Madeleine deed Fantine naar de ziekenzaal voeren, welke hij in zijn
eigen huis had, en gaf haar over aan de zorg der liefdezusters, die
haar te bed legden. Een heete koorts greep haar aan. Een gedeelte
van den nacht bracht zij ijlend en luid sprekend door. Eindelijk viel
zij echter in slaap.
Tegen den middag van den volgenden dag ontwaakte Fantine. Dicht
bij haar bed hoorde zij ademen; zij schoof de bedgordijn open en
zag dat de heer Madeleine naast haar stond en iets boven haar hoofd
aanschouwde. Zijn blik was vol medelijden en angst, en biddend. Zij
volgde de richting zijner oogen en zag die op een aan den muur hangend
kruisbeeld geslagen.
Van nu aan was mijnheer Madeleine in Fantine's oogen geheel
veranderd. Hij kwam haar voor als in licht gehuld. Hij was blijkbaar
in 't gebed verdiept. Lang aanschouwde zij hem, zonder hem te durven
storen. Eindelijk vroeg zij aarzelend:
"Wat doet ge?"
Mijnheer Madeleine stond reeds een uur op deze plek. Hij wachtte
Fantine's ontwaken. Nu nam hij haar hand, voelde haar den pols,
en antwoordde:
"Hoe gaat het?"
"Goed," zeide zij, "ik heb geslapen, en geloof dat het betert,
't Zal spoedig over zijn."
Hij hernam, op haar eerste vraag, alsof hij niets anders verstaan had:
"Ik bad tot den lijder daarboven."
En zacht in zich zelven voegde hij er bij: "Voor de lijderes
hierbeneden."
Madeleine had een gedeelte van den nacht en den morgen doorgebracht
met onderzoek te doen.
Nu wist hij alles. Hij kende nu de geschiedenis van Fantine in al
haar smartelijke bijzonderheden. Hij ging voort:
"Gij hebt veel geleden, arme moeder. Maar beklaag u niet, gij
behoort thans tot de uitverkorenen. 't Is op deze wijze, dat menschen
engelen worden. 't Is hun schuld niet, zij kunnen niet anders. Want
zie, de hel, die gij nu verlaten hebt, is de eerste gedaante des
hemels. Daarmede moest ge beginnen."
Hij zuchtte diep. Zij lachte hem echter toe met dien verheven glimlach,
waaraan twee tanden ontbraken.
Dienzelfden nacht had Javert een brief geschreven. Hij bracht dien
brief des morgens in persoon op het postkantoor te M. sur M. Hij was
geadresseerd aan: "mijnheer Chabouillet, secretaris van mijnheer den
prefect van Politie te Parijs." Wijl het gebeurde in het politiebureau
ruchtbaar was geworden, meenden de directeur van het postkantoor en
eenige personen, die den brief, vóór hij verzonden werd, gezien en
op het adres Javerts schrift herkend hadden, dat hij er zijn ontslag
in verzocht.
De heer Madeleine haastte zich aan Thénardier te schrijven. Fantine
was hem honderd twintig francs schuldig. Hij zond hem driehonderd
francs, er bijvoegende, dat zij zich daarvan konden betalen, maar
ten spoedigste het kind te M. sur M. moesten bezorgen, waar de zieke
moeder het terug eischte.
Dit verraste Thénardier.--Verduiveld! zeide hij tot zijn vrouw, wij
moeten het kind niet afgeven. 't Schijnt dat de kleine een melkkoe
zal worden. Ik begrijp het. Een of andere oude gek zal op de moeder
verliefd zijn geworden.
Hij beantwoordde den brief met een zeer nauwkeurige rekening van
vijfhonderd en eenige francs. Op deze rekening kwamen, tot een
bedrag van meer dan driehonderd francs, twee onbetwistbare posten
voor, de een van een dokter, de andere van een apotheker, die in twee
langdurige ziekten Eponine en Azelma hadden behandeld en geneesmiddelen
geleverd. Cosette was, gelijk gezegd is, niet ziek geweest. 't Was
slechts een kleine verwisseling van naam. Thénardier schreef onder
de rekening: "Op rekening ontvangen driehonderd francs."
De heer Madeleine zond dadelijk opnieuw driehonderd francs en schreef:
Haast u Cosette te zenden.
"Verduiveld!" zei Thénardier; "wij zullen het kind niet laten gaan."
Intusschen beterde Fantine niet. Zij was altijd in de ziekenzaal.
De zusters hadden in den beginne "dit vrouwspersoon" slechts met
weerzin ontvangen en verpleegd. Wie de bas-reliefs te Reims heeft
gezien, herinnert zich de opgetrokken onderlip der wijze maagden, die
de dwaze maagden aanschouwen. Deze aloude verachting der vestalinnen
voor de gevallen vrouwen is een diep instinct der vrouwelijke
waardigheid. De liefdezusters hadden deze verachting gevoed, met
de versterking, welke de godsdienst er aan geeft. Maar in weinige
dagen had Fantine haar ontwapend. Zij gebruikte allerlei deemoedige
en zachte woorden, en de moeder in haar verteederde aller hart. Op
zekeren dag hoorden de liefdezusters haar in de koorts zeggen:--ik was
een zondares, maar zoodra ik mijn kind weder heb, zal dit te kennen
geven dat God mij vergeven heeft. Op mijn slechten weg had ik Cosette
niet bij mij willen hebben; ik had haar verwonderde en treurige blikken
niet kunnen verdragen. 't Was evenwel om harentwille, dat ik zondigde,
en daarom zal de goede God mij vergeven. Ik zal Gods zegen voelen,
zoodra Cosette hier is. Ik zal haar zien; en 't zal mij goed doen,
het gezicht van het onschuldige kind. Zij weet van niets. 't Is een
engel, weet ge, zusters! In dien leeftijd zijn de vleugels nog niet
uitgevallen."
De heer Madeleine bezocht haar tweemaal daags en telkens vroeg zij hem:
"Zal ik spoedig mijn Cosette zien?"
Hij antwoordde dan:
"Misschien morgenochtend. Zij kan elk oogenblik komen, ik verwacht
haar."
En 't bleeke gezicht der moeder schitterde van blijdschap.
"Ach!" zeide zij, "hoe gelukkig zal ik zijn."
Wij hebben gezegd, dat zij niet beterde. Integendeel, haar toestand
scheen van week tot week te verergeren. De sneeuw, die haar tusschen de
schouderbladen op den rug was gelegd, had eene plotselinge belemmering
der uitwaseming veroorzaakt, waardoor de ziekte, welke sinds jaren in
haar kiemde, tot snelle ontwikkeling was gekomen. Men begon destijds
bij de studie en de behandeling der borstziekten de voortreffelijke
aanwijzingen van Laënnec te volgen. De geneesheer onderzocht de borst
van Fantine en schudde het hoofd.
"Wat zegt gij?" vroeg de heer Madeleine aan den dokter.
"Heeft zij niet een kind dat zij wenscht te zien?" vroeg de dokter.
"Ja."
"Laat het dan spoedig komen."
De heer Madeleine ontroerde.
Fantine vroeg hem:
"Wat zegt de dokter?"
De heer Madeleine poogde te glimlachen.
"Hij zegt, dat men uw kind spoedig moet doen komen. Dit zal u weer
beter maken."
"Ja..." zeide zij, "hij heeft gelijk. Maar om welke reden behouden
de Thénardier's Cosette zoo lang! O, zij zal komen. Eindelijk zal ik
het geluk heel nabij mij hebben."
Intusschen liet Thénardier het kind niet los, en had daarvoor allerlei
voorwendsels aan de hand: Cosette was nog een weinig ongesteld en kon
alzoo des winters niet op reis gaan. Vervolgens waren er nog eenige
kleine schulden te betalen, waarvan hij de rekeningen wachtte enz. enz.
"Ik zal iemand zenden om Cosette te halen," zei vader Madeleine. "Zoo
't noodig is, zal ik zelf gaan."
Hij schreef den volgenden brief, welken Fantine hem in de pen gaf en
dien hij haar deed onderteekenen:
"Mijnheer Thénardier,
"Geef Cosette aan brengster dezes mede.
"Men zal al de kleine schulden betalen.
"Ik heb de eer u met achting te groeten.
"Fantine."
Middelerwijl had er iets gewichtigs plaats. Hoe wij ook pogen het
geheimzinnig marmerblok, waaruit ons leven is gemaakt, naar onzen
wensch te beitelen, de zwarte ader van het noodlot komt er gestadig
weder op te voorschijn.