HOE MIJNHEER BAMATABOIS ZICH VERMAAKT.

In alle kleine steden, en bijzonderlijk te M. sur M. was dit het

geval, bestaat een klasse van jongelieden, welke een inkomen

van vijftienhonderd francs 's jaars met dezelfde verwaandheid

en aanmatiging verteren, als huns gelijken te Parijs en andere

hoofdsteden tweehonderdduizend francs doorbrengen. 't Zijn wezens

van 't talrijke soort der onzijdigen; halfslachtigen, woekerplanten,

nietige wezens, die een stukje gronds bezitten, een weinig dwaasheid

en een weinig verstand hebben, in een salon lomperds zouden zijn, en

zich in de herberg edellieden wanen; die zeggen: mijn weiden, mijn

bosschen, mijn boeren, die de actrices uitfluiten om te toonen dat

zij smaak hebben, met de officieren van het garnizoen twist zoeken,

om hun moed te toonen, die jagen, rooken, geeuwen, drinken, naar den

tabaksrook rieken, op 't biljart spelen; de reizigers opnemen, die uit

de diligences stappen, in 't koffiehuis leven, in 't logement eten,

die een hond hebben, welke zij de beenderen onder de tafel toewerpen,

een maîtresse hebben die hen opschept, op een stuiver dood blijven,

de modes overdrijven, met het treurspel dwepen, de vrouwen verachten,

hun laarzen schoon afdragen, die Londen te Parijs en Parijs te

Pont-à-Mousson naäpen, die met de jaren onverdragelijker worden,

niet arbeiden, tot niets dienen en evenmin veel schade doen.

Zoo mijnheer Felix Tholomyès in zijn provincie gebleven ware en Parijs

nooit gezien had, zou hij een dier mannen geworden zijn.

Waren zij rijker, men zou hen voorname lieden noemen; waren zij armer,

men zou ze nietsdoeners heeten. Zij zijn eenvoudig leegloopers. En

onder deze leegloopers, zijn vervelenden, verveelden, droomers en

eenige grappenmakers.

In dien tijd bestond een fat uit een hoogen boord, een breede das, een

horloge met sleutel en cachetten, een dubbel vest, van verschillende

kleur, het blauwe en roode onder, uit een olijfkleurigen rok met kort

lijf en zwaluwstaart, met een dubbele rij zilveren knoopen dicht op

elkander, die tot den schouder reikten, en een lichter olijfkleurige

broek, op beide naden met een onbepaald, maar altijd oneven getal

strepen, welk getal van een tot elf afwisselde, doch deze grens

niet overschreed. Voeg daarbij halve laarzen met hoefijzers, een

hoogen hoed met zeer smallen rand, het haar in een kuif, een dikken

wandelstok, en gesprekken gekruid met kwinkslagen van Potier. Bij dat

alles sporen en knevels. In dien tijd duidden snorbaarden burgers aan,

en sporen voetgangers.

De pronker in de provincie droeg langer sporen en wreeder snorren.

't Was in den tijd van den oorlog der republikeinen van Zuid-Amerika

tegen den koning van Spanje, van Bolivar tegen Morillo. De hoeden met

smallen rand waren koningsgezind en heetten Morillo's; de liberalen

droegen hoeden met breeden rand, die Bolivar's heetten.

Acht of tien maanden nu na 't geen op de vorige bladzijden verhaald

is, in de eerste dagen van Januari 1823, op een avond dat het

gesneeuwd had, vond een dier fatten, een dier leegloopers, een

"goedgezinde",--want hij droeg een Morillo, bovendien was hij in een

dier groote ruime mantels gewikkeld, welke bij koud weer de kleeding

naar de mode was,--er genoegen in, een schepsel te kwellen, dat in

wijd uitgesneden balkleeding, met bloemen op het hoofd, voor het

officierskoffiehuis zwierf. Deze fat rookte, want dit was toen de mode.

Telkens wanneer deze vrouw hem voorbijging, blies hij haar een

rookwolk zijner sigaar in 't gezicht, en wierp haar eenige woorden

toe, welke hij voor geestig en aardig hield, bij voorbeeld: Foei,

wat zijt gij leelijk!--Ga je verbergen!--Gij hebt immers geen

tanden meer! enz. enz.--Deze mijnheer heette Bamatabois. De vrouw,

een treurige, opgeschikte schim, die heen en weer in de sneeuw ging,

antwoordde hem niet, sloeg zelfs geen blik op hem, maar zette niettemin

stil en met sombere volharding haar wandeling voort, die haar om de

vijf minuten onder hoon en bespotting bracht, gelijk een soldaat,

die door de spitsroeden heen en weder loopt. De weinige uitwerking,

welke hij te weeg bracht, verdroot waarschijnlijk den straatslijper;

hij maakte nu van de gelegenheid gebruik dat de vrouw zich omkeerde,

sloop haar achterna, bukte, nam een handvol sneeuw van de straat en

stak haar die, met een onderdrukt gelach, snel tusschen de bloote

schouders in haar kleed. Het arme meisje slaakte een gil, draaide zich

om, sprong als een panter op den man toe, drukte hem haar nagels in

't gezicht en braakte daarbij de schrikkelijkste woorden, die ooit

van een hoofdwacht in een straatgoot zijn gevallen. Deze scheldnamen,

gebraakt door een van brandewijn schorre stem, waren afschuwelijk

en kwamen uit een mond, waarin werkelijk de twee boven-voortanden

ontbraken. 't Was Fantine.

Op het hierdoor ontstaan rumoer verlieten de officieren ijlings

het koffiehuis, de voorbijgangers bleven staan; er vormde zich een

groote kring, die lachte, hitste en juichte om die twee worstelende

menschen, waarin men met moeite een man en een vrouw kon herkennen,

een man zich verwerende, wiens hoed op den grond was gevallen, en

een vrouw met handen en voeten slaande en schoppende, blootshoofds,

brullende, zonder tanden of haar, paars van woede, afgrijselijk.

Eensklaps trad een man van hooge gestalte uit het gedrang, greep de

vrouw bij haar satijnen keurs, dat met slijk bemorst was, en zeide

barsch: Volg mij!

De vrouw hief het hoofd op; plotseling versmoorde haar woedende

stem. Haar oogen schenen verglaasd, van paars werd zij doodsbleek,

en zij beefde van schrik. Zij had Javert herkend.

Het heertje had van deze gelegenheid gebruik gemaakt om zich uit de

voeten te maken.

De Ellendigen (Deel 1 van 5) · 第 125 / 177 题