Zij was tegen 't einde van den winter uit de fabriek ontslagen;
de zomer ging voorbij, maar de winter kwam terug. Korte dagen,
minder werk. Des winters, geen warmte, geen licht, geen namiddag,
de avond grenst aan den morgen, mist, schemering, het venster is dof,
het geeft geen helder licht. De lucht komt als door een kelderluik. De
geheele dag is een kelder. De zon gelijkt een bedelares. Een akelig
jaargetijde! De winter verandert het water des hemels en het hart
des menschen in steen. Fantine's schuldeischers kwelden haar. Zij
verdiende te weinig. Haar schulden waren toegenomen. De Thénardier's,
die slecht betaald werden, schreven haar elk oogenblik brieven,
wier inhoud haar deed vertwijfelen en wier port haar ruïneerde.
Eenmaal schreven zij haar, dat haar kleine Cosette in deze koude schier
geheel naakt was, dat zij een wollen onderrokje noodig had en de moeder
hiervoor ten minste tien francs moest zenden. Zij ontving den brief,
en frommelde hem den ganschen dag in de handen. Des avonds ging zij
naar een kapper, die aan den hoek der straat woonde, en nam den kam uit
heur haar. De prachtige blonde lokken vielen haar nu tot op de heupen.
"Welk fraai haar!" riep de kapper.
"Hoeveel wilt ge er mij voor geven?" vroeg zij.
"Tien francs."
"Snijd dan maar af."
Zij kocht een gebreid onderrokje en zond het aan de Thénardier's.
Dat onderrokje maakte de Thénardier's verwoed. Zij wilden geld
hebben. Het rokje gaven zij aan Eponine. De arme leeuwerik moest
bibberen als vroeger.
Fantine dacht: Mijn kind lijdt geen koude meer. Ik heb het van mijn
haar gekleed.--Zij zette een mutsje op, dat haar geschoren kruin
bedekte, en waarmede zij nog schoon was.
In Fantine's hart woelde echter een somber gevoel.
Toen zij zag, dat zij zich niet meer kon kappen, begon zij alles
wat haar omgaf te haten. Lang had zij de achting, welke allen vader
Madeleine toedroegen, gedeeld: doch, daar zij gedurig tot zich zelve
zeide, dat hij haar had weggezonden en dat hij de oorzaak van haar
ongeluk was, begon zij ook hem, bovenal hem, te haten. Wanneer zij de
fabriek voorbijging, in de uren dat de werklieden aan de deur stonden,
deed zij moeite om te glimlachen en te zingen.
Een oude werkster, die haar eens op deze wijze zag lachen en zingen,
zeide: "Met dit meisje zal 't nog eens slecht afloopen."
Zij nam een minnaar, den eersten den besten, een man dien zij niet
beminde, uit trotseering en met de woede in het hart. 't Was een
ellendeling, een soort van straatmuzikant, een lediglooper, die haar
sloeg, en haar verliet zooals zij hem genomen had, met afkeer.
Zij aanbad haar kind.
Hoe dieper zij zonk, hoe somberder alles om haar werd, zooveel
te schitterender werd de kleine engel in haar hart. Zij zeide bij
zich zelve:
"Wanneer ik rijk ben, zal ik mijn Cosette bij mij hebben;" en zij
glimlachte. De hoest verliet haar niet meer en teekenen van toenemende
zwakte openbaarden zich.
Op zekeren dag ontving zij van Thénardier een brief van den volgenden
inhoud: "Cosette ligt aan een hier heerschende ziekte; men noemt
ze de gierstkoorts. Zij vereischt dure drankjes en geneesmiddelen,
en wij hebben geen geld om ze te betalen. Zoo ge ons nu binnen acht
dagen geen veertig francs zendt, is het meisje dood."
Zij begon luide te lachen, en zeide tot haar oude buurvrouw: "Die
menschen zijn wel heel vriendelijk! Veertig francs! niet meer! dat zijn
twee gouden Napoleons? Hoe meenen zij dat ik daar aan zal komen? Die
boeren zijn toch dom?"
Zij ging echter naar een vallicht bij de trap en herlas den brief.
Toen ging zij de trap af, en springende en lachende liep zij naar
buiten.
Iemand die haar ontmoette vroeg: wat hebt ge, dat ge zoo vroolijk zijt?
Zij antwoordde: "Menschen van buiten hebben mij een aardige domheid
geschreven. Zij vragen mij veertig francs! Die domme boeren!"
Toen zij het marktplein overging, zag zij een menigte menschen om een
rijtuig van zonderlingen vorm staan, op 't welk een man in 't rood
gekleed, stond te schreeuwen en te oreeren. 't Was een rondreizende
tandendokter en kiezentrekker, die aan het publiek geheele gebitten,
tandpoeders en tincturen te koop bood.
Fantine mengde zich in den groep en lachte evenals de anderen om deze
toespraak, die beurtelings tot het gemeen en tot het meer fatsoenlijk
publiek gericht was. De tandentrekker zag het schoone lachende meisje,
en riep haar eensklaps toe:--Ge hebt fraaie tanden, lieve meid, die
daar lacht. Zoo ge mij uw voortanden wilt verkoopen, geef ik u voor
ieder een gouden Napoleon.
"Welke meent gij?" vroeg Fantine.
"De beide boven-voortanden," antwoordde de kiezentrekker.
"Wel foei!" riep Fantine.
"Twee gouden Napoleons," mompelde een oude vrouw zonder tanden. "Die
meid is waarlijk gelukkig."
Fantine liep heen en stopte haar ooren, om de schorre stem van den man
niet te hooren, die haar nariep:--"Bedenk u, lief kind! twee gouden
Napoleons. Men kan ze gebruiken. Zoo ge lust hebt, kom van avond in
de herberg "Het zilveren schip", waar ge mij vinden kunt."
Fantine kwam geheel verstoord te huis en verhaalde de zaak aan de
goede buurvrouw Margaretha:--"Kunt ge zoo iets begrijpen? Is 't
niet een afschuwelijke kerel? Hoe kan men zulke lieden door het land
laten trekken! Mijn twee voortanden te willen uittrekken! ik zou er
verschrikkelijk uitzien! het haar groeit weder aan, maar de tanden! O,
die gedrochtelijke kerel! ik zou liever uit de vijfde verdieping op
de straat springen! Hij zeide mij, dat hij van avond in "Het zilveren
schip" zou zijn.
"En wat bood hij u?" vroeg Margaretha.
"Twee gouden Napoleons."
"Dat is veertig francs."
"Ja," zei Fantine, "veertig francs."
Zij begon na te denken, en zette zich aan haar werk.
Na een kwartieruurs stond zij op en ging naar de trap om Thénardier's
brief nog eens over te lezen.
Toen zij weder terugkwam, zeide zij tot Margaretha, die naast haar
werkte:
"Wat is dat toch--de gierstkoorts? Weet gij 't?"
"Ja," antwoordde de oude vrouw, "'t is een ziekte."
"En zijn er veel artsenijen voor noodig?"
"O, schrikkelijk veel."
"Welke soort van ziekte is 't?"
"Een kinderziekte."
"Sterft men er aan?"
"Zeer licht," zei Margaretha.
Fantine verwijderde zich en ging nogmaals naar de trap om den brief
te lezen.
Des avonds ging zij uit en men zag, dat zij haar schreden naar de
Parijsche straat richtte, waar de meeste herbergen zijn.
Den volgenden morgen, toen Margaretha, vóór het licht was, Fantine's
kamer binnentrad, want zij werkten te zamen om slechts één kaars
voor haar beiden noodig te hebben, vond zij Fantine bleek en koud
op haar bed zitten. Zij had zich niet te slapen gelegd. Haar muts
lag op haar schoot. De kaars had den geheelen nacht gebrand en was
schier geheel verteerd.
Margaretha bleef op den drempel staan, als versteend door 't gezicht
dezer wanorde en riep:
Mijn hemel! de kaars is bijna geheel verbrand! wat is er toch gebeurd!
Toen zag zij Fantine aan, die haar kaal hoofd naar haar zijde keerde.
Fantine scheen sedert den vorigen avond tien jaren ouder.
"Mijn God!" riep Margaretha; "wat scheelt u, Fantine?"
"Mij scheelt niets," antwoordde Fantine. "Integendeel, mijn kind zal
nu niet aan die vreeselijke ziekte sterven, wegens gebrek aan hulp. Ik
ben tevreden!"
Dit zeggende toonde zij aan de oude vrouw twee gouden Napoleons,
die op de tafel lagen.
"Wel verbaasd!" zei Margaretha. "'t Is voorwaar een schat? van waar
hebt ge dit goud?"
"Ik heb het ontvangen," antwoordde Fantine.
Zij glimlachte terzelfder tijd. De kaars bescheen haar gelaat. 't
Was een afgrijselijke glimlach. Een bloedachtig speeksel bevlekte de
hoeken harer lippen, en in haar mond had zij een donkere opening.
De voortanden waren er uitgetrokken.
Zij zond de veertig francs naar Montfermeil. 't Was overigens slechts
een list van de Thénardier's geweest om geld te krijgen. Cosette was
niet ziek.
Fantine wierp haar spiegel uit het venster. Sedert lang had zij haar
kamertje op de tweede verdieping verlaten voor een dakkamertje, dat
slechts met een klink sloot, een dier hokken, wier zoldering schuins
tegen den grond afloopt en waar gij telkens uw hoofd stoot. De arme
kan evenmin tot het eind van zijn kamertje als van zijn lot komen,
of hij moet zich hoe langer hoe meer krommen. Zij had geen bed meer,
maar nog iets dat zij een deken noemde, een stroomatras op den vloer en
een gebroken stoel. Een rozeboompje, dat zij had, stond verdord in een
hoek, 't was vergeten. In een anderen hoek stond een boterpot, waarin
water was, dat 's winters bevroor, en telkens ijsranden achterliet. Zij
had de schaamte verloren, zij verloor nu ook haar behaagzucht. Het
laatste noodlottig verschijnsel! Zij ging uit met een vuile muts op het
hoofd. Het zij uit tijdgebrek of uit onverschilligheid, herstelde zij
haar linnen niet meer. Zoo de hielen harer kousen versleten waren, trok
zij ze onder den voet verder in den schoen. Men zag dit aan de plooien;
zij lapte haar kleedje met oude stukken katoen, die bij de minste
beweging scheurden. De lieden, wien zij geld schuldig was, maakten haar
"standjes" en lieten haar geen rust. Zij ontmoette ze op de straat,
zij vond ze weder op haar trap. De nachten bracht zij weenend en in
sombere gedachten door. Haar oogen schitterden buitengewoon en zij
voelde voortdurend pijn aan het linker schouderblad. Zij moest veel
hoesten. Zij haatte vader Madeleine diep, maar zij klaagde niet. Zij
naaide zeventien uren daags; maar de aannemer van den arbeid in de
gevangenissen, die de gevangen vrouwen tot zeer lagen prijs liet
werken, verminderde eensklaps het loon, zoodat de vrije naaisters nu
niet meer dan negen sous daags verdienden. Zeventien uren arbeid daags
voor negen sous! Haar schuldeischers waren onmeedoogender dan ooit. De
uitdrager, die schier al het huisraad had teruggenomen, vroeg haar
onophoudelijk: "wanneer zult ge mij betalen, afzetster?" Goede God! wat
wilde men van haar? Zij werd van alle zijden vervolgd en geplaagd,
en in haar natuur ontwikkelde zich iets van een wild dier. Terzelfder
tijd schreef Thénardier haar, dat hij nu gewis lang genoeg geduld met
haar had gehad, en hij dadelijk honderd francs moest hebben, terwijl
hij anders de kleine Cosette op de straat zou zetten, niettegenstaande
zij pas van haar zware ziekte hersteld was, in weerwil der koude,
onverschillig wat van haar worden mocht; dat zij, voor hun part,
kon sterven.--
Honderd francs! dacht Fantine. Maar hoe is het mogelijk honderd sous
daags te verdienen?
"Welaan," zeide zij, "verkoopen wij het overige."
De ongelukkige werd publieke vrouw.