelijk tegen te spartelen, niet waar? Ja, zoo
't Valjean niet was! Maar Jean Valjean is een geveinsde. Ook daaraan
herken ik hem. Een ander zou denken, dat het erg kon afloopen;
hij zou razen, tieren en koken, als een waterketel op het vuur,
hij zou niet Jean Valjean willen wezen enz. Maar hij, hij houdt zich
alsof hij niets van de zaak begrijpt, en zegt: Ik ben Champmathieu,
daar blijf ik bij!--Nog meer; hij houdt zich dom en verwonderd. O,
't is een slimme gast! maar 't zal hem niet baten; de bewijzen zijn
er. Hij is door vier personen herkend; de oude schelm zal veroordeeld
worden. De zaak is voor de assises te Arras. Ik moet er heen om te
getuigen. Ik ben reeds gedagvaard."
Mijnheer Madeleine had zich weder voor zijn schrijftafel geplaatst,
zijn papieren ter hand genomen, waarin hij bedaard bladerde, en las
en schreef als iemand, die dringende bezigheden heeft. Hij wendde
zich tot Javert, zeggende:
"Genoeg, Javert. Om de waarheid te zeggen, kunnen al die bijzonderheden
mij weinig schelen. Wij verspillen er den tijd mede en hebben dringende
zaken te verrichten. Javert, ga dadelijk naar vrouw Buseaupied die
ginds aan den hoek der straat Saint-Saulve groente verkoopt. Zeg
haar dat zij haar aanklacht tegen den voerman Pierre Chesnelong
inlevert. Deze man is een ruw mensch, en heeft de vrouw met haar
kind bijna overreden. Hij moet gestraft worden. Ga vervolgens naar
mijnheer Charcellay, in de straat Montre-de-Champigny. Hij klaagt,
dat uit een dakgoot van het belendende huis het regenwater tegen het
zijne loopt, en de fundamenten van zijn huis bederft. Voorts moet ge
onderzoek doen naar de politie-overtredingen in de straat Guibourg
bij de weduwe Doris en in de straat Garraud-Blanc bij madame Renée le
Bossé, waarvan men mij kennis geeft, en gij zult er proces-verbaal
van maken. Maar ik geef u daar veel werk. Hebt ge mij niet gezegd
dat ge uit de stad moest; dat ge binnen acht of tien dagen voor de
bewuste zaak naar Arras gingt?..."
"Eerder, mijnheer de maire."
"Wanneer dan?"
"Ik meen aan mijnheer den maire gezegd te hebben, dat morgen de zaak
voorkwam, en ik van nacht met de diligence vertrekken zou."
Madeleine maakte een onmerkbare beweging.
"En hoe lang zal de zaak duren?"
"Hoogstens een dag. Niet later dan morgennacht zal het vonnis
worden uitgesproken. Maar ik zal niet op 't vonnis wachten, dat
niet twijfelachtig is; zoodra ik mijn verklaring heb afgelegd, keer
ik terug."
"Dat is goed," zei de heer Madeleine. Hij gaf Javert met een handgebaar
afscheid.
Javert ging niet.
"Vergeef mij, mijnheer de maire," sprak hij....
"Wat is er nog?" vroeg Madeleine.
"Ik moet u nog iets herinneren, mijnheer de maire."
"Wat?"
"Dat ik mijne afzetting wensch."
De heer Madeleine stond op.
"Javert, ge zijt een man van eer en ik acht u. Ge overdrijft
uw fout. 't Is overigens weder een beleediging, die mij alleen
aangaat. Javert, gij zijt waardig op te klimmen, en niet af te
dalen. Ik vertrouw, dat ge uw post wel zult willen behouden."
Javert staarde den heer Madeleine met zijn ongehuichelde oogen aan,
waarin men zijn niet zeer verlicht, maar streng en zuiver geweten
meende te kunnen zien, en met een kalme stem zeide hij:
"Mijnheer de maire, hierin kan ik niet bewilligen."
"Ik herhaal," hernam de heer Madeleine, "dat de zaak alleen mij
betreft."
Maar Javert, die zich slechts bij eene gedachte hield, voer
voort:--"Overdrijven! ik overdrijf niet. Ziehier hoe ik redeneer. Ik
heb u onrechtvaardig verdacht. Dat is niets. Wij, politiemannen,
hebben recht ieder te verdenken, hoezeer 't verkeerd is, de verdenking
tot hooger geplaatste personen uit te strekken. Nu heb ik u, zonder
bewijs, in een aanval van toorn, met het oogmerk mij te wreken, als
galeislaaf aangeklaagd, u, een achtenswaardig man, een maire, een
overheids-persoon! dit is een zeer zwaar vergrijp! Ik heb het gezag
in uw persoon gehoond; ik, de agent van het gezag! Zoo een mijner
ondergeschikten gedaan had, wat ik had gedaan, zou ik hem onwaardig
voor den dienst verklaard en weggejaagd hebben. Welnu?--Luister,
mijnheer de maire, nog één woord. In mijn leven ben ik dikwijls streng
geweest voor anderen. Dat was recht en zooals 't behoorde. Zoo ik
thans niet streng jegens mijzelven was, zou al het rechtvaardige,
dat ik gedaan heb, onrechtvaardig worden. Moet ik mij meer dan
anderen verschoonen? Neen. Hoe! zou ik alleen hebben gediend om
anderen te straffen en niet mijzelven? ik zou een ellendeling zijn,
en zij, die zeggen "Javert is een schurk," zouden gelijk hebben. Ik
begeer niet, mijnheer de maire, dat ge mij met goedheid behandelt,
uw goedheid heeft reeds genoeg kwaad bloed bij mij gezet, toen zij
anderen gold; ik wil ze voor mij niet. De goedheid, die dient om een
publieke vrouw tegen den burger, een politieagent tegen den maire,
den mindere tegen den hoogere in 't gelijk te stellen, deze noem
ik een verkeerde goedheid. 't Is met zulk een goedheid, dat de
maatschappij in wanorde komt. Mijn Hemel! 't Is zeer gemakkelijk,
goed te zijn, maar 't is moeielijk rechtvaardig te wezen. O, waart ge
degene geweest, dien ik vermoedde; voorwaar, ik zou niet goed voor u
geweest zijn! gij zoudt het ondervonden hebben. Mijnheer de maire,
ik moet jegens mijzelven handelen, evenals ik jegens anderen zou
handelen. Wanneer ik boosdoeners en deugnieten bedwong en strafte,
zeide ik vaak bij mijzelven: "zoo gij zelf struikelt, zoo ik u ooit
op een misstap betrap, houdt u dan stil."--Welnu, ik ben gestruikeld;
ik heb mij op een fout betrapt. Ik moet nu zonder genade afgezet,
weggejaagd worden: niets is billijker. Ik heb armen, ik kan werken,
't is mij onverschillig. Mijnheer de maire, het belang van den
dienst eischt een voorbeeld. Ik verzoek eenvoudig de afzetting van
den inspecteur Javert.
Dit alles werd op een nederigen, fieren, hopeloozen en overtuigden
toon gezegd, die dezen zonderlingen, eerlijken man eene ongewone en
vreemde soort van verhevenheid verleende.
"Wij zullen zien," zei Madeleine.
En hij reikte hem de hand.
Javert trad achteruit en zeide op schuwen toon:
"Vergeving, mijnheer de maire, dat mag niet zijn. Een maire geeft de
hand niet aan een verklikker."
En binnensmonds mompelde hij:--Verklikker, ja; van het oogenblik
af, dat men van de politie misbruik maakt, is men niet meer dan
een verklikker.
Toen boog hij zich diep en ging naar de deur.
Daar wendde hij zich om, en met steeds neergeslagen oogen, zeide hij:
"Mijnheer de maire, ik zal den dienst waarnemen tot een ander in mijn
plaats is."
Toen verwijderde hij zich. De heer Madeleine bleef peinzend zitten
en luisterde naar den vasten, zekeren tred, die zich door de gang
verwijderde.