Javert duwde de omstanders ter zijde, drong door den kring en
ging met snelle schreden naar het politiebureau aan 't andere
einde van het marktplein, en sleepte de rampzalige mede. Zij volgde
werktuiglijk. Geen van beiden zeide een woord. De zwerm toeschouwers,
uitgelaten van vroolijkheid, volgde en stiet allerlei schimpredenen
uit. De diepste ellende, aanleiding tot de vuilste taal!
Aan het politiebureau gekomen--een laag vertrek, verwarmd door
een kachel en door een wacht bewaakt, met een glazen getraliede
voordeur--opende Javert de deur, trad met Fantine binnen en sloot de
deur weder achter zich, tot groote teleurstelling der nieuwsgierigen,
die op de teenen gingen staan en den hals uitstrekten voor het doffe
glas, om, zoo mogelijk, iets te kunnen zien. De nieuwsgierigheid is
even hongerig als de gulzigheid.
Toen Fantine binnenkwam zonk zij in een hoek, bewegingloos en stom,
ineengedoken als een angstige hond.
De sergeant der wacht zette een brandende kaars op de tafel. Javert
ging zitten, haalde een gezegeld blad papier uit zijn zak en schreef.
Deze soort van vrouwen zijn door onze wetten geheel aan de willekeur
der politie overgeleverd. Zij handelt er mede zooals zij wil, straft
ze naar goedvinden, en berooft haar van die twee treurige zaken, welke
zij haar handwerk en haar vrijheid noemen. Javert was gevoelloos, zijn
ernstig gelaat vertoonde niet de minste aandoening. Evenwel was hij
ernstig en in diepe gedachten verzonken. 't Was een dier oogenblikken,
dat hij zonder controle, maar met al de nauwgezetheid van een streng
geweten, zijn schrikkelijke, willekeurige macht uitoefende. Hij
gevoelde in dit oogenblik, dat zijn politie-inspecteursbankje een
rechtbank was. Hij oordeelde--hij oordeelde en vonniste. Hij riep
alle denkbeelden, die in zijn geest aanwezig waren, te zamen voor
de groote zaak, waarmede hij zich bezighield. Hoe meer hij de daad
van het meisje overwoog, te meer voelde hij zich verontwaardigd. 't
Was zeker, dat hij een misdaad had zien begaan. Ginds op de straat,
had hij de maatschappij, vertegenwoordigd door een grondbezitter en
kiezer, zien hoonen en aanranden door een schepsel, dat buiten alle
wet is. Een publieke vrouw had een burger mishandeld. Hij, Javert,
had het gezien. Zwijgend schreef hij.
Toen hij hiermee gedaan had, teekende hij, vouwde het papier dicht
en zeide tot den sergeant der wacht, terwijl hij 't hem overhandigde:
"Neem drie man en breng dit meisje naar de gevangenis."--Daarna wendde
hij zich tot Fantine, zeggende:--"Gij hebt zes maanden." De rampzalige
beefde van ontroering.
"Zes maanden! zes maanden gevangenis!" riep zij uit. "Zes maanden om
zeven sous daags te verdienen! Maar wat zal van Cosette worden! van
mijn kind, mijn kind! Maar ik ben nog over de honderd francs aan
Thénardier schuldig, mijnheer de inspecteur; weet ge dat?"
Zij sleepte zich, de handen wringend en op de knieën kruipend over
den steenen vloer, die door het slijk bemorst was, dat vele voeten
er hadden achtergelaten.
"Mijnheer Javert," jammerde zij, "ik bid u om genade; ik verzeker
u, dat ik geen schuld had. Zoo gij bij 't begin tegenwoordig waart
geweest, zoudt gij 't gezien hebben; ik zweer u bij den goeden God,
dat ik geen schuld had. 't Kwam door dien heer, dien ik niet ken,
die mij sneeuw in den rug heeft gestoken. Heeft men het recht,
wanneer wij rustig voorbijgaan, zonder iemand leed te doen, ons
sneeuw in den rug te steken? Ik wist niet, wat mij gebeurde. En,
weet ge, ik ben een weinig ziekelijk; daarbij had hij mij reeds een
geruime poos getergd. Hij riep mij toe: Ge zijt leelijk! gij hebt
geen tanden.--Ik weet wel, dat ik mijn tanden niet meer heb. Ik
stoorde er mij niet aan, maar dacht: dit is een mijnheer, die zich
vermaakt. Ik was fatsoenlijk jegens hem en zei niets. Onverhoeds
stak hij mij nu sneeuw in den rug. Mijnheer Javert, goede mijnheer de
inspecteur! is er niemand hier, die 't gezien heeft, om u te zeggen,
dat het inderdaad zoo is? Ik heb misschien ongelijk gehad mij boos te
maken. Maar gij weet, men is in het eerste oogenblik zich niet altijd
meester. Men wordt driftig. En daarbij, als men u geheel onverwacht zoo
iets kouds in den rug steekt! Ik had ongelijk dien heer den hoed van
't hoofd te slaan. Waarom is hij heengegaan? Ik zou hem verschooning
hebben gevraagd. Ach, God, waarom zou ik hem geen verschooning willen
vragen? Heb voor deze keer genade met mij, mijnheer Javert. Zie,
ge weet het niet, in de gevangenis kan men slechts zeven sous daags
verdienen: 't is niet de schuld der regeering, maar men verdient niet
meer, en verbeeldt u, dat ik honderd francs moet betalen, of dat men
mij anders mijn kind terugzendt. Ach, God, ik kan 't niet bij mij
hebben. 't Is zoo leelijk wat ik doe. Ach, Cosette, mijn engeltje,
wat zal van haar worden; arm schaap? Ik zal u zeggen, deze Thénardier's
zijn boeren, herbergiers, die hebben niet de minste toegevendheid. Zij
willen volstrekt geld hebben. Zet mij niet in de gevangenis. Weet
ge, mijnheer Javert, zij zouden de kleine op de straat zetten, in 't
hartje van den winter, haar aan haar lot overlaten ... men moet met
zulke omstandigheden toch medelijden hebben, mijnheer Javert. Was het
meisje grooter, dan zou het den kost kunnen verdienen, maar op haar
leeftijd kan dat niet. Ik ben in mijn hart geen slechte vrouw. 't Is
geen luiheid of onmatigheid, die van mij gemaakt hebben wat ik ben. Ik
heb brandewijn gedronken, maar alleen uit ellende. Ik houd er niet
van, maar men wordt er bedwelmd door en vergeet zijn toestand. Toen
ik gelukkiger was, behoefde men maar in mijn kleerkast te zien om
te weten dat ik geen behaagzuchtige, onordelijke vrouw was. Ik had
linnen, veel linnen. Heb medelijden met mij, mijnheer Javert!"
Zoo sprak zij, geheel verslagen, gebroken, geschokt door haar snikken,
blind door haar tranen, met blooten hals, handenwringend, hoestend
en kuchend en als een stervende met doffe stem sprekende.
Diepe smart is een goddelijke, vreeselijke straal, die de rampzaligen
herschept. Op dit oogenblik was Fantine weder schoon geworden. Van
tijd tot tijd hield zij op en kuste eerbiedig de jas van den
politiedienaar. Zij zou een steenen hart vermurwd hebben; maar een
houten hart verteedert men niet.
"Genoeg!" zei Javert, "ik heb u gehoord. Hebt ge nu alles gezegd? Nu
voort! Ge hebt zes maanden! Onze Lieve Heer zelf zou er niets aan
kunnen doen."
Door deze plechtige woorden "Onze Lieve Heer zelf zou er niets aan
kunnen doen," begreep zij, dat het vonnis onherroepelijk was. Zij
zonk ineen en stamelde:
"Genade!"
Javert keerde haar den rug toe.
De soldaten vatten haar bij den arm.
Sinds eenige minuten was een man binnengekomen, zonder dat men op
hem gelet had. Hij had de deur weer dicht gedaan, was er tegen gaan
staan en had Fantine's wanhopige beden gehoord.
Op het oogenblik toen de soldaten de hand aan de ongelukkige sloegen,
die niet wilde opstaan, trad hij een schrede uit de schaduw en zeide:
"Een oogenblik, als 't u belieft."
Javert sloeg de oogen op en herkende mijnheer Madeleine. Hij nam zijn
hoed af, groette eenigszins wrevelig en links, zeggende:
"Vergeving, mijnheer de maire..."
Dit woord: "mijnheer de maire" maakte op Fantine een zonderlingen
indruk. Zij richtte zich eensklaps overeind, als een spook dat uit
den grond rijst, stiet met beide armen de soldaten van zich, ging
recht op mijnheer Madeleine toe, voordat men haar kon tegenhouden,
staarde hem strak aan, en riep als waanzinnig:
"Ha, zijt gij mijnheer de maire?"
Toen lachte zij luide en spoog hem in 't gezicht.
Mijnheer Madeleine veegde 't gezicht af en zeide:
"Inspecteur Javert, stel deze vrouw in vrijheid."
't Was Javert, alsof hij op 't punt was het verstand te verliezen. Op
dit oogenblik gevoelde hij, slag op slag, en schier met elkaar
vermengd, de geweldigste schokken van aandoening, die hem in al
zijn leven getroffen hadden. Een publieke vrouw een maire in 't
gezicht spuwen, dat was iets zoo ongehoords, dat hij, zelfs bij
het vreeselijkste dat hij zich kon voorstellen, het heiligschennis
zou geacht hebben, te gelooven dat zoo iets mogelijk was. Van een
anderen kant schoot hem ijlings een vluchtige gedachte door 't hoofd
van eenig verband, dat tusschen dit meisje en dezen maire bestaan kon,
en hij zag nu met afgrijzen zeker iets natuurlijks in deze ontzettende
beleediging. Maar toen hij dezen maire, dezen overheidspersoon zich
bedaard het gezicht zag afvegen en hem hoorde zeggen: stel deze vrouw
in vrijheid, werd hij van verbazing als verbijsterd; hij kon evenmin
gedachten als woorden vinden; de hoogste graad van verwondering was
bij hem overtroffen. Hij verstomde.
Dat woord had een niet minder vreemde uitwerking op Fantine
voortgebracht. Zij hief haar blooten arm op en greep zich aan den
sleutel der kachel, als iemand die duizelt. Evenwel schouwde zij
rondom zich en begon op zachten toon te spreken, alsof zij in zich
zelve sprak.
"Vrij! men wil mij vrij laten; ik zal geen zes maanden in de gevangenis
zitten? Wie heeft dat gezegd? 't Is niet mogelijk, dat men dit gezegd
heeft. Ik heb verkeerd verstaan. 't Kan dat monster van een maire
niet zijn! Zijt gij 't, goede mijnheer Javert, die gezegd hebt mij in
vrijheid te stellen! O, weet ge, ik zal u iets zeggen en gij zult mij
laten gaan! Dit monster van een maire, deze oude schoft, is van alles
de oorzaak. Verbeeld u, mijnheer Javert, hij heeft mij weggejaagd! ten
gevalle van een hoop babbelaarsters, die in de werkplaats allerlei
praatjes hielden. Is 't niet een gruwel? Een arm meisje weg te zenden
dat ijverig haar werk doet! Toen verdiende ik niet genoeg meer, en al
mijn ongeluk is er uit ontstaan. Er is echter een verbetering, welke
de heeren van de politie moesten invoeren, namelijk: de ondernemers
van den arbeid in de gevangenissen te beletten, dat zij arme lieden
benadeelden. Begrijpt ge; ik zal 't u anders uitleggen. Eerst verdient
men twaalf sous met de hemden; maar vervolgens slaat het af tot negen
sous; en daarvan kan men niet leven. Men moet dus worden wat men
kan. Ik, die daarbij mijn kleine Cosette had, ik was wel genoodzaakt
een slechte vrouw te worden. Nu zult ge begrijpen, dat deze gemeene
maire al het kwaad veroorzaakt heeft! Toen heb ik den hoed van dien
heer voor het officierkoffiehuis op den grond getreden. Maar hij had
mijn geheele kleed met sneeuw bedorven. Meisjes als ik hebben slechts
één zijden kleed voor 's avonds. Hoor, mijnheer Javert, ik heb nooit
opzettelijk kwaad gedaan, waarlijk niet; en ik zie overal veel slechter
vrouwen dan ik, die veel gelukkiger zijn. Gij, mijnheer Javert, hebt
gezegd dat men mij moest laten gaan, niet waar? Doe onderzoek naar mij,
spreek mijn huisheer, ik betaal prompt mijn huur, men zal u zeggen
dat ik niet slecht ben. Ach, mijn God, vergeving, ik heb, zonder er
op te letten, den sleutel van de kachel gegrepen, en nu rookt het."
Mijnheer Madeleine luisterde met de grootste aandacht naar
haar. Terwijl zij sprak, had hij in zijn zak getast, er zijn beurs
uitgehaald en ze geopend. Zij was ledig. Hij stak ze dus weder in
den zak. Hij zeide tot Fantine:
"Hoeveel zeidet ge, dat ge schuldig waart?"
Fantine, die alleen Javert had aangezien, wendde zich tot den maire
zeggende:
"Spreek ik met u?"
En zich daarop tot de soldaten richtende, sprak zij:
"Hebt gij gezien, dat ik hem in 't gezicht heb gespuwd. O! oude schurk
van een maire. Ge komt hier om mij vrees aan te jagen, maar ik ben niet
bang voor u. Ik vrees alleen mijnheer Javert! den goeden heer Javert!"
Dit zeggende wendde zij zich weder tot den inspecteur.
"Weet ge, mijnheer de inspecteur, men moet rechtvaardig zijn. Ik
begrijp dat gij rechtvaardig zijt, mijnheer de inspecteur. 't
Beteekende overigens wel niets, dat een man zich vermaakte met
een weinig sneeuw in den rug van een vrouw te steken; het deed de
officieren lachen, en men mag zich gewis wel met iets vermaken: vrouwen
als ik zijn er immers voor om zich mede te vermaken, niet waar? Toen
kwaamt gij, en gij zijt natuurlijk wel verplicht de orde te handhaven,
gij naamt de vrouw mede, die ongelijk had ... maar wijl ge goed zijt
en hebt nagedacht, zegt ge, dat men mij in vrijheid stelle; zeker uit
hoofde van mijn kleine, want zes maanden gevangenis zou mij beletten
mijn kind te onderhouden. Maar pas op, dat 't niet weêr gebeure, zegt
ge. O 't zal niet weder gebeuren, mijnheer Javert! men moge mij nu
doen wat men wil, ik zal mij niet meer verroeren. Maar heden, weet ge,
heb ik geschreeuwd, omdat men mij kwaad deed; ik was volstrekt niet
verdacht op de sneeuw van dien heer; en daarbij, ik heb 't u reeds
gezegd, ik ben niet heel sterk, ik hoest, in mijn maag is iets dat
als een kool vuur brandt, en de dokter heeft gezegd, dat ik mij in
acht moest nemen. Zie, voel, geef uw hand, wees niet bang, 't is hier."
Zij weende niet meer, haar stem was vleiend, en op haar blanken
teederen hals legde zij de breede ruwe hand van Javert, en zag hem
glimlachend aan.
Eensklaps bracht zij haastig haar kleeding weder in orde, streek de
plooien van haar kleedje naar beneden, dat door het slepen over den
grond bijna tot aan de knie was opgeschort, en ging naar de deur,
met een vriendelijken hoofdknik en halfluid tot de soldaten zeggende:
"Vrienden, mijnheer de inspecteur heeft gezegd, dat men mij zou vrij
laten, en nu wilde ik gaan."
Zij legde de hand aan de klink. Nog een schrede en zij was op de
straat.
Javert had tot dit oogenblik bewegingloos en met nedergeslagen oogen
bij dit tooneel gestaan, als een standbeeld, dat van zijn plaats
geraakt is en wacht, dat men het weder recht zet.
Het gerucht der klink wekte hem. Hij hief het hoofd op met een
uitdrukking van onbeperkt gezag; een uitdrukking welke te geduchter
is, naarmate het gezag lager zonk, wreed bij het wilde dier, gruwzaam
bij den gemeenen mensch.
"Sergeant!" riep hij, "ziet ge niet dat de deern weggaat? wie heeft
u gezegd haar te laten gaan?"
"Ik," zei Madeleine.
Toen Fantine Javert's stem hoorde had zij gebeefd en de klink
losgelaten, evenals een gevatte dief het gestolen voorwerp los
laat. Toen zij Madeleine's stem hoorde, draaide zij zich om en van
nu af sloeg zij haar blik, zonder dat zij een woord sprak, zonder
zelfs vrij uit te durven ademen, beurtelings van Madeleine op Javert
en van Javert op Madeleine, al naar deze of gene sprak.
't Was duidelijk, dat Javert, zooals men zegt, geheel uit de lijken
moest geslagen zijn, om zich te veroorloven tot den sergeant
te spreken gelijk hij gedaan had, na het bevel van den maire om
Fantine in vrijheid te stellen. Was hij zoo ver buiten zich zelven
dat hij de tegenwoordigheid van mijnheer den maire kon vergeten? Had
hij eindelijk zich zelven overreed, dat zulk een bevel onmogelijk
door een overheidspersoon kon gegeven zijn, en mijnheer de maire
zich ontwijfelbaar versproken had? Of dacht hij, dat, tegenover de
ongehoorde omstandigheden, waarvan hij sedert twee uren getuige was,
hij tot een uiterst middel moest overgaan, en het noodzakelijk was,
dat de kleine zich groot maakte, dat de politiebediende zich in een
overheidspersoon herschiep, dat hij zich tot rechter opwierp, en
dat bij dit ontzettend uiterste de orde, de wet, de zedelijkheid,
het gouvernement, de geheele maatschappij zich in hem, Javert,
verpersoonlijkte.
Hoe het zij, toen mijnheer Madeleine het woord ik had gezegd dat
men gehoord heeft, zag men den politie-inspecteur bleek, koud, met
blauwe lippen, met wanhopigen blik, het geheele lichaam door een
inwendige siddering aangedaan, zich tot mijnheer den maire wenden
en met nedergeslagen oog, maar vaste stem, de schier ongeloofelijke
woorden tot hem zeggen:
"Mijnheer de maire, dat kan niet."
"Waarom niet?" vroeg mijnheer Madeleine.
"De ongelukkige heeft een burger beleedigd."
"Inspecteur Javert," hernam de heer Madeleine op bevredigenden,
kalmen toon, "luister. Gij zijt een braaf man en ik maak dus geen
bedenking mij jegens u te verklaren. Ziehier hoe de zaak is. Ik ging
over het marktplein, toen gij de vrouw medevoerdet; er stonden nog
groepen menschen bijeen, ik deed dus onderzoek en vernam alles: de
burger had ongelijk en de politie had dezen dus eigenlijk behooren
te arresteeren."
Javert hernam:
"Deze ellendige heeft mijnheer den maire beleedigd."
"Dit gaat mij alleen aan," zei Madeleine. "Deze beleediging was tegen
mij, en ik geloof dat ik daaromtrent handelen kan naar ik verkies."
"Vergeef mij, mijnheer de maire. De beleediging gold niet alleen u,
maar ook de justitie."
"Inspecteur Javert," hernam mijnheer Madeleine, "de hoogste justitie
is het geweten. Ik heb deze vrouw gehoord. Ik weet wat ik doe."
"En ik, mijnheer de maire, weet niet wat ik zie."
"Vergenoeg u dus met te gehoorzamen."
"Ik gehoorzaam aan mijn plicht. Mijn plicht wil, dat deze vrouw zes
maanden gevangen zitte."
De heer Madeleine antwoordde op zachten toon:
"Versta wel, wat ik zeg: Zij zal geen dag zitten."
Bij deze beslissende woorden waagde Javert het, den maire strak in de
oogen te zien, en zeide, maar op een nog altijd diep eerbiedigen toon:
"'t Doet mij ten hoogste leed, mij tegen mijnheer den maire te
moeten verzetten; 't is de eerste keer van mijn leven, maar hij
veroorlove mij hem te doen opmerken, dat ik mij binnen de grenzen
mijner bevoegdheid houd. Ik zal mij, wijl mijnheer de maire dit wil,
bij het feit van den burger bepalen. Ik was er bij. Deze vrouw heeft
mijnheer Bamatabois aangevallen, die kiezer is en eigenaar van het
fraaie hardsteenen huis, van drie verdiepingen hoog met een balkon,
aan den hoek der esplanade. Gewis, er gebeuren zonderlinge dingen
in de wereld! Hoe het zij, mijnheer de maire, 't is een zaak van
straat-politie, die mij aangaat, en ik behoud vrouw Fantine."
Nu sloeg mijnheer Madeleine de armen over elkander, en zeide op een
strengen toon, zooals nog niemand in de stad van hem gehoord had:
"Het feit waarvan ge spreekt, is een zaak van de stedelijke
politie. Krachtens de artt. 9, 11, 15 en 66 van het wetboek van
crimineele rechtsvordering, ben ik de rechter daarover. Ik beveel,
dat deze vrouw in vrijheid worde gesteld."
Javert wilde nog een laatste poging beproeven.
"Maar, mijnheer de maire..."
"Ik herinner u aan artikel 81 der wet van 13 December 1799, over de
willekeurige inhechtenisneming."
"Vergun mij, mijnheer de maire..."
"Geen woord meer."
"Maar..."
"Ga," zei mijnheer Madeleine.
Javert ontving den stoot staande, van voren, midden in de borst als een
Russisch soldaat. Hij boog diep voor mijnheer den maire en ging heen.
Fantine trad ter zijde van de deur en zag hem verstomd aan, toen hij
haar voorbijging.
Maar ook zij was aan een zonderlinge ontroering ter prooi. Zij
had, om zoo te spreken, zich door twee tegengestelde machten zien
betwisten. Zij had voor haar oogen twee mannen zien strijden, die in
hun handen haar vrijheid, haar leven, haar ziel, haar kind hadden;
een dier mannen trok haar in de duisternis, de ander bracht haar in
het licht terug. In dezen strijd, door het vergrootglas van den angst
aanschouwd, waren deze twee mannen haar als twee reuzen voorgekomen;
de een sprak als haar booze geest, de ander als haar goede engel. De
engel had den boozen geest overwonnen, en, wat haar van het hoofd
tot de voeten deed sidderen, deze goede engel, deze bevrijder was
juist de man dien zij verfoeide, de maire, dien zij zoolang als
den bewerker van al haar rampen had beschouwd! dien Madeleine! en op
denzelfden oogenblik, dat zij hem op schandelijke wijze beleedigd had,
redde hij haar. Had zij zich dus bedrogen? Moest zij haar geheele
ziel omkeeren? Zij wist het niet; zij beefde. Zij luisterde ontzet,
aanschouwde verbaasd; bij elk woord, dat mijnheer Madeleine sprak,
voelde zij de vreeselijke duisternis van den haat in zich verbleeken
en optrekken, en in haar hart iets verwarmends, iets onbeschrijfelijks
ontstaan, dat blijdschap, vertrouwen en liefde was.
Toen Javert vertrokken was wendde mijnheer Madeleine zich tot haar,
zeide langzaam, als iemand die bedaard wil zijn en moeite heeft zijn
tranen te bedwingen:
"Ik heb alles gehoord. Ik wist niets van 't geen gij gezegd hebt. Ik
geloof dat het waar is, en ik gevoel dat het zoo is. Ik wist zelfs
niet eens, dat ge mijn fabriek verlaten hadt. Waarom hebt ge u niet
tot mij gewend? Maar luister: Ik zal uw schulden betalen, ik zal uw
kind hier doen komen, of gij kunt er heen gaan. Gij kunt hier wonen,
of te Parijs, waar gij wilt. Ik belast mij met u en uw kind. Zoo
gij wilt, behoeft ge niet meer te werken. Ik geef u zooveel geld
als gij noodig hebt. Ge zult weder deugdzaam worden, zoodra ge weder
gelukkig zijt. En zelfs, hoor, ik verklaar het u op dit oogenblik:
indien alles is zooals gij zegt, waaraan ik niet twijfel, hebt gij
nimmer opgehouden voor God deugdzaam en goed te zijn. Arme vrouw!"
Dit was meer dan de arme Fantine kon verdragen. Cosette bij zich te
hebben, dit schandelijke leven te verlaten! vrij, rijk, gelukkig en
eerlijk met Cosette te leven! te midden harer ellende eensklaps deze
zegeningen des Hemels voor zich te zien verwezenlijkt! Als wezenloos
staarde zij den man aan, die tot haar sprak, zij kon slechts snikkend
driemaal ach! ach! ach! slaken. Haar knieën knikten, zij zonk aan
de voeten van mijnheer Madeleine, en, vóór hij het beletten kon,
greep zij zijn hand en drukte er haar lippen op.
Toen viel zij in onmacht.